CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Concept Energietransitieplan 2021

Raad Besluitvorming 27 mei 2021, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Concept-Energietransitieplan (inclusief energiemix)15.110 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Buurt- en marktinitiatieven willen we altijd bekijken vanuit het grotere geheel. Dit Energietransitieplan geeft wel concreet weer welke wijken wij tot 2030 collectief willen aanpakken. Dit zijn de collectieve warmtenetwerkwijken waar nu al kansrijke initiatieven zijn. In Pijnacker, de buurt Klapwijk (geothermiebron Pijnacker-Oost en bijdrage aan Programma aardgasvrij) en in Nootdorp, De Venen (geothermiebron Ypenburg en Noukoop). De wijken waarin een individuele oplossing (warmtepomp, WKO) de meest haalbare richting is (Ackerswoude en bedrijventerreinen), zijn veel minder afhankelijk van de bronnen en kunnen daarom ook een eigen planning doorlopen. Dit kan zeker op eigen initiatief van inwoners of gezamenlijke wijken.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

30

Figuur 3.7: Startstrategie warmtetransitie

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

31

3.4.5 Collectieve warmtewijken We lichten hieronder per kern toe hoe we om willen gaan met de collectieve warmtebuurten in de warmtetransitie. Nootdorp Als gemeente richten we ons voor een aantal wijken in eerste instantie op collectieve systemen. Deze systemen zijn meer tijdsgebonden dan semicollectieve en individuele oplossingen. In een deel van Nootdorp ligt reeds een warmtenet waar meer dan 2.000 woningen op zijn aangesloten. Deze woningen ontvangen nu nog haar warmte van gasketels en warmtekrachtkoppelingen (WKK) via het warmtenet Ypenburg van Eneco. Op dit moment voert Eneco gesprekken over de vervanging van de WKK-installaties voor een aansluiting op een nog te ontwikkelen geothermiebron in Ypenburg, dan wel aansluiting op WarmtelinQ+. Een deel van de warmtevraag in het warmtenet wordt al opgewekt door een elektrodeboiler. Deze boiler kan de piekopbrengsten van duurzaam opgewekte stroom uit zon en wind opslaan in de vorm van warm water. Dit scheelt 700.000 kuub gas per jaar. De volgende wijken zouden hiermee ontkoppeld zijn van fossiel gas: •

De Venen Rembrandtpark

•

De Venen Zonnehof

•

De Venen centrum en Laan van Nootdorp

•

Nieuweveen

Naast het overzetten van de warmtebron is het net te verduurzamen door de warmtetemperatuur in het netwerk omlaag te brengen van circa 90°C naar 70°C. Dit heeft als groot voordeel dat er aanzienlijk minder warmte verloren gaat binnen het warmtenetwerk. Niet alle woningen zijn hiervoor geschikt; er kan sprake zijn van onvoldoende radiatoroppervlak in de woning. Daarom zijn we met Eneco in overleg welke acties nodig zijn om de woningen geschikt te maken voor warmtelevering van 70°C. Met het oog op het vervangen van de WKK-installatie is het de ambitie om de woningen voor 2025 duurzaam te verwarmen met aard- en/of restwarmte. Voor de woningen in deze buurten die nog niet aangesloten zijn wordt onderzocht of zij aangesloten kunnen worden op een uitbreiding van het bestaande warmtenet. Voor de overige buurten in Nootdorp zien we veel potentie voor geothermie. Zowel in het glastuinbouwgebied Noukoop, als in het glastuinbouwgebied Dwarskade (5de geothermiebron) is ruimte om naar geothermie te boren. Met het gezamenlijk vermogen van de bronnen zijn de overige buurten in Nootdorp te voorzien in hun basislast warmtevraag. De piekvraag is in te vullen door piekketels. We verwachten dat de piekvraag voor 2050 is in te vullen met waterstof of groengas. De geothermiebron in Noukoop zal volgens planning de komende jaren worden geboord.

Een groot deel van de warmte is in de glastuinbouw af te zetten. Een ander deel zou naar de gebouwde omgeving van Nootdorp kunnen gaan, bijvoorbeeld naar de wijk Achter het Raadhuis. De eerste ervaringen in Klapwijk zijn te gebruiken om ook hier aan de slag te gaan. De verwachting is dat we met de invulling van dit traject beginnen na 2025. Delfgauw Voor Delfgauw lijkt voor de bebouwde omgeving (met uitzondering van Ruijven) een warmtenet het meest kansrijk. De start van het realiseren van het warmtenet is in grote mate afhankelijk van

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

32

beschikbaarheid van restwarmte in Delfgauw. De aansluiting op restwarmte is sterk afhankelijk van de aanleg van WarmtelinQ. Het is op dit moment nog onzeker in welk tempo dit verloopt. Emerald en Oud-Delfgauw kennen circa 3.225 huishoudens. Met de komst van het restwarmtenet na 2030 plannen we Emerald en Oude Delfgauw niet eerder in dan vanaf 2035. De verwachting is dat dit traject minimaal 7 jaar duurt. Als het restwarmtenet eerder komt zullen we eerder aan de slag gaan. Pijnacker De grootste warmtebron in Pijnacker is de aardwarmtebron van Ammerlaan TGI, die nog niet haar volledige capaciteit inzet en hierom wil uitbreiden. Deze uitbreiding zal zich waarschijnlijk richten op de levering aan het glastuinbouwgebied Pijnacker-West (zuid). Hier is reeds de geothermiebron van Duijvestein Tomaten aanwezig. Deze bron heeft niet voldoende vermogen om dit gehele gebied te verwarmen. Daarnaast levert deze bron in eerste instantie duurzame warmte aan de eigen kassen, met een oppervlak van circa 25 hectare. Om Pijnacker-Centrum, Pijnacker-Noord en Koningshof van het aardgas te krijgen met een collectief systeem, is restwarmte nodig. De geothermische potentie van de bron in Pijnacker-Oost is na aansluiting van het glastuinbouwgebied Oost en Klapwijk grotendeels uitgeput.

Ook voor het verduurzamen van de glastuinbouwgebieden Pijnacker-West Zuidpolder, Pijnacker-Noord en PijnackerCentrum is restwarmte noodzakelijk. De inzet van restwarmte in Pijnacker-centrum, dan wel Pijnacker-West Zuidpolder, zal in tandem verlopen met de ontwikkeling van warmtenetten in Delfgauw. Om de buurten Pijnacker-Centrum, Pijnacker-Noord, Koningshof en Vlieland aan te sluiten op een warmtenet is minimaal een tijdsbestek van 10 jaar nodig. Het gaat in totaal om circa 4.100 woningen. In Pijnacker-Noord zijn 543 woningen reeds aangesloten op het warmtenetwerk van Ammerlaan TGI. Het ontkoppelen van deze woningen en deze aansluiten op een alternatieve bron is afhankelijk van het zicht op een bron. Indien restwarmte aan Delfgauw en Pijnacker-West (samen met geothermiewarmte van Ammerlaan TGI) wordt geleverd, dan is het interessant deze leiding door te trekken richting de kern van Pijnacker. Ook is het mogelijk dat de Zuidpolder van Pijnacker-West direct wordt voorzien van een aansluiting. Het is op korte termijn niet de verwachting dat er direct zicht is op een alternatieve warmtebron voor deze buurten. Ook zijn herstructureringen in dit deel van Pijnacker recentelijk doorgevoerd of worden nog doorgevoerd (Koningshof).

De start van de ontkoppeling van deze wijken is net als Delfgauw afhankelijk van de aanleg van het restwarmtenet en zal hiermee waarschijnlijk pas na 2030 starten, maar zal uiterlijk voor 2040 moeten zijn afgerond. In figuur 3.8 op pagina 31 is de fasering voor de warmtebuurten te zien. Bij de aanleg van warmtenetten in het glastuinbouwgebied is het uitgangspunt dat ook de tuinderswoningen op dit netwerk aansluiten. De startdatum is het vroegste tijdstip voor de daadwerkelijke realisatie van het netwerk. De uiterlijke gereedheidsdatum is de ambitie die we onszelf opleggen. In 2040 hopen we de opgave voor alle warmtebuurten te hebben voltooid.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

33

Dit geeft ons tijd om ook de wijken waarin een collectieve warmteoplossing niet voor de hand ligt, tot 2050 te ondersteunen met de overschakeling naar een alternatieve warmtebron. De planning hieronder is ambitieus, maar met een goede planning, wil, een gezonde dosis doorzettingsvermogen en gedegen afspraken met het warmteveld, allerminst onmogelijk.

3.4.6 WKO en/of LT warmtenet In deze paragraaf is per kern toegelicht hoe we om willen gaan met buurten die overstappen naar semicollectieve warmtesystemen in het kader van de warmtetransitie. Semicollectieve systemen zijn vooral interessant voor de utiliteit, winkels en goed geïsoleerde huizen. Door de kleinschaligheid van semicollectieve systemen zullen deze ook interessanter zijn voor wijken die deels wel en deels geen warmtepompen kennen. De collectieve warmtesystemen vallen onder de warmtewet. Dit betekent dat de gemeente de warmtewet procedure moet doorlopen. Als sprake is van opdeling in kleine netten van minder dan 1500 kleinverbruikers, dan kan de gemeente ontheffing verlenen. De gemeente moet afwegen of er sprake is van ‘cherry picking’, (alleen de meest voordelige woningen in een buurt aansluiten). De gemeente moet nauw de planning afstemmen met Stedin. Voorwaarde is wel dat het landelijk flankerend beleid zodanig is, dat sprake kan zijn van woonlastenneutraliteit. Hoe ouder de woning, hoe meer geld erbij moet en hoe moeilijker het kan zijn voor bewoners om over te stappen. Bewoners en bedrijven zouden zelf het tijdstip kunnen bepalen. Hierdoor kunnen initiatieven van onderop ontstaan.

3.4.7 Keuzebuurten We beschikken in de gemeente Pijnacker-Nootdorp ook over buurten waar uit de modellen geen uitgesproken voorkeur is voor een warmtetechniek. Voor deze buurten liggen de kosten van verschillende warmtesystemen dicht bij elkaar. Deze wijken zijn goed geïsoleerd, maar zijn vaak niet gebouwd om direct met lage temperatuur (35°C) te verwarmen. Ook hebben deze wijken een lage warmtedichtheid, waardoor een warmtenet hier betrekkelijk duur is. Om te komen tot een keuze voor een warmtesysteem is het van belang alle opties open te houden. Dit betekent dat we het traject opstarten als de betreffende wijken zijn aan te sluiten als uitbreiding op een bestaand warmtenet. De wijken die hiervoor in aanmerking komen zijn de woningen in De Venen die nog niet zijn aangesloten op het warmtenet van Eneco, evenals de woningen in PijnackerZuid. Beide wijken kunnen functioneren als uitkoelingswijken voor de warmtebuurten, maar zijn ook met andere bronnen te verwarmen. Welke oplossing kostentechnisch het beste is, weten we nu nog niet. De ambitie is om de keuze voor deze wijken te maken als het warmtenet in de naastgelegen warmtebuurten is gerealiseerd, dan wel verduurzaamd. In de onderstaande tabel is te zien welke woningen.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

34

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

35

Figuur 3.8: Fasering warmtetransitie Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

36

4 KOERS ELEKTRICITEIT Naast de verduurzaming van de warmteopgave is er nog een opgave in de energietransitie in Pijnacker-Nootdorp: het verduurzamen van de elektriciteitsvraag. Is er lokaal en in de regio genoeg duurzame warmte beschikbaar? Het antwoord is simpel: nee. Het is bijna niet mogelijk om lokaal of regionaal alle elektriciteit duurzaam op te wekken die we gebruiken, of het gaat ten koste van andere grote maatschappelijke waarden, zoals het landschap. Dit vraagt dus om het maken van scherpe keuzes. Het opwekken van elektriciteit heeft in tegenstelling tot warmte een (grote) ruimtelijke impact. Zeker omdat we weten dat we alleen met zon op dak de gestelde ambities niet kunnen halen. Gezien deze ruimtelijke impact, is ook meer afstemming nodig met onder andere de omgevingsvisie.

4.1

UITGANGSPUNTEN VAN DE KOERS ELEKTRICITEIT

Figuur 4.1: Trias Energetica elektra

4.1.1 Beperk de elektriciteitsvraag zoveel mogelijk In hoofdlijnen geldt ook voor elektriciteit de trias energetica. Stap 1 blijft: het besparen van de vraag. In onze gemeente gaat het daarbij om twee aspecten. Ten eerste: het gebruik van minder elektriciteit door zuiniger apparatuur. Hier is nog veel winst te behalen. Ook gedragsbeïnvloeding kan bijdragen aan de reductie van de elektriciteitsvraag. Ten tweede: het zo min mogelijk elektrificeren van de warmtevraag als er andere haalbare oplossingen mogelijk zijn, zoals we in het vorige hoofdstuk over warmte hebben uitgelegd. Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

37

In de glastuinbouw lopen diverse trajecten om zuiniger om te gaan met elektriciteit. Deze zijn met name gericht op de verlichting. LED-toepassingen helpen daarbij. Daarbij is wel de besparing door toepassing van de zuinige Ledlampen ingezet voor intensiever belichten, waardoor het nettorendement van het besparen deel te niet wordt gedaan. Een andere ontwikkeling is dat we steeds meer elektrisch gaan rijden. Dit zal ook een groei van het verbruik betekenen. Daarom zien we in de totale vraag nauwelijks een daling. Maar zonder alle maatregelen zou het verbruik dus enorm toenemen.

4.1.2 Wek elektriciteit zoveel mogelijk lokaal en duurzaam op Elektriciteit is, in tegenstelling tot warmte, goed te transporteren over grote afstand. Dit ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om zoveel mogelijk lokaal op te wekken. De transportcapaciteit is beperkt en heeft ook een ruimtelijke impact. Dat zien we aan de 380 KV leiding van Tennet. Als we lokaal op een duurzame manier elektriciteit opwekken en dat direct gebruiken, scheelt dit dus extra transportleidingen en draagt dit bij aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

4.1.3 Importeer de resterende elektriciteits-vraag duurzaam Uit de RES blijkt dat we in de regio tot 2030 nog flink wat meer duurzame elektriciteit kunnen opwekken. Maar bij lange na niet voldoende voor de totale vraag in de regio. Tot 2030 is het streven om zo’n 27,5% van het verbruik duurzaam in de regio op te wekken. Het is van belang aandacht te besteden aan de match tussen opwek en gebruik op regionaal niveau. Dit om te voorkomen dat we dure infrastructuur moeten aanleggen.

4.1.4 Met draagvlak Omdat grootschalige opwek ruimtelijke impact heeft, is het noodzakelijk om samen te werken en draagvlak te creëren. In regionaal verband is samenwerking nodig om tot afstemming van de plannen te komen. En op lokaal niveau hebben we draagvlak nodig om te komen tot haalbare plannen. Juist bij lokale duurzame opwek van energie is het mogelijk om lokaal eigendom in te zetten, waardoor de lasten en de revenuen terugvloeien naar de lokale gemeenschap.

4.2

ACHTERGRONDEN VAN DE ELEKTRICITEITSKOERS

4.2.1 Huidige Elektriciteitsvraag In onze gemeente hebben we een relatief grote elektriciteitsvraag ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Circa 35% van de elektriciteitsvraag komt vanuit de glastuinbouw. De totale elektriciteitsvraag in de gemeente bedroeg in het peiljaar 2019 1.114 TJ. In 2019 wekten we in Pijnacker-Nootdorp met z’n allen met zonnepanelen 56 TJ duurzame elektriciteit op. Dit is iets meer dan 5% van de totale lokale vraag. Dit cijfer ligt aanzienlijk lager dan het landelijk gemiddelde van 25%, maar daar is ook wind op zee in verwerkt. We zien de laatste jaren een aanzienlijke stijging van het lokaal opgewekte aandeel duurzame elektriciteit. Tussen 2017 en 2019 is de opwek duurzame elektriciteit gegroeid van 22 TJ naar 56 TJ. Hiermee hebben we als gemeente een inhaalslag ingezet, zeker het faciliteren van zon op dak bij bedrijventerreinen heeft hieraan bijgedragen.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

38

4.2.2 Toekomstige elektriciteitsvraag De verwachting is dat de elektriciteitsvraag de komende jaren met circa 245 TJ zal toenemen tot 1.355 TJ in 2030, in 2040 is de vraag berekend op 1.500 TJ en in 2050 is de vraag berekend op 1.450 TJ. Dat de vraag naar elektriciteit in de gemeente groeit, heeft twee primaire oorzaken: •

De gemeente groeit in woningaantallen, aantal bedrijven en voorzieningen.

•

Elektrificatie, ofwel we zetten elektriciteit veelzijdiger in dan we nu doen, zo gaan we steeds meer elektrisch rijden en elektrisch verwarmen met warmtepompen en geothermie.

Voor een deel is de energievraag al geëlektrificeerd, doordat de twee geothermiebronnen jaarlijks ongeveer 45 TJ elektriciteit gebruiken. De verwachting is dat we in 2050 ongeveer 340 TJ elektriciteit gebruiken voor doeleinden waar we nu gas of een brandstof voor gebruiken. Op de langere termijn daalt de elektriciteitsvraag weer. Apparaten zijn dan zuiniger en slimmer, de bevolkingsaantallen stabiliseren en de woningbouw in Pijnacker-Nootdorp zal afnemen. De verwachting is dat de afname van de vraag groter is dan de stijging van de vraag door ontwikkeling en elektrificatie per 2040.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

39

Figuur 4.2: Vraag elektra

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

40

4.3

DE ELEKTRICITEITSMIX

De onderstaande energiemix is afgestemd met de uitgangspunten die in de Regionale Energiestrategie 1.0. (RES) is aangegeven. De scope van de RES is 2030. Inzet vanuit de RES is om in 2030 circa 27,5% in de regio zelf op te wekken. Dit is een enorme ambitieuze opgave voor de regio, maar zeker ook voor ons. Zeker gezien ons huidige aandeel lokaal opgewekte duurzame elektriciteit van 5%. Het streven is om circa 60% van onze elektriciteitsbehoefte lokaal op te wekken in 2050. Tegelijkertijd is het besef ook dat we realistisch moeten blijven. Zeker omdat we ten aanzien van duurzame opwek van elektriciteit grotendeels een regisserende, stimulerende en faciliterende rol hebben. Uitvoering ligt bij bewoners, bedrijven en andere partijen zoals bijvoorbeeld de energiecoöperatie. Inzet is dus om ons in te spannen om zoveel mogelijk duurzame elektriciteit lokaal op te wekken. Gezien de ruimtelijke opgave (kwantitatief en kwalitatief), is het niet reëel om te veronderstellen dat het haalbaar is om met de huidige technieken aan de gehele vraag te voldoen. We moeten inzetten op een gemeente waar een goede balans is gerealiseerd tussen energieambities, landschap, recreatie, natuur, wonen, werken en mobiliteit. De opgave en oplossingsrichtingen zijn daarom ook in goede afstemming met de Omgevingsvisie tot stand gekomen.

Ook wetende dat we altijd voor de elektriciteitsvraag een beroep moeten doen op de regio en daarbuiten. Dit ontslaat ons niet van de taak om ons in te spannen om zoveel mogelijk zelf op te wekken. Energetisch is dit ook het beste. Koppeling tussen lokale opwek en verbruik bespaart opslag- en transportverliezen, al zijn deze een stuk lager dan bij warmte. Het is onze ambitie om in 2050 circa 60% van onze elektriciteitsbehoefte zelf lokaal op te wekken. Dit is ambitieus, maar niet onrealistisch. Voor de duidelijkheid, dit willen we vooralsnog bereiken zonder windenergie. We houden er wel rekening mee dat de stijging van de opbrengst per vierkante meter zonnepaneel ook de komende jaren doorzet. Dit sluit aan bij de trendrapporten. We formuleren voor onszelf de ambitie om 23% van ons eigen elektriciteitsgebruik lokaal zelf op te wekken in 2030. Ook dit is een enorme opgave. Dit betekent dat we met elkaar alle zeilen moeten bijzetten om deze ambitie waar te maken. De invulling van de elektriciteitstransitie vraagt om scherpe keuzes, die niet altijd gemakkelijk zijn. We willen wel onze verantwoordelijkheid nemen. Vandaar dat we wel flinke ambities hebben. Op basis van de uitgangspunten maken we de keuze om ons in te spannen om zoveel als ruimtelijk mogelijk is, duurzame elektriciteit lokaal op te wekken. We beginnen altijd met het besparen van de elektriciteitsvraag.

Daar is nog veel winst te behalen. Zowel in de gebouwde omgeving als bij de tuinbouw. Daarnaast weten we dat de elektriciteitsvraag zal stijgen door de elektrificatie van bijvoorbeeld een deel van de warmtevraag en mobiliteit. We hebben eerder in dit Energietransitieplan aangegeven dat we de warmtevraag zo min mogelijk willen elektrificeren, maar helemaal voorkomen lukt niet. De stijging van de elektriciteit zal mede daardoor met name na 2030 plaatsvinden. Dit komt omdat we na 2030 meer prioriteit gaan geven aan de wijken waar warmtenetten geen oplossing kunnen bieden voor de warmtetransitie. We zetten vooralsnog alleen in op zon. Het binnen de gemeentegrenzen opwekken van duurzame elektriciteit door middel van windmolens kan niet rekenen op breed draagvlak vanuit de bewoners en bedrijven. Dit bleek uit het participatietraject. We gaan dus aan de slag met zon. Om de ambities in het zicht te houden, moeten we alle zeilen bijzetten. Dit betekent dat wij onder strikte voorwaarden wel zon op land mogelijk willen maken. Uit het participatietraject bleek dat dit ook niet op groot Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

41

draagvlak kan rekenen. Met de inzichten van nu zijn alleen onze ambities te halen als we zon op land onder voorwaarden mogelijk maken. We nemen onze verantwoordelijkheid en blijven daarmee zoveel mogelijk in de pas lopen met de regio. Zo houden we ook regie op onze opgave. Om de ambities in het zicht te houden, moeten we de verschillende mogelijkheden parallel benutten. Dat geldt voor de korte termijn, maar ook voor de langere termijn. Via de volgende lijnen gaan we invulling geven aan de elektriciteitsmix. 1. Zon op dak (200 TJ/670 TJ) We zetten zwaar in op zon op dak. Hiermee is relatief eenvoudig en zonder noemenswaardige inbreuk op de ruimtelijke kwaliteit veel duurzame elektriciteit op te wekken. Uit het participatietraject blijkt ook dat dit op brede maatschappelijk steun kan rekenen. Het biedt daarnaast ook voor de bewoners en bedrijven de meeste garantie voor een robuust, betaalbaar, haalbaar en eerlijk verhaal. 2. Transitiegebieden (30 TJ/0) De transitiegebieden die op (middel)lange termijn van functie gaan veranderen, kunnen interessant zijn om tijdelijk te gebruiken voor zonnevelden. We zien dat percelen in deze gebieden veelal jaren braak liggen, voordat er gebouwd gaat worden. Dat is een kans voor een tijdelijke functie. Een termijn van 25 jaar moet dan wel verzekerd zijn. 3.

Zon op parkeerplaatsen (4 TJ/6,5 TJ) We hebben gekeken naar de potentie van grootschalige parkeerplaatsen. Dit kost geen extra ruimte. Ook al zijn er niet veel grote parkeerplaatsen, we willen dergelijke locaties toch oppakken. Alle kleine beetjes helpen. 4. Zon op waterbassins (10 TJ/15 TJ) Veel glastuinbouwbedrijven hebben grote waterbassins. Op dit moment loopt een aantal experimenten om op deze waterbassins zonnepanelen te plaatsen. De ruimtelijke impact van deze oplossing is nihil en kan dus op breed draagvlak leunen. De technische- en financiële haalbaarheid zijn op dit moment nog wel een vraag. We zetten toch al in op deze oplossingsrichting. Inzet is om ongeveer 25% van de grootschalige waterbassins in 2030 te benutten. 5. Zon op overhoeken (12 TJ/25 TJ) Zowel in de glastuinbouwgebieden als langs infrastructuur zijn er zogenoemde overhoeken. Een overhoek is een perceel grond waarvan de oorspronkelijke bestemming praktisch gezien, om verschillende redenen, niet meer is te realiseren. Op deze gronden is gebruik voor het plaatsen van zonnepanelen te overwegen. Het gaat veelal om reststroken langs infrastructuur en in gastuinbouwgebieden. Het gaat om relatief kleine percelen (< 1 hectare tot een maximum van 2 hectare). We realiseren ons dat deze gronden voor initiatiefnemers van zonnevelden niet altijd exploitabel zijn te maken.

Onder nader uit te werken voorwaarden willen we eigenaren van deze percelen deze ruimtes toch zoveel mogelijk laten benutten voor het opwekken van duurzame elektriciteit.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

42

6. Zon op land (50 TJ/200 TJ) Uiteindelijk is onze inzet ook om zon op land in de glastuinbouwgebieden onder voorwaarden mogelijk te maken. Deze voorwaarden willen we met partners in het veld zo snel mogelijk nader uitwerken. Het mag duidelijk zijn dat zonnevelden niet de herstructureringsopgave in de glastuinbouw mogen belemmeren, niet op de korte termijn, maar ook niet op de lange termijn. Tegelijkertijd zien we ook dat na herstructurering met een gelijkblijvend areaal, grond overblijft. Uit onderzoek in het kader van het Werkboek-Oostland (2018) blijkt dat in Pijnacker-Nootdorp uiteindelijk 150 hectare netto ruimte voor andere functies beschikbaar kan komen na herstructurering. Dit biedt kansen om een deel van deze gronden dan in te zetten voor de energietransitie. Maar ook op andere manieren zijn er mogelijkheden. Vanuit de verantwoordelijkheid die wij als gemeenten nemen binnen de energietransitie, lokaal en in de regio, achten wij het haalbaar om tot 2030 circa 15 hectare in de glastuinbouw vrij te spelen voor zonnevelden en tot 2050 maximaal 50 hectare. Naast opwek van duurzame elektriciteit is een bescheiden rol weggelegd voor opwek via biovergisting; van het gas dat dit op kan leveren, is via een WKK duurzame warmte en elektriciteit te maken.

Vanuit de tuinbouw, de veehouderij en overig plantaardig materiaal uit de gemeente, is voldoende op te wekken, te weten circa 10 TJ. Wij voorzien dat de combinatie van zonne-energie en bio-vergisting in 2030, circa 23% van de elektriciteitsvraag in Pijnacker-Nootdorp kan leveren. De grootste uitdaging vormt het verkrijgen van intern- en extern draagvlak voor maatregelen die het landschap veranderen. Dit maakt dat de doelstellingen voor elektriciteit lager zijn dan voor warmte. De gemeente kan binnen haar grondgebied immers simpelweg niet zomaar gronden aanwijzen voor de opwek van elektriciteit. De gemeente is afhankelijk van vele partijen en eigenaren om stap voor stap te werken aan het behalen van de ambities. Het huidige elektriciteitsnet in onze gemeente is uitgelegd op basis van de potentiële vraag. Door de dichtbebouwde regio waarin wij liggen, is het elektriciteitsnet bijna overal voldoende robuust om de regionale opgaven zonder noemenswaardige aanpassingen uit te voeren. Ook in de glastuinbouwgebieden ligt bijna overal een robuust elektriciteitsnetwerk. In onze gemeente zijn dan ook voldoende aansluitmogelijkheden voor zonnevelden op het middenspanningsnet of laagspanningsnet. In enkele gevallen zijn wellicht extra nieuwe kabels nodig. Stedin heeft in een

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

43

eerste oriënterend gesprek aangegeven dat deze in de elektriciteitsmix geformuleerde ambitie prima is te realiseren. Mits vroeg genoeg aangekondigd, zodat het net hierop lokaal is aan te passen en hier in het investeringsprogramma rekening mee is te houden. Dit vergt wel tijd. Voor het aansluiten van grotere zonnevelden, 10 hectare of meer, moet rekening gehouden worden met 5-7 jaar.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

44

Lokale

2019

2030

2040

2050

potentie Vraag Glastuinbouw

390 TJ

370 TJ

410 TJ

390 TJ

Wonen

230 TJ

310 TJ

340 TJ

315 TJ

Commerciële utiliteit

198 TJ

280 TJ

310 TJ

300 TJ

Openbare gebouwen

65 TJ

70 TJ

80 TJ

70 TJ

Publieke voorzieningen

231 TJ

325 TJ

360 TJ

375 TJ

1.114 TJ

1.355 TJ

1.500 TJ

1.450 TJ

56 TJ

200 TJ

425 TJ

670 TJ

Zon op bassins

0 TJ

10 TJ

15 TJ

15 TJ

Zon op parkeerplaatsen

0 TJ

4 TJ

6,5 TJ

6,5 TJ

Zon op transitiegebieden

0 TJ

30 TJ

30 TJ

0 TJ

Zon op overhoeken

0 TJ

12 TJ

20 TJ

25 TJ

500 TJ (2050)

0 TJ

50 TJ

100 TJ

170 TJ

161-243 TJ

0 TJ

0 TJ

0 TJ

0 TJ

20 TJ

0 TJ

10 TJ

10 TJ

10 TJ

56 TJ

316 TJ

606 TJ

896 TJ

5%

23%

40%

62%

Totaal Opwek Zon op dak

Zon op land (glastuinbouw) Wind op land

700 TJ (2050)

Biogasproductie Totaal Percentage duurzaam Tabel 4.1: Elektriciteitsmix Lokaal eigendom

Wij geloven in lokaal eigendom van de opwek van duurzame elektriciteit. Dit is goed voor het draagvlak maar bovenal zien wij, gezien onze strategie met een mix van veelal relatieve kleine oplossingsrichtingen, de kans voor lokaal eigenaarschap als belangrijke voorwaarde voor de haalbaarheid. Kleinere zonneparken zijn namelijk bij uitstek geschikt voor een aanpak van onderop, met draagvlak en een directe betrokkenheid van de lokale omgeving. Dit geldt zeker voor projecten in de glastuinbouwgebieden. Kleine en lokale zonneparken zijn daarmee een kans om de acceptatie van zonneparken in de directe omgeving en duurzame energie in het algemeen te vergroten. Uitgangspunt voor ons is dat minimaal 80% van de lokale opwek door zon op veld lokaal gefinancierd moet zijn. Hierdoor komen de lasten en de baten lokaal terecht. Wij leggen de lat daarmee hoog, maar tegelijkertijd vergroot dit het draagvlak voor de lokale opwek van duurzame energie. Dit is ook een vele male hogere ambitie dan in het Klimaatakkoord is gesteld (50%). De reden is dat veel glastuinbouwbedrijven waarschijnlijk op eigen grond, gezamenlijk via energiecoöperaties of individuele particulieren, willen investeren in duurzame opwek van elektriciteit. Dit willen we stimuleren en lokaal eigendom ook als voorwaarde meegeven. Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

45

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

46

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

47

Figuur 4.3: Elektriciteitsmix

5 HOE VERDER 5.1

ALGEMEEN

Het concept Energietransitieplan zal door de raad worden vastgesteld om ter inzage worden gelegd. In november van 2021 bieden we het Energietransitieplan voor besluitvorming aan de raad aan. Het Energietransitieplan staat aan het begin van een lange termijn om onze ambitie te behalen. Het is een visie die de beste richting is van dit moment. De technieken en wet- en regelgeving ontwikkelen zich snel op zowel lokaal-, regionaal-, landelijk-, Europees- en op wereldniveau. Het Energietransitieplan actualiseren we daarom minimaal één keer per 5 jaar en jaarlijks zullen we de raad informeren over de voortgang. De uitvoeringsprogramma’s voor warmte, elektriciteit en mobiliteit geven richting aan de korte termijn activiteiten binnen 5 jaar die onze ambities ondersteunen en activeren. Voor de organisatie, rollen en verantwoordelijkheden (governance) rondom de warmte als nieuwe (nuts)voorziening, is een eerste aanzet gegeven. Dit is de start van de verkenning met de raad naar de gemeentelijke mogelijkheden; deze maken nu geen onderdeel uit van besluitvorming. De gehele energietransitie ondersteunen we door de bewustwordingscampagne “Met Energie Aan de Slag”. We kunnen het niet alleen, de energietransitie is van ons allemaal. Alle eigenaren binnen onze gemeente beslissen zelf over de maatregelen die ze nemen in het kader van de energietransitie.

5.2

MONITORING, STURING EN VERANTWOORDING

Het college stelt een uitvoeringsprogramma op en rapporteert de raad elk jaar over de voortgang van de ambities en stuurt bij indien nodig. We stellen voor om te rapporteren middels een nog op te stellen voortgangsrapportage, dit in de lijn van de rapportages over de gemeentelijke grondexploitaties. We sturen op de tussenstappen voor 2030, 2040 en 2050.

5.3

UITVOERINGSPROGRAMMA ENERGIE

Waar het Energietransitieplan een visie op middellange termijn is, is een uitvoeringsprogramma de richting voor de komende jaren. We stellen voor om een uitvoeringsprogramma energie op te stellen. De belangrijkste disciplines die hierin zijn opgenomen zijn warmte, elektriciteit en mobiliteit. De eerste aanzet voor het uitvoeringsprogramma zal dit jaar opgesteld worden. In het uitvoeringsprogramma wordt mede aangegeven op welke wijze we als gemeente omgaan met de aanwijzing van warmtebedrijven binnen onze gemeente. De controversieel verklaarde Wet collectieve warmtevoorziening geeft hieraan richting. Deze is uiteraard nog niet vastgesteld en is daarmee onzeker. In het traject governance warmte (5.5) wordt ongeacht de nieuwe wet verkend wat de vooren nadelen zijn van de verschillende modellen en wat voor onze gemeente de meest logische- en begaanbare aanwijzing is.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

48

5.4

BEWUSTWORDINGSTRAJECT “MET ENERGIE AAN DE SLAG” EN PARTICIPATIE

In het Participatieplan dat in september 2019 is vastgesteld, is aangegeven dat we zoveel mogelijk inwoners van Pijnacker-Nootdorp mee laten denken over wat er in de komende jaren nodig is om in 2050 een energie neutrale gemeente te kunnen zijn. Het bewustwordingstraject “Met Energie Aan de Slag” is gestart. Het traject is gebaseerd op het informeren, inspireren en activeren. Tussentijds is dit plan passend gemaakt om tijdens de corona-maatregelen door te gaan met dit traject. We hebben de eerste webinars over warmte gehouden. Uit deze webinars is een groep ambassadeurs gevormd (circa 42 deelnemers) die intensiever bij deze opgave willen worden betrokken. Na vaststelling van het concept Energietransitieplan willen we de samenleving informeren over de inhoud van het Energietransitieplan, zodat zij in de gelegenheid gesteld worden om zienswijzen te kunnen indienen. Enerzijds algemene informatie aan de gehele samenleving, anderzijds gaan we de diepte in met de groep ambassadeurs. Met deze laatste groep gaan we ook het gesprek aan over de wijze waarop we deze groep betrekken bij het vervolg van het proces.

5.5

GOVERNANCE

Nu de richting van de koers in hoofdlijnen is neergelegd (“wat-vraag”), rijst de vraag hoe we dit kunnen bereiken. Vele partijen (overheid, semi- overheden, privaat/markt en bewoners vanuit de vraag- of aanbodzijde) zijn betrokken. Er is niet één partij aanwezig die de gehele warmtetransitie kan vormgeven. Er is dus sprake van een wederzijdse afhankelijkheid tussen partijen. Ook is er sprake van een publiek belang: duurzaamheid en rechtszekerheid, leveringszekerheid, keuzevrijheid en de betaalbaarheid voor burgers en bewoners. Onderscheid moeten we ook maken tussen de verduurzaming van de elektriciteitsvraag en de warmtevraag. Het elektriciteitsnet (nationaal en lokaal) is in handen van de overheid. Private partijen kunnen energie aan het net leveren, alsook energie afnemen. Ondanks dat dit netwerk beperkt is, is de rolverdeling redelijk helder voor de partijen. Warmte is een veel lokaler product en kent (nog) geen duidelijke (wettelijke markt) ordening. De vraag is vervolgens of de markt bereid is en in staat kan worden gesteld om de doelen tijdig te halen. Eveneens is het de vraag of een overheid die alleen faciliteert voldoende sturing kan geven. En zo zijn er nog vele vragen.

Met het oog op de bestaande ontwikkelingen en de nadrukkelijke vraag om een actievere rol van de overheid vanuit de markt in de energietransitie, is niet anders te concluderen dan dat de huidige rolopvatting van de overheid geen recht doet aan de invulling van de behoefte, noch dat deze de publieke doelstellingen voldoende waarborgt. De warmtetransitie is vooralsnog te complex en te groot (in omvang en kosten) om alleen over te laten aan de markt. Zeker als het gaat om de verduurzaming van de warmtevraag. Dit vergt, zeker in dit stadium, dat overheden (gemeenten, provincies en de rijksoverheid) het voortouw moeten nemen om (warmte)plannen te maken en zo mogelijk mee te financieren. Het wil niet zeggen dat overheden tot in de exploitatiefase moeten blijven participeren. Maar wat dan wel? Op welke wijze en in welke mate dit zal moeten gebeuren, is nu nog niet aan te geven en zal per planfase anders kunnen zijn.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

49

Separaat aan dit Energietransitieplan gaan we de mogelijkheden aangaande de governance uitwerken. De afgelopen tijd hebben we een marktconsultatie door Nederland gemaakt en ons oor te luisteren gelegd bij andere gemeenten en andere (mark)partijen om te leren van hun ervaringen. Inzet is om bij het vaststellen van het Energietransitieplan een voorstel op hoofdlijnen te doen over de richting van het gewenst sturingsmodel voor de uitrol van warmtenetten in onze gemeente.

5.6

FINANCIERING EN HAALBAARHEID

De energietransitie moet betaalbaar en haalbaar zijn. Dit is een zeer belangrijk uitgangspunt van de energietransitie, dat is vastgelegd in het klimaatakkoord. We weten dat de kosten voor de energietransitie hoog zijn. Het uitrollen van warmtenetten, aansluiten van woningen, aanpassingen in de woningen en alle andere zaken die te maken hebben met de energietransitie kosten heel veel geld. Tegelijkertijd hebben we ook in het klimaatakkoord afgesproken dat de inzet is om dit woonkostenneutraal te doen. Ofwel de kosten voor de bewoners en bedrijven mogen niet hoger worden dan zij anders kwijt waren aan de levering van aardgas. Dit uitgangspunt is belangrijk om draagvlak te creëren voor de energietransitie. We moeten alle zeilen bijzetten om de energietransitie betaalbaar te houden. Zonder rijkssubsidies, bijdragen, wet- en regelgeving en alle andere instrumenten komen we er niet. Op rijksniveau wordt hier wel aan gewerkt, maar vele instrumenten zijn nog niet gereed. Het vormt op dit moment een groot risico om echt aan de slag te gaan en te versnellen. Zonder garanties vooraf kunnen wij geen afspraken maken, bewoners overtuigen en versnellen. We kunnen wel voorbereidende werkzaamheden doen. En als de kans zich voordoet projecten indienen. Zo zijn we ook te werk gegaan met de aanvraag van aardgasvrij Klapwijk.

Met deze bijdrage van het Rijk is het wellicht mogelijk om een groot deel van de woningen in Klapwijk aardgasvrij te maken en de woonkostenneutraliteit te garanderen. De kosten van de energietransitie in de glastuinbouw houdt op dit moment versnelling tegen. Aanvullende instrumenten zijn nodig om ook de glastuinbouw fossielvrij te krijgen. Daarnaast maken wij ons hard dat de wet- en regelgeving een adequaat handelingskader geeft voor overheden en bewoners en bedrijven voldoende bescherming biedt. De komende jaren wordt duidelijk hoeveel wij als Nederland beschikbaar willen en kunnen stellen om de afspraken die we in het Parijsakkoord hebben ondertekend en uitgewerkt zijn in het Nationaal klimaatakkoord na te komen. We weten dat de gemeenten niet alleen naar het Rijk kijken als het gaat om aanvullende financiële middelen. We gaan nader bekijken op welke wijze wij als gemeente een bijdrage kunnen leveren aan de energietransitie. Op dit moment doen we dat al met de duurzaamheidslening. Dit revolterende fonds voorziet een deel van de behoefte van onze inwoners.

5.7

PLANNING

Een transitie laat zich niet makkelijk plannen. Een transitie is meer dan een proces. Dat klinkt misschien wat abstract. Het komt erop neer dat een transitie een structurele verandering is van op elkaar inwerkende- en elkaar versterkende ontwikkelingen vanuit verschillende invalshoeken. Het verloop en het resultaat van transities laat zich aan de voorkant dan ook niet gemakkelijk voorspellen

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

50

laat staan strak plannen in de tijd. Naast de samenwerkende overheden heeft de energietransitie direct invloed op ons leven van alle dag. Het gaat niet alleen om transitie van de fysieke omgeving, maar ook van gedrag. We weten allemaal dat gedrag lastig is te veranderen. De energietransitie lijkt tot nu toe vooral ingestoken te zijn vanuit een financieel technisch oogpunt. Psychologische factoren lijken echter ook een grote rol lijken te spelen bij het nemen van maatregelen. Uit de enquête die we hebben gehouden, blijkt ook dat bewoners opzien tegen het gedoe dat gepaard gaat met een groene maatregel. Wij als gemeenten kunnen de ambitie van de energietransitie niet alleen realiseren. Wij zijn simpelweg niet overal de beslisser in de verduurzamingsopgave. Bewoners, bedrijven, grondeigenaren hebben het recht hun eigen keuzes hierin te maken. De gemeente faciliteert, regisseert of kan een hele actieve rol hebben, dit is afhankelijk van de oplossingsrichtingen en het maatschappelijk belang hierin. De fasering en planning van de realisatie hebben we niet in eigen hand. Wel kunnen we in de voorwaarden sturen, beleidsmatig, informeren over de mogelijkheden, stimuleren en uiteindelijk activeren. Dit doen we al op bescheiden wijze, maar de inzet moet groter en zichtbaarder zijn om de opgave waar te maken.

Conclusie is dan ook dat we stap voor stap de energietransitie gaan doorlopen, samen met de gemeenschap. Dit eerste Energietransitieplan geeft op hoofdlijnen een beeld hoe wij als gemeente, na overleg met vele belanghebbende, denken de energietransitie in gang te zetten. We hebben in de transitievisie warmte de meest waarschijnlijke planning en fasering opgenomen, afhankelijk van de beschikbaarheid van bronnen en financierbaarheid. Het geeft enig perspectief voor ons handelen in de komende jaren maar ook voor bewoners en bedrijven. We zullen om de vijf jaar dit Energietansitieplan tegen het licht houden en bijsturen. Zodat we met de beste kennis en kunde de transitie gezamenlijk doormaken richting een fossielvrije gemeente in 2050.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

51

BIJLAGEN Dismatch De vraag naar elektriciteit is opgebouwd uit een basislast (gehele jaar) en een pieklast (winter). In tegenstelling tot warmte kent de elektriciteitsvraag ook over de dag piektijden (ochtend tussen 7 en 9 en het begin van de avond) en daluren (nacht en rond het middaguur). De elektriciteitsvraag fluctueert ook met de seizoenen. Bij elektriciteit is deze niet zo extreem als bij warmte. We spreken hier alleen van een basis- en een pieklast. Van belang is om bij de invulling van de elektriciteitsvraag en –aanbod rekening te houden met het ontstaan van een grote disbalans tussen opwek en gebruik (Figuur 9). Met name in de glastuinbouw wordt in de avond en nachtelijke uren veel elektriciteit gebruikt. De zon schijnt echter overdag, dan wekken zonnepanelen elektriciteit op. In de winter is deze disbalans nog groter. In het algemeen is de elektriciteitsvraag van de bebouwde omgeving het hoogst tussen 7:00 en 10:00 uur en tussen 17:00 en 20:00 uur. Dit zijn niet de momenten dat zonnepanelen jaarrond stroom kunnen leveren. Ook de capaciteit van een aangepast net is beperkt in de mogelijkheden (fysiek en kosten) om deze balans op te vangen.

Figuur B1: Balans vraag en aanbod elektriciteit Een disbalans in elektriciteitsnetwerken is niet altijd eenvoudig op te lossen. Dit kan gevolgen hebben op regionaal niveau, doordat kabels (380 KV) verzwaard moeten worden en op lokaal niveau voor extra transformatorhuizen. Lokale opslag kan in de toekomst een oplossing zijn, maar is dat op dit moment nog niet. Door de glastuinbouw aan te sluiten op een warmtenet is al een grote stap te zetten, maar de vraag rijst hoe dan de elektriciteitsvraag en de CO2-behoefte is in te vullen. Immers de lokale WKK’s produceren zowel warmte, elektriciteit als CO2. Voor het duurzaam- en toekomstbestendig maken van de glastuinbouwgebieden in onze gemeente, is het daarom van belang om goed te kijken naar lokale alternatieven voor de invulling van de elektriciteitsvraag en CO2 (via OCAP). Alleen dan is de glastuinbouwsector bereid om grote stappen te zetten in de energietransitie.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10039143/1