CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Concept Energietransitieplan 2021

Raad Besluitvorming 27 mei 2021, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Concept-Energietransitieplan (inclusief energiemix)15.110 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

CONCEPT Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

29 maart 2021

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

1

Registratienummer: Verantwoordelijke afdeling: Beleid Beleidsprogramma: Duurzaamheid en Veiligheid Portefeuillehouder: Frank Van Kuppeveld Opdrachtgever: Henk Hulswit Programmamanager: Erik Bulten Opstellers: Erik Bulten, Matthijs Beke, Ronald Berk Versie: 1.0

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

2

INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave ..................................................................................................................... 3 Voorwoord ............................................................................................................................ 5 Samenvatting ....................................................................................................................... 6 1.

2

3

Inleiding ...................................................................................................................... 9 1.1

Klimaatakkoord ................................................................................................................ 9

1.2

Onze opgave en ambitie ..................................................................................................10

1.3

Randvoorwaarden en uitgangspunten ..............................................................................11

1.4

Wat voorafging: de concept energiemix ............................................................................12

1.5

Opzet concept Energietransitieplan ..................................................................................12

1.6

Participatie en draagvlak .................................................................................................12

Energietransitieplan in samenhang ............................................................................. 13 2.1

Afstemming Omgevingsvisie ............................................................................................13

2.2

Warmte Samenwerking Oostland .....................................................................................13

2.3

Regionale Energiestrategie (RES) .....................................................................................13

2.4

Wet Collectieve warmtevoorziening ..................................................................................14

2.5

Onderzoek naar uitvoeringskosten ...................................................................................15

Koers warmte ............................................................................................................... 16 3.1

Uitwerking van de koers warmte ......................................................................................16

3.1.1

Warmtevraag reduceren ...........................................................................................16

3.1.2

Gebruik duurzame bronnen .......................................................................................17

3.1.3

Gebruik fossiele bronnen zo efficiënt mogelijk ............................................................18

3.1.4

Koop duurzame bronnen in .......................................................................................18

3.2

Achtergronden van de warmtekoers .................................................................................19

3.2.1

Toekomstige warmtevraag ........................................................................................21

3.3

De warmtemix ................................................................................................................22

3.4

Transitievisie warmte ......................................................................................................26

3.4.1

Energielabel als richting voor oplossing ......................................................................26

3.4.2

Bestaande analyses ..................................................................................................28

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

3

4

3.4.3

Startstrategie ...........................................................................................................29

3.4.4

Realistische uitvoering ..............................................................................................29

3.4.5

Collectieve warmtewijken ..........................................................................................32

3.4.6

WKO en/of LT warmtenet .........................................................................................34

3.4.7

Keuzebuurten ...........................................................................................................34

Koers Elektriciteit ......................................................................................................... 37 4.1

4.1.1

Beperk de elektriciteitsvraag zoveel mogelijk ..............................................................37

4.1.2

Wek elektriciteit zoveel mogelijk lokaal en duurzaam op .............................................38

4.1.3

Importeer de resterende elektriciteits-vraag duurzaam ...............................................38

4.1.4

Met draagvlak ..........................................................................................................38

4.2

Achtergronden van de elektriciteitskoers...........................................................................38

4.2.1

Huidige Elektriciteitsvraag .........................................................................................38

4.2.2

Toekomstige elektriciteitsvraag .................................................................................39

4.3 5

Uitgangspunten van de koers elektriciteit .........................................................................37

De elektriciteitsmix ..........................................................................................................41

Hoe verder .................................................................................................................... 48 5.1

Algemeen .......................................................................................................................48

5.2

Monitoring, sturing en verantwoording .............................................................................48

5.3

Uitvoeringsprogramma energie ........................................................................................48

5.4

Bewustwordingstraject “Met Energie aan de Slag” en participatie .......................................49

5.5

Governance ....................................................................................................................49

5.6

Financiering en haalbaarheid ...........................................................................................50

5.7

Planning .........................................................................................................................50

BIJLAGEN ............................................................................................................................ 52

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

4

VOORWOORD De energietransitie raakt iedereen binnen onze gemeente. De vanzelfsprekendheid dat er licht is of de CV-installatie aangaat als we een knop omzetten, is een groot goed. Dat willen we behouden. Energie in welke vorm dan ook is een basisbehoefte. De kern van de energietransitie is dat we het gebruik van energie terugdringen en dat de energie die we gebruiken, CO2 vrij is. Dat hoeft niet in één keer: de energietransitie is een transitie waarover we tot 2050 mogen doen. Stap voor stap dringen we de vraag terug en gebruiken we duurzamere alternatieven. De energietransitie is een van de grootste maatschappelijke opgaven waar we als Nederland op dit moment voor staan. In dit Energietransitieplan hebben we zo concreet mogelijk aangegeven hoe wij als gemeente de route tot 2050 willen gaan bewandelen. Met dit Energietransitieplan nemen we onze verantwoordelijkheid. Wij geven nu lokaal richting aan de invulling van de ambities voor onze gemeente. Zo houden we de regie op de transitie en blijven we in de positie om passende, integrale afwegingen te maken. Het werken aan de energietransitie is geen gemakkelijke opgave. Het is geen vanzelfsprekende transitie. De huidige energievoorziening is betaalbaar, betrouwbaar en veilig. Het is alleen niet duurzaam. Dit betekent dat het alternatief minimaal aan deze voorwaarden moet voldoen om draagvlak te krijgen. We zien ook kansen.

Onder de grond in Pijnacker-Nootdorp zit veel geothermie die onze woningen en glastuinbouw grotendeels kan verwarmen. De komst van WarmtelinQ maakt aansluiting op een regionaal warmtenet binnen handbereik. Ook zien we dat steeds meer woningen en bedrijven zelf door middel van zonnepanelen betaalbaar lokale elektriciteit opwekken. En voor inwoners die geen eigen dak hebben, legt de lokale energiecoöperatie op steeds grotere schaal collectief zonnepanelen op daken. Ook zien we dat inwoners gebruik maken van de gemeentelijke duurzaamheidslening om hun woningen te verduurzamen. Nieuwe wijken en bedrijventerreinen zijn al bijna energieneutraal. Dus de transitie is al ingezet, stap voor stap. Tegelijkertijd moeten we ook gaan versnellen om de doelen te bereiken. Daarom zijn extra collectieve maatregelen nodig. We zien echter dat we die versnelling nog niet goed kunnen inzetten. Niet alle randvoorwaarden zijn ingevuld. Middelen zijn schaars, de druk op decentrale overheden om de uitvoering van het Klimaatakkoord op te pakken is hoog en op elementen ontbreken passende instrumenten en wetgeving. We blijven dan ook een appél doen op het Rijk om tot passende wet- en regelgeving te komen en werk te maken van de voorwaarden die door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gesteld zijn aan deelname aan het Klimaatakkoord.

Dit moet leiden tot een betaalbare, betrouwbare, veilige en schone energievoorziening voor iedereen in onze gemeente. De energietransitie doen we dus niet alleen. Zo’n grote opgave kan de gemeente simpelweg niet alleen. De komende tijd zal de gemeente samen met haar partners gaan werken aan de uitvoering van deze opgave. Ik hoop van harte dat we ons als bewoners, bedrijven en gemeente samen gaan inspannen en de schouders onder deze uitdaging gaan zetten in de komende jaren. Frank van Kuppeveld Wethouder Energietransitie

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

5

SAMENVATTING De energietransitie raakt iedereen. Het Nationaal Klimaatakkoord en onze gemeentelijke ambities zijn helder. De doelstelling is om in 2050 CO2-neutraal te zijn. Het jaar 2050 lijkt ver weg. Niemand zal beweren dat de energietransitie een eenvoudige opgave is. De opgave is groot, maar de stappen zullen klein zijn. Met de kennis van nu is een zo helder mogelijke visie voor 2050 neergelegd. Dit Energietransitieplan geeft de richting aan die we willen doorlopen. De kern van de energietransitie is: 1. 2. 3. 4.

het gebruik van energie terugdringen; duurzame energie lokaal opwekken; als dat niet gaat, duurzame energie uit de regio halen; zorgen voor draagvlak.

De energietransitie doen we niet alleen. De komende tijd zal de gemeente samen met haar partners gaan werken aan de uitvoering van de opgave. Kenmerkend voor een transitie is ook tegelijkertijd dat nog niet alle randvoorwaarden zijn ingevuld. Financiële middelen zijn beperkt, de druk op gemeenten om de uitvoering van het Klimaatakkoord op te pakken is hoog en op elementen ontbreken passende instrumenten en wetgeving. We blijven dan ook een appél doen op het Rijk om tot passende wet- en regelgeving te komen. Dit moet leiden tot een betaalbare, betrouwbare, veilige en schone energievoorziening voor iedereen in onze gemeente. Koers warmte De eerste stap in de warmtetransitie is het reduceren van de warmtevraag. Diverse maatregelen zijn veelal eenvoudig te realiseren. Dit is mogelijk door middel van isolatie, luchtdicht maken van de woning, warmteterugwinning en betere warmteafgiftemiddelen. Goede isolatie en ventilatie zijn randvoorwaarden om gebouwen, op termijn, duurzaam en comfortabel te verwarmen. Daarnaast werken we stap voor stap aan het verduurzamen van de warmtevraag. Voor 2050 zetten we in op een warmtemix met geothermie en restwarmte voor de glastuinbouw en een warmtenet voor woonwijken. Dit biedt de meeste garantie voor een robuuste, betaalbare, haalbare en eerlijke oplossing.

Met de kennis van nu schatten we in dat maximaal 55-62,5% van de totale warmtevraag is in te vullen met lokale geothermie. Hiermee is ongeveer de gehele basislast van de warmtevraag in te vullen. Dit staat gelijk aan de huidige twee geothermiebronnen en nog twee van de vijf mogelijke bronnen in de gemeente. We zetten in op invulling van 20-25% van de warmtevraag door middel van restwarmte uit de regio. We kiezen voor een warmtemix van aardwarmte en restwarmte, waarbij aardwarmte het grootste deel van de warmtevraag invult. We rekenen erop dat de pieklast van 17,5-22% van de warmtevraag situationeel door middel van WKO, biogas, waterstof of andere individuele systemen op termijn is in te vullen. We creëren hiermee een duidelijke basis voor een robuust functionerend warmtenet dat is te voeden door meerdere bronnen en flexibiliteit geeft voor de afnemers. De startstrategie geeft een handelingsperspectief voor bewoners en bedrijven. De strategie is gebaseerd op basis van de mate van isolatie van een woning en bepaalt tevens de investering die voor een woning nodig is om aardgasvrij te worden. Het energielabel geeft richting aan de mate van isolatie. Voor matig tot slecht geïsoleerde huizen met label D tot G is het bijna altijd maatschappelijk het goedkoopst om aan te sluiten op een collectief warmtenetwerk. Uitzondering daarop is het buitengebied.

Voor redelijk geïsoleerde woningen met label C/D is aansluiten op een midden temperatuur warmtenetwerk vaak het meest rendabel. De startstrategie is niet in beton gegoten voor

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

6

2050. Nieuwe inzichten, technieken en een veranderde (regio)omgeving kunnen leiden tot aanpassingen. We gaan nu met een aantal wijken aan de slag die we voor 2030 van het aardgas willen halen en op collectieve warmtenetten willen zetten. Hiervoor maken wij de komende jaren wijkuitvoeringsplannen. Dit zijn tot 2030: •

Klapwijk

•

De Venen Rembrandtpark

•

De Venen Zonnehof

•

De Venen centrum en Laan van Nootdorp

•

Nieuweveen

•

na 2025 overige wijken in Nootdorp

De gemeente werkt samen in de Warmte samenwerking Oostland aan een aansluiting op WarmtelinQ en de aanleg van een gebiedsdekkend warmtenetwerk. Het tempo van de beschikbaarheid van dit netwerk is medebepalend voor de fasering van de warmtebuurten in de kernen Pijnacker en Delfgauw. WARMTE

2019

2030

2040

2050

Vraag

4.104 TJ

3.204 TJ

2.975 TJ

2.750 TJ

800 TJ

1.785 TJ

2.250 TJ

2.750 TJ

19%

55%

75%

100%

Duurzame opwek Percentage duurzaam

Voor de wijken waarvoor individuele oplossingen het beste zijn, gaan we rond 2040 kijken hoe we deze alsnog met elkaar verder kunnen verduurzamen. Koers elektriciteit Het is bijna niet mogelijk om lokaal of regionaal alle elektriciteit duurzaam op te wekken. Dat gaat ten koste van ander grote maatschappelijke waarden zoals het landschap. Dit vraagt dus om het maken van scherpe keuzes. Het opwekken van elektriciteit heeft in tegenstelling tot warmte een (grote) ruimtelijke impact. Zeker omdat we weten dat we alleen met zon op dak de gestelde ambities niet kunnen halen. De inzet is het besparen van de vraag. Daarna wordt elektriciteit zoveel mogelijk lokaal en duurzaam opgewekt. We kunnen niet alle elektriciteit duurzaam lokaal opwekken. Het streven is om circa 60% lokaal op te wekken door middel van zon. Dit is ambitieus, maar niet onrealistisch. Voor de duidelijkheid, dit willen we vooralsnog bereiken zonder windenergie. We formuleren voor onszelf de ambitie om 23% van ons eigen elektriciteitsgebruik lokaal zelf op te wekken in 2030. Ook dit is een enorme opgave. Dit betekent dat we met elkaar alle zeilen moeten bijzetten om deze ambitie waar te maken. We zetten vooralsnog alleen in op zon. Dit betekent dat wij onder strikte voorwaarden wel zon op land mogelijk willen maken. We nemen zo onze verantwoordelijkheid en houden ook regie op onze opgave. • • • • •

zon op dak zon op parkeerplaatsen zon op waterbassins zon op overhoeken zon op land

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

7

ELEKTRICITEIT

2019

2030

2040

2050

Vraag

1.114 TJ

1.355 TJ

1.500 TJ

1.450 TJ

Lokale duurzame opwek

56 TJ

316 TJ

606 TJ

896 TJ

Percentage duurzaam

5%

23%

40%

62%

De overige duurzame elektriciteit moeten we van buiten de gemeente halen. Omdat grootschalige opwek ruimtelijke impact heeft, is het noodzakelijk om samen te werken en draagvlak te creëren. In regionaal verband is samenwerking nodig om tot afstemming van de plannen te komen. En op lokaal niveau hebben we draagvlak nodig om te komen tot haalbare plannen. Juist bij lokale duurzame opwek van energie is het mogelijk om lokaal eigendom te gebruiken waardoor de lasten en de revenuen terugvloeien naar de lokale gemeenschap. Hoe verder Het Energietransitieplan staat aan het begin van een lang traject om onze ambitie te behalen. Het is een visie die de beste richting is op dit moment. De technieken en wet- en regelgeving ontwikkelen zich snel op zowel lokaal-, regionaal-, landelijk-, Europees- en op wereldniveau. We kunnen niet wachten tot technieken uit zijn ontwikkeld, we moeten nu aan de slag. We hebben oog voor toekomstige ontwikkelingen, het Energietransitieplan is niet in beton gegoten. We actualiseren daarom minimaal één keer per 5 jaar en jaarlijks zullen we de raad informeren over de voortgang. Het uitvoeringsprogramma energie geeft richting aan de korte termijn activiteiten binnen 5 jaar die onze ambities ondersteunen en activeren. Het uitvoeringsprogramma actualiseren we om de 2 jaar.

Voor de organisatie, rollen en verantwoordelijkheden (governance) rondom de warmte als nieuwe (nuts)voorziening, is een eerste aanzet gegeven. Dit is de start van de verkenning met de raad naar de gemeentelijke mogelijkheden. Dit maakt nu geen onderdeel van het Energietransitieplan.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

8

1.

INLEIDING

De energietransitie betekent de overgang van energie uit fossiele brandstoffen zoals aardgas en steenkolen naar volledig duurzaam opgewekte energie. De energietransitie raakt iedereen. Het Nationaal Klimaatakkoord en de gemeentelijke ambities zijn helder. De doelstelling is om in 2050 CO2-neutraal te zijn. Het jaar 2050 lijkt ver weg, maar de opgave is groot, namelijk het creëren van een nieuwe duurzame energievoorziening. Om dit tijdig te realiseren, is het zaak nu te bewegen en de koers te bepalen. We staan voor een enorme opgave de komende 30 jaar. Stap voor stap willen we actie ondernemen. Samen met de bewoners en bedrijven gaan we naar een fossielvrije samenleving. Niemand zal beweren dat de energietransitie een eenvoudige opgave is. Integendeel, het is een complexe- en ingrijpende opgave. De energietransitie betekent verandering. En veranderingen gaan over het algemeen om diverse redenen traag. Het vraagt om het maken van lastige keuzes, waarbij overheden, burgers en bedrijven op elkaar zijn aangewezen. Een transitie is geen vastomlijnd plan met vooraf planbare route. Een transitie vergt een vergezicht waar we naar toe willen, met zo mogelijk tussendoelen. In kleine stapjes zoeken we steeds de route voorwaarts. De route is hobbelig en kent vele verassingen. Met de kennis van nu en met een zo helder mogelijk vergezicht voor 2050, ligt er een eerste richting, een visie.

Toch hebben we dit verhaal energietransitieplan genoemd. Hiermee willen we uitstralen dat we op pad gaan met een concrete opgave, waarin we zeggen 'We zijn van plan om in 2050 CO2neutraal te zijn'. De vraag is dus niet óf we de energietransitie willen/kunnen vormgeven, maar hoe we dit gaan doen en welke uitgangspunten we hierbij hanteren. We weten dat de komende tijd nog vele voorwaarden nader ingevuld moeten worden om te komen tot concrete stappen. We kunnen het ook niet alleen. We zijn afhankelijk van vele partijen. Dit plan geeft de richting aan die we willen doorlopen, vanuit de rol die in het klimaatakkoord aan gemeenten is toegedicht. De opgave is groot, maar de stappen zullen klein zijn. Een bundeling van voortvarendheid, daadkracht, investeringen, kennis en kunde is nodig, zowel vanuit de overheid, als vanuit de bewoners en het bedrijfsleven.

1.1

KLIMAATAKKOORD

Het doel van het Klimaatakkoord en de energietransitie is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. De transitie is in de eerste plaats een maatschappelijke transitie. Burgers en bedrijven staan voor een reeks beslissingen die van invloed zijn op hoe we wonen, hoe we ons verplaatsen, wat we eten, de producten die we kopen en hoe we ons geld verdienen. Meer dan 100 partijen hebben gewerkt aan een samenhangend pakket aan voorstellen waarmee het CO2 -reductiedoel in 2030 is te realiseren. De gemeenten in de vorm van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben ook aan de verschillende ‘tafels’ gezeten, om mee te denken en te schrijven aan het Klimaatakkoord. Het eindresultaat is het Klimaatakkoord dat in juni 2019 is gepresenteerd door het kabinet. Afgesproken is dat gemeenten een grote rol krijgen bij het uitvoeren van de afspraken die gemaakt zijn in het Klimaatakkoord. Bijvoorbeeld als het gaat om het komen tot het verminderen van energieverbruik, het aardgasvrij maken van woningen en lokale opwek

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

9

van elektriciteit. Overigens wil dat niet zeggen dat de VNG alle afspraken geheel onderschrijft. Natuurlijk zijn er kanttekeningen bij een aantal zaken gezet. Daarnaast zijn randvoorwaarden geformuleerd die nodig zijn om de energietransitie vorm te geven en tot uitvoering over te gaan. Het gaat om onder andere financiële-, juridische- en organisatorische voorwaarden. Bovenal gaat het erom dat we samen, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, aan de slag gaan. We merken in de praktijk dat we nog maar aan het begin staan van de echte transitie. De weg is nog lang en nog niet alles is uitgewerkt en bekend. Toch gaan we vanaf vandaag nieuwe stappen zetten. Als we dat niet doen, dan struikelen we al bij de start en halen we de tussendoelen en de finish zeker niet. Dit Energietransitieplan is een uitwerking van de afspraken die gemaakt zijn in het Klimaatakkoord: voor eind 2021 heeft elke gemeente een Transitievisie Warmte vastgesteld.

1.2

ONZE OPGAVE EN AMBITIE

Dit is het eerste Energietransitieplan van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Met de kennis en kunde van nu is een visie neergelegd, die beschrijft hoe we stap voor stap tot 2050 de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen willen verminderen en de uitstoot van CO2 in 2050 tot nul terug willen brengen. Dit Energietransitieplan kent een visiedeel tot 2050 en een meer concretere uitwerking tot 2030. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat we gezamenlijk een reductie van 49% (t.o.v. 1990) in 2030 willen realiseren.

Figuur 1.1: Energievraag in Pijnacker-Nootdorp 2019 In 2019 verbruikten we met zijn allen 5.783 TJ aan energie, hiervan wekken we 856 TJ duurzaam op, oftewel 14,8% van het totale energieverbruik in onze gemeente. Door ons energiegebruik stoten we 395.000 ton CO2 per jaar uit. Hernieuwbare elektriciteit komt in onze gemeente nu vooral uit zon op dak (56 TJ). Dat is 5,0% van het verbruik (1.114 TJ). We wekken in de gemeente 800 TJ warmte duurzaam op. Dat staat gelijk aan 19,5% van de het verbruik. Deze hernieuwbare warmte komt voornamelijk uit de twee bestaande geothermiebronnen (750 TJ). Dit betekent dat nog een grote Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

10

opgave voor ons ligt. Met zicht op de realisatie van 2-tal geothermieputten en een steeds stijgend aantal zonnepanelen op daken in de afgelopen jaren, maken we al wel stappen. De aansluiting op WarmtelinQ kan voor een versnelling zorgen. Ook de inzet om de vraag naar energie te reduceren zien we wel terug in de cijfers. De energietransitie vraagt om een versnelling om doelstellingen te halen. In het Energietransitieplan zijn de tussenstappen aangeven: 2030, 2040 en 2050. In een uitvoeringsprogramma en door jaarlijks te monitoren, brengen we activiteiten in beeld en kunnen we tussentijds bijsturen, indien de tussenstappen niet behaald worden.

RANDVOORWAARDEN EN UITGANGSPUNTEN

1.3

In aansluiting op het Klimaatakkoord zijn vier basisprincipes geformuleerd waar we dit Energietransitieplan en de verdere lokale uitwerkingen steeds weer tegenaan houden.

a. Betaalbaar

We realiseren de opgave op een zo kostenefficiënt mogelijke wijze, zodat de transitie betaalbaar blijft. Dit betekent niet automatisch dat de transitie ook op individueel niveau betaalbaar is. Subsidies en andere financieringsmaatregelen zijn eventueel nodig om de transitie voor iedereen mogelijk te maken.

b. Eerlijk

De transitie moet op een rechtvaardige wijze gerealiseerd worden. Het Rijk begrijpt het belang van een rechtvaardige verdeling van de lasten voor het draagvlak voor de transitie.

c. Haalbaar

We hebben 31 jaar de tijd voor het realiseren van de transitie richting 2050 en die tijd nemen we ook. In de komende jaren ontzorgen we mensen via de wijkaanpak en stimuleren we mensen om op natuurlijke momenten te investeren in de isolatie van hun woningen en in het vergroenen van het wagenpark. Iedereen moet mee kunnen doen aan de transitie. In dit Energietransitieplan is aangegeven hoe de hoofdkoers er uit kan zien. Dit is op basis van de concept-Energiemix, de participatie hiervan en nieuwe inzichten van het afgelopen jaar. De hoofdkoers is niet in beton gegoten. Het is te lezen als een richting om houvast te bieden aan de stappen die we nu gaan en moeten zetten. In de Energiemix waren de volgende uitgangspunten voor de energietransitie geformuleerd: •

Voorkom verspilling van warmte en elektriciteit.

•

We zijn als gemeente zoveel mogelijk zelfvoorzienend.

•

Maak het elektriciteitsprobleem niet groter. Beperk de kosten voor de uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. Pas zoveel mogelijk warmteoplossingen toe.

•

Zorg voor voldoende spreiding en flexibiliteit van warmtebronnen zodat het netwerk robuust is.

•

Zorg dat de warmtevoorzieningen tijdig worden gerealiseerd en we voldoende capaciteit hebben.

•

Beperk de vraag naar groen/hernieuwbaar gas en waterstof voor de verwarming en het maken van elektriciteit. Zet deze energiedragers alleen in voor de pieklast of voor complex te verwarmen gebouwen en gebieden.

•

Zorg voor een breed draagvlak voor de keuzes die we maken.

•

Houdt rekening met de laagst maatschappelijke kosten voor de hele warmteketen.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

11

•

Iedereen kan meedoen met de warmtetransitie en zorg voor een eerlijke verdeling van de extra kosten.

•

1.4

De financiële gevolgen en risico’s moeten behapbaar zijn.

WAT VOORAFGING: DE CONCEPT ENERGIEMIX

De concept Energiemix is vorig jaar februari vastgesteld om de gesprekken met de samenleving en onze regionale partners aan te gaan over de mogelijke koers voor de energietransitie. De Energiemix bood enerzijds inzicht in het huidig energieverbruik en anderzijds inzicht in de wijze waarop fossielvrije bronnen zijn in te zetten. Het beschrijft op hoofdlijnen ‘hoe wij de transitie van de energievraag duurzaam en fossielvrij willen invullen’. Daarmee was de concept Energiemix een voorloper van dit Energietransitieplan. De definitieve Energiemix is opgenomen in dit Energietransitieplan in de onderdelen koers warmte en koers elektriciteit.

1.5

OPZET CONCEPT ENERGIETRANSITIEPLAN

Eerst geven we een beeld van de lokale, regionale- en landelijke afhankelijkheden, de energietransitie staat niet alleen. Daarna beschrijven wij de hoofdlijn van de visie, gesplitst in de koers warmte en de koers elektriciteit. De koers warmte is onze Transitievisie warmte. Flexibiliteit is gewenst, beter gezegd noodzakelijk om telkens te kunnen bijsturen op nieuwe kennis en inzichten. Dit vraagt minimaal één keer de vijf jaar een integrale update van het Energietransitieplan. Als uitwerking van dit Energietransitieplan hoort ook een uitvoeringsprogramma, deze zal 2-jaarlijks een update krijgen. Dit uitvoeringsprogramma vertaalt het Energietransitieplan in concrete acties voor de komende 5 jaar voor warmte, elektriciteit en mobiliteit.

1.6

PARTICIPATIE EN DRAAGVLAK

De omschakeling van aardgas naar een andere warmtebron, is een grote uitdaging, ook voor inwoners, ondernemers en (maatschappelijke) organisaties. In PijnackerNootdorp konden zij meedenken over de transitie en daarmee hebben zij meegewerkt aan het tot stand komen van dit plan. De gemeente heeft hiervoor verschillende participatiemiddelen ingezet: 1. Een online vragenlijst: Aardgasvrij Pijnacker-Nootdorp (279 respondenten) 2. Digitale wijkbijeenkomsten: per buurt een webinar (726 deelnemers) 3. Twee ambassadeursbijeenkomsten (42 ambassadeurs) a. Meedenken over de concept Transitievisie Warmte b. Meedenken over de rol van inwoners en communicatie 4. Bijeenkomst met voorzitters ondernemersverenigingen (5 bedrijventerreinen) 5. Nieuwsbrief (129 emailadressen) Het verslag van alle participatie is openbaar en is te downloaden op www.metenergieaandeslag.nl/participatieverslag.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

12

Het concept Energietransitieplan zal ter inzage worden gelegd, op basis van de zienswijzen worden aangepast en definitief worden opgesteld.

2 ENERGIETRANSITIEPLAN IN SAMENHANG De energietransitie staat niet alleen, lokaal, regionaal en landelijk werken we samen om te komen tot een visie en uitvoering van de transitie. In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van deze samenwerkingen en de ontwikkeling van de mogelijke nieuwe Wet collectieve warmtevoorziening.

2.1

AFSTEMMING OMGEVINGSVISIE

De Energietransitie heeft een directe relatie met de Omgevingsvisie. Deze twee trajecten lopen niet voor niets gelijk op. Een aantal keuzes heeft directe gevolgen op het ruimtegebruik, de ruimtelijke kwaliteit, de beleving en andersom. De energiemix kent dus ook een ruimtelijke dimensie die afweging verdient en plaats heeft in een maatschappelijk debat. Dit participatietraject is dan ook grotendeels samen met de omgevingsvisie gedaan. Dit Energietransitieplan is afgestemd op de beelden van de Omgevingsvisie en andersom.

2.2

WARMTE SAMENWERKING OOSTLAND

In de Warmte Samenwerking Oostland (WSO) werken we samen aan de verduurzaming van het glastuinbouwgebied, met de glastuinbouw sector (LTO Glastuinbouw Nederland) en de gemeenten Lansingerland, Zoetermeer, Zuidplas, Waddinxveen en onze gemeente. De WSO werkt aan een gebiedsdekkend regionaalnetwerk in Oostland. Dit regionaal transportnetwerk moet zowel lokale bronnen (geothermie) als regionale bronnen (restwarmte) en onderliggende distributienetwerken in de gebouwde omgeving en glastuinbouwgebieden gaan verbinden. De glastuinbouwsector heeft de ambitie om in 2040 al klimaatneutraal te zijn en zet dus volop in op alternatieven warmte-oplossingen. Warmtenetten zijn daarbinnen een onmiskenbaar grote speler in. Om te komen tot een robuust netwerk waarin vraag en aanbod van warmte voor lange tijd is gegarandeerd, is samenwerking op deze regionale schaal van groot belang. Naast de inzet van geothermie, is aansluiting voor 2030 op het regionale transportnetwerk WarmtelinQ de kans om te komen tot een robuust en betrouwbaar warmtesysteem.

2.3

REGIONALE ENERGIESTRATEGIE (RES)

Samen met 23 gemeenten uit de regio Rotterdam Den Haag, vier waterschappen en de provincie, netwerkbeheerders, maatschappelijke organisaties en ondernemingen, is gekeken naar de mogelijkheden, kansen en voorwaarden voor de Energietransitie. Dit heeft geresulteerd in een Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag 1.0 (RES 1.0). De RES heeft een uitgebreid traject Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

13

doorlopen van wensen en bedenkingen en informatiebijeenkomsten met de raden. Het is de bedoeling om één keer in de twee jaar de RES te actualiseren. In de regio Rotterdam Den Haag wonen circa 2.3 miljoen mensen, liggen twee grote steden, enkele landelijke gemeenten, een wereldhaven en een toonaangevend glastuinbouwcluster. De grote concentratie van werkgelegenheid en economische activiteit resulteert in beperkte ruimte voor duurzame energieopwekking, maar ook in veel kansen voor bijvoorbeeld rest- en aardwarmte. In de RES is deze regio gekozen voor een haalbare aanpak, die past bij het landschap, de inwoners, de bedrijven en de intrinsieke regionale kwaliteiten. Het is blijvend zoeken naar een evenwicht in verbindingsmogelijkheden tussen energiemaatregelen en andere maatschappelijke opgaven, daarbij rekening houdend met bestaand beleid. We zijn nauw betrokken geweest bij het opstellen van de RES 1.0. De Energiemix inclusief de uitkomsten van het participatietraject uit de Omgevingsvisie heeft als input gediend voor de mogelijkheden van de oplossingen die zijn aangegeven in de RES 1.0. De RES is een visie, gemeenten bepalen en geven ruimte aan de invulling in de Omgevingsvisie en uitvoering in lokale projecten.

2.4

WET COLLECTIEVE WARMTEVOORZIENING

De huidige Warmtewet (2013) is niet meer toegesneden op de noodzaak om de energietransitie en daarbinnen de transitie van de warmtevoorziening te versnellen. Sinds 2019 is daarom gewerkt aan een nieuwe Warmtewet, Wet collectieve warmtevoorziening. In juni 2020 is de concept wettekst in consultatie gegaan. Dit heeft veel reacties opgeleverd, onder andere een uitgebreide reactie vanuit de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Ondanks uitvoerige gesprekken tussen het Rijk en de VNG en andere partijen, is het niet gelukt om voor de verkiezingen, mede door de vroegtijdige val van het kabinet, te komen tot een definitieve tekst. Het is nu ongewis wanneer de wet van kracht kan worden, maar belangrijker wat de inhoud van de teksten zullen zijn. Zonder de Wet collectieve warmtevoorziening zijn er wel stappen te zetten in de warmtetransitie, maar een echte versnelling van de warmtetransitie zal alleen mogelijk zijn als de wet van kracht is en flankerend beleid (o.m. woonlastenneutraliteit) geregeld is. De wet beoogt de groei en verduurzaming van collectieve warmtesystemen in de gebouwde omgeving te faciliteren. De wet gaat dus niet over glastuinbouwgebieden en het buitengebied. Om de doelen uit het Klimaatakkoord te bereiken, is het van belang dat het vertrouwen in de warmtemarkt en de bereidheid om te investeren in duurzame collectieve warmtesystemen toenemen, aldus het Rijk.

Het wetsvoorstel bestaat uit vier kerndoelen: 1. Groei van collectieve warmtesystemen door nieuwe spelregels (marktordening) 2. Transparantie in de tariefstelling (daadwerkelijke kosten met redelijk rendement). 3. Het zeker stellen van de verduurzaming. 4. Het aanscherpen van de vereisten voor leveringszekerheid. De maatregelen in de wet moeten leiden tot meer zekerheden en een betere borging van de publieke belangen. -

Voor de verbruikers: die beter beschermd worden tegen misbruik van marktmacht door een warmtebedrijf.

-

Voor warmtebedrijven: die meer zekerheden krijgen en een aantrekkelijker investeringsklimaat.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

14

-

Voor de lokale overheden: die beter regie kunnen voeren op de ontwikkeling en verduurzaming van de (collectieve) warmtevoorziening.

Voor het Energietransitieplan heeft het ontbreken van een adequate wet niet direct invloed, maar wel voor de uitvoering ervan. Vooralsnog moeten we het doen met de huidige wetgeving en trekken we onze eigen route. Natuurlijk wel kijkend met een schuin oog naar de nieuwe wetgeving. Via de VNG, maar ook via andere kanalen, zijn we nauw betrokken bij het borgen van onze gemeentelijke belangen.

2.5

ONDERZOEK NAAR UITVOERINGSKOSTEN

De energietransitie vraagt veel aandacht van ons als gemeente. Daar hebben we financiële middelen voor nodig. Enerzijds om de energietransitie te faciliteren en anderzijds voor nieuwe verantwoordelijkheden en taken. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gemeenten een regierol krijgen in de energietransitie. Met name als het gaat om de warmtetransitie en daarmee gepaard gaande activiteiten om de gebouwde omgeving van het aardgas af te halen. Dit is een van de grootst maatschappelijke opgaven van de afgelopen decennia. In het Klimaatakkoord is tevens vastgelegd dat gemeenten financiële compensatie krijgen vanuit het Rijk voor deze extra opgave. De VNG heeft laten onderzoeken wat het klimaatakkoord betekent voor de gemeenten en welke financiële middelen dit vraagt. In het rapport “Uitvoeringskosten van het Klimaatakkoord voor decentrale overheden in 2022 – 2030” is aangegeven dat het klimaatakkoord 14-17 fte extra inzet van een middelgrote gemeente vraagt. De VNG is landelijk in overleg hoe met deze extra inzet om te gaan. Hierover is nog geen duidelijk.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

15

3 KOERS WARMTE In Pijnacker-Nootdorp geldt dat 100% van de warmte in 2050 fossielvrij is. Dit geldt zowel voor de glastuinbouw als voor de gebouwde omgeving. Als eerste zetten wij in op het reduceren van de vraag. Daarnaast zetten we in op een warmtemix van geothermie en restwarmte en zo min mogelijk elektrificatie van de warmtevraag. Dit biedt, met de kennis van nu, de meeste garantie voor een robuust-, betaalbaar-, haalbaar- en eerlijk verhaal. In figuur 3.1 is de trias energetica voor de warmtetransitie in Pijnacker-Nootdorp te zien. Innovaties en andere nationale keuzes op termijn zullen wellicht leiden tot het bijstellen van deze koers. Aan deze gedachtelijn willen we vooralsnog als gemeente vasthouden. Naast collectieve oplossingen laten we ook ruimte om individuele keuzes te maken. Figuur 3.1: Trias energetica voor de warmtetransitie

3.1

UITWERKING VAN DE KOERS WARMTE

3.1.1 Warmtevraag reduceren Warmte die niet gevraagd wordt hoeft ook niet opgewerkt te worden. Diverse maatregelen zijn eenvoudig te realiseren. Dit is mogelijk door middel van isolatie, luchtdicht maken van de woning, warmteterugwinning en betere warmteafgiftemiddelen. Goede isolatie en ventilatie zijn randvoorwaarden om gebouwen, op termijn, duurzaam en comfortabel te verwarmen. Naast isolatie is het ook belangrijk om het cv-systeem en de afgiften beter te regelen. Voor alle warmtebronnen,

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

16

duurzaam of niet, geldt dat zij efficiënter functioneren als de temperatuur in het cv-systeem lager is. Veel winst is al te behalen door het beter inregelen van de verwarmingssystemen en het isoleren van de woningen. Dit is dus stap één in de warmtetransitie, die iedereen, de glastuinbouw, bedrijven en woningeigenaren, al direct kunnen zetten. Alles wat we niet gebruiken, hoeven we ook niet op te wekken. Klinkt logisch en dat is het ook. Het bespaart naast energie ook kosten. De meeste maatregelen laten zich dan ook, eventueel met subsidie, binnen enkele jaren gemakkelijk terugverdienen.

3.1.2 Gebruik duurzame bronnen Criteria voor alternatieve warmtebronnen zijn: Laagste maatschappelijke kosten Als gemeente omarmen we de filosofie van het Klimaatakkoord: eerlijk, haalbaar en betaalbaar. In het kader hiervan zoeken we voor iedere wijk naar de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten. Een warmteoplossing is maatwerk per woning, zeker in wijken die op leeftijd zijn en een geschiedenis hebben. Sommige woningen zijn al geïsoleerd, terwijl de buren dit nog niet hebben gedaan. Een wijkoplossing is dus niet per definitie voor iedere woning in de wijk de meest betaalbare optie. Hierom geven we eenieder of het collectief, de gelegenheid om in de uitwerking van het Energietransitieplan af te wijken van de alternatieve verwarmingsoptie. Dit gebeurt in het opstellen van het wijkuitvoeringsplan. Wij verwachten wel dat de optie met de minst nationale kosten in een wijk vaak ook de meest betaalbare- en toepasbare optie voor de woningen is. Beperken van de impact op het elektriciteitsnet Binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp en de RES-regio Rotterdam Den Haag is veel warmte beschikbaar. Hierom kiezen we bij nagenoeg gelijke kosten bij voorkeur voor een warmtenet, in plaats van een elektrificatie door een warmtepomp. Het elektriciteitsnet is in veel wijken is namelijk niet berekend op een grote hoeveelheid warmtepompen die gelijktijdig veel vermogen afnemen.

Dit betekent dus dat bij elektrificatie het elektriciteitsnet moet worden aangepast. Hier zijn ook hoge kosten mee gemoeid. Daarnaast is het zo dat opwek van elektriciteit in onze regio moelijker in te vullen is dan warmte. Grootschalige opwek van duurzame elektriciteit heeft veelal een groter impact op de fysieke leefomgeving dan warmte, denk daarbij aan windturbines en zon op land. Groengas en waterstof In de gemeente Pijnacker-Nootdorp volgen we de visie van de RES-regio Rotterdam Den Haag als het gaat om groengas en waterstof. Dit houdt in dat we een kleine rol zien voor beide gassen voor gebruik voor de verwarming van de gebouwde omgeving en de glastuinbouw voor de komende 10-20 jaar. Dit omdat groengas en waterstof op dit moment nog niet grootschalig voorradig is. De verwachting is dat ook de komende 10 jaar de beschikbaarheid voor onze gemeente beperkt zal zijn. Ook in de eindfase zal de hoeveelheid groengas beperkt zijn. Voor waterstof laten de scenario’s verschillende beelden zien. Duidelijk is wel dat we nu niet volop op deze twee duurzame bronnen kunnen inzetten. Uitgangspunt van de inzet van waterstof en groengas is dat deze bronnen daar ingezet moet gaan worden waar andere opties niet mogelijk zijn. Denk daarbij voornamelijk aan de (proces) industrie en oude binnen steden.

We zien op termijn wel kansen voor het toepassen van deze duurzame gassen om invulling te geven aan de piekvraag, zowel in de glastuinbouw, maar ook in de piekvraag in collectieve warmtenetwerken en mogelijk voor woningen en bedrijven in de buitengebieden. Door één keer in de vijf jaar dit Energietransitieplan bij te stellen op basis van een Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

17

monitor, kunnen we zien welke eindoplossingen in beeld komen om uiteindelijk geheel fossielvrij warmte op te wekken.

3.1.3 Gebruik fossiele bronnen zo efficiënt mogelijk We weten dat we, zeker in het begin, nog wel jaren fossiele brandstoffen moeten gebruiken. Binnen de ambities en transitiegedachten is dat ook niet bezwaarlijk. Ook in de eindoplossing is het nodig om brandstoffen te gebruiken, bijvoorbeeld om de warmtevraag in de piek op te vangen. Dit kan groengas en waterstof zijn. De verwachting is dat deze op termijn beperkt (voor gebouwde omgeving) beschikbaar zijn. Fossiele brandstoffen, maar ook duurzame brandstoffen, hebben een belangrijke rol in het energiesysteem omdat ze goed over lange afstand getransporteerd kunnen worden en een hoge energiedichtheid hebben. Fossiele brandstoffen zijn dus als tussen-oplossingen goed in te zetten voor het invullen van de piekvraag. Dat kan in collectieve systemen zijn, maar kan ook in individuele systemen zijn, zoals hybride warmtepompen.

3.1.4

Koop duurzame bronnen in

We hebben warmte van buiten de gemeente nodig om te komen tot een robuuste, toekomstbestendige, betrouwbare en betaalbare warmtetransitie. Dit ondanks dat we met onze geothermie een heel eind van ons warmtevraag kunnen invullen. Daarom werken we nu al nauw samen met de regio. Zowel in de Regionale Energiestrategie (RES) als ook in de Warmte Samenwerking Oostland zetten wij ons in om aangesloten te kunnen worden op regionale transportleidingen, bijvoorbeeld WarmtelinQ. Wanneer dat is zal van vele zaken afhangen. We zien dat het ontwikkelen van grote regionale transportleiding een lange aanloop kent. Ook niet vreemd gezien de investeringsbedragen die hiermee gemoeid zijn. De komst van regionale transportleidingen vraagt daarnaast hechte samenwerking tussen vraag en aanbod van warmte. Dit om de risico’s te minimaliseren en daardoor de warmteprijs betaalbaar te houden.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

18

3.2

ACHTERGRONDEN VAN DE WARMTEKOERS

Onze gemeente Pijnacker-Nootdorp kent een relatief grote warmtevraag (Figuur 3.2). Ruim 75% van de warmtevraag komt van de glastuinbouw. De huidige warmtevraag in de gehele gemeente bedraagt nu ruim 4.000 TJ. De vraag zal door beter isolatie en nieuwe bouwtechnieken in zowel de woningbouw als in de glastuinbouw de komende jaren dalen. De verwachting is dat de totale warmtevraag in 2030 ongeveer 3.200 TJ is en in 2050 ongeveer 2.750 TJ bedraagt.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

19

Figuur 3.2: Totale warmtevraag in Pijnacker-Nootdorp (klimaatmonitor en onderzoeken WSO voor glastuinbouw)

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

20

3.2.1 Toekomstige warmtevraag Glastuinbouw In de glastuinbouw gaan steeds meer tuinders energie-efficiënt telen. Dit als gevolg van innovaties en de inzet van nieuwe teelttechnieken onder de noemer van ‘Het nieuwe Telen’. De verwachting van de Warmte Samenwerking Oostland (WSO) is dat de warmtevraag van de glastuinbouw tussen 2017 en 2030 met ongeveer 15% afneemt. Wij houden rekening met een daling van de warmtevraag van 3.055 TJ nu, naar 2.325 TJ in 2030, ofwel een daling van 24%. Deze grotere daling heeft te maken dat de glastuinbouw in Pijnacker-Nootdorp iets ouder is dan in de rest van het WSO-gebied. Hierdoor is ook meer besparing te halen bij vernieuwing dan wel herstructurering van gebieden. In 2040 wil de glastuinbouw geen producent meer zijn van broeikasgassen. De WSO heeft per gebied onderzocht hoe de energievraag zich gaat ontwikkelen. Hiervoor hebben ze een uitgebreide studie verricht. De resultaten daarvan hebben wij gebruikt voor dit Energietransitieplan. Gebouwde omgeving Het energiegebruik per huishouden neemt af. De huizen in Pijnacker-Nootdorp zijn ten opzichte van het landelijk gemiddelde goed geïsoleerd. Dit heeft te maken met de jonge opbouw van de woningvoorraad. Opvallend is dat op basis van nationale cijfers van het CBS de gasvraag sneller afneemt dan de elektriciteitsvraag.

Figuur 3.3: Gemiddeld Energieverbruik Het dalende gebruik van energie (elektra/warmte) kent meerdere oorzaken, waaronder: •

Isolatie van de woningen.

•

Elektrische apparatuur worden steeds efficiënter.

•

De energienormen voor nieuwbouw zijn strenger geworden en worden nog strenger.

•

Het Rijk heeft een convenant gesloten met woningcorporaties dat hun woningen in 2020 zijn voorzien van energielabel B of beter1.

•

Minimaal 80% van alle particuliere huurwoningen dient in 2020 te beschikken over energielabel C2.

•

1 2

Nieuwe huizen worden bij wet gasloos opgeleverd.

Is niet behaald en doel is ook losgetalen in het Klimaatakkoord Is niet behaald en doel is ook losgelaten in het Klimaatakkoord

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

21

De verwachting is dat de warmtevraag voor de bestaande woningvoorraad daalt van 808 TJ in 2019 naar 676 TJ in 2030. Binnen de 15% reductie in de gasvraag is rekening gehouden met reductie van de vraag door isolatie. De totale vraag in 2030 is berekend op 3.204 TJ. De bedrijven in PijnackerNootdorp zijn net als de huizen in Pijnacker-Nootdorp relatief goed geïsoleerd. Vanuit de sturing door het Rijk op energiebesparing via de lijst verplichte maatregelen, is eveneens rekening gehouden met een 15% reductie van de warmtevraag tussen 2019 en 2030. Participatie en draagvlak Iedereen moet mee kunnen doen aan de warmtetransitie. Ook is er keuzevrijheid. Iedere gebouweigenaar kan zelf bepalen hoe deze van het aardgas af gaat, aansluit op een warmtenet of kiest voor een eigen individuele duurzame oplossing. De spelregels waaronder dit kan, worden door het Rijk vastgelegd in een nieuwe wet (Wet collectieve warmtevoorziening). Wanneer deze wet ingaat en de wet er exact uit komt te zien, is nog niet bekend. Voor de wijken waar het rendabel is en passend is voor de woningen, zetten we in op het realiseren van een warmtenet. Dit warmtenet is gevoed door aard- en restwarmte. Uit participatie is gebleken dat de samenleving betrokken is bij de opgave. De grootste zorg is de onbekendheid en zit in de kosten.

De energietransitie kost nu eenmaal geld, daarom houden we rekening met de laagst maatschappelijke kosten. Alleen dan is het voor iedereen mogelijk om mee te doen en kunnen we zorgen voor een eerlijke verdeling van de extra kosten, de eersten betalen niet de hoogste lasten. De financiële gevolgen en risico’s moeten voor iedereen behapbaar zijn.

3.3

DE WARMTEMIX

Voor 2050 zetten we in op een warmtemix van geothermie en restwarmte voor de glastuinbouw en een warmtenet voor woonwijken. Dit biedt de meeste garantie voor een robuuste, betaalbare, haalbare en eerlijke oplossing. Met de kennis van nu schatten we in dat maximaal 55-62,5% van de totale warmtevraag is in te vullen met lokale geothermie. Hiermee is ongeveer de gehele basislast van de warmtevraag in te vullen. Dit staat gelijk aan de huidige twee geothermiebronnen en nog twee van de vijf mogelijke bronnen in de gemeente. We zetten in op invulling van 20-25% van de warmtevraag door middel van restwarmte uit de regio. We rekenen erop dat de pieklast van 17,5-22% van de warmtevraag situationeel door middel van WKO, biogas, waterstof of andere individuele systemen op termijn is in te vullen. We creëren hiermee een duidelijke basis voor een robuust functionerend warmtenet dat is te voeden door meerdere bronnen en flexibiliteit geeft voor de afnemers. De effecten van de warmtetransitie op de fysieke leefomgeving zijn bovengronds beperkt. Natuurlijk zal een warmtenet moeten worden aangelegd in grote delen van de gemeente en zijn pompstations nodig. Dit vergt ruimte, die er hoogstwaarschijnlijk wel te vinden is. Ondergronds vraagt dit echter wel om (meer) sturing op de ordening van de ondergrond. Het wordt immers steeds drukker in de ondergrond.

We streven naar een gebiedsdekkend warmtenet voor grote delen van onze gemeente, zodat het warmte-aanbod aan elkaar is te koppelen. Daarbij behouden burgers en bedrijven keuzevrijheid om al dan niet aan te sluiten op een warmtenet. In het participatieplan is aangegeven dat we in overleg per wijk kijken hoe de warmtevraag is in te vullen. Dit kunnen we alleen doen als er ook zicht is op een aansluiting op een warmtenet.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

22

Op basis van de uitgangspunten, rekening houdend met de lokale context en in te zetten koers, zal dit leiden tot de volgende warmtemix (Tabel 3.1). In Figuur 3.5 is dit beeldend uitgewerkt.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

23

Lokale

2019

2030

2040

2050

3.055 TJ

2.325 TJ

2.159 TJ

2.001 TJ

Wonen

808 TJ

676 TJ

627 TJ

583 TJ

Commerciële utiliteit

152 TJ

130 TJ

121 TJ

113 TJ

Publieke voorzieningen

89 TJ

73 TJ

68 TJ

53 TJ

4.104 TJ

3.204 TJ

2.975 TJ

2.750 TJ

750 TJ

1.525 TJ

1.525 TJ

1.525 TJ

Restwarmte

0 TJ

110 TJ

500 TJ

750 TJ

All-electric en zonnecollectoren

7 TJ

80 TJ

175 TJ

275 TJ

Kachels individueel

43 TJ

40 TJ

20 TJ

20 TJ

0 TJ

30 TJ

30 TJ

30 TJ

0 TJ

0 TJ

0 TJ

150 TJ

800 TJ

1.785 TJ

2.250 TJ

2.750 TJ

19%

55%

75%

100%

potentie Vraag Glastuinbouw

Totaal Opwek Geothermie

Biovergisting

2.805 TJ

64 TJ

Duurzaam gas Totaal Percentage duurzaam Tabel 3.1: Warmtemix

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

24

Figuur 3.4: Warmtemix

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

25

3.4

TRANSITIEVISIE WARMTE

Naast besparen op de warmtevraag moeten we voor 2050 onze gebouwen ook anders/duurzaam verwarmen. In essentie zijn er drie primaire vormen van duurzaam verwarmen, zijnde: •

Collectief aansluiten op een warmtenetwerk (niet zijnde WKO).

•

Collectief verwarmen met een warmte koudeopslag (WKO), ook op de schaal van een appartementencomplex.

•

Individueel verwarmen met een duurzaam warmtesysteem.

3.4.1 Energielabel als richting voor oplossing De mate van isolatie van een woning bepaalt tevens de investering die voor een woning nodig is om aardgasvrij te worden. Het energielabel geeft richting aan de mate van isolatie. Voor matig tot slecht geïsoleerde huizen met label D tot G is het bijna altijd maatschappelijk het goedkoopst om aan te sluiten op een collectief warmtenetwerk. Uitzondering daarop is het buitengebied. Voor redelijk geïsoleerde woningen met label C/D is aansluiten op een midden temperatuurnetwerk vaak het meest rendabel, mits de wijk voldoende dicht bebouwd is. Uit de analyses voor woningen met label A/B zijn vaak meerdere warmte oplossingen toepasbaar. Dit komt enerzijds doordat de kosten van maatregelen vaak dicht bij elkaar liggen. Anderzijds omdat naast de laagste kosten ook andere warmteopties makkelijk zijn toe te passen in goed geïsoleerde woningen. Hierdoor kunnen bewoners andere afwegingen maken: •

Individueel systeem versus collectief systeem.

•

Zelf alles willen regelen of ontzorgd worden door een warmtebedrijf.

•

Of de mogelijkheid om te koelen.

Voor woningen met label A+ en hoger is een collectieve dan wel individuele WKO, met warmtepomp bijna altijd de beste oplossing. In figuur 3.6 zijn alternatieve duurzame verwarmingsmethoden te zien die we nu al toepassen in de regio. De positie van de maatregelen geeft weer voor welke energie labels en welk temperatuurregime deze geschikt zijn. De waarden in figuur 3.6 zijn indicatief en gebaseerd op grondgebonden woningen die verwarmd worden door reguliere radiatoren. Mits een woning over vloerverwarming beschikt (op de begane grond), schuift deze een energielabel op. Een label C woning met vloerverwarming is dus met 50°C te verwarmen.

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

26

Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

27

Figuur 3.6: Duurzame verwarmingsmethoden Duurzaam verwarmen met een collectief midden/hoog temperatuur warmtenetwerk Warmtenetwerken kunnen op meerdere temperaturen warmte leveren aan een woning. Aangezien woningen in Nederland voor een groot deel op een verwarmingstemperatuur van 70°C in het CVsysteem zijn uitgelegd, sluiten warmtenetten met een aanvoertemperatuur van 70°C hier vaak bij aan. Oudere woningen hebben vaak een grotere temperatuurvraag van ongeveer 90°C. Zowel restwarmte als geothermie kunnen voorzien in een warmtelevering van 70°C. Met behulp van cascadering is ook warmtelevering van 50°C of zelfs 35°C mogelijk. Voor de bewoner maakt de bron overigens niet uit. Als een warmtenet de overstap maakt van gasgestookt naar het benutten van restwarmte dan wel geothermische warmte, zal de bewoner geen invloed ondervinden, zolang de watertemperatuur maar gelijk blijft. Voor de leveringszekerheid is het desalniettemin wenselijk bronnen te koppelen. De kracht van warmtenetwerken zitten in de volgende aspecten: 1.

Warmtenetten kunnen warmte op dezelfde temperatuur leveren als Hr-ketels (70°C-75°C), waarmee extra isolatie en aanpassing van de warmteafgiftesystemen niet direct noodzakelijk is (verdere isolatie is wel nodig om het energiegebruik te reduceren).

2.

De aansluitkosten op een warmtenet zijn vele malen lager dan de aanschaf en installatie van een individuele lucht- of bodemwarmtepomp.

3.

Warmtenetten met een temperatuur van 70°C/75°C hebben geen buffervaten en boosterwarmtepompen nodig voor warm tapwater. Wanneer de aanvoertemperatuur lager is dan 65°C, dan is voor de bereiding van warm tapwater een boosterwarmtepomp nodig.

4.

Warmtenetten zijn flexibeler, omdat meerdere bronnen op aangesloten kunnen worden (waaronder ook waterstof/groen gas).

Het systeem kent niet alleen maar voordelen, het systeem heeft de volgende zwaktes: 1.

Zowel rest- als aardwarmte hebben binnen een warmtenet een aandeel van ongeveer 83% van de warmtelevering om de aangesloten bebouwde omgeving jaarrond te verwarmen. In de winter zijn nu gasgestookte piekketels nodig om de verwarmingspieken op te vangen (de piekketels slaan aan bij temperaturen onder de 5 graden).

2.

Binnen warmtenetten gaat veel warmte verloren (10 tot 15%). Daarnaast vraagt dit ook om afstand te houden drinkwaterleidingen.

3.

De meeste warmtenetten kunnen in vergelijking met all electric oplossingen niet koelen. Voor eventuele koeling is dan een airco met duurzame elektriciteit de oplossing.

3.4.2 Bestaande analyses Het Planbureau voor de leefomgeving (PBL), de provincie Zuid-Holland, de Warmtesamenwerking Oostland (WSO) en Stedin met haar “openingsbod” hebben ons allen voorzien van warmtestrategieën op basis van modelberekeningen. Dit in relatie tot welke nieuwe warmtebron voor de bebouwde omgeving de minste maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Ieder van deze instanties heeft hiertoe een andere benadering. Het zijn allen modellen die op modelmatige wijze voor duizenden buurten tegelijkertijd het minst intensieve alternatief voor aardgas berekenen tegen de minst maatschappelijk kosten. Hierin zijn veel Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

28

parameters meegenomen, echter is de praktijk complexer. Zo houden de modellen geen rekening met de onderlinge resultaten van buurten en is de aanname dat alle buurten (voor Pijnacker-Nootdorp) tot ongeveer label B zijn geïsoleerd voor 2030. Om een echt goede kwantitatieve analyse te maken van het maatschappelijk meest betaalbare alternatief voor aardgas, dient voor iedere buurt tijdens het opstellen van een wijkplan een aparte haalbaarheidsstudie georganiseerd te worden. Als meerdere modellen op hetzelfde resultaat uitkomen, dan geeft dat een goede startrichting. In de wijkplannen zal ook per buurt de betaalbaarheid van de warmteopties nader onderzocht moeten worden.

3.4.3 Startstrategie We hebben in Pijnacker-Nootdorp alle analyses naast elkaar gelegd en op basis van expertkennis, de energiemix en lokale kennis een startstrategie gemaakt. Op basis hiervan is de kaart in figuur 3.7 opgesteld. Dit is geen eindbeeld maar een eerste startstrategie. Deze startstrategie gaan we nader verfijnen binnen de wijkuitvoeringsplannen. De startstrategie is ook niet in beton gegoten voor 2050. Nieuwe inzichten, technieken en een veranderde (regio)omgeving kunnen leiden tot aanpassingen. Zoals eerder gezegd, de transitie gaat in stappen. We moeten nu stappen zetten, maar laten ruimte voor de toekomst om het anders in te vullen. De startstrategie geeft wel een handelingsperspectief voor bewoners en bedrijven. Ook al staat in de strategie een collectieve wijk pas aangemerkt om op de lange termijn te worden opgepakt, dan is ook op basis van dit plan aan te geven wat nu al wel is te doen om de warmtevraag te reduceren of anders in te vullen. De strategie is gebaseerd op basis van de reeds geïnventariseerde mogelijkheden. Voor het opstellen van wijkuitvoeringsplannen geldt dat we dit nu alleen gaan doen voor die buurten die we nu willen aanwijzen om voor 2030 te voorzien van een collectieve warmtenet-oplossing om van het aardgas af te gaan.

3.4.4 Realistische uitvoering De warmtetransitie hoeft en kan niet overal gelijktijdig plaats te vinden. Dit gaat ook niet. Het realiseren van warmtenetten in bestaande stedelijke gebieden is een complexe- en grootschalige opgave. Gezien het relatief gering aantal aansluitingen in de glastuinbouwgebieden is het aansluiten van de glastuinbouw, mits het financieel ook aantrekkelijk is, eenvoudiger te ontwikkelen. In Concept Energietransitieplan Pijnacker-Nootdorp

29

samenwerking met de glastuinbouw ondernemers en mogelijk exploitanten van de bronnen, zullen we blijven samenwerken om de glastuinbouw voor 2040 van het aardgas te krijgen. Dit gaat alleen lukken als in het energievraagstuk een breder perspectief van elektriciteit en de levering van CO 2 wordt bekeken. In de gebouwde omgeving is de gemeente de aangewezen partij om het initiatief te nemen om te komen tot de warmtetransitie. We kunnen echter niet alle ballen tegelijkertijd hooghouden en moeten met de capaciteit die we wel hebben de opgave gestructureerd invullen. Dit houdt in dat we de opgave in de tijd moeten verdelen om deze behapbaar te houden. De vraag ‘Waar gaan we wanneer aan de slag?’ is afhankelijk van veel parameters, zoals de techniek, de ligging van de wijk, (markt) ontwikkelingen die zich voordoen en zicht op een duurzame bron, het draagvlak en de financiering etcetera. Voor alle warmtenetten is landelijk flankerend beleid nodig, zodat sprake kan zijn van (woon)lastenneutraliteit voor de gebouwde omgeving en glastuinbouw. We bieden inzicht in het perspectief tot 2050. Dit geeft een handelingsperspectief waar wij, partners van ons en andere (markt)partijen telkens het gesprek over voeren om uitvoering te geven aan de warmtetransitie. Als zich hieruit een kans voordoet om te komen tot aanpassingen in de nu voorgestelde fasering, dan is dat bespreekbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10039143/1