Bijlage 1 1 Energietransitieplan 2025 geanonimiseerd NIEUW
Tekst van het document
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
30
Met een hoger percentrage lokaal opgewekt elektriciteit die we ook zelf gebruiken kunnen we de elektriciteitsvraag verder reduceren. Daarvoor is een andere lokale bron nodig dan zon. Met lokale windenergie is de stijging van de elektriciteitsvraag uit het net verder te reduceren op momenten dat het extra nodig is (‘s nachts en ‘s winters).
7.1.1 Huidige en toekomstige elektriciteitsvraag gebouwen en voertuigen De elektriciteitsvraag voor gebouwen (exclusief glastuinbouw) en voor voertuigen zal tussen 20242050 sterk stijgen. De ontwikkelingen die hieraan ten grondslag liggen zijn: -
De bouw van circa 6.000 woningen en een bedrijvenpark; o
(Boezemvaart/afronding Boezem Oost en Heron).
-
Elektrisch verwarmen en koelen met warmtepompen;
-
Elektrisch rijden met auto’s, vrachtwagens en bestelbussen.
De stijging van de elektriciteitsvraag wordt geremd doordat apparaten steeds efficiënter worden, echter is de vraagtoename door bovenstaande trends groter. In 2023 bedroeg de netafname 484 TJ. De verwachting is dat deze vraag in 2030 is gestegen naar 577,5 TJ, in 2040 naar 650 TJ en in 2050 naar 760 TJ. Tussen 2023 en 2050 zal de elektriciteitsvraag voor voertuigen en gebouwen stijgen met 57% Per trend is de groei tussen 2023 en 2050 als volgt: -
De vraag zal tussen 2023 en 2050 met 234 TJ stijgen door elektrische voertuigen;
-
De vraag zal tussen 2023 en 2050 met 121 TJ stijgen door nieuwbouw;
-
De vraag zal tussen 2023 en 2050 met 115 TJ stijgen door elektrisch verwarmen/koelen;
-
De vraag zal tussen 2023 en 2050 met 194 TJ dalen door besparingen en zelfgebruik zonneenergie.
Figuur 9: Opgave en Ambities Elektriciteit
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
31
7.1.2 Huidige en toekomstige elektriciteitsvraag glastuinbouw De elektriciteitsvraag in de glastuinbouw zal, net als in de gebouwde omgeving, sterk stijgen, dit heeft echter andere oorzaken, namelijk: -
Elektrificatie van de warmtevraag en elektriciteitsvraag van geothermiebronnen;
-
Het verminderen van het aantal draaiuren van WKK’s, als gevolg van meer uren met lage elektriciteitsprijzen en hogere aardgasprijzen, waardoor de glastuinbouw meer elektriciteit van het net af gaat nemen;
-
Een toename van het areaal met verlichtte teelt, door de introductie van LED.
De stijging van de elektriciteitsvraag wordt geremd doordat apparaten steeds efficiënter worden, echter is de vraagtoename door bovenstaande trends groter. In 2023 bedroeg de netafname 483 TJ. De verwachting is dat deze vraag in 2030 is gestegen naar 577,5 TJ, in 2040 naar 900 TJ en in 2050 naar 900 TJ. Tussen 2023 en 2050 zal de elektriciteitsvraag voor voertuigen en gebouwen stijgen met 86% Per trend is de groei tussen 2023 en 2050 als volgt: -
De vraag zal tussen 2023 en 2050 met 288 TJ stijgen door elektrificatie van de warmtevraag;
-
De vraag zal tussen 2023 en 2050 met 112,5 TJ stijgen door gereduceerde inzet WKK;
-
De vraag zal tussen 2023 en 2050 met 112,5 TJ stijgen door extra verlichting;
-
De vraag zal tussen 2023 en 2050 met 96 TJ dalen door besparingen en areaalafname.
7.2 ELEKTRICITEITSOPLOSSINGEN Hernieuwbare elektriciteit wekken we lokaal op door alleen zon, met alleen deze inzet behalen we een lokale opwek van 20,5% in zowel 2030 als 2050. In Pijnacker-Nootdorp wekken we al veel zonnestroom op daken, op bijna de helft van al onze geschikte daken liggen zonnepanelen. Dit blijven we als gemeente stimuleren, al verwachten we dat door het afschaffen van de salderingsregeling de uitrolsnelheid vertraging op zal lopen. Voor de opwek van zonne-energie op land zijn de mogelijkheden met oog op de nieuwe zonneladder eveneens beperkt. Daarnaast zullen we hernieuwbare elektriciteit van buiten onze gemeente moeten inzetten om aan onze vraag te kunnen voldoen. Opwek zon We zetten als gemeente in op de volgende sporen van zonne-energie opwek, namelijk: -
Zonne-energie opwek op bestaande en nieuwe daken;
-
Zonne-energie opwek in de vorm van zonnecarports (Bijvoorbeeld: Centre du Lac/OPCW) en zonnefietsenstallingen;
-
Zonne-energie opwek op bassins van de glastuinbouw.
We verwachten hiermee dat de komende 30 jaar de opwek van zonne-energie stijgt van 47.500 MWh in 2023 naar 105.600 MWh in 2050. Door de sterke toename van de vraag neemt het percentage zonne-energie in de lokale elektriciteitsmix echter beperkt toe van 16% naar 20,5%.
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
32
We zullen daarom elke ontwikkeling, zoals grootschalige zonopwek, batterijopslag en nieuwbouw moeten beoordelen of deze passend zijn voor het elektriciteitsnetwerk in de huidige en toekomstige situatie. We willen daarom sturen op: -
Het stimuleren van het gebruik van batterijen voor opslag en verbruik van eigen opgewekte elektriciteit;
-
Het opzetten van energiehubs om het elektriciteitsgebruik en -levering van bedrijven beter op elkaar af te stemmen, al dan niet aangevuld met collectieve batterijen; o
Op Heron en Boezem zijn de ondernemers al met elkaar en de gemeente in gesprek over de vorming van energiehubs.
-
Het flexibel leveringsvermogen van (semi)publieke laadpalen als de gebouwde omgeving veel energie vraagt leveren laadpalen minder vermogen en andersom;
-
Kiezen voor energiearme nieuwbouw, verwarmd en gekoeld door bodemenergie al dan niet in combinatie met aquathermie; o
De piekvraag van een bodemwater warmtepomp op een koude winterdag is ongeveer twee tot drie keer zo laag als van een lucht-water warmtepomp;
o
Een bodemwarmtepomp kan ongeveer 10 keer efficiënter koelen dan een airco en lucht-water warmtepomp.
7.2.1 Lokale opwek hernieuwbare elektriciteit We willen lokaal opgewekte elektriciteit zoveel mogelijk ook lokaal gebruiken, daarmee belasten we het elektriciteitsnetwerk zo min mogelijk en verlagen we de vraag naar elektriciteit van het openbaar netwerk. De opslag van elektriciteit, in o.a. batterijen ondersteunt deze doelstelling. Alleen met zon wekken we maximaal 20,5% van onze behoefte lokaal op, een verhoging van dit percentage kan alleen met andere lokale bronnen. Volledig aardgasloos worden is alleen mogelijk door middel van wind. Windenergie is op dit moment niet in lijn met de Omgevingsvisie en is daarom niet als bron binnen onze gemeente opgenomen. Het binnen de gemeentegrenzen opwekken van duurzame elektriciteit door middel van windmolens kan niet rekenen op breed draagvlak. Hetzelfde geld voor grootschalig zon op land. We zien in beperkte mate met name in de glastuinbouw en de mobiliteit dat waterstof een aanvulling kan zijn. We voorzien hierbij geen grootschalige productie van waterstof binnen onze gemeente, dit vanwege veiligheidsrisico’s en doordat de elektriciteitsvraag die benodigd is voor het maken van waterstof explodeert. Voor de bebouwde omgeving zien we geen toepassing voor waterstof, simpelweg omdat er te weinig waterstof beschikbaar is en de levering naar woningen een hoge investering vraagt.
Overigens heeft de minister gemeenten verzocht waterstof niet toe te passen in de bebouwde omgeving. In de glastuinbouw kunnen de Wkk’s elektriciteit produceren, daarmee zijn ze ook een lokale elektriciteitsbron. De Wkk’s worden gevoed met aardgas en kunnen dus niet worden gekwalificeerd als hernieuwbare elektriciteit. Wkk’s passen daarom niet in ons eindbeeld. Doordat we nu in netcongestie zijn en er beperkingen zijn voor nieuwe aansluitingen kan er een tijdelijke situatie ontstaan waarin Wkk’s ingezet worden voor nieuwe aansluitingen als het openbaar
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
33
elektriciteitsnetwerk dit niet kan leveren. De nieuwe energiewet geeft hiervoor ruimte. (Zie verder hoofdstuk 7.3. Het verhogen van de lokale opwerk van hernieuwbare elektriciteit kan in alleen met wind. Is wind kansrijk? Eerder gaven we aan dat momenteel geen draagvlak is voor windenergie. Grote windturbines wekken lokaal veel weerstand op, door hun omvang en de potentiële hinder die door omwonenden wordt ervaren. Kleinschalige windturbines, zoals buurtmolens, windwokkels en erfmolens zijn van een andere ordergrootte en zijn beter in te passen in het landschap en de leefomgeving. We hebben in onze doelstellingen windenergie niet meegenomen. Windenergie kan echter wel bijdragen in de lokale opwek van hernieuwbare elektriciteit en kan een bijdrage leveren aan het voorkomen van netcongestie. Het gebruik van lokaal opgewekte windenergie heeft een gunstig effect in het in balans houden van het elektriciteitsnetwerk. Alle elektriciteit van wind op zee aanvoeren leidt tot enorme congestieproblemen en daarmee maatschappelijk kosten op het hoogspanningsnet. Bovendien wekt wind ook elektriciteit op in de winter en in de nacht. Energetisch is wind een goede toevoeging om ons elektriciteitsnetwerk minder te belasten en in te zetten als congestieverachter, echter is hiervoor op dit moment onvoldoende draagvlak voor in de maatschappij.
We zien de volgende mogelijkheden en willen hierover met de samenleving in gesprek gaan:
Buurt- en erfmolens zijn in algemene zin windturbines met een tiphoogte van circa 25 meter en een bladlengte van circa 10 meter. Deze windturbines zijn in staat om ongeveer 100 MWh per jaar op te wekken (elektriciteitsgebruik 33 huishoudens). Deze windturbines zijn bijvoorbeeld (in lijn) mogelijk te plaatsen op grote parkeerterreinen, bij glastuinbouwbedrijven of (aan de randen) van bedrijvenparken. Hiermee kan kleinschalige wind ook impact maken. Ook voor windwokkels zien we kansen, vooral als potentiële vervanger van vlaggenmasten. De impact van een windwokkel is goed te vergelijken met die van een vlaggenmast. Echter wekt een windwokkel elektriciteit op, een windwokkel van 1,3 x 2,0 meter hoog wekt circa 2 MWh op. Vooral bij sportclubs die vooral ’s avonds veldverlichting aan hebben staan, kunnen windwokkels mogelijk de energielasten aanzienlijk reduceren, zonder dat dit een significante impact heeft op de leefomgeving. Ook op bedrijvenparken zien we hiervoor mogelijkheden. Grotere windmolens, bijvoorbeeld geplaatst langs snelwegen, kunnen een grotere opbrengst realiseren. Echter, hiervoor is het draagvlak in de samenleving beperkt, zoals eerder in dit Energietransitieplan beschreven. Deze windmolens leveren ongeveer 6000 MWh op.
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
34
Figuur 10: Lokale opwek hernieuwbare elektriciteit
7.3 MAATREGELEN NETCONGESTIE Netcongestie is de realiteit van vandaag. Binnen de gehele gemeente zijn er beperkingen voor afname van elektriciteit en binnen Nootdorp ook voor teruglevering. We zitten momenteel in fase 1 van netcongestie, waarbij de beperking zit op nieuwe aansluitingen en verzwaring van de aansluiting voor grootverbruikers. We sluiten niet uit dat we in de toekomst naar de volgende fase van netcongestie gaan met nog grotere gevolgen, waaronder ook beperkingen voor kleinverbruikers, zoals kleine bedrijven en huishoudens, of zelfs uitval van elektriciteit. Wanneer dit zou kunnen plaatsvinden is vooralsnog niet te voorspellen. Dit hangt mede af op welke wijze we nu met het oplossen en beperken van netcongestie om gaan. De gemeente is niet verantwoordelijk voor het oplossen van netcongestie. De verantwoordelijkheid ligt bij de netbeheerders en eindgebruikers. De maatschappelijke gevolgen kunnen echter groot zijn. Bedrijven kunnen zich niet vestigen, uitbreiden of verduurzamen. Als kleinverbruikers ook beperkingen krijgen opgelegd dan komen o.a. onze woningbouwambities in gevaar. Daarnaast kan de leveringszekerheid in gevaar komen. We kunnen niet anders dan onze maatschappelijke bijdrage te leveren aan het oplossen van de netcongestie en het oplossen van de beperkingen. We zetten hierbij in op de volgende strategie: -
Ruimte bieden om de verschillende elektriciteitsnetwerken in de hele keten (laag, midden- en hoogspanningsnetten) te verzwaren;
-
Het stimuleren van slimmer gebruik van elektriciteit binnen het lokale netwerk.
7.3.1 Verzwaring van het elektriciteitsnetwerk Netbeheerder Stedin heeft aangegeven dat in het gehele elektriciteitsnetwerk verzwaringen nodig zijn om het netwerk toekomstbestendig, leveringszeker en veilig te houden.
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
35
In Pijnacker is een nieuw invoedingspunt (150 kV hoofdverdeelstation) nodig om aan de toekomstige vraag naar elektriciteit te voldoen. Daarnaast zullen middenspannings- en laagspanningsstations verzwaard en bijgeplaatst moeten worden. In elke wijk en buurt zijn nieuwe LS-Stations nodig. Ondergronds zijn hiervoor nieuw kabels nodig. Voor de verzwaring is ruimte nodig en in de toch al beperkte ruimte vraagt dit een zorgvuldige afweging. We hebben een samenwerkingsovereenkomst met Stedin gesloten om processen voor netverzwaring te stroomlijnen en te versnellen. De belangrijkste doelen zijn om ruimte te zoeken voor de stations en de verzwaring te starten wanneer dit voor het netwerk nodig is. De verwachting is dat de huidige netcongestie in 2035 opgelost moet zijn, de verzwaring loopt echter door tot 2050, vanwege de toenemende elektriciteitsvraag tussen 2035 en 2050.
7.3.2 Het slimmer gebruiken van het elektriciteitsnetwerk Dit is een lange periode, we moeten daarom ook kijken naar andere maatregelen om onze ambities op het gebied van nieuwbouw en de energietransitie blijvend te kunnen realiseren. Het slimmer gebruiken van het elektriciteitsnetwerk kan hieraan bijdragen. Dit is overigens een lastige opgave, omdat dit vaak betekent dat we anders met gebruik van energie om moeten gaan dan dat we gewend zijn. Gebruik elektriciteit op de momenten dat je het opwekt of gebruik niet allemaal tegelijk elektriciteit. We zullen hierin rekening met elkaar moeten houden en onderling afspraken moeten maken. We zien in het slimmer gebruik op dit moment de volgende oplossingsrichtingen. Er zullen ongetwijfeld door innovaties meer oplossingsrichtingen komen, we zullen hierop anticiperen als er mogelijkheden voordoen. 1. Flexibel gebruik van elektriciteit; 2. Gebruik van eigen opgewekte elektriciteit. Opslag van elektriciteit is hierbij sterk ondersteunend.
Flexibel gebruik van elektriciteit Op tijden dat we allemaal tegelijkertijd elektriciteit afnemen, bijvoorbeeld als we ’s-avonds vanuit het werk thuiskomen en de elektrische auto opladen, vragen we veel van het netwerk. Als we dit spreiden ontlasten we het netwerk, waardoor er meer ruimte komt. Voor de bebouwde omgeving is dit lastig af te stemmen. Het biedt wel mogelijkheden voor bedrijventerreinen en in de glastuinbouw. We hoeven niet tegelijkertijd de lampen aan te zetten om gewassen te laten groeien. Ook bedrijfsprocessen kunnen op elkaar worden afgestemd. We noemen dit netcongestie verlagende maatregelen.
Gebruik van eigen opgewekte elektriciteit Op huis of bedrijfsniveau kan netcongestie beperkt worden door elektriciteit te gebruiken op de tijdens dat men het opwerkt of door de opgewekte elektriciteit op te slaan op batterijen voor later gebruik. Op grotere schaal kunnen energiehubs bijdragen aan het beperken van netcongestie. Binnen deze hubs wordt gekeken hoe elektriciteit lokaal wordt opgewekt, opgeslagen en gebruikt kan worden voor meerdere aansluitingen. Dit kan voor een bedrijventerrein of de glastuinbouw, maar ook in
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
36
straten in onze woonwijken. Dankzij deze maatregelen wordt er minder vermogen gevraagd van het netwerk waardoor er meer ruimte komt voor nieuwe aansluitingen. 7.3.2.1
Opslag van elektriciteit
De sterk wisselende vraag en aanbod van elektriciteit op het elektriciteitsnetwerk veroorzaakt veel pieken en dalen op het elektriciteitsnetwerk. Om de pieken en dalen op te vangen is batterijopslag een goed middel. We stimuleren batterijopslag, indien de batterijen ingezet wordt voor het opslaan en gebruik van zelfopgewekte elektriciteit door zon en eventueel kleine windwokkels of turbines. Batterijen die ingezet worden op de landelijke onbalansmarkt raden we sterk af. De inzet hiervan versterkt de kans op netcongestie enorm. Dit vinden wij ongewenst. Kleine (thuis)batterijen dienen bij voorkeur in huis te worden geplaatst. Voor grote opslag in de glastuinbouw en/of in energiehubs (zie volgende paragraaf) in de buitenruimte willen we faciliteren en dus ruimte voor bieden. Dit vraagt een zorgvuldige afweging op de beschikbare ruimte. Het is simpelweg niet overal mogelijk zonder daar anders doelstellingen (grond, parkeren, etc. etc.) voor in te leveren. Voor kleinschalige omzetting naar waterstof als opslag van elektriciteit zien we geen mogelijkheden in de bebouwde omgeving. Er is hiervoor veel elektriciteit nodig en ook de veiligheidsaspecten zien we als drempel. Bij grootschalige opslag van waterstof, wat in de glastuinbouw aan de orde is zien we wel mogelijkheden (zie ook koers glastuinbouw). Er zijn hierin echter nog niet veel ervaringen.
Er lopen op dit moment pilots voor toepassingen van waterstof in de glastuinbouw. We houden deze ontwikkelingen in de gaten. 7.3.2.2
Energiehubs en kleinschalige netwerken
We zien toekomst in lokale en kleinschalige elektriciteitsnetwerken waarin vraag, aanbod en opslag op elkaar wordt afgestemd. We zien dit vooral op onze bedrijventerreinen en in de glastuinbouw ontstaan, maar ook kleinschalig voor woningbouw. Dit komt mede doordat de regelgeving hier vanaf 2025 veel meer ruimte voor laat. Deze geeft ruimte om aan elkaar elektriciteit te leveren. Op de bedrijfsterreinen en in de glastuinbouw kunnen ondernemers met elkaar afstemmen hoe ze elkaar voorzien van elektriciteit. Als de een elektriciteit over heeft kan de ander dit gebruiken. Indien er veel elektriciteit wordt geproduceerd is een kleinschalig elektriciteitsnetwerk met toepassing van batterijen een mogelijkheid om zelfstandiger te worden in de energievoorziening en minder afhankelijker te worden van het openbare elektriciteitsnetwerk. Dit is mede een goed middel om netcongestie te voorkomen. Dit vraagt samenwerking tussen ondernemers. We willen de ondernemers hierin ondersteunen en een pilot starten om de mogelijkheid van een energie hub en kleinschalige netwerken te onderzoeken.
7.4 BEHEERSING NETCONGESTIEFASE De recent aangekondigde netcongestie overviel ons. We kunnen dan ook nog nauwelijks bevatten welke impact dit heeft en wat ons te wachten staat in de toekomst. Het risico is groot dat het ons als samenleving enorm beperkt in nieuwe ontwikkelingen, maar ook de energietransitie zelf. We willen daarom een impactanalyse opstellen, waarin we in beeld brengen wat de impact is van de huidige situatie, maar ook de mogelijke toekomstige situatie. Op basis hiervan kunnen we prioritering en maatregelen op ontwikkelen. We willen de impactanalyse opnemen en verder uitwerken in een gemeentelijk actieplan netcongestie.
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
37
8 KOERS GLASTUINBOUW De Glastuinbouw heeft zichzelf tot doel gesteld om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Wij ondersteunen deze doelstelling en we faciliteren hierin de glastuinbouwsector. In de glastuinbouw zien we de urgentie toenemen om aardgas te vervangen voor een duurzamere warmtebron. De door de overheid ingezette maatregelen leiden tot hoger energiekosten voor het gebruik van aardgas (o.a. ETS 2 (CO2-tax) en de verlaging van de korting op de energiebelasting op aardgas voor de glastuinbouw). Ook is de marktprijs (exclusief belastingen) van aardgas in 2024 nog steeds ongeveer twee keer zo hoog dan de marktprijs in 2021. Het is dus noodzakelijk dat er betaalbare alternatieven komen. De energievraag in de glastuinbouw en de invulling daarvan is qua cijfers meegenomen in de koers warmte en koers elektriciteit. In dit hoofdstuk benoemen we de specifieke onderdelen van de energietransitie voor de glastuinbouw, We zien dat de sector begrijpt dat de opgave in de energietransitie geen individuele opgave is maar een gezamenlijke. Meer en meer trekken individuele ondernemers naar elkaar toe en organiseren ze de samenwerking om te komen tot een duurzame energievoorziening. Dit is ook nodig aangezien de energievoorziening in de glastuinbouw enorm verandert. Het uitfaseren van aardgas betekent dat er geen ruimte is voor gasketels en de warmtekrachtkoppeling.
De WKK’s produceren op basis van aardgas nu warmte, elektriciteit en CO2. Met de WKK’s s heeft de glastuinbouw een prima instrument om pieken in de energievraag op te vangen. De inzet van WKK’s en de afname van elektriciteit door tuinders is ook belangrijk voor het landelijke netwerk. In tijden dat er te weinig elektriciteit voor handen is, wordt de productie van de WKK’s daarvoor ingezet. Andersom wordt elektriciteit door glastuinbouw afgenomen als er een overschot in de productie aan elektriciteit is. Dit is een belangrijke activiteit in het kader van het operationeel houden van het landelijk netwerk. Inmiddels is deze activiteit voor sommige ondernemers een belangrijk onderdeel in de bedrijfsvoering geworden. De glastuinbouw is aan zet om energieneutraal te worden, maar daar heeft zij de gemeente bij nodig. De gemeente geeft de voorwaarden en ruimte voor de energietransitie. Samen met de glastuinbouw stellen we mede daarom het omgevingsprogramma vitale glastuinbouw op. Het voorliggende Energietransitieplan is de basis voor dit omgevingsprogramma vanuit het energiedeel. Vanwege de integrale afwegingen die het omgevingsprogramma Vitale glastuinbouw voorstaat, sluiten we niet uit dat de koers Glastuinbouw op onderdelen aangepast moet worden.
In de koers Warmte en Elektriciteit hebben we een voorschot genomen op de koers glastuinbouw door de energievraag en invulling van hernieuwbare energie alvast op te nemen in de ambities en doelen. De glastuinbouw heeft een grote energiebehoefte. Zij doen veel aan besparen van energie, dat zien we ook terug in de verbruikscijfers. Ondanks deze grote besparing is er blijvend een grote behoefte aan warmte en elektriciteit. De vraag hiernaar is jaarrond niet constant. De vraag naar en productie van energie wisselt in de seizoenen en per etmaal.
Ons beeld is dan ook dat er een (openbare) collectieve basisvoorziening komt voor het leveren van warmte, elektriciteit en CO2 die de basislast (jaarrond) invult. De piekvraag naar energie wordt Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
38
ingevuld door de glastuinbouwsector zelf met eigen voorzieningen. We voorzien anders dat de kosten voor de benodigde infrastructuur en exploitatie voor de levering van warmte en elektriciteit zo hoog worden dat dit voor de sector niet betaalbaar is. We spreken daarom van basisvoorzieningen en flexibele eigen voorzieningen. Voor de basisvoorziening warmte voorzien we een warmtenet gevoed met restwarmte of geothermie. Dit warmtenet is onderdeel van het gebiedsdekkend warmtenetwerk, zoals in de koers warmte is aangegeven. Anders dan in de bebouwde omgeving heeft de gemeente geen directe sturing op de totstandkoming van warmtenetten in de glastuinbouw. Warmtenetten in de bebouwde omgeving en de glastuinbouw kunnen in ons beeld niet afzonderlijk worden gerealiseerd als we deze efficiënt willen ontwikkelingen. In Pijnacker-Nootdorp zijn de glastuinbouwsector en de gebouwde omgeving fysiek met elkaar verweven. Dit betekent dat warmteleidingen die warmte leveren aan glas ook woningen van warmte kunnen voorzien. De huidige wet- en regelgeving is (nog) niet ondersteunend aan onze specifieke situatie. Wij zijn daarom met het ministerie in overleg om onze specifieke situatie bespreekbaar te maken en hiervoor oplossingen te vinding.
We trekken daarom zoveel mogelijk samen op met de glastuinbouwsector om een integraal warmtenet te ontwikkelen dat zowel de glastuinbouw alsook de bebouwde omgeving van warmte voorziet. Als flexibele eigen warmtevoorziening voor de piekvraag zien we vooral warmtepompen en elektraboilers. De dag opslag van warmte, zoals ook nu al gebeurt, kan voorzien in de piekvraag. Daarnaast willen we ondersteuning bieden aan het gebruik van nieuwe technieken, zoals de ondergrondse seizoensopslag van warmte. Ook waterstof kan een bijdrage leveren aan het opvangen van de piekvraag in de glastuinbouw. Voor de basisbehoefte aan elektriciteit is het elektriciteitsnetwerk voorzien. Het elektriciteitsnetwerk levert en ontvangt elektriciteit, hiervoor heeft het netwerk een bepaald vermogen. Netwerkbeheerder Stedin werkt aan het verzwaren van het netwerk om het netwerk geschikt te maken voor de toekomst. Hier is tijd voor nodig. We vragen de glastuinbouw om de belasting op het elektriciteitsnetwerk met elkaar en met de netwerkbeheerder af te stemmen, zodat de leveringszekerheid van het netwerk ook in de toekomst gegarandeerd blijft. Als flexibele eigen voorziening zien we met name zonopwekking eventueel in de toekomst aangevuld met windenergie. Eigen opgewekte energie wordt opgeslagen in batterijen of omgezet in warmte en/of op kleinschalig niveau waterstof voor toekomstig eigen gebruik.
We ondersteunen en stimuleren de samenwerking in de glastuinbouw om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen, waardoor bedrijven aan elkaar kunnen leveren en afnemen. Dit zou eventueel kunnen met een energiehub, georganiseerd door een energiecoöperatie. Centrale opslag van warmte en elektriciteit is dan mogelijk. De glastuinbouw innoveert, we willen daarom ruimte bieden voor innovaties in de energievoorziening. Dit vraagt flexibiliteit. Het omgevingsprogramma Vitale glastuinbouw geeft hierin de kaders.
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
39
9 ROL GEMEENTE De energietransitie is van ons allemaal. Gemeenten hebben een belangrijke rol in de totstandkoming van de energietransitie. Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor de gehele transitie. De maatschappij is aan zet, het is aan de gemeente om dit te faciliteren, te regisseren, en uit te voeren. De energietransitie staat niet alleen, lokaal, regionaal en landelijk werken we samen om te komen tot een visie en uitvoering van de transitie. De energietransitie houdt niet op bij de gemeentegrenzen. Vooral infrastructuurnetwerken (warmte en elektriciteit) zijn regionaal. Hernieuwbare bronnen zijn lokaal, maar ook regionaal. Dat maakt dat vraag en aanbod van hernieuwbare energiesamenwerking vragen tussen overheden, tussen gemeenten, provincie en het rijk. In dit hoofdstuk geven we een beeld van de gemeentelijke rol in de energietransitie en de wijze waarop wordt samengewerkt bij het vormen van beleid.
9.1 WET- EN REGELGEVING De gemeentelijke rol in de energietransitie, zoals vastgelegd in het Klimaatakkoord, is cruciaal en veelzijdig. We hebben een regierol over de energietransitie in de gebouwde omgeving. Dit houdt in dat we verantwoordelijk zijn voor het opstellen van een Transitievisie Warmte, dit Energietransitieplan en Wijkuitvoeringsplannen. Gemeenten ontwikkelen regionale strategieën om de energietransitie te faciliteren. We doen dit in RES, de samenwerking in de regio Rotterdam-Den Haag. Het klimaatakkoord geeft ons de verplichting om invulling te geven aan het klimaatbeleid, waarbij we maatregelen nemen om de CO₂-uitstoot te verminderen. De samenleving is aan zet. In het klimaatakkoord is aangegeven dat gemeente een belangrijke rol heeft in het ondersteunen van burgerinitiatieven en het stimuleren van participatie. Dit kan door middel van subsidies, informatievoorziening en het faciliteren van lokale projecten. We doen dit door middel van onze campagne “met Energie Aan de Slag”, subsidiemaatregelen en advisering, zie ook Koers Samenleving aan de Slag. De energietransitie moet ook worden geïntegreerd met andere opgaven, zoals o.a. klimaatadaptatie en stedelijke ontwikkeling. Dit zorgt ervoor dat de transitie niet alleen duurzaam is, maar ook bijdraagt aan een betere leefomgeving.
Door deze rollen en verantwoordelijkheden leveren we een aanzienlijke bijdrage leveren aan de energietransitie en de bredere klimaatdoelstellingen. De nieuwe wetgeving, de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW) en de Wet Collectieve Warmte (WCW), introduceert belangrijke veranderingen in de rol van gemeenten in de energietransitie. De WGIW is in december 2024 aangenomen door de Eerste Kamer en zal per 1 januari 2026 in werken treden. De WCW zal naar verwachting in 2025 in beide Kamers behandeld worden. De hoofdlijnen van de WCW zijn bekend, echter ontbreken er nog belangrijke details in de uitwerking van moties en amendementen. Dit betreft vooral de transparante en kosten gebaseerde tariefregulering (de betaalbaarheid). Hieronder geven de belangrijkste wijziging door die voortkomen uit de nieuwe wetten. Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
40
Wat zijn de belangrijkste wijzigingen: 1. Verplichting tot Warmteprogramma’s We zijn verplicht om elke vijf jaar een warmteprogramma op te stellen. Dit programma beschrijft welke wijken we gaan verduurzamen en wanneer ze van het aardgas af gaan. Dit biedt duidelijkheid voor bewoners en betrokkenen over de plannen en tijdslijnen. Het warmteprogramma is een verplicht programma onder de Omgevingswet. De gemeente zal het warmteprogramma als omgevingsprogramma Energie invullen. Dit Energietransitieplan is hiervoor het kader. 2. Aanwijsbevoegdheid De Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie geeft ons de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen in het omgevingsplan waar duurzame warmtevoorzieningen worden geïmplementeerd. Dit betekent dat wij actief kunnen bepalen waar en wanneer aardgastransport stopt. De voorwaarde hiervoor is dat er tijdig een betaalbaar alternatief wordt aangeboden tegen de laagste maatschappelijke kosten. Het voorliggende Energietransitieplan geeft heeft hier alvast rekening mee gehouden. De Ro-juridsche borging vindt plaats in het op te stellen omgevingsprogramma Energie en het omgevingsplan. 3. Juridische Grondslag De WGIW biedt een juridische basis voor gemeenten om regels op te stellen die de verduurzaming van de gebouwde omgeving bevorderen. Dit versterkt onze regierol en maakt het makkelijker om lokale initiatieven te coördineren. 4.
Collectieve Warmtesystemen Met de Wet Collectieve Warmte wordt de ontwikkeling van collectieve warmtesystemen gestimuleerd. Gemeenten krijgen meer sturing en verantwoordelijkheden om deze systemen te realiseren of te laten realiseren. Deze wet is voor onze gemeente erg van belang. In de koers Warmte hebben we aangegeven dat voor een flink deel van onze wijken het warmtenet de warmteoplossing is. 5. Consumentenbescherming De Wet Collectieve Warmte introduceert ook maatregelen ter bescherming van consumenten en zorgt voor transparante en kosten gebaseerde tariefregulering voor collectieve warmte. Deze wetgeving versterkt dus de rol van ons als regisseur van de energietransitie, waardoor we beter in staat zijn om duurzame oplossingen te implementeren en de overgang naar een aardgasvrije toekomst te faciliteren.
9.2 AFSTEMMING OMGEVINGSVISIE EN OMGEVINGSPROGRAMMA'S De Energietransitie raakt onze gehele samenleving en dus ook diverse omgevingsprogramma’s die opgesteld zijn of worden binnen onze gemeente. Het Energietransitieplan geeft de richting. De verschillende omgevingsprogramma’s geven aan op welke wijze deze bijdragen aan de energietransitie. Er zijn op dit moment vijf omgevingsprogramma’s in uitvoering waar doelstellingen en ambities elkaar raken:
Het omgevingsprogramma Vitale glastuinbouw;
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
41
o
In dit programma wordt de energietransitie in de glastuinbouw mede gefaciliteerd;
Het omgevingsprogramma Economisch vestigingsklimaat; o
In dit programma wordt de energietransitie voor bedrijven mede gefaciliteerd;
Het omgevingsprogramma Leef kwaliteit;
Het omgevingsprogramma Duurzame mobiliteit;
Het omgevingsprogramma Ruimtelijke kwaliteit.
o o o
In dit programma wordt de energietransitie qua effecten op het milieu gefaciliteerd; In dit programma wordt de energietransitie op het gebied van mobiliteit gefaciliteerd; In dit programma wordt de energietransitie qua maatregelen (bijvoorbeeld regels voor het plaatsen van warmtepompen/airco’s) gefaciliteerd.
De komende jaren gaan we nog aan de slag met de omgevingsprogramma’s Klimaatbestendige gemeente, Ondergrond en Wonen en Ontwikkeling; ook hiermee heeft de energietransitie raakvlakken en deelt ze ambities. Op alle vlakken zijn we ons beleid opnieuw aan het vormgeven. De energietransitie komt daarin terug. We kunnen niet wachten op de vastgestelde wet- en regelgeving, dan zijn we simpelweg te laat. Daarom hebben we alvast het Energietransitieplan geactualiseerd. Uiteindelijk zal het omgevingsprogramma Energie als verplicht thematisch programma onder de Omgevingswet het Energietransitieplan vervangen.
9.3 MAATSCHAPPELIJK VASTGOED EN EIGEN MOBILITEIT De gemeente heeft de verantwoordelijkheid haar eigen vastgoed en mobiliteit te verduurzamen. De laatste jaren de eerste stappen gemaakt in de opwek van elektriciteit door middel van zon, het verwarmen door middel van warmtepompen en het elektrificeren van mobiliteit. Dit is echter nog niet voldoende om de doelstellingen te behalen. Doelstellingen rondom verduurzaming zijn opgenomen in ons meerjarenbeleid voor het gemeentelijk vastgoed. Op basis van het Energietransitieplan 2025 zullen we dit beleid herzien.
9.4 DE GEMEENTE IN DE REGIO We staan niet alleen, gemeenten hebben allen dezelfde opgave. Nutsvoorzieningen, zoals elektra en warmte gaan onze gemeentegrenzen over. We hebben nu eenmaal hernieuwbare bronnen van buiten onze gemeente nodig om doelstellingen te halen en andersom hebben andere de gemeenten bronnen binnen onze gemeente nodig. Het elektriciteitsnetwerk gaat onze gemeente over. We werken daarom samen met omliggende gemeenten, de provincie en het rijk om de energietransitie vorm te geven. Met name de afstemming tussen vraag en aanbod, het organiseren van de energietransitie en planning stemmen we af. We delen kennis en trekken samen op om de regering te adviseren in besluitvorming en het opstellen van randvoorwaarden. We geven een overzicht van de samenwerkingsvormen en geven aan wat we met de samenwerking beogen.
9.4.1 De glastuinbouw: Warmte Samenwerking Oostland In de Warmte Samenwerking Oostland (WSO) werken we samen aan de verduurzaming van het glastuinbouwgebied, met de glastuinbouw sector (LTO Glastuinbouw Nederland) en de gemeenten Lansingerland, Zoetermeer, Zuidplas, Waddinxveen en onze gemeente. De WSO werkt aan een gebiedsdekkend regionaal netwerk in Oostland. Dit regionaal transportnetwerk moet zowel lokale Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
42
bronnen (geothermie) als regionale bronnen (restwarmte) en onderliggende distributienetwerken in de gebouwde omgeving en glastuinbouwgebieden gaan verbinden. De glastuinbouwsector heeft de ambitie om in 2040 al klimaatneutraal te zijn en zet dus volop in op alternatieve warmte-oplossingen. Warmtenetten zijn hiervoor onmisbaar. Om te komen tot een robuust netwerk waarin vraag en aanbod van warmte voor lange tijd is gegarandeerd, is samenwerking op deze regionale schaal van groot belang. Naast de inzet van geothermie, is aansluiting voor 2030 op het regionale transportnetwerk WarmtelinQ (restwarmte vanuit de Rotterdamse Haven) de kans om te komen tot een robuust en betrouwbaar warmtesysteem.
9.4.2 Regionale Energiestrategie (RES) Samen met 23 gemeenten uit de regio Rotterdam Den Haag, vier waterschappen en de provincie, netwerkbeheerders, maatschappelijke organisaties en ondernemingen, is gekeken naar de mogelijkheden, kansen en voorwaarden voor de energietransitie. Dit heeft geresulteerd in een Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag 1.0 (RES 1.0 ) De RES heeft een uitgebreid traject doorlopen van wensen en bedenkingen en informatiebijeenkomsten met de raden. In de regio Rotterdam Den Haag wonen circa 2.3 miljoen mensen, liggen twee grote steden, enkele landelijke gemeenten, een wereldhaven en een toonaangevend glastuinbouwcluster. De grote concentratie van werkgelegenheid en economische activiteit resulteert in beperkte ruimte voor duurzame energieopwekking, maar ook in veel kansen voor bijvoorbeeld rest- en aardwarmte. We zijn nauw betrokken geweest bij het opstellen van de RES 1.0. Het Energietransitieplan 2021 diende als onderlegger voor de RES 1.0. Het Energietransitieplan 2025 zal dienen als basis voor de op te stellen RES 2.0.
9.4.3 NMIEK en PMIEK De Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW) en de Wet Collectieve Warmte (WCW) hebben aanzienlijke implicaties voor de inhoud en impact van de Meerjarenprogramma’s Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), zowel op nationaal (NMIEK) als provinciaal niveau (PMIEK). Zowel het NMIEK als het PMIEK leggen keuzes vast over belangrijke energie-infrastructuurprojecten, zoals hoogspanningsleidingen, waterstofleidingen en transformatorstations. Deze projecten zijn essentieel voor de verduurzaming van de energievoorziening en woningbouw. De programma’s zijn ontworpen om projecten te integreren die van maatschappelijke waarde zijn. Dit houdt in dat gemeenten, provincies en netbeheerders samenwerken om de energie-infrastructuur af te stemmen op lokale en regionale behoeften. We zijn actief betrokken bij het opstellen van het PMIEK. We leveren input en zorgen ervoor dat lokale belangen worden meegenomen in de besluitvorming. Het PMIEK en NMIEK traject is de invulling van het afstemmen van de regionale vraag en aanbod van energie en geeft regionaal prioritering aan de belangrijkste projecten. Door deze gestructureerde aanpak van de MIEK-programma’s kunnen netbeheerders beter plannen en investeren in de benodigde infrastructuur.
De wetgeving bevordert samenwerking tussen verschillende overheden en netbeheerders, wat essentieel is voor een succesvolle energietransitie. Dit zorgt ervoor dat projecten beter op elkaar zijn afgestemd en dat er minder overlap of tegenstrijdigheden zijn. Deze veranderingen die de wet- en regelgeving beoogt versterken de rol van gemeenten en andere overheden in de energietransitie, waardoor we effectiever kunnen inspelen op de uitdagingen en kansen die de verduurzaming met zich meebrengt.
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
43
9.4.4 Energieakkoord Greenport West-Holland De Greenport Zuid-Holland, en specifiek het Energieakkoord Greenport West-Holland, heeft verschillende belangrijke doelstellingen die gericht zijn op de verduurzaming van de glastuinbouwsector. We zijn onderdeel van het Energieakkoord. De belangrijkste doelstellingen zijn:
Klimaatneutraliteit o
Een van de belangrijkste ambities is om de glastuinbouw in 2040 klimaatneutraal te maken. Dit houdt in dat de sector streeft naar een aanzienlijke vermindering van de CO₂uitstoot door duurzame energiebronnen te gebruiken.
Duurzame Energievoorziening o
Het akkoord bevordert de transitie naar een duurzame energievoorziening. Dit omvat het gebruik van hernieuwbare energiebronnen zoals zonne-energie en geothermie, en het ontwikkelen van collectieve warmtesystemen.
Samenwerking o
Het Energieakkoord is een samenwerking tussen ongeveer 50 partijen, waaronder bedrijven, kennisinstellingen en overheden. Deze samenwerking is essentieel om de ambities te realiseren en om kennis en middelen te delen.
Innovatie en Technologie o
Er wordt ingezet op innovatieve technologieën om energieverbruik te verminderen en de efficiëntie te verhogen. Dit omvat slimme oplossingen en het gebruik van restwarmte.
Ondersteuning van de Provincie o
De provincie Zuid-Holland ondersteunt de doelstellingen van het akkoord financieel en met menskracht. Dit helpt bij de uitvoering van de plannen en zorgt voor een sterke basis voor de energietransitie.
Verbinding met Woonwijken o
Er is een focus op het creëren van verbindingen tussen de glastuinbouw en woonwijken, zodat duurzame warmte ook beschikbaar komt voor huishoudens.
Deze doelstellingen zijn gericht op het creëren van een duurzame, concurrerende toekomst voor de glastuinbouwsector in Zuid-Holland.
Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
44
10 BEGRIPPENLIJST Regionale Energie Strategie: Waar dit Energie Transitie Plan op gemeentelijke niveau de strategie voor de transitie is, is op regionaal niveau met 23 gemeentes, de provincie en netwerkbeheerders een strategie gemaakt om de gezamenlijke gemeentelijke vraag in te vullen. Deze strategie wordt ook upto-date gehouden, zowel voor veranderde vraag op gemeentelijke niveau, alsmede vanuit het nationale programma energietransitie. Transportcapaciteit: maximale hoeveelheid energie die een netwerk op een moment in de tijd kan vervoeren. Netcongestie: het overbelast raken van het elektriciteitsnet door te veel vraag of te veel aanbod van elektriciteit. Gevolg hiervan is risico op onbalans in voltage, netfrequentie en/of overbelasting van het netwerk. Warmtevraag: de vraag naar warmte over een gegeven periode. De warmtevraag kan ingevuld worden door diverse bronnen, b.v. gas, geothermie, restwarmte, warmtepompen etc.. Warmtenet: netwerk van leidingen waarmee vooral dichtbevolkte gebieden voorzien kunnen worden in de warmtevraag. De temperatuur van een warmtenet varieert doorgaans tussen 50-90 graden Celsius. Een warmtenet kan gevoed worden vanuit bijvoorbeeld geothermiebronnen of restwarmte vanuit de industrie. Warmte Koude Opslag: lokale installatie met een bron tussen de 100 en 500 meter diepte waaruit 's zomers koude en 's winters warmte onttrokken wordt.
Het koelsysteem is doorgaans passief (direct gebruik van brontemperatuur voor koeling (+/- 15-18 graden). Het warm water wordt doorgaans door een warmtepomp verhoogd naar (40-70 graden). Doorgaans hebben deze systemen nog een gasketel voor warm tapwater en als back-up.8 Warmtepomp: installatie die ofwel laagtemperatuur lucht, ofwel laagtemperatuur water met behulp van elektriciteit kan omzetten naar hogere temperaturen. Afhankelijk van de aanlever en gevraagde temperaturen draaien deze systemen op een efficiëntie van tussen de 300% (lucht-water) en 500% (water-water). Hybride warmtepomp: Een warmtepomp die een bestaande cv-ketel ondersteund. Doorgaans wordt hiermee warm water tot maximaal 50 graden gemaakt en bij een hogere temperatuurvraag (warm tapwater 60 graden) of grote vraag bij lage buitentemperaturen springt de cv-ketel bij. Warmteterugwinning ventilatielucht (WTW): installatie waarmee uit de afgevoerde ventilatielucht energie wordt gehaald en deze wordt teruggevoerd in de woning. B.v. via inblaaslucht of voorverwarming van water. Deze installaties zijn er zowel centraal (voor gehele woning) of decentraal in losse ruimtes. Airconditioning: decentrale warmtepomp waarmee uit de buitenlucht koude of warmte wordt onttrokken die via lucht in de woning wordt ingeblazen. Efficiency van een airconditioning is, afhankelijk van de buitentemperatuur, tussen de 300% en 450%.
Energiehub: een lokale samenwerking, gebaseerd op afspraken, tussen meerdere partijen op het gebied van energie. Deze partijen stemmen energieproductie, -transport, -opslag, -conversie en verbruik op elkaar af. Vanaf 2025 worden naar verwachting de regels vereenvoudigd waardoor het ontwikkelen van energiehubs of alternatieven eenvoudiger zal worden. Concept Energietransitieplan 2025 Pijnacker-Nootdorp
45