Bestuurlijk rapport RKC-onderzoek jeugdzorg - juli 2021
Tekst van het document
Juli 2021
Kosten jeugdzorg Onderzoek naar de stijging van de kosten voor jeugdzorg en de informatievoorziening over jeugdzorg aan de gemeenteraad
Pijnacker, 8 juli 2021 Beste lezer, Voor u ligt het onderzoek naar jeugdzorg van de Rekenkamercommissie Pijnacker-Nootdorp. Dit onderzoek heeft zijn wortels in het najaar van 2019, toen diverse rekenkamer(commissie)s in de Haagse regio (de ‘H10’gemeenten) het idee om een gezamenlijk onderzoek naar jeugdzorg te doen uitwerkten. In januari 2020 is daadwerkelijk gestart met het onderzoek. Nu, na bijna anderhalf jaar, is de rekenkamercommissie blij het uitgebreide onderzoek aan u te kunnen presenteren. Aanleidingen van het onderzoek waren de kostenstijgingen binnen de jeugdzorg en het gebrek aan greep dat raadsleden op het dossier ervaren. Het eerste doel was daarmee het verkrijgen van inzicht in de oorzaken van deze kostenstijging. Hierbij is gekozen voor de periode 2015 tot en met 2019. 2015, omdat toen de decentralisaties zijn gestart en 2019 omdat dat het meest recente cijfermateriaal was. Het tweede doel was inzicht krijgen in de informatievoorziening over de jeugdzorg over dezelfde periode en het doen van aanbevelingen voor verbetering ervan. De twee doelen bepaalden ook de onderzoekslijnen. Het onderzoeken van de kosten(stijgingen) is een gezamenlijke aangelegenheid geweest. Zodoende zijn in dat onderzoeksdeel de cijfers op H10-niveau bekeken, zowel voor de H10 als geheel als voor elke gemeente binnen de H10 apart.
Voor het onderzoeksdeel over de informatievoorziening is elke rekenkamer(commissie) zelf aan de slag gegaan. Immers: elke gemeente richt de informatievoorziening op een eigen manier in. Hoewel opmaak en presentatie van het onderzoeksmateriaal verschillen, vormen alle delen een eenheid. Dat komt terug in het bestuurlijk rapport. Hierin heeft de rekenkamercommissie de bevindingen en conclusies met elkaar verbonden om tot een samenhangend pakket aan aanbevelingen te komen. De gemeenteraad besluit welke aanbevelingen hij, desgewenst geamendeerd, overneemt en wie daar op welke manier opvolging aan dient te geven. Na besluitvorming in de raad zijn de aanbevelingen van de rekenkamercommissie raadsbesluiten en is het aan de raad en aan het college om vervolg te geven aan de uitvoering van deze besluiten. De rekenkamercommissie volgt het proces uiteraard en neemt de ontwikkelingen mee in haar jaarverslag. Onze dank gaat uit naar de rekenkamer(commissie)s in de Haagse regio, met wie we dit onderzoek hebben uitgevoerd. Een specifiek woord van dank aan de Rekenkamer Den Haag, die uit het vele cijfermateriaal een samenhangend rapport (onderzoeksdeel I-II) heeft weten op te stellen. Verder gaat dank uit naar de ambtelijke organisatie en het college voor het meelezen en het geven van een bestuurlijke reactie. Ondanks het lange proces is de samenwerking goed gebleven. Een slotopmerking.
Het voorliggende onderzoek staat vol cijfers, grafieken en beschrijvingen van informatie. Uiteindelijk gaat het echter om hulp aan jongeren in onze gemeente en het streven die hulp zo goed mogelijk te laten zijn. Om dat streven te bereiken, is inzicht in de kosten noodzakelijk, zodat raad en college het juiste gesprek hierover kunnen voeren. De rekenkamercommissie hoopt met dit rapport een waardevolle bijdrage te leveren aan dat gesprek.. Wij wensen u veel leesplezier toe bij dit onderzoek. Namens de rekenkamercommissie,
Florus van der Linden voorzitter
Inhoudsopgave bestuurlijk rapport Hoofdstuk 1 | Inleiding ........................................................................................................................... 5 Aanleiding ........................................................................................................................................... 5 Onderzoeksvraag en deelvragen ........................................................................................................ 6 Aanpak en leeswijzer .......................................................................................................................... 7 Deelvraag 1 ..................................................................................................................................... 7 Deelvraag 2 ..................................................................................................................................... 8 Opmerking met betrekking tot het cijfermateriaal ........................................................................ 8 Hoofdstuk 2 | Bevindingen onderzoeksdeel I – Kosten via het Servicebureau ...................................... 9 Inleiding...............................................................................................................................................
9 Bevindingen in H10-verband............................................................................................................... 9 Categorieën zorg met grootste kostenstijging .............................................................................. 10 Verwijzers...................................................................................................................................... 10 Overzicht bevindingen in H10-verband ........................................................................................ 11 Bevindingen Pijnacker-Nootdorp ...................................................................................................... 13 Categorieën zorg met grootste kostenstijging .............................................................................. 14 Verwijzers...................................................................................................................................... 15 Overzicht bevindingen Pijnacker-Nootdorp.................................................................................. 15 Hoofdstuk 3 | Bevindingen onderzoeksdeel II – Kosten via gemeenten .............................................. 17 Inleiding.............................................................................................................................................
17 Algemene bevindingen ..................................................................................................................... 17 Bevindingen ‘kosten PGB’ ................................................................................................................. 17 Algemeen ...................................................................................................................................... 17 Pijnacker-Nootdorp....................................................................................................................... 18 Bevindingen ‘overige gemeentelijke kosten’ .................................................................................... 18 Algemeen ...................................................................................................................................... 18 Pijnacker-Nootdorp....................................................................................................................... 19 Hoofdstuk 4 | Bevindingen en conclusies onderzoeksdeel III – Informatievoorziening aan gemeenteraad ....................................................................................................................................... 21 Inleiding.............................................................................................................................................
21 Bevindingen en conclusies ................................................................................................................ 21 Inrichting van de informatievoorziening....................................................................................... 21 Verstrekte informatie.................................................................................................................... 22 3
Hoofdstuk 5 | Aanbevelingen ............................................................................................................... 24 Vertaling bevindingen en conclusies naar aanbevelingen ................................................................ 24 Lokaal ................................................................................................................................................ 24 Aanbevelingen ten aanzien van de inrichting van de informatievoorziening .............................. 24 Aanbevelingen ten aanzien van de verstrekte informatie ............................................................ 25 Regionaal........................................................................................................................................... 26
4
Hoofdstuk 1 | Inleiding Aanleiding Sinds de decentralisaties in 2015 zijn de gemeenten verantwoordelijk geworden voor de uitvoering van jeugdzorg. Uit diverse onderzoeken blijkt dat een flink aantal gemeenten in de afgelopen jaren substantieel meer heeft uitgegeven aan jeugdzorg dan dat zij ontving voor de uitvoering van deze taak. Driekwart van de Nederlandse gemeenten was veel meer geld kwijt aan jeugdzorg dan begroot. Eén op de vijf gemeenten kampt met een tekort van meer dan veertig procent. 1 Gemeenten luidden in mei 2019 gezamenlijk de noodklok. Door de tekorten in de jeugdzorg dreigden jongeren met problemen de dupe te worden en dreigden als gevolg van de tekorten bezuinigingen op tal van voorzieningen, langere wachtlijsten en toenemende overlast. Het kabinet stelde in mei 2019 €350 miljoen extra beschikbaar voor de jeugdzorg in 2019.
Voor de drie jaar daarna is jaarlijks €190 miljoen gereserveerd.2 Bovengenoemde problematiek speelt ook in regio Haaglanden.3 Volgens het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (SbJH) – de gemeenschappelijke regeling die namens tien Haaglanden-gemeenten jeugdhulp inkoopt – was er in 2018 bij de H10-gemeenten samen sprake van kostenoverschrijding van 19%.4 Daarnaast ervaart nog geen twee op de tien raadsleden voldoende greep op de jeugdzorg, vooral vanwege de complexiteit van het dossier, een gebrek aan kennis en te weinig (inzichtgevende) informatie. 5 Het voorgaande vormde aanleiding voor de H10-rekenkamer(commissie)s om gezamenlijk onderzoek te doen naar de kostenstijgingen in de jeugdzorg. Het onderwerp blijft zowel lokaal als landelijk een actueel thema. In 2020 heeft onderzoeksbureau AEF, in opdracht van de ministeries van VWS, BZK, Financiën en J&V en de VNG, onderzoek gedaan naar de kosten in de jeugdzorg. De uitkomsten moesten een antwoord geven op de vraag hoeveel middelen gemeenten structureel nodig hebben om de taken voor jeugdzorg uit te kunnen (blijven) voeren. Uit dit onderzoek blijkt dat het verschil tussen inkomsten en uitgaven niet houdbaar is.6 In onderstaande grafiek zijn de landelijke kosten en het budget voor jeugdzorg tussen 2015-2019 te zien.
De kosten zijn uitgesplitst in de kosten voor individuele voorzieningen en minimale en maximale meerkosten voorliggend veld.7
1
Significant (in opdracht van ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), Benchmarkanalyse uitgaven jeugdhulp in 26 gemeenten. Leren van overeenkomsten en verschillen in beleid en uitvoering jeugdhulp (Barneveld 2019) p. 4. 2 ‘Meer geld voor jeugdzorg na noodkreet gemeenten’ https://www.nrc.nl/nieuws/2019/05/08/gemeentenjeugdzorg-is-zo-niet-meer-vol-te-houden-a3959549, bezocht op 4 oktober 2019. 3 ‘Financiële ellende jeugdhulp wordt voor gemeenten almaar groter, probate zorg is namelijk peperduur’, https://www.ad.nl/den-haag/financiele-ellende-jeugdhulp-wordt-voor-gemeenten-almaar-groter-probatezorg-is-namelijk-peperduur~a844287f/, bezocht op 4 oktober 2019. 4 Interview Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden, 11 juni 2019. H10 staat voor ‘Haaglanden 10’ en betreft tien gemeenten in de regio Haaglanden die samenwerken bij de inkoop van jeugdhulp. Het gaat om de gemeenten Pijnacker-Nootdorp, Delft, Midden-Delfand, Westland, Rijswijk, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Zoetermeer, Wassenaar en Voorschoten. De inkoop van jeugdhulp gebeurt via een gemeenschappelijke regeling met de naam Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden, kortweg SbJH genoemd. Tot april 2020 heette dit bureau het ‘H10-inkoopbureau’.
5 Website Binnenlands Bestuur, ‘Raadsleden missen greep op jeugdzorg’, https://www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/nieuws/raadsleden-missen-greep-op-jeugdzorg.9571112.lynkx, bezocht op 4 oktober 2019. 6 AEF, Stelsel in groei. Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg (Utrecht 2020), pagina’s 8-9 en 11. 7 AEF, Stelsel in groei, pagina 12.
5
Naar aanleiding van dit onderzoek is de VNG met het kabinet in gesprek getreden. Dit heeft geleid tot een arbitragezaak, waarbij eind mei 2021 duidelijk is geworden dat het kabinet structureel extra middelen beschikbar dient te stellen.8
Onderzoeksvraag en deelvragen Met het onderzoek richten de rekenkamer(commissie)s zich op de toegenomen uitgaven voor de jeugdzorg. 9 Daarbij bieden wij inzicht in waar binnen de jeugdzorg de grootste kostenstijgingen voor de H10-gemeenten hebben plaatsgevonden. Dit onderzoeken we voor de periode 2015, de start van de decentraal geregelde zorg, tot en met 2019. Tevens brengen we in kaart welke voortgangsinformatie de colleges in deze periode aan de gemeenteraden hebben verstrekt. Die informatie is bekeken, waarbij is beoordeeld in hoeverre de gemeenteraden met de beschikbare voortgangsinformatie inzicht hebben in de ontwikkeling van de kosten van de jeugdzorg. De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek luidt als volgt: Hebben de gemeenteraden voldoende zicht op de oorzaken van de toename van de kosten in de jeugdhulp? De centrale onderzoeksvraag valt uiteen in de volgende twee deelvragen: 1. Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de toename van de kosten in de jeugdhulp voor de H10gemeenten? (onderzocht op H10-niveau) 2. In hoeverre bieden de voortgangsrapportages aan de gemeenteraden inzicht in de ontwikkeling van de kosten in de jeugdhulp? (onderzocht door elke rekenkamer afzonderlijk) Deelvraag één wordt behandeld in onderzoeksdelen I en II, deelvraag twee in onderzoeksdeel III. Dit levert het volgende schematische overzicht op:
8
‘VNG roept arbitrage in voor oplossing tekorten jeugdzorg’, VNG, https://vng.nl/nieuws/vng-roept-arbitragein-voor-oplossing-tekorten-jeugdzorg, bezocht op: 23 maart 2021. https://nos.nl/artikel/2382556-kabinetmoet-na-arbitrage-miljarden-extra-uittrekken-voor-jeugdzorg, bezocht op: 28 mei 2021. 9 De Jeugdwet zegt dat iemand een ‘jeugdige’ is tot en met zijn 18 de levensjaar. Deze definitie wordt in de onderzoeken uiteraard ook aangehouden.
6
Aanpak en leeswijzer Deelvraag 1 Om de eerste deelvraag te kunnen beantwoorden is gekeken naar de kosten die de gemeenten maken voor jeugdzorg. De regionale kosten van ingekochte jeugdzorg, via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (SbJH), heeft de rekenkamer Den Haag van het SbJH ontvangen. De lokale kosten, voor PGB’en en overige gemeentelijke kosten (onder meer voor toegang en uitvoering), zijn door elke rekenkamer(commissie) zelf opgevraagd bij de gemeente en zijn vervolgens in H10-verband geanalyseerd.10 Het SbJH organiseert de centraal ingekochte jeugdzorg. Van deze ingekochte jeugdzorg houdt het SbJH een registratie bij in zogenoemde bouwblokken (zie schema hierboven). Hierin staat per toegekende declaratie onder andere de zorgaanbieder, de hoeveelheid zorg, het toegekende bedrag en de gemeente waarin de jeugdige woont. Om een eerste beeld te scheppen van de oorzaken van de kostenstijging, is aan de hand van deze bouwblokken gekeken naar de ontwikkeling van: 1. het aantal unieke jeugdigen die dat jaar jeugdhulp hebben ontvangen; 2. het gemiddeld aantal uur jeugdhulp dat per jeugdige is verstrekt; 3. de gemiddelde kosten per uur zorg per jeugdige. Wanneer je deze drie kengetallen per jaar berekent en met elkaar vermenigvuldigt, krijg je de totale kosten voor de ingekochte jeugdzorg voor dat jaar.
De ingekochte jeugdzorg kent een grote diversiteit, zowel in de verschillende categorieën en onderdelen, de duur, de intensiteit, het tarief en het aantal unieke jeugdigen. Daarom is de analyse aan de hand van de kengetallen niet alleen uitgevoerd voor alle categorieën samen, maar ook voor de verschillende onderdelen en afzonderlijke producten die het meest hebben bijgedragen aan de totale kostenstijging. In onderzoeksdeel I zijn de uitkomsten gepresenteerd ten aanzien van de jeugdzorg die via het SbJH is ingekocht. Eerst is het algemene beeld gepresenteerd over de ontwikkeling van het aantal jeugdigen dat zorg ontvangt en de ontwikkeling van de kosten van jeugdzorg. Vervolgens is ingegaan de kosten van jeugdzorg per categorie. De samengevatte bevindingen zijn te vinden in hoofdstuk 2 van dit bestuurlijk rapport. 10
Hiernaar wordt verwezen als ‘Onderzoeksdeel I-II’. Dit onderzoeksdeel is als bijlage 1 bij het bestuurlijk rapport gevoegd.
7
In onderzoeksdeel II wordt ingegaan op de ontwikkeling van de kosten voor PGB’en en overige gemeentelijke kosten. Met betrekking tot de overige gemeentelijke kosten worden de onderwerpen met de grootste ontwikkelingen verder toegelicht. Ook gemeentespecifieke ontwikkelingen worden benoemd. De samengevatte bevindingen zijn te vinden in hoofdstuk 3 van dit bestuurlijk rapport. Deelvraag 2 Om deelvraag twee te beantwoorden heeft elke H10-rekenkamer(commissie) zelfstandig onderzoek gedaan aan de hand van een gezamenlijk vooraf opgesteld normenkader. Er zijn voor deze deelvraag dus geen analyses of bevindingen op H10-niveau beschikbaar. De uitkomsten zijn te vinden in onderzoeksdeel III. De rekenkamercommissie heeft in haar onderzoek een analyse laten maken van de voor de gemeenteraad beschikbare voortgangsinformatie. 11 Gekeken is of de raad met de verstrekte informatie inzicht had in de ontwikkeling van de kosten van de jeugdzorg en daarmee in staat gesteld werd om zijn kaderstellende en controlerende taak goed uit te voeren. Naast het in kaart brengen van de informatiestromen is deze informatie ook beoordeeld vanuit het perspectief van de raad. Daarbij is ook aandacht gegeven aan de rol die de raad zelf heeft gespeeld. Ter beantwoording van deelvraag twee is deze vraag in diverse subvragen onderverdeeld.
Deze subvragen gaan onder meer over de voorbereidingsperiode van de decentralisatie, de afgesproken kaders en richtlijnen, de betrokkenheid van de gemeenteraad bij de totstandkoming van de kaders, de uitvoering en de kwaliteit, juistheid en volledigheid van de verslaglegging. Om de mate van inzicht door de gemeenteraad te kunnen beoordelen, is gebruikgemaakt van een door de H10-rekenkamer(commissie)s ontwikkeld normenkader.12 De samengevatte bevindingen en conclusies van deelvraag twee zijn te vinden in hoofdstuk 4 van dit bestuurlijk rapport.13 Opmerking met betrekking tot het cijfermateriaal Over het in onderzoeksdelen I en II gebruikte cijfermateriaal hebben de rekenkamer(commissie)s uitvoerig overlegd met het SbJH. Het bleek lastig een eenduidig beeld te construeren. Uiteindelijk is over het cijfermateriaal overeenstemming bereikt tussen alle partijen. De rekenkamer(commissie)s hebben het onderzoek met de grootst mogelijke zorg samengesteld. Er is daarbij gebruik gemaakt van cijfers over de periode 2015-2019 die waren bijgewerkt tot 1 februari 2021. Jeugdzorginstellingen kunnen echter nog tot enkele jaren na het boekjaar declaraties indienen, zodat op een ander moment gedeelde cijfers er anders uit kunnen zien. Ook zijn diverse filters toegepast.
Zo zijn alleen tijdsgebonden declaraties meegenomen en zijn vanwege het voorkomen van herleidbaarheid enkele cliënten buiten de berekeningen gehouden. Vanwege deze redenen kan het zijn dat de cijfers licht verschillen van cijfers die op een eerder moment met de gemeenteraad gedeeld zijn of op een later moment met de gemeenteraad zullen worden gedeeld.14
11
Deze analyse is uitgevoerd door onderzoeksbureau BMC. Hiernaar wordt verwezen als ‘Onderzoeksdeel III’. Dit onderzoeksdeel is als bijlage 2 bij het bestuurlijk rapport gevoegd. 12 Zie voor de subvragen en het bijbehorende normenkader: Onderzoeksdeel III (19 mrt. 2021) pagina’s 40-41. 13 Voor de uitgebreide bevindingen, zie: Onderzoeksdeel III, pagina’s 11-39. Voor de uitgebreide conclusies, zie pagina’s 6-8. 14 Zie voor een nadere toelichting op de gebruikte cijfers bijlage 3 van onderzoeksdeel I-II (pagina’s 122-124).
8
Hoofdstuk 2 | Bevindingen onderzoeksdeel I – Kosten via het Servicebureau Inleiding De gemeenten van de H10 kopen diverse soorten jeugdzorg in via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (SbJH). Het gaat om tweedelijns jeugdzorg aangeboden door aanbieders van jeugdzorg waarmee de H10gemeenten via het SbJH inkoopcontracten hebben afgesloten. De verwijzingen naar deze vormen van jeugdzorg worden gedaan door huisartsen, de gemeente/gemeentelijke instellingen, jeugdartsen, gecertificeerde instellingen, medisch specialisten, de rechter, officier van justitie of een functionaris van een justitiële inrichting. In dit hoofdstuk staan de uitkomsten van het onderzoek naar de kosten van de jeugdhulp die via het SbJH is ingekocht centraal. Daarmee geeft het, samen met de uitkomsten uit het volgende hoofdstuk (gemeentelijke kosten), antwoord op de vraag wat de belangrijkste oorzaken van de toename van de kosten in de jeugdhulp in H10-verband zijn.
Bevindingen in H10-verband De totale kosten van de jeugdzorg in de H10 zijn in de periode 2015 tot 2019 gestegen van ruim €189 miljoen naar ruim €298 miljoen euro per jaar. Dit is een stijging van ruim €109 miljoen euro. De via het SbJH ingekochte zorg heeft hier met ongeveer 80% van de totale kostenstijging het meest aan bijgedragen. De overige gemeentelijke kosten voor jeugdzorg zijn ook gestegen, maar minder dan die van de centraal ingekochte jeugdzorg. In onderstaande figuur is de ontwikkeling van de verschillende kosten grafisch weergegeven.
9
Categorieën zorg met grootste kostenstijging De totale kosten van de via het Servicebureau ingekochte jeugdhulp zijn in de periode 2015 tot 2019 gestegen van €154 miljoen naar ruim €245 miljoen euro per jaar. Dit is een stijging van ruim €91 miljoen. Deze toename wordt voor 93% veroorzaakt door de toename van de kosten voor de inkoop van de volgende categorieën:15 1. Jeugd-GGZ (26,1% van de totale kostentoename); 2. Jeugdhulp ambulant (38,4% van de totale kostentoename); 3. Dagbehandeling (16,5% van de totale kostentoename; 4. Jeugdhulp verblijf inclusief behandeling (12,3% van de totale kostentoename). Dit blijkt uit een analyse van de inkoopdata van het SbJH en de door de gemeenten aangeleverde overige jeugdzorgkosten. De data is gefilterd op declaraties die op een tijdsduur zijn gedeclareerd, zoals per uur, dagdeel of etmaal.16 Hieronder zijn voor elk van de vier categorieën de producten opgenomen die het meest bijdroegen aan de kostenstijgingen. Zoals te zien is, zijn tien producten verantwoordelijk voor het grootste deel van de kostenstijgingen. Let op: dit is daarmee niet een volledig overzicht van alle kostenstijgingen per categorie, enkel een overzicht van de grootste stijgers.
Kostenstijging
Aandeel totale kostenstijging
€6.687.812 €3.770.480
7,38% 4,16%
Jeugdhulp ambulant 45C05 Individuele begeleiding middel 45A7 Specialistische jeugdhulp 45C02 Individuele begeleiding licht
€10.674.232 €6.956.774 €4.408.770
11,78% 7,68% 4,87%
Dagbehandeling 41A03 Dagbehandeling product 41A24 Dagbesteding Zwaar
€7.001.963 €3.472.327
7,73% 3,83%
Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling) 43A09 Pleegzorg 43A12 JeugdzorgPlus: inspanningsgericht 43C04 VF7 Behandelgroep zwaar
€6.116.274 €3.101.489 €2.866.017
6,75% 3,42% 3,16%
Totaal
€55.056.137
60,75%
Categorie Jeugd-GGZ 54002 Specialistische GGZ 54001 Basis Jeugd-GGZ
Verwijzers Onder voorbehoud van de kwaliteit van de data die door de H10-gemeenten aan het CBS worden geleverd, lijkt groei van het aantal verwijzingen via de gemeente voor het grootste deel verantwoordelijk te zijn voor de toename van de kosten in de jeugdzorg.17 Op basis van de aangeleverde cijfers is onderstaande figuur opgesteld.18 Deze zegt iets over de ontwikkeling van het aantal jeugdhulptrajecten per verwijzer in H10-verband over de periode 2015 tot en met 2018.
15
Onderzoeksdeel I-II (28 mei 2021), pagina 24. Onderzoeksdeel I-II, pagina 20-21. 17 Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 61-63. 18 Gemeenteambtenaren geven aan dat de data beperkt betrouwbaar zijn. Desondanks is besloten de data ter indicatie op te nemen. 16
10
Aantal jeugdhulpytajecten
16.000 14.000 12.000
Huisarts
10.000
Gemeentelijke toegang
8.000
Jeugdarts
6.000
Gecertificeerde Instelling
4.000
Medisch specialist Rechter, Justitie
2.000
Geen of onbekend
2015
2016
2017
2018
Jaar
In 2015-2016 neemt het aantal verwijzingen door de huisarts sterk toe. Vanaf 2016 blijft het aantal verwijzingen door de huisarts echter redelijk constant, doch op een hoog niveau. Het aantal verwijzingen via de gemeente of via gemeentelijke organisatie neemt over de gehele periode sterk toe, waarbij de groei wel langzaam afvlakt. De verwijzingen via andere kanalen nemen af of dragen relatief gezien weinig bij aan het totaal. De categorie ‘Geen of onbekende verwijzer’ is relatief groot en relatief constant. Alleen in 2018 is sprake van een sterkere stijging. In 2018 is tegelijkertijd sprake van een grotere daling van de registratie van verwijzingen door een medisch specialist. Overzicht bevindingen in H10-verband 1. De kostenstijging binnen de Individuele begeleiding middel draagt het meeste bij aan de totale kostenstijging. De kosten voor dit onderdeel zijn gestegen van €3 miljoen in 2015 naar €13,7 miljoen in 2019. Dat is bijna 11% van de totale kostenstijging, meer dan elk ander onderdeel.19 2. Gekeken naar alle zorg op H10-niveau is de stijging van de gemiddelde kosten per uur geleverde zorg de belangrijkste verklaring voor de kostenstijging. Dit wordt verbeeld in onderstaande figuur.20
Deze algemene bevinding geldt voor de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, PijnackerNootdorp, Voorschoten en Zoetermeer. In de gemeenten Rijswijk, Wassenaar en Westland is een stijging van het aantal unieke jeugdigen de belangrijkste verklaring voor de kostentoename. In de gemeente Midden19 20
Onderzoeksdeel I-II, pagina 26. Onderzoeksdeel I-II, pagina 22.
11
Delfland levert een toename van het gemiddeld aantal uur zorg per jeugdige de belangrijkste bijdrage aan de kostenstijging. Hieronder is per gemeente zichtbaar wat het meest heeft bijgedragen aan de kostenstijgingen.
Opvallend is dat in zes gemeenten het gemiddeld aantal uur zorg per jeugdige is afgenomen, wat een remmend effect heeft gehad op de kostenstijging. Dit geldt voor de gemeenten Delft, Den Haag, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar en Zoetermeer. In de overige gemeenten heeft het gemiddeld aantal uur zorg per jeugdige wél bijgedragen aan de kostenstijging. Dit geldt voor de gemeenten Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Voorschoten en Westland.21 3. Gekeken naar de tien onderzochte zorgproducten is de stijging van het aantal jeugdigen dat zorg ontvangt de belangrijkste verklaring voor de kostenstijging. Op H10-niveau neemt het gemiddeld aantal uur zorg per jeugdige af en nemen de gemiddelde kosten per uur geleverde zorg toe (zie figuur vorige pagina). Dat wordt voor een belangrijk deel verklaard doordat het aantal jeugdigen dat ‘jeugdzorg zonder verblijf’ ontvangt sterker toeneemt dan het aantal jeugdigen dat ‘jeugdzorg met verblijf’ ontvangt. Voor ‘jeugdzorg met verblijf’ geldt namelijk dat het gemiddeld aantal uren zorg per jeugdige relatief hoog en de gemiddelde kosten per uur geleverde zorg relatief laag zijn. 22 Wanneer wordt gekeken naar de kostenontwikkeling van de tien producten die op H10-niveau het meest bijdragen aan de kostenstijgingen, dan ontstaat een ander beeld.
Bij de meeste producten, namelijk zes van de tien, is een toename van het aantal jeugdigen dat zorg ontvangt het kengetal dat het meest bijdraagt aan de totale kostenstijging. Bij de producten ‘Specialistische jeugdhulp’ en ‘Basis Jeugd GGZ’ levert het gemiddelde aantal uur zorg de belangrijkste bijdrage aan de kostenstijging. Bij de producten ‘Specialistische GGZ’ en ‘Pleegzorg’ was dat de gemiddelde uur zorg. In onderstaande figuren is voor de tien onderzochte zorgproducten te zien wat het meest bijdroeg aan de kostenstijging.23
21
Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 22-23. Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 55-58. 23 Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 30, 37, 43 en 52. 22
12
3. De gemeentelijke toegang tot de jeugdzorg lijkt grotendeels verantwoordelijk te zijn voor de toename van het aantal jeugdzorgtrajecten. Bij de overige vormen van toegang tot jeugdzorg, zoals de huisarts, jeugdarts, gecertificeerde instelling, medisch specialist of rechter, is sprake van een afname of kleine stijging van het aantal jeugdigen.24
Bevindingen Pijnacker-Nootdorp De kosten voor via het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden ingekochte jeugdhulp zijn voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp gestegen van ongeveer €7,13 miljoen in 2015 naar ongeveer €9,93 miljoen in 2019.25 De grootste kostenstijgingen in de gehele H10 zijn, zoals hierboven beschreven, te vinden binnen de categorieën ‘Jeugd GGZ’, ‘Jeugdhulp ambulant’, ‘Dagbehandeling´ en ‘Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling)’. Voor Pijnacker-Nootdorp geldt dit ook. Het aantal unieke jeugdigen uit Pijnacker-Nootdorp dat in deze categorieën zorg krijgt, is toegenomen. Eveneens is er een toename van de gemiddelde kostprijs per uur zorg te zien, bij de ene vorm van zorg groter dan bij de andere. Het beeld van het gemiddeld aantal uren verleende zorg aan jongeren in onze gemeente verschilt per categorie, maar laat over het geheel een daling zien. Dit is in onderstaande grafiek verbeeld.
24
Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 61-63. Onderzoeksdeel I-II, pagina 16. Dit is het totaalbedrag aan ingekochte zorg via het SbJH. Gefilterd op declaraties die op een tijdsduur zijn gedeclareerd en op het verwijderen van mogelijk herleidbare gegevens zijn de bedragen €6,71 miljoen in 2015 en €9,58 miljoen in 2019. 25
13
Categorieën zorg met grootste kostenstijging Als voor Pijnacker-Nootdorp wordt gekeken naar de kengetallen binnen de vier genoemde categorieën, dan levert dit het onderstaande beeld op. Categorie of kengetal 1) Jeugd GGZ26 Basis Jeugd GGZ Aantal jeugdigen Uren zorg gemiddeld Gemiddelde kostprijs per uur
2015
2019
€297.000 456 6,9 €94,60
€632.300 509 14,2 €91,40
Specialistische GGZ Aantal jeugdigen Uren zorg gemiddeld Gemiddelde kostprijs per uur
€2.500.000 818 44,0 €69,10
€2.700.000 693 37,5 €103,10
2) Jeugdhulp ambulant27 Specialistische jeugdhulp Aantal jeugdigen Uren zorg gemiddeld Gemiddelde kostprijs per uur
€669.000 213 19,8 €158,90
€805.200 173 29,6 €157,00
Individuele begeleiding licht Aantal jeugdigen Uren zorg gemiddeld Gemiddelde kostprijs per uur
€37.500 11 73,7 €46,30
€248.800 56 88,2 €50,30
Individuele begeleiding middel Aantal jeugdigen Uren zorg gemiddeld Gemiddelde kostprijs per uur
€139.200 19 112,8 €64,90
€438.900 90 71,3 €68,40
26 27
Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 98-103. Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 88-95.
14
3) Dagbehandeling28 Dagbehandeling Aantal jeugdigen Uren zorg gemiddeld Gemiddelde kostprijs per uur
2017 €251.000 12 930 €22,60
2019 €270.000 14 842 €22,90
4) Jeugdhulp met verblijf (inclusief behandeling)29 Pleegzorg Aantal jeugdigen Uren zorg gemiddeld Gemiddelde kostprijs per uur
2015
2019
€328.600 54 6.428 €0,90
€534.300 50 6.457 €1,70
Verwijzers Als wordt gekeken naar de relatie tussen de toename van de jeugdzorgtrajecten en de verwijzingen, dan valt voor Pijnacker-Nootdorp op dat vooral de verwijzingen vanuit de huisartsen en de gemeentelijke toegang zijn toegenomen. De stijging van verwijzingen vanuit de huisarts is iets groter dan vanuit de gemeentelijke toegang. Ook het aantal jeugdzorgtrajecten zonder verwijzing/met onbekende verwijzing is licht toegenomen. Uitgesplitst per H10-gemeente leveren de verwijzersdata het volgende beeld op: 30
Overzicht bevindingen Pijnacker-Nootdorp 1. De kostenstijging binnen de Basis Jeugd GGZ draagt het meeste bij aan de totale kostenstijging. De kosten voor het onderdeel Basis Jeugd GGZ stegen van €0,297 naar €0,632 miljoen, een stijging van meer dan €0,33 miljoen. Kort daarachter zit de categorie Individuele begeleiding middel met een stijging van bijna €0,3 miljoen.
28
Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 106-110. Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 111-117. 30 Onderzoeksdeel I-II, pagina 118. Ook hier geldt het voorbehoud van de kwaliteit van de CBS-data. 29
15
2. De gemiddelde kosten per uur verleende zorg is de belangrijkste verklaring voor de kostenstijging. Dit zien we met name terugkomen bij ‘Specialistische GGZ’ en ‘Pleegzorg’. Daarnaast heeft ook het toegenomen aantal jongeren dat zorg ontvangt bijgedragen aan de kostenstijging. Dat zien we met name bij ‘Individuele begeleiding licht’ en ‘Individuele begeleiding middel’. 3. De gemeentelijke toegang tot de jeugdzorg en toegang via de huisarts lijken voor het grootste deel verantwoordelijk voor de toename van de kosten in de jeugdzorg. Bij de toegang tot jeugdzorg via jeugdarts, gecertificeerde instelling, medisch specialist, rechter en onbekende verwijzer is sprake van een afname of kleine stijging van het aantal jeugdigen.
16
Hoofdstuk 3 | Bevindingen onderzoeksdeel II – Kosten via gemeenten Inleiding Om inzicht te kunnen geven in de belangrijkste oorzaken van de toename van de kosten in de jeugdhulp is, naast informatie van het SbJH gebruikgemaakt van informatie die iedere H10-gemeente afzonderlijk heeft aangeleverd. Het gaat daarbij om de volgende informatie: 1. Informatie over het totaal aan toegekende PGB’en, per jeugdige (geanonimiseerd), met daarbij het volgende gespecificeerd (waar mogelijk): een versleutelde BSN, de eerste vier cijfers van de postcode, start- en einddatum, het budget, de besteding, het saldo en een productomschrijving. Dit over de periode van 2015 t/m 2019; 2. Eventuele overige gemeentelijke kosten die onderdeel uitmaken van de totale kosten voor jeugdzorg, waar mogelijk gespecificeerd naar unieke jeugdigen. Dit in de periode van 2015 t/m 2019. Hieronder vallen: a. Overheadkosten b. Toegangskosten c. Uitvoeringskosten d. Zorg in natura eigen gemeente (dus buiten het SbJH om) Bovenstaande kosten én de kosten die worden verstrekt via het SbJH moeten samen optellen tot de totale kosten voor jeugdzorg waarover het college van B&W jaarlijks aan de gemeenteraad rapporteert.
Algemene bevindingen In onderzoeksdeel II wordt opgemerkt dat de kostenstijging binnen jeugdzorg niet afkomstig is van de PGBkosten. Deze kosten zijn tussen 2015 en 2019 stabiel gebleven. De overige gemeentelijke kosten dragen wel bij aan de kostenstijging. Binnen de overige gemeentelijke kosten zijn de hoogste kostenstijgingen te zien in de directe personeelskosten, de Gemeenschappelijke Regeling Veilig Thuis (GR VT) en regionale projectkosten. Deze kostenstijgingen verschillen in absolute zin sterk per gemeente. In procentuele zin zien we echter stijgingen in de meeste gemeenten.
Bevindingen ‘kosten PGB’ Algemeen In de periode van 2015 tot en met 2019 zijn de PGB-kosten harder gedaald dan het aantal jeugdigen met een PGB. Dit betekent dat de gemiddelde PGB-besteding per jeugdige is gedaald met ongeveer €1.000 per jeugdige. Dit kan veroorzaakt zijn doordat jeugdigen een lichtere (en dus goedkopere) vorm van jeugdzorg hebben ontvangen, of doordat jeugdigen korter (minder uren/dagen) jeugdzorg hebben ontvangen.31 PBG-besteding per jeugdige – H10 totaal Jaar Kosten Aantal jeugdigen 2015 2016 2017 2018 2019
31
€ 9.284.710 € 6.195.989 € 6.487.101 € 7.210.426 € 6.434.437
1.293 1.195 1.085 1.146 1.037
Gemiddeld bedrag per jeugdige € 7.181 € 5.185 € 5.979 € 6.292 € 6.205
Toe-/Afname (%)
-27,8% +15,3% +5,2% -1,4%
Onderzoeksdeel I-II (28 mei 2021), pagina 72.
17
Een aantal gemeenten wijkt af van de gemiddelde besteding per jeugdige op H10-niveau. Zo zijn er verschillende gemeenten met een stijging van het gemiddelde bedrag per jeugdige. Dit geldt voor de gemeenten Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Zoetermeer. Het algemene beeld is echter dat de ontwikkeling in de kosten voor PGB’en geen bijdrage hebben gehad in de algehele kostenstijging voor jeugdzorg. Omdat er tussen gemeenten verschillen zijn, focussen we ons nu op de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Pijnacker-Nootdorp De totale kosten voor PGB’en hangen direct samen met aantal jongeren dat deze PGB’en ontvangt en volgen dus hetzelfde patroon. Voor Pijnacker-Nootdorp fluctueren de ‘kosten PGB’ tussen 2015 en 2019 binnen de bandbreedte €312.000 – €1.103.000 per jaar. Het aantal jeugdigden dat PGB ontvangt volgt dezelfde trend: hun aantal fluctueert tussen 2015 en 2019 tussen de zestig en negenennegentig personen. Al met al levert dit het volgende beeld op:32 PGB-besteding per jeugdige – Pijnacker-Nootdorp Jaar Kosten Aantal jeugdigen 2015 2016 2017 2018 2019
€ 1.103.393 € 436.000 € 312.000 € 348.090 € 688.830
99 72 60 62 88
Gemiddeld bedrag per jeugdige € 11.125 € 6.056 € 5.200 € 5.614 € 7.828
Toe-/Afname (%)
-45,6% -14,1% +8,0% +39,4%
De kostenontwikkeling laat, ondanks een stijging in 2018 en 2019, een daling zien in de onderzochte periode. Het PGB-bedrag per jeugdige, dat gedaald is van €11.125 in 2015 naar €7.828 in 2019, is – op Delft en Den Haag na – het laagste van alle H10-gemeenten.33 Redenen voor de daling van het aantal jeugdigen met een PGB zijn niet in het rapport opgenomen. Deze redenen kunnen zijn dat er minder zware zorg er daarmee minder dure zorg hoeft te worden verleend en dat de zorgtrajecten minder lang waren. In het rapport is hierover geen nadere duiding opgenomen.
Bevindingen ‘overige gemeentelijke kosten’ Algemeen De ‘overige gemeentelijke kosten’ kunnen als volgt worden uitgesplitst: Onderwerp
Onderdeel
Taakveld
Toelichting
Overhead
Afdelings- en concernoverhead Toegang; niet zijnde het eigen jeugdteam
-
Vervoerskosten GR Veilig Thuis Jeugdbeschermingstafel
Maatwerkdienstverlening 18Geëscaleerde zorg 18Wijkteams
Regionale projectkosten Implementatiekosten inkoop jeugdhulp
Wijkteams Wijkteams
Alleen van toepassing in 2015 en 2016 Toegang via onder meer: Praktijkondersteuner Jeugd (POJ)/ Schoolmaatschappelijk werk (SMW)/enz. Eigen contract gemeente Deelnemersbijdrage Personeels- en uitvoeringskosten Projectkosten
Toegang
Uitvoeringskosten
Wijkteams
32
Onderzoeksdeel I-II, pagina 134. Ook in Delft, Midden-Delfland, Rijswijk, Wassenaar en Westland daalde het PGB-bedrag per jeugdige. In de overige gemeenten steeg het bedrag. 33
18
Zorg in natura buiten SbJH
Overig
Wijkteams
Directe personeelskosten
Wijkteams
Zorg in natura eigen gemeente
Maatwerkdienstverlening 18-
Huur locaties jeugdteam, tolkdiensten, software, onderzoeken etc. Waar mogelijk opsplitsen in Advies & Indicatie, Behandelen en Beleid & Management. -
In onderstaande grafiek zijn deze kosten in H10-verband te vinden.34 Te zien is dat veruit de meeste gemeentelijke kosten op H10-niveau bestaan uit uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten zijn in 2019 verdriedubbeld ten opzichte van 2015. Alleen in 2015 en 2016 zijn er overheadkosten geweest, en alleen van 2017 tot en met 2019 kosten voor Zorg in Natura buiten het SbJH om.
De overige gemeentelijke kosten bestaan in H10-verband voor het grootste deel uit uitvoeringskosten. Dit zijn onder meer directe personeelskosten (wijkteams), de gemeenschappelijke regeling Veilig Thuis (GR VT) en vervoerskosten. De grootste kostenstijgingen vinden ook binnen de uitvoeringskosten plaats, in totaal een verdriedubbeling in 2019 ten opzichte van 2015. Deze stijgingen komen met name door een stijging van de directe personeelskosten en de GR VT. Deze kostenstijgingen verschillen echter per gemeente, zodat we hieronder nader bekijken hoe het beeld voor Pijnacker-Nootdorp is. Pijnacker-Nootdorp Het totale bedrag ‘Overige gemeentelijke kosten’ fluctueert in periode 2015 en 2019 binnen een bandbreedte van grofweg €1,5 – €2,8 miljoen per jaar, echter wel met een stijgende lijn. In onderstaand overzicht is het bedrag per jaar opgenomen.35
Overige gemeentelijke kosten 34 35
2015 €1.460.955
2016 €2.164.905
2017 €2.212.548
2018 €2.817.584
2019 €2.522.083
Onderzoeksdeel I-II, pagina 75. Onderzoeksdeel I-II, pagina 126.
19
Binnen de overige gemeentelijke kosten zijn er in deze periode, zowel in H10-verband als voor PijnackerNootdorp, enkele posten die het meest bijdragen aan de stijging van de kosten. Het gaat om ‘directe personeelskosten’, ‘kosten GR Veilig Thuis’ en ‘regionale projectkosten’. Dit levert het volgende beeld op:36
Directe personeelskosten (voor o.m. wijkteams) GR Veilig Thuis Regionale projectkosten
36
2015 €792.684
2016 €1.223.853
2017 €1.327.877
2018 €1.394.793
2019 €1.366.867
€111.984 €0
€120.518 €14.074
€211.857 €109.006
€285.000 €93.643
€298.000 €179.662
Onderzoeksdeel I-II, pagina’s 80, 84 en 87.
20
Hoofdstuk 4 | Bevindingen en conclusies onderzoeksdeel III – Informatievoorziening aan gemeenteraad Inleiding Een gemeenteraad die beslissingen wil nemen, heeft informatie nodig om zijn beslissingen op te baseren. Waar is het geld aan uitgegeven? Heeft het geld de juiste mensen en instanties bereikt? Is het conform het beleid besteed? Werkt het beleid? Daarom wordt over de vele miljoenen euro’s die de gemeente jaarlijks uitgeeft verantwoording afgelegd, bijvoorbeeld via de jaarrekening. Dat is op het gebied van de jeugdhulp niet anders. Echter, over jeugdhulp, en het sociaal domein in het algemeen, wordt op meer momenten informatie met de raad gedeeld. Denk bijvoorbeeld aan de Monitor Sociaal Domein en het overleg in de klankbordgroep Sociaal Domein. Onderzoeksbureau BMC heeft namens de rekenkamercommissie onderzoek gedaan om inzicht te krijgen in de informatievoorziening over de jeugdhulp.37 In het verlengde daarvan is ook gekeken of die informatie de gemeenteraad in staat stelde haar rol te kunnen vervullen. In dit hoofdstuk worden de bevindingen en conclusies langsgelopen om antwoord te kunnen geven op de vraag in hoeverre de gemeenteraad met de verstrekte voortgangsinformatie in staat gesteld is om zijn kaderstellende en controlerende taak goed uit te voeren.
Bevindingen en conclusies Inrichting van de informatievoorziening De gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp is in de periode tot 1 januari 2015, voor zover de documenten uitwijzen, adequaat geïnformeerd over de voorbereidingen op de decentralisatie van de jeugdhulp. Daarbij is aandacht besteed aan het financiële aspect, de inrichting van de toegang, de inrichting van de inkoop en de risico’s van de transformatie. Na de decentralisatie zijn er in de Verordening jeugdhulp juridische kaders omtrent jeugdhulp en in de verschillende beleidsstukken inhoudelijke kaders gesteld. Er is een duidelijke vertaling gemaakt van de regionale plannen en doelstellingen naar lokale inkoopplannen die alle aspecten van de jeugdhulp dekken. Niet alle doelen/uitgangspunten zijn SMART geformuleerd, maar er is ten aanzien van ieder aspect binnen de jeugdhulp wel een set heldere doelen gesteld. Het is niet duidelijk of er indicatoren aan de doelen zijn gekoppeld en of hierop teruggekoppeld wordt. Er is weinig sprake van samenhang tussen de doelen die in de verschillende beleidsstukken zijn genoemd. Juist omdat de doelen over verschillende beleidsstukken zijn verdeeld is het voor raadsleden lastig om de voortgang op de uitvoering van de jeugdhulp te monitoren. Het gebrek aan samenhang tussen doelen en indicatoren staat een effectieve informatievoorziening vooralsnog in de weg.
De raad ontvangt de informatie over jeugdhulp zowel vanuit de eigen P&C-cyclus als vanuit het SbJH. Uit gesprekken met (buiten)raadsleden en uit de online vragenlijst die is uitgezet onder (buiten)raadsleden komt naar voren dat de informatiestroom op dit moment erg fors is en dat met name een overkoepelend beeld ontbreekt voor de raad. Er is twee keer een Monitor Sociaal Domein uitgebracht (2016 en 2019) die invulling moet geven aan een overkoepelend beeld. Over de informatie rondom de ontwikkelingen in de uitvoering is de raad nog niet content. Er zijn door de raad veel raadsvragen gesteld en moties en amendementen ingediend op dit vlak. In veel gemeenten wordt een groot deel van de informatiebehandeling en -deling gerealiseerd aan de hand van informele en beeldvormende bijeenkomsten met raadsleden. Uit de online vragenlijst blijkt dat veel raadsleden in Pijnacker-Nootdorp ontevreden zijn over hoe de informatie op dit moment wordt behandeld. Het gemiddelde cijfer dat de raad hiervoor geeft, is een 5,6 (acht van de zestien raadsleden geven een onvoldoende). Op dit punt is door de raad duidelijk aangegeven dat er nog te weinig (proactief) informatie wordt gedeeld in een informele (of beeldvormende) setting. De klankbordgroep Sociaal Domein vervult nog niet in die behoefte. De
37
Het complete rapport van Onderzoeksdeel III is bijgevoegd als bijlage 2.
21
klankbordgroep komt daarvoor te weinig samen en de raad heeft het idee dat de agenda nu vooral ingevuld wordt door het college. Uit de documentenstudie komt naar voren dat op het gebied van jeugdhulp de afgelopen jaren verschillende moties en amendementen zijn ingediend.38 Gezien de thematiek van de moties valt op dat de raad weinig greep ervaart op het thema en daar ook expliciet in is. Als gevolg van een onduidelijk beeld over de uitvoering voelt de raad zich vaak genoodzaakt om via de formele weg te sturen en informatie te vragen. Verder moet vastgesteld worden dat de raad nog onvoldoende zicht heeft op wat er op H10-niveau en dan met name in het Bestuurlijk Overleg Jeugd (BOJ) wordt besproken en wat er met de input van de raad wordt gedaan. Op dit vlak is er een duidelijke wens van de raad om meer terugkoppeling te ontvangen over de stand van zaken. Om de samenwerking tussen raadsleden in H10-verband te verbeteren hebben is door enkele raadsleden in 2019 een ‘H10-platform’ opgericht. Binnen dit platform, dat vanwege het coronavirus voornamelijk nog via WhatsApp actief is geweest, delen raadsleden informatie, zienswijzen, moties, amendementen, technische vragen en signalen met elkaar. Vanuit dit initiatief is er verder ingezet op een betere samenwerking tussen griffies rondom informatie-uitwisseling.
Wat betreft de informatiepositie van de gemeenteraden zijn binnen het platform vier verbeterpunten geformuleerd: 1. Breng de griffies beter in positie; 2. Investeer in het gesprek langs de (partij)politieke lijn; 3. Investeer in het gesprek tussen raden onderling; 4. Stel als gemeenteraden een gezamenlijke commissie in. Verstrekte informatie Voor dit onderdeel is de raad zelf gevraagd naar hun oordeel ten aanzien van de verstrekte informatie. Als het gaat om de tijdigheid van de informatie, dan komt naar voren dat de helft van de raadsleden zowel de actualiteit (hoe oud zijn de gegevens) als de tijdigheid (wanneer komt de informatie) als onvoldoende beschouwen. In de nadere toelichting geven raadsleden aan dat zij het gevoel hebben dat de informatie pas wordt besproken als er besloten moet worden, zonder dat er goede beeld- en oordeelsvorming heeft plaatsgevonden. In zijn algemeenheid wordt er vertrouwen gesteld in de juistheid van de aangeleverde informatie. Opvallend is dat, wanneer het gaat om de volledigheid van de informatie, de meeste raadsleden aangeven niet te weten of ze alles ontvangen. Doordat er sprake is van verschillende informatiestromen (SbJH en gemeente) ontbreekt een overkoepelend beeld. Ook is aangegeven dat er niet genoeg samenhang zit in de aangeboden informatie.
Twee derde van de raadsleden vindt de informatie op dit moment niet goed aansluiten op hun behoeften. Concreet is er behoefte aan: • het opstellen van duidelijke kengetallen die eens per kwartaal/half jaar besproken worden in de raad; • meetbare informatie: feiten, cijfers, trendanalyses, effectrapportages, doelen en mate van doelbereiking; • duidelijke overzichten van de financiën; • werkbezoeken en verhalen uit de praktijk; • koppeling van praktijk- en cliëntervaring aan cijfers over de voortgang; • een totaalbeeld met heldere cijfers zonder beleidsstukken; waar zit er groei van zorg in de gemeente, waar is er een afname van zorg, meer handzame informatie waarop de raad heldere kaders kan meegeven en waarop hij kan controleren. Als het gaat om het invullen van de kaderstellende en controlerende rol door de raad, valt op dat raadsleden zeer gemotiveerd zijn om invulling te geven aan hun verantwoordelijkheden. Het beleidsterrein is echter complex en ook zeer aan veranderingen onderhevig, waardoor het voor veel raadsleden lastig en tijdrovend is om alle informatie tot zich te nemen. Uit het onderzoek blijkt dat de raad op dit moment vooral aan het controleren is, maar zich ook nog niet volledig geëquipeerd voelt in die rol. Daarbij geven raadsleden aan dat ze niet altijd de informatie kunnen doorgronden.
Het gaat dus niet zozeer om de hoeveelheid informatie, maar meer om de toegankelijkheid ervan. Ook raadsleden die al langer in de raad
38
Vergeleken met de gemeente Delft, waar BMC het onderzoek naar informatievoorziening ook heeft uitgevoerd, is het in Pijnacker-Nootdorp aanzienlijk meer.
22
meedraaien en de decentralisatie hebben meegemaakt, geven aan dat het lastig is om een beeld te krijgen van jeugdhulp, laat staan er greep op te krijgen. Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat het informele overleg in de vorm van de klankbordgroep nog niet structureel genoeg plaatsvindt en dat er nog te weinig op informele wijze informatie met elkaar gedeeld wordt in de vorm van een dialoog tussen organisatie, college en raad. Dit betekent dat er grote verschillen zijn in de informatiepositie van de individuele raadsleden en fracties. De raad treedt, als het gaat om de inrichting van de (lokale) jeugdhulp, nog niet genoeg op de voorgrond door kaders, doelen en indicatoren te stellen. Uit gesprekken komt naar voren dat de discussies in de raad tot nu toe vooral zijn gegaan over aantallen en financiën, omdat nog onvoldoende is nagedacht over andere sturingsinformatie. Een inhoudelijk debat over de inrichting van de jeugdhulp, inclusief het stellen van doelen en indicatoren, heeft nog onvoldoende plaatsgevonden.
23
Hoofdstuk 5 | Aanbevelingen Vertaling bevindingen en conclusies naar aanbevelingen De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor bijna alle vormen van jeugdzorg. Gemeenten hebben een jeugdhulpplicht. Dit betekent dat de gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Deze jeugdhulp moet van goede kwaliteit zijn en voorzieningen moeten beschikbaar zijn. De gemeentelijke verantwoordelijkheid bestaat onder andere ook uit het versterken van opvoedklimaat in gezinnen, buurten en scholen, adviseren over en het bepalen van aangewezen vormen van jeugdhulp en voorzien in maatregelen om kindermishandeling te voorkomen. Hoe de gemeente dat doet, hangt af van wat is geregeld in lokale verordeningen en beleidsplannen. Hier zit (beperkte) keuzevrijheid voor de gemeente. In beleidsplannen worden zaken geregeld met betrekking tot preventie, ondersteuning, jeugdhulp en zorg. Deze plannen stelt de gemeenteraad vast. Daarmee stelt de raad dus ook de doelen vast op het gebied van jeugdhulp én hoe die doelen moeten worden bereikt. In de plannen staan hoe de gemeente lokale sociale teams inricht, met wie die teams dienen samen te werken en waar ze op moeten letten.
De meeste sturing zit aan de voorkant: hoe organiseer je samenhangende de zorg? Het is aan de gemeente om te bepalen welke hulp vrij toegankelijk is en welke hulp een individuele voorziening. Ook inhoudelijk zit de meeste sturing daarmee aan de voorkant: hoe zorg je voor passende hulp en voorkom je onnodige zorg of onnodig lange trajecten? Hoe help je een kind (en zijn/haar ouders) het beste en het snelste? Is er samenhang in de (gezinsgerichte) hulpverlening? Is er één regisseur? Bijsturing door de gemeenteraad kan enkel plaatsvinden als de raad overzicht heeft over het beleid en de daaraan gekoppelde doelen én of die doelen gehaald worden. Met andere woorden: voor de raad moet inzichtelijk zijn of het beleid effectief is of aangepast moet worden. Uit het drieledige onderzoek naar jeugdhulp en de informatievoorziening daarover blijkt dat dat vooralsnog niet zo is. Op basis van de bevindingen en conclusies uit het onderzoek heeft de rekenkamercommissie een aantal aanbevelingen geformuleerd. Deze aanbevelingen gaan over de inrichting van de informatievoorziening vanuit gemeente en SbJH aan de gemeenteraad en over de inhoud van de gestuurde informatie. De aanbevelingen geven de gemeenteraad en gemeenteraadsleden handvatten om op lokaal en regionaal niveau meer greep te krijgen op het dossier jeugdhulp.
Lokaal De gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp controleert primair het college van B&W van Pijnacker-Nootdorp. De ‘eigen’ wethouder met de portefeuille sociaal domein is het eerste aanspreekpunt als de raad een betere inrichting van informatievoorziening en betere informatie wenst. Daarom doet de rekenkamercommissie een aantal aanbevelingen, zowel aan de raad als aan het college. Aanbevelingen ten aanzien van de inrichting van de informatievoorziening 1. Betrek als college de gemeenteraad actief bij het inrichten van de informatievoorziening, zodat raadsleden mee kunnen bepalen hoe en wanneer ze worden ingelicht over de inhoudelijke taakuitvoering en de voortgang op de doelstellingen en de indicatoren. Zo ontstaat er ruimte voor kaderstelling door de raad en heeft input vanuit de raad meerwaarde, ongeacht of dit gebeurt binnen een traject richting het nemen van een besluit. 2.
Wees je als raad bewust van de eigen verordeningen en beleidsplannen waarin richting aan de jeugdhulp wordt gegeven. Daar staan doelen in en de manier waarop die doelen verwezenlijkt worden.
3.
Zorg er als college voor dat doelstellingen vertaald worden in concrete en meetbare indicatoren en monitor die systematisch en periodiek. De verzameling cijfers en indicatoren die nu in verschillende stukken (zoals de Monitor Sociaal Domein) wordt aangeboden, biedt gefragmenteerd inzicht in de voortgang, maar toont niet aan of doelstellingen behaald worden. Een voorbeeld kan zijn de visie van de gemeenten in de Leidse regio. In deze visie zijn doelen vertaald naar maatschappelijke opgaven en
24
vervolgens naar concrete maatschappelijke resultaten aan de hand waarvan de voortgang van het behalen van de doelen gevolgd kan worden. 4.
Onderzoek als college en raad de mogelijkheden om de Monitor Sociaal Domein (of een ander instrument) te koppelen aan de voortgang van de vastgestelde doelstellingen. Onderzoek daarnaast of dit instrument ook ingezet kan worden om toekomstig zorggebruik te voorspellen. Het koppelen van de doelstellingen en indicatoren aan alle beschikbare data maakt het dan mogelijk om bepaalde scenario’s weer te geven waarop de raad kan sturen.
5.
Zet als college en raad in op meer informatiedeling via de informele overlegstructuren. Niet in plaats van de formele overleggen (zoals via raadsvergaderingen), maar als aanvulling om de kennis en kunde op het thema onder de raadsleden te vergroten. De klankbordgroep zou op dit vlak duidelijk in die behoefte kunnen voorzien. Zorg dat dit overleg regelmatig plaatsvindt en dat de raad hierbij de agenda (mede) kan bepalen, zodat de raad meer eigenaarschap van dit gremium ervaart. Op dit vlak zou naar de gemeente Delft kunnen worden gekeken. Daar is dit onderzoek ook uitgevoerd en is de raad erg content met de wijze waarop de informatie (informeel) wordt behandeld in onder andere de Werkgroep Sociaal Domein en tijdens tafeltjesavonden.
6.
Neem als raad zelf initiatieven om meer en betere informatie over de werking en effecten van de jeugdhulp in Pijnacker-Nootdorp te verzamelen, bijvoorbeeld door vaker gesprekken met cliëntenraden, belangenorganisaties en dergelijke te (laten) organiseren.
Aanbevelingen ten aanzien van de verstrekte informatie 7. Zorg er als college voor dat de informatie tijdig wordt aangeleverd en actueel is. Daarbij zou het ook goed zijn om het gesprek aan te gaan over de wensen van de raad ten aanzien van de informatie, zoals al heel concreet is opgesomd in hoofdstuk 4 van dit bestuurlijk rapport onder het kopje ‘verstrekte informatie’. 8.
Zorg er als college voor dat de behoefte aan een overkoepelend beeld (over voortgang en resultaten) wordt vervuld. Met name door toelichting te geven bij de indicatoren, cijfers en aantallen. Dat hoeft niet altijd in een nota of informatiebrief te zijn, maar kan ook mondeling. Reflecteer duidelijk op de resultaten en doe dat op zo’n wijze dat de raad inzicht krijgt in de voortgang. Een eerste aanzet hiertoe zou besproken kunnen worden in de klankbordgroep Sociaal Domein, zodat ook echt getoetst wordt of het in de behoefte van de raad voorziet. Belangrijk is dat de raad – in lijn met de eerdere aanbeveling over het informeel informatie delen – vanuit een bepaalde basiskennis en basisfeiten in staat wordt gesteld om te kunnen controleren.
9.
Rapporteer als college consistent op dezelfde wijze over de jeugdzorgkosten en het aantal jeugdigen. Neem in deze periodiek op te stellen voortgangsrapportages (bijvoorbeeld de Monitor Sociaal Domein) informatie op over: a. De (meerjarige) kostenontwikkeling van jeugdzorg, gespecificeerd naar het soort zorg; b. De absolute aantallen jeugdigen in de jeugdzorg; c. De grootste/opvallendste ontwikkelingen; d. De ‘top 10’ van stijgende zorgcategorieën/onderdelen, waarbij inzicht wordt gegeven in het aantal unieke jongeren, de gemiddelde zorgduur, de kosten die hiermee gemoeid zijn en de soort verwijzers die naar deze categorieën/onderdelen zorg verwijst; e. Het soort verwijzer bij elke vorm van jeugdzorg, zodat per categorie uitsplitsingen naar het soort verwijzer gemaakt kunnen worden; f. De (registratie van de) resultaten van zorgtrajecten. Maak daarbij inzichtelijk of de problematiek waar het traject betrekking op had is opgelost en duidelijk wordt gemaakt of aanvullende jeugdzorgtrajecten nodig zijn of dat de jeugdzorg met succes kan worden beëindigd.
10. Breng als college de raad in positie om kaders en doelen te stellen ten aanzien van de lokale inrichting van de jeugdhulp (dus waar het gaat om zaken die de gemeente zelf dient te organiseren, zoals toegang en preventie). Dit is een aanbeveling die ook andersom geldt voor de raad: pak nadrukkelijk de rol als kadersteller ten aanzien van het lokale jeugdbeleid (zoals dat in de regio met het H10-platform al
25
gebeurt). Er is binnen de organisatie op dit punt ook een duidelijke behoefte om hierin samen op te trekken en de input van de raad mee te nemen in de kaderstelling. Kijk hiervoor bijvoorbeeld naar hoe dat gaat op het gebied van participatie in Alkmaar. Omdat voor de raad de relatie tussen de doelstellingen en de indicatoren niet altijd duidelijk bleek, is aan het college gevraagd om jaarlijks zogenaamde doelenkaders op te stellen (in samenwerking met de uitvoeringsorganisatie), waarin de doelen gerelateerd worden aan de indicatoren. Dit doelenkader zorgt ervoor dat de raad effectiever kan monitoren in hoeverre de doelen van het beleid worden gerealiseerd. Dit zou ook in PijnackerNootdorp de behoefte kunnen vervullen aan meer controle op de voortgang.
Regionaal Het beleid is lokaal vastgesteld, maar de inkoop gebeurt (deels) regionaal via het SbJH. Het SbJH maakt geen eigen beleid, maar regelt de zaken rondom inkoop en het contracteren van jeugdhulp. Het bestuur van het SbJH bestaat uit drie wethouders en de directeur van het bureau. Overleg echter wordt gevoerd door alle lokale wethouders sociaal domein. De gemeenteraad stuurt daardoor voornamelijk indirect. De gemeenteraad kan echter de ‘eigen’ wethouder sociaal domein (regelmatig) bevragen op zijn/haar rol in overleggen en over aansturing van/binnen de gemeenschappelijke regeling. Daarom doet de rekenkamercommissie de volgende aanbevelingen: 11. Bevraag als raad de wethouder op de samenhang tussen lokaal beleid en regionale inkoop. Immers: aan de voorkant, lokaal, zaken beter regelen betekent minder regionale inkoop; 12. Versterk als raad je informatiepositie door regelmatig(er) met het Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden (SbJH) en andere externe partijen te spreken over de stand van zaken van de inkoop en jeugdhulp in het algemeen. Zo is vaker nieuwe informatie bekend en kan meer inzicht worden verkregen in verklarende achterliggende informatie van bijvoorbeeld instroom en behandelingen; 13. Bevraag als raad de wethouder op hoe het overleg op regionaal niveau plaatsvindt en hoe de sturing van en binnen het SbJH plaatsvindt.