CConstaterende datPijnacker-Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1.2. Bijlagen bij de toelichting voorontwerpbestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021 2022 (1364146)

Raad Besluitvorming 23 september 2021, gemeente Pijnacker-NootdorpBij agendapunt: h. Ontwerpbestemmingsplan Verzamelplan 2021/202226.635 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP

Landschappelijke inpassing De manege zelf krijgt een landelijk, groen karakter waarbij de openheid van het plangebied tot uiting komt middels enkele doorzichten. De manege wordt langs de Brasbaan reeds begrenst door een bestaande houtsingel. Deze opgaande beplanting zorgt voor een verzachting in de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen van de manege. Doordat deze beplanting geen ‘groene muur’ is, zijn zichtlijnen naar het achtergelegen Bieslandse bos mogelijk. Op de voorgrond zijn dan tussen de opgaande beplanting de paarden in de paddocks te zien. Aan de zuidoostzijde van het plangebied wordt een nieuw aan te planten houtsingel beoogd zodat de beleving van de inrichting vanaf het bos wordt verzacht. Het nieuwe gebouw met de binnenpiste zal niet geheel uit het zicht verdwijnen maar krijgt op deze maneir wel een groene aanblik. Ook is door deze houtsingel enkele doorzichten mogelijk. Het beoogde parkeerterrein is een reeds lager gelegen terrein, vergeleken met de Braslaan.

Naast dit niveauverschil zal de bestaande houtsingel de voertuigen zoveel mogelijk aan het zicht worden onttrekken. De springtuin wordt aan twee zijden voorzien van een vrijgroeiende lage struweelhaag. Ook worden solitaire bomen voorzien bij de longeercirkel en stapmolen om het geheel een groenere uitstraling te geven. Ten slotte is in het oosten een grasland beoogd met verschillende landschapsbomen en een poel.

Houtsingel (plantafstand 1,5 m driehoeksverband) plantmateriaal 80-100: Grove den (Pinus sylvestris) Ruwe Berk (Betula pendula) Hollandse Linde (Tilia vulgaris) Krent 80-100 (Amelanchier lamarckii) Rode kornoelje (Cornus sanguinea) Hazelaar (Corylus avellana)

m² 1500

Aan te planten vrijgroeiende struweelhaag

st / m² 0,45

aantal 675

m¹ st / m¹ aantal plantmateriaal 80-100, plantafstand 2 m in rij: 135 0,5 68 Hazelaar, Krent, Veldesdoorn, Rode/Gele kornoelje, Sleedoorn of vergelijkbaar inheems Solitaire bomen Plantmateriaal 12-14: Grove den, Ruwe Berk, Hollandse Linde of vergelijkbaar inheems

Afbeelding 7: Landschappelijke inpassing

stuks 7

Natuurlijke weide Grasland (circa 5000 m²) Landschapsbomen: Grove den, Ruwe Berk, Hollandse circa 30 Linde of vergelijkbaar inheems Poel (circa 200 m²)

BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP

Architectuur In het plan worden twee nieuwe gebouwen gerealiseerd: Overdekte buitenstallen (66 boxen) en een hoofdgebouw met ontvangst en twee binnenpistes waarvan één hiervan wedstrijdafmetingen heeft. Uitstraling: • Passend in een landelijke, groene omgeving; • Hoogwaardige uitstraling (visitekaartje voor het bedrijf én de omgeving). Vorm: • Een eenduidige hoofdvorm, het hoofdgebouw is met de nokrichting evenwijdig aan de Braslaan gesitueerd; • Het hoofdvolume is voorzien van een duidelijke geleding, om de lengte iets te ‘breken’. Dit bijvoorbeeld door middel van aankapping(en) haaks op het volume (zie afbeelding 8). Materiaal en kleurgebruik: • Toepassing van natuurlijke materialen zoals hout, baksteen etc; • Kleuren met donkere tinten, aarde tinten, terra etc. De dakbedekking bestaat ook uit een donkere kleur.

Afbeelding 8: Voorbeeld architectuur. Manege Heijligers te Asten

BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP

od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022

Bijlage 3

Quickscan natuur locatie D

59

Quickscan Wet Natuurbescherming Herinrichting ’s Gravenweg 22 te Nootdorp 15 juli 2019, Hippolytushoef

Opdrachtgever: AMB Advies Korte Bosweg 55 1756 CA ‘t Zand Tel: 06-29148106 e-mail: info@ambadvies.nl

Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 0227-595576 Mob: 06-24818383 e-mail: aandachtnatuur@kpnmail.nl www.aandachtnatuur.nl

Bureau Aandacht Natuur

Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 De Wet Natuurbescherming..………..……………..…………………….….. blz. 2 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 6 2.1 Gebieds- en planbeschrijving..………...……..………..…………..………… blz. 6 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 7 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 7 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 7 3. Resultaten……………………………..………..…………..………………….. blz. 8 3.1 Flora…………………………….……………………………...……………...... blz. 8 3.2 Vogels………………………………………………………………………...... blz. 8 3.3 Zoogdieren...………….……………………………………………………...... blz. 9 3.4 Amfibieën…………….……………………………………………………….... blz. 10 3.5 Overige beschermde soorten.……………………………………................. blz. 10 4. Conclusies en advies……………..……………………………………………blz. 11 4.1 Gebiedsbescherming………………...……………………………………...... blz. 11 4.2 Soortbescherming...………………….……………………………………...... blz. 11 4.3 Houtopstanden………………………..……………………………………...... blz. 13 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 14 Bijlage 1: Wet Natuurbescherming

1

Bureau Aandacht Natuur

1. Inleiding In opdracht van AMB Advies heeft een verkennend onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden aan de ’s Gravenweg 22 te Nootdorp. De initiatiefnemer is voornemens om de huidige woning en bijgebouwen te lsopen ten behoeve van nieuwbouw. In verband met het mogelijk voorkomen van beschermde soorten op of rond het erf, is een verkennende onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk. Het hiertoe uitgevoerde veldonderzoek heeft op 5 juli 2019 plaatsgevonden. De bevindingen van dit veldonderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken. 1.1 Aanleiding en doel In verband met de voorgenomen sloop en nieuwbouw van de woning Aan de ’s Gravenweg te Nootdorp, heeft een verkennend onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft op 5 juli 2019 een veldonderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Het onderzoek is uitgevoerd door dhr. M. Volkers van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten.

Figuur 1. Ligging van het erf aan de Halerweg 11 te Schagen

1.2 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en richt zich op de bescherming van natuurgebieden, -verbindingen, planten- en diersoorten en houtopstanden. Deze wet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder 2

Bureau Aandacht Natuur

ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen in de Wet Natuurbescherming. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere binnen de Wet Natuurbescherming te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of provinciaal landschap. Voor ieder Natura 2000 gebied dient te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats in het Programma Aanpak Stikstof (PAS).

Het programma heeft tot doel, mede met het oog op een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling, de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden te verminderen. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria en vallen niet onder de PAS-richtlijnen. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep.

Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht.  Vogelrichtlijnsoorten Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hiermee is het verboden om in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen en worden ze voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het 3

Bureau Aandacht Natuur

nemen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt.  Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming van toepassing. Het is hierbij verboden om soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren te beschadigen, te vernielen of te rapen. Ook het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten is niet toegestaan. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen ontheffing of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.

Als ondanks het nemen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk. Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.  “Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het is hierbij verboden om soorten opzettelijk te doden of te vangen, dan wel hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten is het verboden om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng.

Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een ontheffing of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten.

1

De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”

4

Bureau Aandacht Natuur

Ontheffing, vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Wet Natuurbescherming ligt nagenoeg geheel bij de Provincies en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing kan worden verleend. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffings- of vergunningsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. De gemeente is in dit geval het bevoegd gezag. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is.

Het is ook mogelijk om een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning is dit eveneens van toepassing.

5

Bureau Aandacht Natuur

2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving De projectlocatie bestaat uit een ruim erf voorzien van een woning, garage en enkele schuren aan de ’s Gravenweg te Nootdorp. De woning betreft een bungalow en naast gelegen garage, gebouwd in 1965. Het betreffen met gele steen opgemetselde gebouwen, voorzien van een zadeldak. Zowel de woonhuis als de garage zijn voorzien van een spouwmuur en hebben een pannendak met overstekende hoekpannen. De woning heeft een houten overstek, terwijl de hoekpannen van de garage direct over de stenen muur vallen. De bungalow is aan de westzijde voorzien van een gemetselde schoorsteen en heeft aan de achterzijde een later aangebouwde serre. De houten schuur aan de zuidzijde van het erf is voorzien van een golfplaten dak (asbest). Aan de achterzijde hiervan zijn enkele houten opstallen aangebouwd met een schuin asbest dak en verkeren in vervallen staat. De woning staat op een ruime kavel met aan de westzijde een brede windsingel. De oprit langs de woning is geasfalteerd en loopt door tot de achterste schuur op het erf. Naast een siertuin met coniferen en sierheesters aan de voorzijde bestaat een groot gedeelte van de kavel uit gazon. Aan de achterzijde van het woonhuis is een tegelplateau en een glazen windscherm aanwezig.

Tussen het tegelplateau en het gazon, als ook rond de verdere woning bevindt zich een siertuin met vaste planten en sierheesters.

Figuur 2. Huidige woning aan de ’s Gravenweg 22 te Nootdorp

Met de voorgenomen herinrichting zal de huidige bebouwing worden gesloopt en het erf opnieuw worden ingericht. Ten behoeve van de quickscan Wet Natuurbecsherming wordt er vanuit gegaan dat alle bestaande terreintypen zullen verdwijnen. 6

Bureau Aandacht Natuur

2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen Het erf aan de `s Gravenweg te Nootdorp is niet gelegen in of direct aan de rand van een Natura 2000 gebied of aangewezen als weidevogelleefgebied, (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een natuurverbinding. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreft Meijendal & Berkheide. De minimale afstand vanaf de projectlocatie tot aan de rand van dit Natura 2000 gebied bedraagt circa 9 kilometer. De projectlocatie is gelegen in de bebouwde kom van Nootdorp, tussen het stedelijk gebied van Delft, Zoetermeer en Den Haag. Gezien de ligging en het gebruik van de projectlocatie, bevat het terrein en directe omgeving geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebied aangewezen habitattypen en/of habitat- en vogelrichtlijnsoorten. 2.3 Houtopstanden Met de herinrichting van het erf zullen mogelijk bomen en struiken uit de tuin worden verwijderd. De aanwezige bomen maken onderdeel uit van een erfbeplanting en zijn gelegen in de bebouwde kom (Boswet), waarmee er geen sprake is van een beschermde houtopstanden zoals bedoeld binnen de Wet Natuurbescherming. 2.4 Methode Op 15 juli 2019 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan het hierboven beschreven projectgebied.

Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van de projectlocatie. Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen.

7

Bureau Aandacht Natuur

3. Resultaten Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten geen beschermde soorten aangetroffen. Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Het erf bestaat voornamelijk uit bebouwing, een halfverharding, gazon en een siertuin. Vegetaties met eventueel beschermde plantensoorten zijn dan ook niet aangetroffen op het erf. Met uitzondering van klimop aan de achterzijde van de garage zijn er geen muurplanten aanwezig in de gemetselde gevels van het woonhuis en de garage. Beschermde plantensoorten worden gezien de aanwezige terreintypen en het gebruik van het terrein niet verwacht. 3.2 Vogels Met betrekking tot vogels zijn tijdens het veldonderzoek verschillende vogelsoorten zoals halsbandparkiet, grote bonte specht, groene specht, merel, houtduif, roodborst, tjiftjaf, vink, koolmees, winterkoning en kleine karekiet op en rond het erf waargenomen. Genoemde soorten kunnen als broeden op het erf aanwezig zijn. In de windsingel zijn enkele bomen met holtes waargenomen. De aanwezig van een jonge groene specht wijst op een nestlocatie van deze soort in de windsingel.

Figuur 3. Windsingel met oude bomen met bedelroep van juveniele grote bonte specht (rechts)

8

Bureau Aandacht Natuur

Op het erf of in/aan de bebouwing zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Van gebouw bewonende soorten als huismus of gierzwaluw zijn geen waarnemingen gedaan in of rond de woning. Ook in de singels zijn geen geschikte nestlocaties van roofvogels of uilen aangetroffen of sporen die wijzen op hun aanwezigheid (braakballen/uitwerpselen). Het pannendak is deels geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor huismus. Echter is het pannendak van het woonhuis voorzien van een gesloten eindpan, waardoor toegang tot het pannendak wordt beperkt. Daarbij is in de omgeving van het plangebied geen activiteit van huismus waargenomen, waardoor niet wordt verwacht dat nestlocaties van deze soort zich bevinden binnen het plangebied. Gezien de ligging van de locatie en het type dak (flauw talud, lage goot- en nokhoogte) worden gierzwaluwen niet verwacht. 3.3 Zoogdieren Op of rond de projectlocatie zijn geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Verwacht wordt dat het erf het leefgebied vormt voor enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdieren zoals huisspitsmuis, veldmuis en egel. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer.

Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Tevens kan worden verwacht dat op het erf vleermuizen voorkomen. Het erf maakt onderdeel uit van een meer groene strook van oudere, relatief grote erven met een hoog opgaande erfbeplanting, welke onderdeel kan uitmaken van het foerageergebied voor vleermuizen. Van een echt doorgaande groenstructuur (laanbeplanting) is echter geen sprake, waardoor van een vliegroute van vleermuizen over of langs het erf waarschijnlijk geen sprake zal zijn. Daarbij zijn in de verschillende bomen oude spechtenholten aangetroffen en is het mogelijk dat vleermuizen een verblijfplaats hebben in de windsingel aan de westzijde van het terrein. De woning is matig geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Met uitzondering van het pannendak zijn geen geschikte invliegopeningen (zoals open stootvoegen) aanwezig. Met

Figuur 4. Geschikt invliegopeningen bij schorsteen woonhuis (links) en nok van de garage (rechts)

9

Bureau Aandacht Natuur

name bij de schoorsteen zijn geschikte invliegopeningen aanwezig. Tevens is de garage voorzien van een spouwmuur en deze is via de dakconstructie bereikbaar voor vleermuizen. Aan beide zijde van de schuur kan via de hoekpannen de spouwmuur worden bereikt en zijn kapotte pannen en open metselwerk aanwezig. De houten schuren zijn gezien hun enkelwandige constructie en gebruik van asbest dakplaten niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Andere beschermde zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plangebied. 3.4 Amfibieën Gezien de aanwezigheid van een sloot aan de voorzijde van het perceel, is het mogelijk dat enkele algemeen voorkomende amfibieën, zoals gewone pad of bruine kikker, worden aangetroffen op en rond de projectlocatie. Binnen de Wet Natuurbescherming geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft ook voor deze soorten de algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Met uitzondering van de voorliggende sloot, zijn op de projectlocatie echter geen waterelementen aanwezig. Aangezien de sloot niet onderhevig is aan de herinrichting, wordt eventueel voortplantingshabitat van amfibieën niet verstoord of verwijderd.

Naast de aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibieën, is tevens het voorkomen van de strikt beschermde soort rugstreeppad (tabel 3) bekend uit de uurhok gegevens waarbinnen de planlocatie valt (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl). Betreffende soort komt in Zuid-Holland vrij algemeen voor en plant zich voort in ondiepe sloten en vaak in tijdelijke waterplassen en poelen/vijvers. Aangezien waterelementen niet onderhevig zijn aan de plannen, wordt niet verwacht dat de voorgenomen plannen een negatief effect zullen hebben op het voorkomen van rugstreeppad. Andere in de Wet Natuurbescherming aangewezen beschermde amfibieën komen aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (Creemers & van Delft, 2009) niet voor in dit deel van Zuid-Holland. 3.5 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie. Overige beschermde soorten (vissen, reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.

10

Bureau Aandacht Natuur

4. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de beschermde soorten uit het Flora- en faunaonderzoek verder beschreven. Per onderdeel van de Wet Natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 4.1 Gebiedsbescherming Gezien de beperkte omvang (één erf) van de locatie/planvoornemens en de minimale afstand van circa 9 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Meijendal & Berkheide, wordt niet verwacht dat er negatieve effecten zijn te verwachten op Natura 2000 gebieden. De projectlocatie en de directe omgeving bevatten geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebieden versterken en hebben geen functie voor de daarin aanwezige kwalificerende vogelsoorten, habitattypen en habitatsoorten. Tevens vinden de werkzaamheden niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een natuurverbinding of weidevogelleefgebied. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde. 4.2 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied.

Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van, binnen de Wet Natuurbescherming, beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk.

Met uitzondering van het pannendak, zijn (mogelijke) jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels of sporen die wijzen op hun aanwezigheid niet aangetroffen op het erf. Gezien de afwezigheid van huismussen op de projectlocatie en in de omliggende 2

In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Doorgaans gaat het hierbij om de periode van 15 maart t/m 15 juli.

11

Bureau Aandacht Natuur

woonwijk, wordt niet verwacht dat er nestlocaties huismus op het erf aanwezig zijn. Tevens is het relatief lage dak en de flauwe dakhelling niet geschikt als nestlocatie voor gierzwaluwen. Ook andere jaarrond beschermde vogelsoorten of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op of rond de projectlocatie. Met de voorgenomen sloop en nieuwbouw wordt dan ook niet verwacht dat nesten of het leefgebied van andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats worden verstoord. Nader onderzoek of de aanvraag tot ontheffing ten behoeve van vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels is niet noodzakelijk. Zoogdieren Met uitzondering van vleermuizen, worden uitsluitend enkele algemeen voorkomende zoogdieren verwacht binnen de projectlocatie. Met betrekking tot de algemeen voorkomende soorten geldt een algehele vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en bestendig beheer. Andere, zwaarder beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, worden niet verwacht op de projectlocatie. Met betrekking tot beschermde (grondgebonden) zoogdieren is een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde.

Het erf vormt in samenhang met andere erven/tuinen in de directe omgeving een vrij groen gebied met een opgaande beplanting en kan als zodanig een belangrijk foerageergebied vormen voor vleermuizen in de verstedelijkte omgeving. De tuinen vormen echter geen doorlopende lijnvormige groenstructuur, waardoor niet wordt verwacht dat delen van de erfbeplanting een belangrijke vliegroute vormt voor vleermuizen.

Figuur 3. Boomholtes geschikt als vleermuisverblijfplaats in de singel op het erf

Potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aanwezig in zowel de erfbeplanting als de bebouwing op het erf. Met name de garage bij het woonhuis vormt hiermee een geschikte vaste rust- en verblijfplaats, in verband met de aanwezigheid van een pannendak en de aanwezigheid van een toegankelijk spouwmuur, is het mogelijk dat soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis een verblijfplaats hebben in de garage of de woning. Vanwege de aanwezigheid van boomholtes en een groene omgeving, is het tevens mogelijk dat ook een soort als grootoorvleermuis of watervleermuis voorkomt op de projectlocatie. Ook het woonhuis bevat enkele geschikte invliegopeningen, geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. In verband

12

Bureau Aandacht Natuur

met de voorgenomen sloop van de aanwezige gebouwen en herinrichting van het erf, is het dan ook noodzakelijk een nader onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van (verblijfplaatsen van) vleermuizen. Een vleermuisonderzoek dient plaats te vinden conform het protocol voor vleermuisinventarisaties (Vleermuisvakberaad NGB & Zoogdiervereniging, maart 2017). Aan de hand van de uitkomsten van het vleermuisonderzoek zal worden beoordeeld of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming aan de orde is. Amfibieën Met betrekking tot amfibieën zijn enkele algemeen voorkomende beschermde soorten te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Echter geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht zoals bedoelt in de Wet Natuurbescherming. Gezien de voorgenomen plannen, wordt echter niet verwacht dat de werkzaamheden een effect zullen hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën. Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde rugstreeppad voorkomt in de omgeving van de projectlocatie. Echter ontbreekt in de huidige situatie geschikt leefgebied voor de soort. In het kader van de voorgenomen plannen is een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot rugstreeppad dan ook niet noodzakelijk.

Echter is het mogelijk dat tijdens de verdere ontwikkeling van het terrein geschikt leefgebied ontstaat voor rugstreeppad. De rugstreeppad is een zogeheten pionierssoort en is als zodanig in staat om in korte tijd nieuw ontstaan geschikt leefgebied te koloniseren. Geschikt leefgebied bestaat uit zanderige, onbegroeide terreindelen met ondiepe, tijdelijke wateren (plassen en sporen). Een terrein in ontwikkeling kan aan deze voorwaarden voldoen. Indien genoemde soort wordt aangetroffen, is alsnog een ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk! Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). 4.3 Houtopstanden Houtopstanden, die vallen onder het beschermingsregime van de Wet Natuurbescherming, zijn niet aanwezig binnen de projectlocatie.

Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van houtopstanden is dan ook niet aan de orde.

13

Bureau Aandacht Natuur

Literatuurlijst •

• • • • • •

•

•

• • • • • • • • • • •

Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2017, maart 2017 Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Hoogeboom D., Ruitenbeek W, Visbeen F., Wondergem J., 2014, Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren 1989-2014, Landschap Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Springeruit Drukwerk Scharringa C.J.G., Ruitenbeek W., en Zomerdijk P., 2010, Atlas van de NoordHollandse broedvogels 2005-2009, Springeruit Drukwerk.

Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr. WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009).

Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ 14

Bureau Aandacht Natuur

Bijlage 1. Wet Natuurbescherming

Bureau Aandacht Natuur

Inleiding Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 (1 oktober 2005), de Flora- en faunawet (1 april 2002) en de Boswet (20 juli 1961). De Wet Natuurbescherming heeft tot doel om (1) de biodiversiteit in Nederland te beschermen, (2) het decentraliseren van verantwoordelijkheden en (3) het vereenvoudigen van de weten regelgeving. De voorgaande natuurwetgeving kende verschillende bevoegde gezagen en rechtsdocumenten (vergunning, ontheffing en melding). De verantwoording van de Wet Natuurbescherming komt vrijwel geheel bij de Provincies te liggen en voorziet in één rechtsdocument, waarmee zowel een vergunning als ontheffing wordt verleend. Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote internationale belangen of provincie overschrijdende zaken zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. In deze wet, gepubliceerd op 19 januari 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr.

34, jaargang 2016, is het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld.

Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming (voorheen de Natuurbeschermingswet 1998) zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de beide richtlijnen zijn hiermee opgenomen in de Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten apart aangewezen. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Het bevoegd gezag kan beperkende maatregelen opleggen om schadelijke activiteiten te verzachten of te voorkomen. Voor onvermijdelijke schade is men verplicht een vergunning aan te vragen. Andere te beschermen gebieden bestaan uit gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding (evz) of provinciaal landschap. Deze beschermde waarden van de NNN of een natuurverbinding zijn niet toegespitst tot bepaalde soorten of habitats, zoals bij de Natura 2000gebieden), maar gaat het hoofdzakelijk om de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ waarden van een gebied of natuurverbinding. •

Programmatische aanpak stikstof

Het programma aanpak stikstof (PAS) beoogt een ambitieuze en realistische vermindering van de stikstofdepositie afkomstig van in Nederland aanwezig bronnen. Het programma heeft tot doel, mede met het oog op een evenwichtige, duurzame economische ontwikkeling, de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats binnen afzienbare termijn te realiseren. Hiermee dienen ook nieuwe activiteiten of -ontwikkelingen die een hoge stikstof-uitstoot tot gevolg hebben buiten Natura 2000-gebieden, te worden beoordeeld in het kader van de Wet Natuurbescherming. De resultaten van de ecologische beoordeling van de PAS omvatten in elk geval de resultaten van een beoordeling voor elk Natura 2000-gebied. Andere aangewezen gebieden in de NNN of als natuurverbinding vallen niet onder de PAS-richtlijnen. •

Natura 2000-beheerplannen

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Bureau Aandacht Natuur

•

Cumulatieve effecten

Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten. Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. •

Beschermd Natuurmonument

Tevens waren, voordat Natura 2000 gebieden bestonden, zogeheten Beschermde Natuurmonumenten aangewezen. Voor deze gebieden bestaan vaak minder concrete natuurdoelen en was gericht op de instandhouding van de wezenlijke waarden, zoals natuurschoon en natuurwetenschappelijke waarden. In de Wet Natuurbescherming komen de aanwijzingen van Beschermd Natuurmonument te vervallen.

Soortbescherming De soortbescherming binnen de Wet Natuurbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Elk van deze van de regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Hiermee zijn binnen de Wet Natuurbescherming ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Centraal hierbij staat de zorgplicht, wat inhoudt dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving. De wet erkent hierbij de intrinsieke waarde van de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Alle soorten hebben een eigen rol in het ecosysteem en dragen bij aan de biodiversiteit. Dat betekent dat voor de wet alle dieren en planten van onvervangbare waarde zijn en dat daar dus zorgvuldig mee omgegaan moet worden.

Het gevolg is onder andere, dat iedereen die redelijkerwijs weet of kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen voor beschermde dier- of plantensoorten worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten, dan wel naar redelijkheid alle maatregelen te nemen om die gevolgen te voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In de Wet Natuurbescherming worden de volgende planten- en diersoorten beschermd:  80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen  alle van nature in Nederland in het wild levende vogels  alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren  alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen  een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3)  bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6) Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime een aantal verbodsbepalingen van kracht. •

Beschermingsregime Vogels

Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten.

Bureau Aandacht Natuur

Op alle vogels is het beschermingsregime van paragraaf 3.1 van de Wet Natuurbescherming van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen  Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben  Het is verboden vogels opzettelijk te (ver)storen tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort1 Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen ontheffing of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn.

Dat zijn:  in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;  in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;  ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;  ter bescherming van flora of fauna;  voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt,  om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren is verboden. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit geen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. De meeste vogels broeden tussen medio maart en medio juli. •

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten

Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten is het beschermingsregime van paragraaf 3.2 van de Wet Natuurbescherming (artikel 3.5, lid 1 (fauna) en lid 5 (flora)) van toepassing en betreft de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk2 te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 1

Afhankelijk van de betekenis van de lokale vogelpopulatie kan sprake zijn van een effect op de landelijke staat van instandhouding. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten op de landelijke staat van de soort. Het beschadigen van nesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren van vogels niet, tenzij er sprake is van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de betreffende soort.

2

In de Wet Natuurbescherming is bij meerdere verbodsbepalingen het “opzetvereiste” toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Bureau Aandacht Natuur

 

Het is verboden dieren opzettelijk te verontrusten. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;  ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;  in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;  voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of  om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; •

Beschermingsregime “andere” beschermde soorten

Dit betreffen “andere” soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in een bijlage van de wet die hoort bij artikel 3.10. Op deze bijlage staan soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het betreft een limitatieve lijst waarvoor het beschermingsregime van paragraaf 3.3 van de Wet Natuurbescherming van toepassing is. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng en gelden de volgende verbodsbepalingen:  Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.  Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.  Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen:  de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven;  in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;  ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;  ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;  ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;  in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

Bureau Aandacht Natuur

  •

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, in het algemeen belang van de betreffende soort.

Mitigatie en compensatie

Negatieve effecten en daarmee een ontheffingsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien dergelijke maatregelen kunnen worden getroffen waardoor negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn:  het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode  het gebruik maken van andere werkapparatuur  of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd Voor een aantal soorten (23) kan met betrekking tot mitigerende maatregelen ten aanzien van (verstorende) werkzaamheden of activiteiten, worden gehandeld conform een soortenstandaard. In de soortenstandaard staan naast ecologische informatie van de betreffende soort ook de mogelijke maatregelen om effecten te voorkomen, te verminderen en/of te herstellen. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een ontheffing noodzakelijk.

Een ontheffing kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt en/of geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de overige Europees en nationaal beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. •

Vrijstelling

Onder de Wet Natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, zoals provinciale verordeningen en gedragscodes. In de Wet Natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een ‘programmatische aanpak’. Een programmatische aanpak kan meerwaarde bieden, bijvoorbeeld bij de vormgeving van een actieve leefgebiedenbenadering op regionaal niveau voor soorten waarvoor dat in het licht van de internationale verplichtingen nodig is. Dit moet leiden tot een meer doelmatige aanpak en tegelijkertijd ruimte genereren voor economische en ruimtelijke ontwikkelingen. Via de programmatische aanpak moet dan zekerheid worden geboden dat het streven naar een gezonde populatie van de betreffende soort niet in het gedrang komt. De programmatische aanpak dient getoetst te zijn aan de criteria voor vrijstelling die voor de betreffende soort(en) is vastgesteld. Indien dat het geval is, kan sprake zijn van een vrijstelling.

Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk (artikel 3.11). Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.

Bureau Aandacht Natuur

Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten3. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag seperaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.

Ontheffing, vrijstelling en/of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning, ontheffing of vrijstelling nodig op de in de wet gestelde verbodsbepalingen. Voor handelingen of activiteiten is een ontheffing van de verbodsbepalingen nodig indien:  Er geen maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen;  Er geen vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Voor locatie gebonden ingrepen die in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) staan vermeld kan de ontheffingsaanvraag worden aangehaakt bij de omgevingsvergunning. Voor initiatieven die niet vallen binnen de activiteiten van een omgevingsvergunning (zoals activiteiten uit de Waterwet, mijnbouwwet etc.) geldt dat een aparte ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd moet worden (naast een mogelijke watervergunning, ontgrondingsvergunning etc.). Als sprake is van een handeling met gevolgen voor beschermde soorten of gebieden waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, is het tevens mogelijk dat de initiatiefnemer eerst apart een ontheffing en/of vergunning onder de Wet Natuurbescherming aanvraagt en daarna de omgevingsvergunning.

De gemeente is het bevoegd gezag voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Bij de omgevingsvergunning vindt de natuurtoestemming plaats in de vorm van ‘Verklaringen van geen bedenking’ (Vvgb). De ‘Verklaring van geen bedenkingen’ wordt onder de Wet Natuurbescherming afgegeven door de provincie (of in bijzondere gevallen door het Rijk) aan de gemeente. Als er geen Vvgb kan worden afgegeven door de provincie, kan de omgevingsvergunning niet verleend worden door de gemeente. De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/initiatiefnemer. Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Indien (vooraf) een aparte ontheffing soortenbescherming of vergunning gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd wordt / moet worden, is de desbetreffende provincie het bevoegd gezag. De provincie zal vervolgens de aangeleverde gegevens toetsen en bepalen of een vergunning, ontheffing dan wel vrijstelling kan worden afgegeven en onder welke voorwaarden.

Een ontheffing (of een vrijstelling) wordt uitsluitend verleend, als voldaan is aan elk van de volgende drie cumulatieve voorwaarden:  Geen andere bevredigende oplossing voor handen is;  Sprake is van een in de wet genoemd belang (zie soortbescherming);  Geen sprake is van verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Om te beoordelen of aan deze voorwaarden wordt voldaan zal de provincie een toetsing van de belangen en de alternatieven uitvoeren en een ecologische toetsing doen. De termijn voor het

3

De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000doel.

Bureau Aandacht Natuur

behandelen van een aanvraag bedraagt 13 weken met de mogelijkheid om dit eenmalig te verlengen met 7 weken. Indien door een handeling of activiteit verbodsbepalingen overtreden worden, moet door de initiatiefnemer worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing(en) is, waardoor de verbodsbepalingen niet overtreden zullen worden. Bij andere oplossingen kan gedacht worden aan alternatieve locaties, een ander ontwerp of inrichting van het plan, of een andere uitvoering van de handelingen. Bij de beoordeling of afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding mogen mitigerende en compenserende maatregelen betrokken worden. Uiteindelijk mag het verlenen van de ontheffing geen negatief effect hebben op het voorkomen van de soort. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Wettelijk verschilt het toetsingscriterium voor vogels van dat voor overige Europees en nationaal beschermde soorten. Europese jurisprudentie maakt echter duidelijk dat bij afwijkingen onder de Vogelrichtlijn ook gekeken moet worden naar de staat van instandhouding van de populatie vogels. De staat van instandhouding van lokale populaties is meestal niet bekend. De status van de lokale populatie kan afwijken van de landelijke staat van instandhouding of landelijke trend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10485841/1