3.1.2. Bijlagen bij de toelichting voorontwerpbestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021 2022 (1364146)
Tekst van het document
Onderhoud en bagger
In het onderhoud van de watergangen rond het plangebied wijzigt niets ten opzichte van de bestaande situatie.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
De waterkwaliteit mag niet verslechteren. Den Haag en Delfland hebben een bestuurlijke overeenkomst gesloten om de waterkwaliteit van de aanwezige wateren te verbeteren, bijvoorbeeld
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
23
door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers of vispaaiplaatsen. Tevens mag er geen gebruik gemaakt worden van uitlogende materialen zoals zink en koper. Dergelijke materialen worden in dit geval niet gebruikt. Daarnaast wordt een natuurvriendelijke poel aangelegd om de ecologie in de beoogde situatie te verbeteren, zie Bijlage 1. Er vinden geen aanpassingen plaats met relevantie voor de watersysteemkwaliteit en met impact op ecologie.
Bodem- en grondwater
In de ontwikkeling zijn geen grote kelders of andere ondergrondse constructies gepland. De kelders die gerealiseerd kunnen gaan worden zijn gering in grote en zijn daarnaast niet doorlopend. De verwachting is dat deze constructies geen significante nadelige invloeden oplevert voor de grondwaterstand.
Oppervlaktewater
Delfland heeft de Watersleutel ontwikkeld, een rekentool waarbij op basis van een aantal relevante kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem wordt bepaald hoeveel waterberging moet worden gerealiseerd om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren. Uit de Watersleutel voor het plangebied blijkt dat er 277,2 m³ extra wateroppervlak gerealiseerd moet worden. De Watersleutel is opgenomen in Bijlage 3. Dit wordt behaald door een retentievijver te realiseren in het noordoosten van het plangebied. Deze retentievijver zal een waterbergende functie van minimaal 277,2 m³ hebben. Door de aanleg van de retentievijver wordt er voldaan aan voldoende compenserende maatregelen. De retentievijver is in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Er is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de uitvoer van het landschappelijk inpassingsplan. Het realiseren de retentievoorziening is op deze wijze tevens geborgd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
24
natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Provinciale natuurwaarden Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Zuid-Holland heeft haar visie ten aanzien van het NNN vervat in de Visie Ruimte en Mobiliteit en het Programma ruimte. De provincie richt zich op het behouden, herstellen en op lange termijn vergroten van de biodiversiteit. Dit kan gekoppeld worden aan maatschappelijke doelen zoals een aantrekkelijk en klimaatbestendig woon- en vestigingsklimaat, waterveiligheid en waterkwaliteit, recreatie en het tegengaan van bodemdaling. Deze doelen kunnen bereikt worden door duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van het NNN en andere natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden. De begrenzing van het netwerk en de regels ten aanzien van het netwerk zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Op grond van de verordening geldt dat er formeel geen plannen en/of projecten mogen worden uitgevoerd in provinciaal belangrijke gebieden, die een significant hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. Conform de themakaart ‘NatuurNetwerk Nederland’ van de Omgevingsverordening is binnen het plangebied geen natuurgebied aanwezig, zie Afbeelding 13.
De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities voor de natuurgebieden.
Afbeelding 13: Uitsnede themakaart ‘Natuurnetwerk Nederland’ Omgevingsverordening, plangebied rood omcirkeld
4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
25
Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Westduinpark & Wapendal, Meijendel & Berkheide, De Wilck en Solleveld & Kapittelduinen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Westduinpark & Wapendal, dat op een afstand van circa 10,6 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden.
Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’. In deze publicatie heeft het kabinet als doelstelling gesteld om tijdelijke emissies gedurende de realisatiefase van kleinschalige projecten niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om een drempelwaarde voor de realisatiefase van projecten in te stellen.
In het kader van deze doelstelling is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de realisatiefase van het initiatief. Ter plaatse van het plangebied is planologisch reeds glastuinbouw toegestaan. Glastuinbouw gaat gepaard met een aanzienlijke uitstoot van stikstof, door het stoken van gas. Door het wegvallen van deze (mogelijke) emissies en door het wegvallen van de stikstofemissie als gevolg van zware verkeersbewegingen van en naar een glastuinbouwbedrijf zal de toename in het aantal te houden paarden doorgang kunnen vinden. Indien noodzakelijk zal nog een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
26
omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Oudeweg 62 te Nootdorp, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing en de te slopen bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.
Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Op … is door … een ecologische quickscan uitgevoerd waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora en fauna aanwezig zijn, zie Bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt … Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
27
Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde uitbreiding moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale omgevingsverordening blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen een molenbiotoop. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop dient in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen te garanderen. Er wordt hieronder getoetst aan de gestelde voorwaarden in artikel 6.25 van de omgevingsverordening:
a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1°voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; 2°voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. Binnen een straal van 100 meter van de worden geen nieuwe gebouwen opgericht. De nieuwe gebouwen die binnen een straal van 400 meter van de molen wordt gerealiseerd zal een vergelijkbare hoogte krijgen als de naastgelegen, reeds bestaande bebouwing. Het nieuwe bedrijfsgebouw zal komen te liggen op een afstand van circa 200 meter van het middelpunt van de molen. De maximale bouwhoogte mag derhalve niet meer bedragen dan circa 6,5 meter.
Bij een stellingmolen mag de hoogte van de stelling worden opgeteld bij de maximale obstakelhoogte. Deze regeling geldt voor nieuw te realiseren bebouwing en aan te leggen opgaande beplanting.
De windvang van en het zicht naar de molen zal door de beoogde ontwikkeling derhalve niet worden verstoord. De molenbiotoop is opgenomen op de verbeelding door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Molenbiotoop'. In de regels is een beschermende regeling opgenomen, waardoor de bebouwing met zekerheid geen afbreuk kan dan aan de cultuurhistorische waarde van de molen.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
28
Afbeelding 14: Uitsnede kaart Cultureel erfgoed omgevingsverordening, plangebied blauw omcirkeld
4.4.2. Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’ van de gemeente Pijnacker-Nootdorp hebben de gronden ter plaatse van de beoogde uitbreiding van de manege deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In het bestemmingsplan is opgenomen dat grondwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,3 meter en die een oppervlak hebben van meer dan 100 m² niet direct toegestaan zijn. Om deze reden is door … een archeologisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van te verwachten archeologische waarden. Uit het onderzoek blijkt.. 4.5. Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. In het Activiteitenbesluit zijn voorwaarden opgenomen voor ammoniakemissies afkomstig van veehouderijen. Deze voorwaarden hebben betrekking op het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die zijn gelegen in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied.
Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. Uitzondering hierop betreffen bedrijven waar paarden worden gehouden. Het aspect ammoniak vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. 4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane)
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
29
risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. Naar aanleiding van de geplande uitbreiding van het bouwvlak en de herontwikkeling van de locatie is door…. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de bodemkwaliteit op de locatie te bepalen en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren. De volledige onderzoeksrapportage is terug te vinden in Bijlage 6. Op grond van het bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat .. 4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.
Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.
Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. glastuinbouw, sport- en horecafuncties. Aangezien het plangebied is gelegen in de omgevingstype ‘gemengd gebied’ mag de richtafstand van de VNG-publicatie met één afstandsstap verkleind worden. Binnen het plangebied worden diverse functies mogelijk gemaakt; een manege met daar aan ondergeschikt kleinschalige horeca en dagopvang. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de meest belastende functie in dat geval maatgevend is voor de milieucategorie. Een manege behoort tot de milieucategorie 3.1 (SBI 931 E), een dagverblijf tot milieucategorie 1 (SBI 8623) en kleinschalige horeca eveneens tot milieucategorie 1 (SBI 5629). Dit betekent dat de manegefunctie maatgevend is voor de milieucategorie. In Tabel 1 zijn de richtafstanden voor een manege tot een gevoelig object opgenomen.
Omdat het hier een manege betreft en er dus landbouwhuisdieren (paarden) gehouden worden zijn voor het aspect geur de geurregels uit het Activiteitenbesluit het toetsingskader. Dit wordt
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
30
in navolgende paragraaf 4.8 nader toegelicht. Conform de VNG-handreiking is de richtafstand voor gevaar van een manege 0 meter. Uit de VNG-publicatie zijn voor een manege dus alleen de richtafstanden voor stof en geluid van toepassing. Deze bedraagt in beide gevallen 10 meter. Tabel 1: Richtafstanden VNG-publicatie in gemengd gebied
* Voor geur is het Activiteitenbesluit het toetsingskader, dit wordt in de desbetreffende paragraaf nader toegelicht.
Uitgangspunt is dat de bestaande vergunde rechten (o.a. bouwvlak en buitenrijbak) gerespecteerd blijven. De afstand dient daarom gemeten te worden tussen de bouwvlakken. Eigenaren hebben namelijk het recht om binnen een bouwvlak te bouwen. In de bestaande situatie grenst het bouwvlak van de manege aan de bouwvlakken van de woonbestemmingen aan de Oudeweg 60 en de Oudeweg 56. Er wordt in de beoogde situatie dus niet voldaan aan de richtafstanden, maar aangezien in de bestaande situatie het bouwvlak al tegen deze woonbestemmingen aan is gelegen dienen deze rechten gerespecteerd te worden. De gewenste uitbreiding van de manege vindt plaats op een afstand groter dan 10 meter. De afstand van de manege tot omliggende woningen neemt dus niet af. Het zwaartepunt van de manegeactiviteiten zal in de toekomst verplaatsen naar de nieuw te realiseren bebouwing en voorzieningen. Deze voorzieningen en bebouwing liggen op een aanzienlijk grotere afstand dan 10 meter tot de benoemde woonpercelen. Bovendien zal de afstand tussen de toekomstige dierenverblijven en de woningen vergroot worden ten behoeve van het maatgevende aspect geur. Dit wordt in navolgende paragraaf verder uiteengezet. Hierdoor is een uitbreiding van de manege voorstelbaar.
Ook de beoogde nieuwe woningen ten noord- en zuidwesten van de bedrijfslocatie komen tevens op een afstand van meer dan 10 meter van het beoogde bouwvlak te liggen en er zal worden voldaan aan de afstanden tussen de toekomstige dierenverblijven en de beoogde woningen. Dit wordt in paragraaf 4.8 nader uiteengezet. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.8. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit betreffen wetten waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit hebben tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect hebben de Wgv en het Activiteitenbesluit ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b.
Is ter plaatse van de planlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Er wordt met het initiatief geen geurgevoelig object gerealiseerd. Er wordt derhalve geen onevenredige inbreuk gemaakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving en het is niet noodzakelijk om het woon- en verblijfklimaat ter plaatse inzichtelijk te maken. In de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen dat de afstand tussen een dierenverblijf waar paarden worden gehouden en een geurgevoelig object ten minste 50 meter dient te zijn, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 100 meter. Deze afstand dient gemeten te worden tussen het geuremissiepunt en de gevel van de dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Daarnaast is in de Wgh opgenomen dat de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en een geurgevoelige object ten minste 25 meter dient te zijn, indien het geurgevoelige object in het buitengebied is gelegen. Binnen de bebouwde kom is deze
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
31
afstand 50 meter. Deze afstand dient gemeten te worden vanaf de buitenzijde van de paardenstallen tot de gevel van de het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen de genoemde afstanden gemeten te worden tussen de bouwvlakken. Dit om de bestaande rechten en de bebouwingsmogelijkheden van zowel de naastgelegen burgerwoning als de manege te respecteren. Burger en manegehouder hebben namelijk het recht om hun bouwperceel volledig te bebouwen (maximale planologische ruimte). Op Afbeelding 15 zijn de 50- en 100 meter-contour rondom de bestaande woningen aan de Oudeweg weergegeven. Er is te zien dat in de bestaande situatie reeds dieren worden gehouden binnen deze contouren. In dat geval is in de Wet geurhinder en veehouderij bepaald dat je de afstand tot de woningen niet mag verkleinen en het aantal vee niet mag toenemen. Een toename van vee buiten de contouren is wel mogelijk. Het nieuwe bedrijfsgebouw, met daarin de nieuwe stallen is buiten de contouren geprojecteerd. Ten noordwesten en ten zuidwesten van de bedrijfslocatie zullen woningen worden gerealiseerd. Er zijn tevens 50- en 100 meter contouren vanuit de uiterste bouwlijn van deze beoogde woningen opgenomen. De toekomstige dierenverblijven zijn gesitueerd buiten de 50 meter geurcontour.
Er wordt derhalve voldaan aan de vaste afstanden voor geur en de uitbreiding in dierenverblijven kan derhalve doorgang vinden. Er zijn slechts paddocks binnen 100 meter van de beoogde nieuwe woningen gerealiseerd, zodat wanneer exact bekend is waar de beoogde woningen in de omgeving gaan komen bepaald kan worden of de paddocks behouden kunnen blijven of niet. Het bedrijfsgebouw en de paardenboxen zijn buiten 100 meter van de uiterste bouwlijn van de beoogde woningen gesitueerd, omdat het kapitaalvernietiging zou zijn om deze bebouwing af te moeten breken en te moeten verplaatsen. Ook gelden er nog regels ten aanzien van het opslaan van vaste mest. Deze opslag dient op meer dan 50 meter afstand te liggen van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Op het beoogd bouwperceel van de manege is voldoende ruimte beschikbaar om deze opslag buiten de 50 metercontour te situeren.
Beoogde woningen
Nieuwe stal
Beoogde woningen Afbeelding 15: Geurcontourenkaart met aan te houden afstand tot (beoogde) omliggende woningen
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
32
Gezien hetgeen hierboven beschreven kan geconcludeerd worden dat het beoogde plan geen onevenredige inbreuk maakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van nabij gelegen veehouderijen en dat een goed woon- en verblijfklimaat wordt gegarandeerd. 4.9. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. De bedrijfswoning binnen het plangebied betreft een reeds bestaand object. Onderzoek naar het wegverkeerslawaai, spoorweglawaai of industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Omgekeerd heeft de manege aan de Oudeweg 62 te Nootdorp een geluidsuitstraling op de omgeving. In paragraaf 4.7 is reeds getoetst aan de richtafstand voor wat betreft het aspect geluid uit de VNGhandreiking. Er kan dus worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.10. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Er dient tevens voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. Op beide aspecten wordt in deze paragraaf in gegaan.
4.10.1. Verkeer
Maneges hebben een relatief grote verkeersaantrekkende werking. Het is derhalve van belang dat er een goede ontsluiting op een verharde weg aanwezig is en er moet voorkomen worden dat er een onevenredige verkeersbelasting op de omgeving ontstaat. Het is niet nodig om voor evenementen die incidenteel plaatsvinden, zoals wedstrijden en andere hippische evenementen, te voorzien in parkeervoorzieningen (aldus de VNG/Sectorraad Paarden Publicatie ‘De paardenhouderij in het omgevingsrecht’). Om de verkeersaantrekkende werking van een manege te bepalen wordt aangesloten bij de CROW (publicatie december 2018). In deze handreiking is de verkeersaantrekkende werking van een manege in de rest bebouwde kom vastgesteld op drie verkeersbewegingen van en naar de manege per box per dag. Daar er in de beoogde situatie 66 paardenboxen aan het plangebied worden toegevoegd resulteert dit in de beoogde situatie in een toename op het een weekdaggemiddelde van 198 extra verkeersbewegingen per etmaal. De horecagelegenheid is in principe ondersteunend aan de manege, maar de eventuele ontwikkeling van de locatie naar een ‘Natuurpoort’ kan wel voor meer bezoekers zorgen die niet enkel voor de manege komen. De horecagelegenheid kan derhalve ook een extra verkeersaantrekkende werking hebben bovenop de toename in verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding in het aantal paardenboxen.
Er is vanuit gegaan dat 10 voertuigen per dag van en naar de locatie zullen komen ten behoeve van de ‘Natuurpoort’. In werkelijkheid zal dit aandeel een stuk lager liggen, omdat de bezoekers voor de ‘Natuurpoort’ voornamelijk in het weekend zullen komen. De bezoekers van de dagopvang/zorgboerderij zullen niet zorgen voor extra verkeersbewegingen, omdat deze te voet zullen komen vanaf de dagbestedingsruimte welke op loopafstand gelegen is. De manege is gelegen aan de Oudeweg en aan de Braslaan. Aan de zuidwestzijde van de bedrijfslocatie zal een directe ontsluiting naar de Braslaan komen. Deze ontsluiting wordt de hoofdingang voor gemotoriseerd verkeer. Langzaam verkeer zal via de ingang aan de Oudeweg het
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
33
terrein op komen. Het groot verkeer zal enkel in een lus om de 66 boxen heenrijden en niet verder het terrein oprijden om gevaarlijke situaties te voorkomen. De gemeente wil in de toekomst mogelijk een rotonde realiseren in de bocht van de Braslaan. Dit betekent dat de directe ontsluiting aan de Braslaan zal moeten komen te vervallen. Vanaf de rotonde zal dan echter ook een nieuwe afslag in zuidoostelijke richting worden aangelegd. Deze afslag zal aan de overzijde van de sloot grenzend aan het plangebied komen te liggen. Vanaf deze afslag zal dan een directe ontsluiting van het plangebied over de sloot worden gecreëerd. Op deze manier is dus al rekening gehouden met een eventuele rotonde in de bocht van de Braslaan. Zo worden de plannen van de gemeente niet belemmerd en worden extra hoge kosten vermeden. De ontsluitingsroute via de Braslaan is van dermate omvang dat een verhoging van verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding van de manege geen problemen zal geven omtrent het aspect verkeer.
4.10.2. Parkeren
Tevens is het van belang dat er voldoende parkeervoorzieningen voor auto’s (met trailers) zijn voor ruiters van de manege en voor bezoekers. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een eigen parkeernota vastgesteld waarin parkeernormen zijn opgenomen. Dit betreft de ‘Nota Parkeernormen’, aldus vastgesteld d.d. 21 juni 2021. In deze nota zijn voor verschillende functies parkeernormen vastgelegd om de parkeerbehoefte van een voorziening te kunnen bepalen. Voor de diverse (beoogde) functies binnen het plangebied gelden de volgende parkeernormen: - Bedrijfswoning (uitgegaan van woning duur): 2,0 parkeerplaats per woning; - Manege: 0,5 parkeerplaats per box; - Kleinschalige horecagelegenheid: 7,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Binnen het plangebied is één bedrijfswoning aanwezig. Dit betekent dat er ten behoeve van privé gebruik minimaal 2,0 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. De medewerkers en overige erfbetreders zoals adviseurs, dierenarts en vertegenwoordigers kunnen ook van deze parkeerplaatsen gebruik maken. In de beoogde situatie zijn er op de manege 160 paardenboxen aanwezig. Dit houdt in dat er minimaal 80 parkeerplaatsen gerealiseerd zullen moeten worden. Daarnaast zullen circa 7 parkeerplaatsen voor de horecagelegenheid gerealiseerd worden. Evenwijdig aan de Braslaan zal binnen het plangebied worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Er is tevens voldoende ruimte om trailers mee te nemen. Hiermee is verzekerd dat er geen onevenredige parkeerbelasting op de omgeving ontstaat. Op wedstrijddagen is redelijkerwijs meer parkeergelegenheden benodigd. Echter is al eerder aangegeven dat voor dergelijke incidentiele evenementen mag worden afgeweken van de ‘dagelijkse’ parkeereisen. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. Volledigheidshalve is in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd dat voor elk hoofdgebouw, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid op basis van de ‘Nota parkeernormen’ van de gemeente PijnackerNootdorp. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.11. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm).
In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
34
(PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woonen leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft. Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer.
Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: - Categorie woningbouwlocaties; - Categorie kantoorlocaties; - Combinatie van woningbouw en kantoren; - Categorie inrichtingen. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met de beoogde ontwikkeling wordt de uitbreiding van een bestaande manege mogelijk gemaakt. Voor deze functies dient bepaalt te worden of de eventuele toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed hebben op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zoals in voorgaande paragraaf is toegelicht zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de manege aan de Oudeweg 62 te Nootdorp als gevolg van de uitbreiding toenemen.
Op basis van de CROW is vastgesteld dat de uitbreiding resulteert in een toename op het een weekdaggemiddelde van 198 extra verkeersbewegingen per dag, daar er in de beoogde situatie 66 paardenboxen aan het plangebied worden toegevoegd. Daarnaast zullen de verkeersbewegingen van en naar de bedrijfslocatie toenemen als gevolg van de horecagelegenheid, welke tevens in gebruik zal worden genomen ten behoeve van passanten of bezoekers van de ‘Natuurpoort’. Vanuit een worst-case benadering is middels de NIBM-tool het effect van een toename van 400 verkeersbewegingen van en naar de inrichting per dag berekend. Hierbij is ook nog gerekend met een percentage vrachtverkeer van 30%, voor auto’s die met trailer naar de inrichting komen. Uit de berekening blijkt dat het initiatief in dat geval nog steeds NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit, zie Afbeelding 16. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
35
Afbeelding 16: Berekening NIBM-tool
4.12. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.12.1. Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.
De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
36
groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.12.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. De Risicokaart Nederland is echter niet meer inzichtelijk voor gebruikers, waardoor de gemeente eventueel aanvullende informatie omtrent externe veiligheid kan aanleveren. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploiteren van een manege) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Er zijn geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid inrichtingen.
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruyven en ligt op meer dan 2,5 kilometer van het plangebied. Uit de toelichting van bestemmingsplan ‘Nootdorp Zuid’ blijkt dat de A4 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter. Uit de cRNVGS (per medio 2014 regeling Basisnet) blijkt dat voor de toekomst een veiligheidszone van 23 meter vanaf het hart van de weg geldt. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. De A12 heeft een PR 10-6 contour van 0 meter. Uit de cRNVGS blijkt dat voor de toekomst een veiligheidszone van 0 meter vanaf het hart van de weg geldt. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. De A13 heeft een PR 10-6 contour van 0 meter. Uit de cRNVGS blijkt dat voor de toekomst een veiligheidszone van 17 meter vanaf het hart van de weg geldt. De A13 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied valt ruim buiten de genoemde contouren. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In de vigerende bestemmingsplannen die in de omgeving van toepassing zijn (‘Noordorp-Zuid’, ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’ en ‘Balij-Bieslandse Bos 2021’) zijn geen dubbelbestemming omtrent leidingen opgenomen.
De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie
Gezien het voorgaande zijn er geen bezwaren voor het beoogd initiatief met betrekking tot externe veiligheid.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
37
4.13. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden. Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.14. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. Het laatste onderzoek dateert van 16 juni 2017 en is ingegaan op de effecten van de intensieve veehouderij op de omgeving.
Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd. Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. Wanneer er meerdere diercategorieën op een bedrijf worden gehouden, is er ook sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor paardenhouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Vooralsnog wordt er bij paardenhouderijen getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. Daarnaast betreft de ontwikkeling een uitbreiding van paarden en worden er geen andere soorten dieren op het bedrijf gehouden. De nieuw te realiseren paardenverblijven worden op een zo groot mogelijk afstand naar de woningen in de omgeving gerealiseerd. Overige veehouderijen zijn niet in de nabije omgeving van het plangebied gelegen, waardoor er voor de beoogde bedrijfswoning geen negatieve gezondheidseffecten zullen zijn vanuit landbouwhuisdieren.
Bovendien blijkt uit deze ruimtelijke onderbouwing dat wordt voldaan aan de verschillende wetgeving voor diverse milieuaspecten. Er kan worden geconcludeerd dat de volksgezondheid in de omgeving van de manege daarmee afdoende wordt beschermd.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
38
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming: Sport; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie; - Dubbelbestemming: Waterstaat – Waterkering; - Functieaanduiding: bedrijfswoning; - Functieaanduiding: manege; - Bouwvlak. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP. De enkelbestemming en het bouwvlak zijn vergroot op de verbeelding van 14.550 m² naar 52.771 m². 5.2. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van de vigerende bestemmingsplannen. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.
Ter borging van de aanleg en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is een voorwaardelijke gebruiksverplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Hiervan kan alleen worden afgeweken mits er voldaan blijft worden aan het regionale afsprakenkader voor kwaliteitsverbetering van het landschap. De oppervlakte van bedrijfsgebouwen is gewijzigd van ten hoogste 3.416 m² naar ten hoogste 7.800 m2. Dit is noodzakelijk om het nieuwe bedrijfsgebouw (circa 4.290 m²), de nieuwe paardenboxen (circa 1.580 m²) en het te behouden bedrijfsgebouw van 1.860 m² planologisch toe te staan.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
39
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Oudeweg 62 te Nootdorp betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Planologische afweging Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de voorgenomen ontwikkeling aan de Oudeweg 62 te Nootdorp. De ontwikkeling bestaat uit het uitbreiden van het bestaande Hippisch Centrum Nootdorp. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Het plan loopt mee met de vaststellingsprocedure van het Veegplan van de gemeente. Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.
Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De onderzoeken naar geluid, bodem, geur, ammoniak en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieuhygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. Daarnaast wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door het geheel landschappelijk in te passen. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief een verantwoord initiatief betreft. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de planlocatie aan de Oudeweg 62 te Nootdorp doorgang vinden.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
40
7. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Beeldkwaliteitsparagraaf Bijlage 3: Watersleutel Hoogheemraadschap Delfland Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Archeologisch onderzoek Bijlage 6: Bodemonderzoek
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
41
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp Van Dun Ontwerp en Planologie is een handelsnaam van Van Dun Advies BV
42
Houtsingel (plantafstand 1,5 m driehoeksverband) plantmateriaal 80-100: Grove den (Pinus sylvestris) Ruwe Berk (Betula pendula) Hollandse Linde (Tilia vulgaris) Krent 80-100 (Amelanchier lamarckii) Rode kornoelje (Cornus sanguinea) Hazelaar (Corylus avellana)
m² 1500
st / m² 0,45
aantal 675
l
ge
n tsi
ou
h de
an
B
ta es
Aan te planten vrijgroeiende struweelhaag m¹ st / m¹ aantal plantmateriaal 80-100, plantafstand 2 m in rij: 135 0,5 68 Hazelaar, Krent, Veldesdoorn, Rode/Gele kornoelje, Sleedoorn of vergelijkbaar inheems Solitaire bomen Plantmateriaal 12-14: Grove den, Ruwe Berk, Hollandse Linde of vergelijkbaar inheems
)
m do
en
eig e t en
me
stuks 7
Natuurlijke weide Grasland (circa 5000 m²) Landschapsbomen: Grove den, Ruwe Berk, Hollandse circa 30 Linde of vergelijkbaar inheems Poel (circa 200 m²)
e
ng
si ut
e nd
e l (g
ho
et m l ide poe e e w n en k j i e l ur m tu sbo a n n chap e g s leg land e n t d, Aa aslan gr
taa
s
Be
el
u
ng tsi
o nh
ag
a elh
we
de
u str
n eie
ten n la
A Opgesteld door: Datum: Schaal: Project:
p te n Aa n me o eb air
t
oli
ns e t lan
o jgr i r v
p te n a
T.M.C van Hooijdonk 22-02-2021 1 : 1500 17085-011
LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN
|
OUDEWEG 62 NOOTDORP
n Aa
te
nte a l p
P
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Maart 2021
MEI 2020
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP
BEELD VAN DE LOCATIE De manege is gelegen aan de zuidoostkant van Nootdorp. Het is gelegen tussen glastuinbouw en het Bieslandse bos met de Dobbeplas. Op dit moment bestaat de manege uit een binnenrijbak (20 x 40 meter), een kantine en 104 stallen. Daarnaast zijn op de locatie een overdekte uitloop/kleine rijbak, 3 buitenrijbanen, een overdekte stapmolen, longeercirkel, crossweide en een opslagruimte aanwezig. De opgaande beplanting langs de Braslaan bestaat uit struiken, riet in de watergang en een bomenrij. Naast de bestaande binnenrijbak is een houtsingel te vinden. Verder bestaat de locatie uit een open gebied, met een grote watergang in het oosten en zuiden ervan (zie afbeelding 1). Gezien de grote vraag aan rijlessen, de overvolle bezetting van de huidige voorzieningen, de veranderende eisen van klanten en de hogere eisen vanuit de maatschappij (dierenwelzijn) is initiatiefnemer voornemens om het Hippisch Centrum Nootdorp uit te breiden. In de beoogde situatie wordt een nieuw bedrijfsgebouw (circa 33 x 130 meter) gerealiseerd met daarbinnen twee pistes waarvan op één piste (20 x 60 meter) eventueel wedstrijden gehouden kunnen worden, paardenboxen (60 stallen), kantine en opslagruimte.
Daarnaast wil initiatiefnemer een tweede overdekte stapmolen (doorsnede 15/20 meter), longeercirkel (doorsnede 15/20m), buitenrijbaan, parkeer (overloop)terrein aanleggen en buitenstallen met overkapping, direct aan de eigen paddocks gelegen voor een vrije uitloop.
Afbeelding 2: De bestaande bebouwing, houtsingel en paardenweides
Afbeelding 3: Zicht vanaf de Braslaan met Bieslandse bos op de achtergrond
Afbeelding 1:Vogelvluchtfoto van de bestaande situatie Afbeelding 4: Bestaande bebouwing met het Bieslandse bos op de achtergrond
BEELDKWALITEITSPARAGRAAF OUDEWEG 62 NOOTDORP
BEELDKWALITEIT In de volgende paragrafen wordt de gewenste inrichting van het plangebied omschreven op basis van verschillende elementen. Aan de hand van de uitgangspunten die in de volgende paragrafen zijn opgesteld, wordt de gewenste uitstraling van het plangebied en bebouwing bepaald. Stedenbouwkundige inpassing Voor de stedenbouwkundige inpassing zijn de verschillende contouren (milieucirkels) van de (toekomstige) infrastructuur, woningen, bedrijven en molenbiotoop in de buurt van grote invloed voor de stedenbouwkundige inpassing (zie afbeelding 5).
Afbeelding 5: Contouren
De functies kantine, opslag, stallen en een binnenpiste worden verenigd in één gebouw. Het hoofdgebouw zal centraal op de locatie worden gesitueerd, bij de bestaande bebouwing, maar met zicht op de bestaande buitenpistes en met behoud van doorzichten naar het achterliggende landschap. De bezoekers van de kantine en bijbehorend terras kunnen dan uitkijken op de bestaande buitenrijbanen. De overkapping met de 66 boxen wordt haaks aan de andere gebouwen voorgesteld. Aan deze zijde van de Braslaan blijft het zicht naar het Bieslandse bos gehandhaafd. De Braslaan is iets hoger gelegen en tussen de opgaande beplanting zal het bos nog steeds zichtbaar zijn. Open ruimtes zoals de springtuin en de paddocks zullen voornamelijk langs de Braslaan gesitueerd worden zodat enkele doorzichten tussen de opgaande beplanting gehandhaafd kunnen blijven.
Afbeelding 6: Stedenbouwkundige inpassing