20. 1417072 bijlage 1
Tekst van het document
Wel is het zo dat de eerdergenoemde wetgeving, zoals de Wro en het Bouwbesluit, de gemeen te verplicht om in nieuwbouwwijken in het kader van het bouwrijp maken een adequaat
ontwateringstelsel aan te leggen. WET GEMEENTELIJKE WATERTAKEN
Wet tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieu beheer in verband met de introductie van zorgplichten van gemeenten voor het afvloeiend
hemelwater en het grondwater, alsmede verduidelijking van de zorgplicht voor het afvalwa ter, en aanpassing van het bijbehorende bekostigingsinstrument. De wet is 1 januari 2008 in werking getreden en voorziet in een verbreding van de gemeentelijke watertaken. De extra
inkomsten die op basis van deze wet worden gegenereerd, kunnen worden aangewend voor voorzieningen in de sfeer van regenwaterafvoer en de aanpak van grondwaterproblemen.
Tevens is geregeld dat de gemeenten via een zorgplicht een formele rol krijgen in de aanpak
van stedelijke grondwaterproblemen. Het beleid dat de gemeente daarvoor gaat ontwikkelen, wordt geïntegreerd in het gemeentelijk rioleringsplan dat daardoor een meer stevige wet
telijke grondslag krijgt. De wet verheldert de verantwoordelijkheden tussen overheid en par
ticulier. De perceelseigenaar wordt zelf verantwoordelijk voor maatregelen op eigen terrein.
De gemeente is verantwoordelijk voor de ontwatering van de openbare ruimte en heeft een ontvangstplicht van particuliere percelen. In risicogebieden ten aanzien van de grondwater stand krijgt de gemeente een zorgplicht, een bevoegdheid voor het nemen van maatregelen
om problemen zoveel mogelijk te voorkomen voorzover waterschappen of een provincie daar niet in voorzien. Een vergelijkbare insteek is gekozen voor regenwater. Voorzover de perceelseigenaar het wa
ter zelf niet kan verwerken, is de gemeente verantwoordelijk voor een doelmatige inzameling
van afvloeiend hemelwater. Via een verordening kunnen regels worden gesteld aan het regen en afvalwater dat perceelseigenaars aan de gemeente overdragen. WATERSCHAPSWET
Wet die de instelling en bevoegdheden van waterschappen regelt. De wet geeft de grondslag voor het vaststellen van Waterschapskeuren waarin onder andere regels met betrekking tot
bemaling, drainage, begreppeling en ook het voorkomen van bebouwing op sommige plaat sen kunnen worden gegeven. OVERIGE GERELATEERDE WETGEVING
Grondwaterwet Waterleidingbedrijven (1954), Wet op waterhuishouding (1984) en de Water leidingwet (1957).
37
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
38
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
BIJLAGE 3
OVERZICHT BELEID VIERDE NOTA WATERHUISHOUDING
De Vierde Nota Waterhuishouding legt de belangrijkste beleidsdoelstellingen voor waterbe heer vast voor met name de periode 1998-2006. De nota gaat in op het gevolg van te verwach ten ontwikkelingen zoals klimaatverandering, zeespiegelstijging en voortgaande bodemda
ling. Kernpunten zijn integraal waterbeheer en een watersysteembenadering. De hoofddoel stelling van de nota is het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtig watersystemen, waarmee een duur
zaam gebruik blijft gegarandeerd. De vierde nota stelt expliciete normen aan omgevingspeilen (waaronder waterpeilen) in relatie tot de aanleghoogte. Een normstelling voor het bepa
len van aanleghoogten zelf, staat echter niet in een wet. NATIONAAL BESTUURSAKKOORD WATER (2003) EN ACTUALISERING (2008)
In de aard en omvang van de nationale waterproblematiek doen zich structurele veranderin gen voor. Klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verstedelijking maken
een nieuwe aanpak in het waterbeleid noodzakelijk. In februari 2001 sloten daarom het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw. Daarmee werd de eerste stap gezet
in het tot stand brengen van de noodzakelijke gemeenschappelijke aanpak. In 2003 zijn de resultaten van die samenwerking en van voortschrijdende kennis en inzicht neergelegd in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Als gevolg van de hiervoor genoemde factoren,
krijgt Nederland steeds meer te maken met extreem natte en extreem droge periodes. Om deze problemen te bestrijden, zijn maatregelen nodig met als uitgangspunt het eerst vast houden, dan bergen en vervolgens afvoeren van water. Het akkoord heeft tot primair doel om
in de periode tot 2015 het watersysteem in Nederland op orde te krijgen en daarna op orde te houden. Ook in het bestuursakkoord wordt de aanleghoogte genoemd als belangrijk toetscri-
terium. De aanleghoogte zelf wordt als gegeven meegenomen. In 2008 is het NBW geactualiseerd als gevolg van de invoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW), het aanscherpen van begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatsce-
nario’s. Aanvullend op het NBW, waarin waterkwantiteit centraal stond, wordt ingegaan op
waterkwaliteit en watertekorten, is er meer aandacht voor de doorvertaling van de integrale wateropgave naar het ruimtelijk domein, is er een werkwijze van gebiedsnormering voor regionale wateroverlast, instrumentarium in het kader van de Waterwet, samenwerking bij
synergie en innovatie en is er duidelijkheid gegeven over ijkmomenten of er voldoende mid delen zijn om de wateropgave te realiseren. STEDELIJK WATER IN HET NATIONAAL BESTUURSAKKOORD WATER (NBW)
De rol van het waterschap binnen de bebouwde kom gaat verder dan alleen het onderhoud van de primaire watergangen. Veel van het toekomstige beleid is of wordt verwoord in het
stedelijke waterplan of in het (verbreed) Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP). Waterplannen zijn niet verplicht, alleen wel daar waar grondwaterproblemen zijn. Voor het overige vindt
de afstemming in andere beleidsstukken plaats en in de praktijk vaak in het GRP. Dat krijgt
in de nieuwe wetgeving ook een prominentere plaats op basis van de Wet gemeentelijke wa
39
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
tertaken. De basis voor het waterplan vormt de gemeenschappelijke visie van gemeente en
waterschap op het waterbeheer. In het waterplan komen de kansen en knelpunten ten aan zien van waterkwaliteit en waterkwantiteit aan de orde. Het waterschap anticipeert daarbij
op de toekomstige verandering in het klimaat. Gemeenten en projectontwikkelaars moeten bij stadsontwikkeling de Stedelijke Wateropgave mee wegen. Dat bestaat uit maatregelen om water te bergen en zo wateroverlast te voorko
men. De Stedelijke Wateropgave dient vorm te krijgen in ruimtelijke plannen. Met een goede
samenwerking en creatieve oplossingen kan waterberging kansen bieden voor bijvoorbeeld recreatie en natuurontwikkeling. PROVINCIAAL WATERHUISHOUDINGSPLAN
In dit plan is het beleid van de provincie met betrekking tot de waterhuishouding opgeno men. Het plan vormt het kader voor de uitvoering van het waterbeleid door de waterschap pen. Kernverantwoordelijkheid ligt op het vlak van de strategische grondwaterkwaliteit.
De bevoegdheden van de provincie zijn vastgelegd in de Grondwaterwet. Het gaat om een
zogenaamd ‘passief grondwaterbeheer en het is beperkt tot de vergunningverlening voor
en registratie van onttrekkingen en infiltraties. Er is geen provinciale verantwoordelijkheid geregeld ten aanzien van het realiseren en het bewaken van het grondwaterpeil. In de prak
tijk wordt dit geregeld door de waterschappen. WATERBEHEERPLAN
Vierjaarlijks worden in dit plan de visie, strategie en beleidsdoelen van een waterschap gefor muleerd. Onder andere door middel van de rapportages wordt gemonitord en verantwoord
wat er van de voornemens is terechtgekomen. STROOMGEBIEDVISIES
Op 14 februari 2001 is de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw getekend door het Rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen.
In het kader van deze startovereenkomst moeten stroomgebiedvisies worden opgesteld. Een stroomgebiedvisie geeft een langetermijnbeeld van de ruimtelijke ordening vanuit principes voor een duurzaam watersysteem. Belangrijke principes zijn de kwantiteitstrits vasthouden,
bergen en afvoeren en het verbeteren van de waterkwaliteit. Op provinciaal niveau hebben overheden deze startovereenkomst verder uitgewerkt en werkt men aan de uitwerking van
stroomgebiedvisies.
De stroomgebiedvisie is een bouwsteen voor het streekplan. De input voor de stroomgebiedvisie bestaat onder meer uit te hanteren normen en waterkansenkaarten. Hieraan wordt gewerkt door de waterschappen. GRONDWATERBESCHERMINGSPLAN
Schoon grondwater is een schaars goed dat het waard is om te worden beschermd. Het is niet alleen van belang voor landbouw en natuur, maar tevens de belangrijkste grondstof voor ons
drinkwater. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wordt daarom grondwaterbeschermingsbeleid gevoerd. Het rijksbeleid en de bijbehorende wetgeving bieden het grondwater een algemeen, landelijk geldend preventief beschermingsniveau. Voor bijzondere gebieden,
de milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning (grondwaterbeschermings
gebieden), dient de provincie als beheerder van het grondwater een extra beschermingsni veau te realiseren.
40
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
AFVALWATER
Beleidsregels en aanvraagprocedure ter zake van het verlenen van een ontheffing van de ver
plichting tot de doelmatige inzameling en transport van afvalwater als bedoeld in artikel 10.16a van de Wet milieubeheer. LOZING VAN GRONDWATER
Het lozen van grondwater is een ‘dun’ waterbron. Lozing op de riolering tast de doelmatige werking van de rwzi (rioolwaterzuiveringsinstallatie) aan. Lozing op oppervlaktewater is ech
ter milieuhygiënisch niet altijd verantwoord. Dit betekent dat wat betreft de lozing een zorg vuldige afweging moet worden gemaakt. Daarnaast moet worden gekeken welke procedures
moeten worden gevolgd bij de lozing van grondwater op oppervlaktewater en op de riolering.
Het waterschap werkt hiertoe met vergunningen. GRONDWATERBEHEER
Voor grote grondwateronttrekkingen is de provincie het bevoegd gezag. Voor elke andere ont
trekking, ongeacht de hoeveelheid en het lozen van het grondwater is het waterschap verant
woordelijk. Het gaat hier met name om de ontwatering van particuliere percelen.
41
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
42
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
BIJLAGE 4
VOORBEELDREGELINGEN
BESTEMMINGSPLAN EN EXPLOITATIEPLAN REGELING AANLEGHOOGTE IN BESTEMMINGSPLAN
De aanleghoogte kan als zogenaamde bouwaanduiding worden opgenomen in de verbeel ding34 van het bestemmingsplan. Het kan ook in zijn algemeenheid worden gedefinieerd als: ‘het peil gelegen op N.A.P.’
Een aparte aanleghoogte definiëren, is in veel gevallen niet noodzakelijk, omdat het gelijk
kan zijn aan het gewone peil zoals dat al in het bestemmingsplannen is gedefinieerd. Het peil is de hoogte 0 waarvan de bouwhoogten van gebouwen en andere bouwwerken worden
gemeten volgens de zogenaamde Wijze van meten35. Het opnemen van (vloer)peilen op de verbeelding is de meest aangewezen weg als het be
stemmingsplan verschillende (vloer)peilen moet hebben. Het bepalen van een standaardpeil (in een definitie) is makkelijker als het (vloer)peil van het hele plan gelijk kan zijn.
De wijze van meten in het bestemmingsplan kan als volgt worden aangevuld als moet worden voorkomen dat beneden een bepaalde kritische aanleghoogte wordt gebouwd: DE BOUWDIEPTE VAN EEN BOUWWERK
Vanaf de aanleghoogte tot het diepste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde. In de bouwregels van het bestemmingsplan (of de regels van een projectbesluit) dient vervol
gens te worden aangegeven wat de eisen zijn met betrekking tot de aanleghoogte. Er zal dan bijvoorbeeld kunnen worden aangegeven dat:
er geen voor mensen toegankelijke ruimten beneden deze aanleghoogte mogen worden gebouwd (erg
restrictief) of dat deze ruimtes uitsluitend met een waterdichte constructie beneden deze aanleghoogte
mogen worden gebouwd (waarbij met waterdicht wordt bedoeld dat er geen openingen beneden de aanleghoogte mogen worden aangebracht - het Bouwbesluit regelt namelijk de construc tie van de waterdichtheid van de verblijfsruimten en dergelijke).
Het risico van overstroming wordt daarmee ingedamd en bovendien wordt op deze wijze tot
uitdrukking gebracht dat de overheid er alles aan heeft gedaan om overlast te voorkomen. Een aanvullend aanlegvergunningstelsel om te voorkomen dat het water door alle verharding
alsnog de woning in stroomt, kan daarnaast eventueel worden opgenomen. ALTERNATIEF
Eventueel kan in plaats van bovenstaande regeling worden bepaald dat de begane grondvloe-
ren van gebouwen niet beneden de aanleghoogte mogen worden gebouwd.
Als voor dit laatste wordt gekozen, is ook een definitie van ‘begane grondvloer’ noodzakelijk.
Dit laatste bepaalt direct de indeling en het gebruik van de woning of andere gebouwen 34 Een goed voorbeeld waarin dit is uitgewerkt is het ‘Bestemmingsplanadvies Zuidplaspolder’ (juli 2008). 35 Volgens de nieuwe standaard SVBP wordt de wijze van meten opgenomen in artikel 2 van ieder bestemmingsplan.
43
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
die zijn toegestaan. Gemeenten wensen over het algemeen niet te veel te regelen over de
indeling van woningen of andere gebouwen. Het bovenstaande betekent dat de regeling
onnodig rigide wordt en heeft daarom beperkte toepassingsmogelijkheden. VOORBEELDREGELINGEN IN EEN (BIJLAGE BIJ EEN) EXPLOITATIEPLAN:
1
De bouwrijpe gronden worden opgehoogd tot een maaiveldhoogte van .. m boven de ter plaatse geldende/aangegeven grondwaterstand, of
De aanleghoogte voor dit exploitatieplan wordt vastgesteld op * ... m beneden/boven het hui
dige maaiveld/* zoals dat is opgenomen op de peilkaart. (Het maaiveld is ontleend aan het waterhuishoudkundig plan).
2
De grondwaterstand dient worden gerealiseerd op .. m beneden maaiveld. Met het oog hierop
3
De waterdoorlatendheid van de grond wordt vastgesteld op ...K-waarde.
dienen drains te worden aangelegd als volgt:........
44
STOWA 2010-W 01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RE ATIE TOT WATEROVERLAST
BIJLAGE 5
PROC SAANBEV
ING N WA
RS HAP
KWALITEIT COMMUNICATIE
Ov r het algemeen valt het in de beroepspraktijk van BügelHajema Adviseurs op dat, hoewel
wordt gehouden aan de administratie rond de watertoets, toch verschillende zaken fout gaan. Het waterschap is redelijk onzichtbaar in veel planprocessen. Veel daarvan is terug te voeren op de kwaliteit van de communicatie in het planproces van visie tot uitvoering. Het uitleggen van het watersysteem op structuurniveau is soms ingewikkeld, omdat rekening wordt gehouden met alle aspecten van waterbeheer inclusief nieuw beleid. In de watersysteembeschrijvingen staan veel technische begrippen. Het is zeker mogelijk deze begrippen uit te leggen, maar daarmee ontstaat niet altijd een duidelijk beeld van het functioneren van het gehele systeem. Voor de stedenbouwkundig ontwerper is begrip van het structuurniveau (voordat wordt gebogen over de inrichting van het plangebied) van belang om de bandbreedte waarbinnen mag worden ontworpen, in ogenschouw te nemen. Zo kan het waterschap directe randvoorwaarden stellen aan de ligging van watergangen, het vrijhouden van delen van het plangebied van bebouwing in verband met specifieke problemen met grondwater en dergelijke, waarmee problemen bij de inrichting worden voorkomen. Een verbetervoorstel is dat de communicatie wordt verbeterd met eenvoudige kaartbeelden
waarbij diegene die verder werkt met het plan als referentie dient. Er dient vaker te worden
getoetst of bij uitwerking van plannen, ambtenaren en ontwikkelende partijen de essentie van de informatie hebben begrepen. INTERPRETATIE
De stedenbouwkundige heeft hulp nodig bij het interpreteren van informatie over het
watersysteem. Het is een belang van het waterschap dat het wateradvies goed overkomt en dus moet het advies toegankelijk zijn. Uit reacties van waterschappen blijkt36 dat gemeenten, op het moment dat het structuurniveau van het watersysteem aan bod is, ambtenaren aan tafel zetten die een civieltechnische opleiding hebben en vooral gericht zijn op de inrichtingsdetails van het plangebied. Deze concretisering maakt discussie op het hogere schaalniveau ingewikkeld. Daardoor gebeuren twee zaken: De ontwerprichtlijnen op structuurniveau worden te snel geconcretiseerd. Latereþÿfinetuningþÿ van peilen, zoekruimtes en grenzen is niet meer mogelijk. De kans is daardoor groter dat het totale watersysteem suboptimaal wordt aangelegd. Onzes inziens vraagt de wijze waarop het systeem wordt toegelicht veel aandacht. Wij hebben enkele goede voorbeelden gevonden waaruit blijkt dat enkele plaatjes meer verduidelijken dan veel woorden en getallen
36 Div rse waterschappen die in de periode 2007-2008 op dit punt benaderd zijn bij lopende planprocessen.
37
(Waterschap Regge en Dinkel).
45
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
HELDERE ONTWERPRICHTLIJNEN
Op structuurniveau zijn duidelijke ontwerprichtlijnen van belang. Deze hebben betrekking
op waterveiligheid, wateroverlast, grondwateroverlast, verdroging, riolering, oppervlakte waterkwaliteit en volksgezondheid. Bijzonder belangrijk is het peilbeheer. Het dient op struc-
tuurniveau duidelijk te zijn welke harde grenzen (als die er zijn) er in het ontwerp moeten worden aangehouden. Er is van de zijde van de stedenbouwkundigen behoefte het specifieke
van het watersysteem in het ontwerp mee te nemen. Stedenbouwkundigen maken in de regel geomorfologische, cultuurhistorische en landschappelijke analyses. Het watersysteem is hier
onlosmakelijk mee verbonden. Een goede, toegankelijke watersysteemanalyse zal altijd goed worden ontvangen. Het is de kunde van de ontwerper om binnen deze randvoorwaarden een
nieuw leefgebied te ontwerpen voor mens en dier. Als watergegevens te laat bij de planvor ming worden betrokken, is geen optimaal resultaat meer te behalen. Ze moeten dus vroeg
tijdig, duidelijk, toepasbaar en compleet zijn. Uit de beroepspraktijk blijkt dat hoe meer de vertegenwoordiger van het waterschap is inge voerd in de RO-wetgeving, de taal eigen is, kennis heeft van procedures en scherp onderscheid
heeft voor de belangen van de andere betrokken partners, hoe meer hij of zij betrokken
zal worden bij de advisering (ook buiten het verantwoordelijkheidsgebied van het water). Dit heeft dus betrekking op de competenties van contactambtenaren en accountmanagers. BEDRIJVENTERREIN ENTER (BRON: WATERSCHAP REGGE EN DINKEL)
TE Elsgraven Regelmatig onderwater 1 x per 2 tot 50 j natte ruige gronden, broekbos
Zelden onderwater 1 x per 50 tot 100 j Natte gronden (door hoge gw.) hooiland
+9,80
+9,10
+9,10
I1 ----Hooiland
•V
Nooit onderwater bedrijventerrein +9,80
Verhoging (NAP +9,30 m) in maaiveld voor afscherming hooilanden van Elsgraven
+9,10
Duiker Hooiland +9,80
+9,10
Profiel Elsgraven Legenda P nieuwe liggir
N347
O plangebied
Bedrijven
+9,80
+8.90
46
8-8.5 8.5-9 9-9.5 9,5-10
Schouwpad
berging
STOWA 2010-W01 AANLEGHOOGTE VAN NIEUWE WONINGEN IN RELATIE TOT WATEROVERLAST
KLEINE PROJECTEN
Veel kleinschalige projecten hebben in totaliteit ook invloed op het watersysteem. Alleen door hecht relatiebeheer kan de accountmanager erachter komen waar deze spelen en daar
over adviseren. BEHEER EN GEBRUIK: INFORMEER DE OMGEVING
Eigenaren (bijvoorbeeld in geval van wadi’s of bovengrondse afvoer) kunnen door onjuist gebruik of verkeerd onderhoud de werking van het watersysteem belemmeren. Bij bijvoor
beeld een heldere uitleg van het wijkwatersysteem en begrip van het functioneren ervan,
nemen eigenaars hun eigen verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld een vijvertje als overloop, her gebruik van hemelwater, minder verharding in de tuinen, het vrijhouden en onderhouden
van de waterafvoer). De gemeente Enschede als voorbeeld heeft bij de aanleg van nieuwe wijken bewoners uitvoerig geïnformeerd38. Als burgers weten waarom iets op een bepaalde
manier wordt aangelegd, zullen ze zich ook verantwoordelijk gaan voelen voor gebruik en inrichting. KENNIS INSTRUMENTARIUM
Een accountmanager moet ten slotte aanvoelen welk instrument hij of zij wil inzetten om
belangen van het waterschap vast te leggen. Soms kan worden volstaan met een advies, maar
soms zal ook sprake zijn van een bestuursakkoord, een harde regeling in het bestemmings
plan of een private overeenkomst.
WADI EEKMAAT (BRON: WATERSCHAP REGGE EN DINKEL)
9 4 , a-n 11:
38 Voorlichtingsfolder wijk Eekmaat, Gemeente Enschede en Waterschap Regge en Dinkel (2007).
47