2. Ontwerp Begroting 2023 Omgevingsdienst Haaglanden (1467942)
Tekst van het document
Ontwerp Begroting 2023 Meerjarenraming 2024 – 2026
0.6
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2
Aanbieding ............................................................................................................................................... 3 Inleiding.............................................................................................................................................. 3 Leeswijzer .......................................................................................................................................... 4
2 Programmaplan ....................................................................................................................................... 5 2.1 Algemeen ........................................................................................................................................... 5 2.2 Programma Toetsing en Vergunningverlening .................................................................................. 5 2.2.1 Wat willen we bereiken? .................................................................................................................... 5 2.2.2 Wat gaan we daarvoor doen? ........................................................................................................... 5 2.2.3 Wat gaat dat kosten? ......................................................................................................................... 6 2.3 Programma Toezicht en Handhaving ................................................................................................ 8 2.3.1 Wat willen we bereiken? .................................................................................................................... 8 2.3.2 Wat gaan we daarvoor doen? ...........................................................................................................
9 2.3.3 Wat gaat dat kosten? ....................................................................................................................... 11 3 Paragrafen ............................................................................................................................................. 12 3.1 Weerstandsvermogen en risicobeheersing ..................................................................................... 12 3.1.1 Weerstandscapaciteit ...................................................................................................................... 13 3.1.2 Risicoanalyse ................................................................................................................................... 13 3.1.3 Ratio................................................................................................................................................. 14 3.1.4 Kengetallen weerstandsvermogen en risicobeheer ........................................................................ 14 3.2 Financiering ..................................................................................................................................... 15 3.2.1 Kasgeldlimiet en de renterisiconorm ...............................................................................................
15 3.2.2 Schatkistbankieren .......................................................................................................................... 15 3.3 Bedrijfsvoering ................................................................................................................................. 15 3.3.1 Wat gaat dat kosten? ....................................................................................................................... 15 3.3.2 Organisatie....................................................................................................................................... 17 3.3.3 Personeel ......................................................................................................................................... 17 3.3.4 Informatisering en automatisering ................................................................................................... 18 3.3.5 Informatiebeveiliging ........................................................................................................................ 18 3.3.6 Duurzaam inkopen ........................................................................................................................... 18 3.3.7 Wet Open Overheid (Woo) ..............................................................................................................
19 3.4 Onderhoud kapitaalgoederen .......................................................................................................... 19 4 Financiële begroting .............................................................................................................................. 21 4.1 Uitgangspunten ................................................................................................................................ 21 4.1.1 Begrotingsbeleid .............................................................................................................................. 21 4.1.2 Loon- en prijsontwikkeling ............................................................................................................... 21 4.1.3 Output, voor- en nacalculatie ........................................................................................................... 22 4.2 Overzicht van baten en lasten ......................................................................................................... 23 4.3 Geprognosticeerde balans per ultimo van het jaar .......................................................................... 25 5
Besluit Algemeen Bestuur ..................................................................................................................... 27
6 6.1 6.2 6.3 6.4
Bijlagen .................................................................................................................................................. 29 Exploitatiebegroting ......................................................................................................................... 29 Overzicht geraamde baten en lasten per taakveld .......................................................................... 32 BBV-informatie ................................................................................................................................. 33 Werkvolume in uren en tariefgroepen 2023 .................................................................................... 35
2 / 37
1
Aanbieding
1.1 Inleiding De Omgevingsdienst Haaglanden bestaat inmiddels 10 jaar en we hebben ons in die 10 jaar ontwikkeld tot een betrouwbare partner voor onze deelnemers. We werken samen met de provincie Zuid-Holland en de negen Haaglanden gemeenten aan een veilige en duurzame samenleving. Dat doen we onder andere door ons bedrijfsleven te voorzien van vergunningen, het afhandelen van meldingen en de naleving van die meldingen en vergunningen te controleren. Maar we doen meer; we houden toezicht op het grondwatergebruik voor energiesystemen, we beoordelen aanvragen of ze voldoen aan de Natuurwetgeving en we geven vergunningen af bij stikstofvraagstukken, zien toe op asbestsloopactiviteiten en nog veel meer. Wat het uitvoeren van al deze taken kost vindt u in deze begroting. We doen dat kostenbewust en met een realistische kijk op onze taken. We zien ook een tendens dat gemeenten meer beroep op ons doen. Dat komt onder andere door de invoering van de Omgevingswet maar zeker ook omdat we waardevolle kennis en informatie bezitten. Het is aan ons om die kennis en informatie meer toegankelijk te maken zodat die breed benut kan worden. Dat past ook in de Wet Open Overheid en in ons streven om onze partners te ondersteunen. Het VTH-stelsel is volop in ontwikkeling en dat vraagt van ons dat we daar op inspelen.
Er wordt van ons verlangd dat we transparanter worden en dat onze resultaten meer zichtbaar worden en dat we meer informatie kunnen leveren over onze inspanningen. Er is een landelijke tendens ingezet met een vraag naar versterking van het gehele VTH-stelsel. Dat vraagt om meer dan er nu gebeurt. Deze ontwikkelingen en ambities vragen veel van alle partijen. Het is de vraag of daarvoor voldoende personeel en middelen beschikbaar zijn. Het is aan de deelnemers daar het goede gesprek over te voeren en daarvoor keuzes te maken. De Omgevingsdienst Haaglanden staat u graag met raad en daad ter zijde om die keuzes te maken omdat we ook zien dat de krapte aan budget voor onze deelnemers hen de komende jaren voor uitdagingen stellen. Christiaan van der Kamp Directeur Omgevingsdienst Haaglanden
3 / 37
1.2 Leeswijzer Hoofstuk 2 bevat het programmaplan met de doelstellingen en voornemens van de ODH per programma. Daarin is de beantwoording van de drie W-vragen opgenomen: ‘Wat willen we bereiken?’, ‘Wat gaan we daarvoor doen?’ en ‘Wat mag het kosten?’. De verplichte paragrafen zijn beschreven in hoofdstuk 3, waarna in hoofdstuk 4 de financiële begroting (met uitgangspunten) staat opgenomen. Het besluit tot vaststelling van de begroting 2023 door het Algemeen Bestuur is opgenomen in hoofdstuk 5. De bijlagen staan in hoofdstuk 6.
4 / 37
2
Programmaplan
2.1 Algemeen De ODH voert als omgevingsdienst voor de provincie Zuid-Holland en de negen Haaglandengemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer een overeengekomen takenpakket uit. Hierbij geldt dat de gemeenten en de provincie verantwoordelijk zijn voor de beleidsvorming. Zij doen dat aan de hand van landelijke kaders, landelijke regelgeving en aanwezige eigen beleidsruimte. De eigen beleidsruimte wordt ingevuld aan de hand van gemeentelijke en provinciale bestuurlijke ambities. Het totaal aan landelijke en eigen regelgeving wordt vertaald in vastgestelde beleidskaders. Grotendeels zijn deze beleidskaders in regionaal verband in afstemming met de ODH geharmoniseerd. De uitvoering van deze beleidskaders is voor een deel belegd bij de ODH. De doelstelling van de ODH is om bij de uitvoering van de genoemde taken te voldoen aan de landelijke kwaliteitscriteria, te zorgen voor specialismenvorming op inhoud en een bijdrage te leveren aan een constante en eenduidige uitvoering van VTH-taken in onze regio. Uitvoering van de taken geschiedt in 2023 op basis van output, waarbij het werkpakket en de begroting hiervan wordt opgebouwd uit de te verrichten diensten en producten met bijbehorende productprijzen.
Deze wijze van begroten sluit aan bij de zaakgerichte organisatie van de taakuitvoering binnen de ODH. Het jaar 2023 is het jaar waarin verwacht mag worden dat de Omgevingswet (Ow) is ingevoerd. De precieze datum wordt lopende 2022 nog bepaald. Alhoewel de contouren van de Ow en de impact ervan steeds meer zichtbaar worden, is een deel van deze wet en de daarbij behorende instrumenten nog in ontwikkeling. De ODH is in 2021 gestart met het in beeld brengen van de impact op de taakuitvoering van de ODH en de vertaling naar concrete taken en producten. Deze implementatie zal volgens planning in 2022 worden afgerond. In ogenschouw dient te worden genomen dat het geen volledige en volkomen invoering ineens betreft, maar een gefaseerde uitwerking en invoering in 2023 en de jaren die daarop volgen. Deze begroting voorziet nog niet in een vertaling naar taken en producten. De begroting 2023 wordt later in 2022 vertaald naar concrete taken en producten en ter bestuurlijke goedkeuring voorgelegd.
2.2 Programma Toetsing en Vergunningverlening 2.2.1
Wat willen we bereiken?
Voorafgaand aan diverse handelingen in de leefomgeving zijn initiatiefnemers (provincie, gemeenten, andere overheden en derden) op basis van regelgeving verplicht om na te gaan of deze handelingen binnen de geldende regels zijn toegestaan. Zo nodig dient het bevoegd gezag (provincie, gemeenten) hiervoor toestemming te verlenen (in de vorm van een toestemming, vergunning, ontheffing of andere vorm van beschikking). Behalve het verlenen van toestemmingen voor allerlei handelingen worden ook plannen, onderzoeken en andere soorten van rapportages aan de ODH ter toetsing aangeboden. De ODH zet zich in om de uitvoering van de toetsing en vergunningverlening gerelateerd aan diverse milieuwetten en de groene wetgeving op een efficiënte en professionele wijze te verzorgen, waarbij naast oog voor de inhoud er zeker oog is voor de specifieke omstandigheden en context waarbinnen handelingen plaatsvinden. Daarnaast draagt de ODH bij aan de verdere vormgeving en uitwerking van aspecten die verbonden zijn aan de Omgevingswet. Verder delen we graag onze kennis aan onze deelnemers zodat zij hun beleid tijdig kunnen bijstellen. We merken dat er bij verschillende gemeenten behoefte is om meer met ons de samenwerking te zoeken. 2.2.2
Wat gaan we daarvoor doen?
Het programma Toetsing en Vergunningverlening (T&V) richt zich op de behandeling van meldingen, toetsingen, vergunningen en beschikkingen die volgen uit de taken die bij de ODH zijn neergelegd. Een belangrijke pijler wordt gevormd door werkzaamheden gericht op inrichtingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet milieubeheer (Wm). Verder betreft het de uitvoering van wettelijke taken (toetsing en beschikking) op het gebied van bodem, groen, grondwater, ontgronding, geluid, lucht en externe veiligheid, zowel als eigenstandige taken en als onderdeel van de Wm, Wabo of andere procedures. De taken op groen, grondwater en ontgrondingen voert de ODH geclusterd uit voor het gehele grondgebied van Zuid-Holland. Tot het programma behoort ook het (geluid)beheer van 5 / 37
gezoneerde industrieterreinen, het bijhouden van diverse milieudata (bodem, milieu) en het beoordelen van aanvragen aangaande Warmte Koude Opslag (WKO). Verder voert de ODH voor de provincie werkzaamheden uit ten behoeve van het bodemsaneringsprogramma (inclusief uitvoering nazorg en bodemconvenant) en de programmatische aanpak van externe veiligheid, alsmede voor een beperkt aantal gemeenten werkzaamheden ten behoeve van de programmatische sanering van geluidknelpunten. Verder voert de ODH voor enkele deelnemers adviserende en toetsende taken uit op het gebied van geluid bij festiviteiten, evenementen en nachtelijke werkzaamheden en brengt daarbij haar deskundigheid op het vlak van akoestiek in. Onderdeel van het takenpakket is het beoordelen van onderzoeken gericht op het verwijderen en saneren van asbest uit de leefomgeving. Voor een aantal deelnemers voert ODH adviserende en toetsende taken uit op het vlak van milieu en RO, waarbij vroegtijdig in een ruimtelijk ontwikkelproces gekeken wordt naar de effecten van bepaalde ontwikkelingen op de leefomgeving en vice versa. Door deze aspecten vroegtijdig aan elkaar te verbinden kan de kans op knelpunten in een later stadium worden verkleind of zelfs worden voorkomen.
Zeker als er veel milieu aspecten een rol spelen en de vraagstukken complex zijn, kan de ODH van meerwaarde zijn omdat zij veel vakgebieden beheerst en gewend is om vraagstukken multidisciplinair te benaderen. Deze vroegtijdige inzet van de brede deskundigheid van de ODH in ruimtelijke vraagstukken sluit goed aan toekomstige activiteiten in het kader van de Omgevingswet. Bundeling van alle meldingen, toetsingen en vergunningen c.q. beschikkingen komt voort uit de nauwe verwevenheid van de afzonderlijke (deel)procedures binnen de Wabo en in het licht van de ontwikkelingen in het omgevingsrecht. De ODH heeft algemene en specifieke kennis om de werkzaamheden eigenstandig uit te voeren. De kennis en expertise die voor de taakuitvoering beschikbaar is, kan door opdrachtgevers worden ingezet bij de vorming of uitvoering van hun beleidsprogramma’s of ter ondersteuning van bijvoorbeeld planontwikkeling of Milieueffectrapportage (MER) procedures. Hierbij kan gedacht worden aan: • Adviestaken op het gebied van Milieu en RO. Advisering over milieuaspecten in ruimtelijke plannen (structuurvisies, bestemmingsplannen en projectbesluiten) en duurzame gebiedsontwikkeling. • Uitvoeren van diverse overige programmataken, zoals het programma luchtkwaliteit, het programma leren voor duurzaamheid, het programma databeheer etc.
• (Mogelijke) eenmalige adviesopdrachten of inzet van specifieke expertise op verzoek van één van de deelnemers op het gebied van o.a. milieubeheer, bodem, groen, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. In toenemende mate wordt de expertise van de ODH ingezet ter ondersteuning van de beleidsontwikkeling door afzonderlijke deelnemers. Te denken valt aan de beleidsvelden geur, horeca en/of evenementen. • Ondersteunen van gemeenten in de voorbereiding en aanpak van asbest gerelateerde vraagstukken of inzet van specifieke expertise bij een eventuele programmatische aanpak van de asbestverwijdering. • Procescoördinatie, zoals de bevoegd gezag rol MER. In de begroting is voorzien in een budget voor een eventuele verdere voorbereiding, uitwerking en implementatie van uitvoeringstaken die verbonden zijn aan de Ow. Ingeval specifieke activiteiten of werkzaamheden gewenst zijn zullen hierover ook specifieke afspraken gemaakt worden. 2.2.3
Wat gaat dat kosten?
Toetsing en Vergunningverlening 1 Personeel 2 Overige kosten 3 Additionele werken Totaal programmalasten 4 Overhead Totaal programmalasten incl. overhead
Realisatie Primitieve Gewijzigde 2021 begroting 2022 begroting 2022 8.763.379 7.702.400 8.462.800 197.973 371.500 372.500 275.447 0 781.300 9.236.799 8.073.900 9.616.600 5.575.525 5.211.900 5.608.000 14.812.324 13.285.800 15.224.600
Begroting 2023 7.812.300 378.500 0 8.190.800 5.346.000 13.536.800
Meerjarenbegroting 2024 2025 7.992.000 8.175.800 385.800 393.100 0 0 8.377.800 8.568.900 5.461.000 5.578.400 13.838.800 14.147.300
Lasten 1. Personeel De post personeel bevat de salariskosten die rechtstreeks aan het programma T&V zijn toegerekend.
6 / 37
2026 8.363.900 400.500 0 8.764.400 5.698.300 14.462.700
2. Overige kosten De overige kosten bestaan uit de direct aan het programma T&V toegerekende leveringen en diensten (zoals de kosten van het abonnement Databank Flora- en Fauna, publicatiekosten, kosten van onderzoek en bezwaar- en beroep). 3. Additionele projecten In de begroting 2023 is nog geen rekening gehouden met additionele werken. Nieuwe additionele werken worden via een administratieve wijziging geraamd (en gemeld via de Voorjaarsnota, Najaarsnota en Jaarrekening). 4. Overhead De overhead (bestaande uit de indirecte kosten van de programma’s en de kosten die niet rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan de programma’s zoals personele overhead, kapitaallasten, huisvesting etc.) wordt verdeeld op basis van de direct aan de programma’s toe te rekenen fte’s op begrotingsbasis. Van het totaal aantal productieve fte’s van 174,75 fte wordt op begrotingsbasis 90,67 fte toegerekend aan het programma T&V. In paragraaf 3.3.1 is een specificatie opgenomen van de overhead.
7 / 37
2.3 Programma Toezicht en Handhaving 2.3.1
Wat willen we bereiken?
De combinatie van ruim 30.000 milieu-inrichtingen en ruim 1 miljoen inwoners in het dichtstbevolkte gebied van Nederland vraagt continu om aandacht voor het voorkomen en waar mogelijk terugdringen van milieuen veiligheidsrisico's. Het programma Toezicht en Handhaving (T&H) richt zich op adequaat risico gestuurd toezicht, het behandelen van overlastmeldingen en waar nodig handhavend optreden bij bedrijven, instellingen en personen die zich niet houden aan de milieuwet- en regelgeving. Dit laatste is conform de bestuurlijke vastgestelde nalevingsstrategie. Het gaat daarbij zowel om het administratieve en fysieke toezicht en de handhaving op alle bij de ODH ondergebrachte regelgeving, zoals het toezicht op de milieubelastende activiteiten, asbestsanering, bodemsanering, grondstromen, grondwateronttrekkingen, ontgrondingen en duurzaamheid. In 2023 heeft de huidige milieuwet- en regelgeving plaats gemaakt voor de Omgevingswet. De uitvoering van het programma Toezicht en Handhaving zal overeenkomstig de uitgangspunten van de Omgevingswet plaats vinden. Met de komst van de Omgevingswet is de essentie van toezicht en handhaving niet veranderd. Wel is de grondslag waarop handhaving plaats kan vinden veranderd, alsmede de in te zetten instrumenten (maatwerkbesluit en handhaven op basis van de specifieke zorgplicht).
Naast het risico gestuurd uitvoeren van toezicht richt het programma zicht tevens op het bevorderen van de naleving van milieuwet- en regelgeving, conform de bestuurlijk vastgestelde preventiestrategie.
Uitvoering van de taken in 2023 is op basis van output, waarbij het werkpakket en de bijbehorende begroting wordt opgebouwd uit de te verrichten diensten en producten met bijbehorende productprijzen. Deze wijze van begroten sluit aan bij de zaakgerichte organisatie van de taakuitvoering van de ODH.
8 / 37
2.3.2
Wat gaan we daarvoor doen?
Voor het programma geldt dat de werkzaamheden grotendeels te plannen zijn en voor een kleiner deel vraag gestuurd zijn en afhankelijk van klachten, incidenten of aanvragen. Dat betekent dat bij het toedelen van de capaciteit tussen verschillende taakvelden getracht is rekening te houden met een vaste inzet van capaciteit en een flexibele inzet. In het Besluit Omgevingsrecht is opgenomen dat het handhavingsbeleid van een gemeente gebaseerd moet zijn op een analyse van de problemen die zich naar het oordeel van het bestuursorgaan kunnen voordoen met betrekking tot de naleving. Ook dient het handhavingsbeleid inzicht te geven in de prioriteitenstelling met betrekking tot de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Omdat de taken worden uitgevoerd door de ODH is een regionale probleemanalyse en prioriteitenstelling 2021-2024 gemaakt, die door de gemeenten is vastgesteld. De probleemanalyse en prioriteitenstelling legt een regionaal uitvoeringskader vast waarbij ook ruimte is voor lokale en landelijke prioriteiten. Met de probleemanalyse wordt dus een risico gerichte inzet van de beschikbare capaciteit gerealiseerd, waarbij het de bedoeling is dat dezelfde soort bedrijven in de hele regio onderworpen worden aan hetzelfde toezichtregime. Daarnaast worden de opgestelde startbrieven beschouwd als uitgangspunt en input voor de lokale prioriteiten. Stappen risicomethodiek Wm toezicht
Behoudens het bezoeken van bedrijven conform de risicomethodiek of naar aanleiding van klachten, vindt ook toezicht plaats op werken. Te denken valt aan bodemsaneringen en mobiel puinbreken. Ook ketentoezicht (het volgen van asbest, grond- en afvalstromen) en het toezicht op WKO’s zijn taken van de ODH. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) De afgelopen jaren is er steeds meer inzicht gekomen in de schadelijkheid van de (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen, de zogenaamde (p)ZZS. Met de nieuwe inzichten over de gevaarzetting van ZZS, staat het onderwerp hoog op de politieke en maatschappelijke agenda en vindt de ODH het noodzakelijk om de aanpak hoog te prioriteren en strak te organiseren. In 2022 heeft de ODH de aanpak van ZZS ingebed in bestaande kennisstructuren, systemen en werkplannen. Toezichthouders en vergunningverleners zijn opgeleid en er is een heldere visie met uitvoeringsprogramma over de omgang met (p)ZZS vanuit onze VTHtaakuitvoering. In 2023 wordt dit uitvoeringsprogramma verder uitgerold in onze taakuitvoering. 9 / 37
Bodem Met de komst van de Omgevingswet is het bevoegd gezag voor bodemsaneringen gewijzigd. Onder de Omgevingswet zijn alle individuele gemeenten bevoegd gezag, dat waren onder de Wet bodembescherming de provincies en 29 grotere gemeenten. Het bodembeschermingsrecht is met de komst van de Omgevingswet ingrijpend gewijzigd. Waar voorheen de Wet bodembescherming de weg wees hoe om te gaan met bodemverontreiniging, wordt dit onder de Omgevingswet vooral bepaald door de gemeenten. De (gewenste) kwaliteit van de bodem wordt door gemeenten in samenhang met andere aspecten van de leefomgeving en de daarbij benodigde bodemkwaliteit vastgesteld. Asbest Met de wijziging Besluit Omgevingsrecht per 1 juli 2017 is de bedrijfsmatige sanering en verwijdering van asbest en de ketenbenadering op het gebied van toezicht en handhaving onderdeel uit gaan maken van het basistakenpakket dat door de ODH wordt uitgevoerd. Het Algemeen Bestuur heeft in 2020 besloten dat de asbest taakuitvoering door de deelnemers dient te worden overgedragen. Per 2021 voert de ODH deze taak voor alle gemeenten uit. Dit gebeurt conform het vastgestelde gemeentelijke uitvoeringsbeleid tenzij gemeenten aan een intensivering van de uitvoering de voorkeur hebben gegeven.
Overlast Onderdeel van dit programma is ook de behandeling van overlastmeldingen die verbonden zijn aan de bij de ODH ondergebrachte wettelijke taakuitvoering. Inwoners kunnen bij de ODH terecht met meldingen en milieuklachten over bedrijven. Milieuklachten gaan bijvoorbeeld over geluid, geur, bodem- of luchtverontreiniging. De ODH controleert dan of het bedrijf zich aan de milieuregels houdt. De meeste klachten gaan over geluidhinder. Aanpak van geluidsoverlast van de horeca vormt een groot onderdeel van het werkpakket in 2023. Naast overlast wordt ook toezicht uitgevoerd naar aanleiding van meldingen ongewoon voorval c.q. naar aanleiding van incidenten en calamiteiten. De ODH werk hierin nauw samen met ketenpartners zoals brandweer, gemeente en GGD. De deelname aan de crisisorganisatie van de opdracht gevende organisaties maakt ook deel uit van het programma. Duurzaamheid Duurzame ontwikkeling is een integrale opgave voor de regio Haaglanden. Uitgangspunt is om gemeenten en provincie te ondersteunen bij het behalen van duurzame doelen. Te denken valt aan thema’s die lokale grenzen overschrijden zoals milieurendement (energie en grondstoffen) en milieudruk (op klimaat en kwaliteit lucht, water en bodem). Een gezonde leefomgeving draagt bij aan een aantrekkelijke vestigings- en verblijfsregio.
Verder zouden duurzaamheidsambities niet belemmerd mogen worden door wet- en regelgeving. De ODH biedt ondersteuning middels projecten in haar bestuurlijk vastgestelde programma Duurzaamheid. Dit programma betreft een zogenaamd cafetariamodel van concrete initiatieven en activiteiten die zich kenmerken door een logische en synergetische meerwaarde. Naast het Programma Duurzaamheid is in deze begroting een aantal wettelijke taken op het gebeid van duurzaamheid standaard opgenomen in de begroting: a. Toezicht op de informatie- en energiebesparingsplicht als standaard onderdeel van de reguliere integrale controles voor zover de ODH hiervoor mandaat heeft. De informatie-en energiebesparingsplicht geldt voor bedrijven en instellingen die meer dan 50.000 kWh elektriciteit en of meer dan 25.000 m³ aardgas verbruiken. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor toezicht op en handhaving van de wettelijke energiebesparingsplicht én informatieplicht; de informatie wordt gebruikt om prioriteiten te stellen en te bepalen op welke wijze toezicht en handhaving moet plaatsvinden; b. Deelcontrole duurzaamheid: in 2023 zullen de geplande deelcontroles duurzaamheid bestaan uit het inventariseren van energieverbruik, te treffen verplichte maatregelen (besparingspotentieel) en advisering over overige duurzaamheidsmaatregelen.
Duurzaamheidscontroles nemen in vergelijking met reguliere controles meer tijd in beslag en ze bestaan uit de volgende elementen: fysieke controle, administratieve ondersteuning, beoordeling rapportages en plannen van aanpak en handhaving. Tevens vindt er monitoring van de voortgang op het gebied van duurzaamheid (energie en vervoersmanagement) bij de bezochte bedrijven plaats . Daarbij kan het mogelijk nodig zijn dat vergunningen op de energieparagraaf moeten worden aangepast;
10 / 37
c.
Het beoordelen van nieuwe meldingen informatieplicht. Nieuwe bedrijven en instellingen met een hoog energieverbruik dienen zich te melden bij het e-loket van de RvO. Deze meldingen worden beoordeeld door de ODH en naar aanleiding van de aangeleverde informatie wordt besloten welke bedrijven/instellingen gecontroleerd gaan worden op de energiebesparingsplicht. In 2023 moeten alle inrichtingen die onder informatieplicht vallen wederom een melding informatieplicht indienen (2e ronde) ook deze rapportages moeten in toekomst beoordeeld worden gebruik makend van de eerdere meldingsinformatie.
2.3.3
Wat gaat dat kosten?
Toezicht en Handhaving 1 Personeel 2 Overige kosten 3 Additionele werken Totaal programmalasten 4 Overhead Totaal programmalasten incl. overhead
Realisatie Primitieve Gewijzigde 2021 begroting 2022 begroting 2022 6.818.919 6.814.300 6.816.700 44.120 189.900 190.900 44.114 0 56.700 6.907.153 7.004.200 7.064.300 4.647.720 4.852.300 4.879.700 11.554.873 11.856.500 11.944.000
Begroting 2023 6.844.200 193.500 0 7.037.700 4.957.400 11.995.100
Meerjarenbegroting 2024 2025 7.001.600 7.162.700 197.100 200.800 0 0 7.198.700 7.363.500 5.064.000 5.173.000 12.262.700 12.536.500
2026 7.327.500 204.600 0 7.532.100 5.284.200 12.816.300
Lasten 1. Personeel De post personeel bevat de salariskosten die rechtstreeks aan het programma T&H zijn toegerekend. 2. Overige kosten De overige kosten bestaan uit de direct aan het programma T&H toegerekende leveringen en diensten (zoals de kosten van werkmateriaal en -kleding, kosten van onderzoek en bezwaar- en beroep). 3. Additionele projecten In de begroting 2023 is nog geen rekening gehouden met additionele werken. Nieuwe additionele werken worden via een administratieve wijziging geraamd (en gemeld via de Voorjaarsnota, Najaarsnota en Jaarrekening). 4. Overhead De overhead (bestaande uit de indirecte kosten van de programma’s en de kosten die niet rechtstreeks kunnen worden toegerekend aan de programma’s zoals personele overhead, kapitaallasten, huisvesting etc.) wordt verdeeld op basis van de direct aan de programma’s toe te rekenen fte’s op begrotingsbasis. Van het totaal aantal productieve fte’s van 174,75 fte wordt op begrotingsbasis 84,08 fte toegerekend aan het programma T&H. In paragraaf 3.3.1 is een specificatie opgenomen van de overhead.
11 / 37
3
Paragrafen
In het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) zijn zeven verplichte paragrafen opgenomen voor provincies, gemeenten en hun gemeenschappelijke regelingen. Deze zijn niet allemaal relevant voor de ODH. Om die reden zijn de paragrafen lokale heffingen, grondbeleid en verbonden partijen niet opgenomen.
3.1 Weerstandsvermogen en risicobeheersing Het weerstandsvermogen geeft een indicatie in welke mate de ODH in staat is onvoorziene tegenvallers op te vangen. Inzicht in het weerstandsvermogen van de ODH is belangrijk om de continuïteit van de organisatie te kunnen garanderen. Het weerstandsvermogen kan worden bepaald als het risicoprofiel bekend is. Het risicoprofiel omvat alle onderkende risico’s voor de dienst, waarbij per risico de mate van beheersing is vastgesteld om inzicht te verkrijgen in hoeverre een risico daadwerkelijk kan optreden. Vervolgens kan een relatie worden gelegd tussen de financieel gekwantificeerde risico’s, waarvoor geen maatregelen zijn getroffen (de benodigde weerstandscapaciteit) en de middelen en mogelijkheden die de dienst beschikbaar heeft om niet begrote, substantiële kosten financieel op korte termijn af te kunnen dekken (de beschikbare weerstandscapaciteit). In het Algemeen Bestuur (AB) van 24 november 2021 is de ‘Integrale nota Weerstandsvermogen en risicobeheersing, reserves en voorzieningen ODH 2021’ vastgesteld. Hierin zijn de volgende beleidsuitgangspunten opgenomen: 1. Voor het identificeren en beheersen van de risico’s wordt binnen de ODH gebruik gemaakt van de softwaretool NARIS, gebaseerd op het model Integraal risicomanagement van het Nederlands Adviesbureau voor Risicomanagement.
Bij de beoordeling van de risico’s worden uitsluitend de risico’s betrokken die van belang zijn voor de continuïteit van de bedrijfsprocessen van de ODH. 2. Het weerstandsvermogen wordt berekend door de weerstandscapaciteit te delen door de financiële omvang van de in de paragraaf weerstandsvermogen opgenomen risico’s, waarbij de ODH streeft naar een weerstandsratio van tussen de 1,0 en 1,4. 3. Bij de kwantificering van de risico’s worden uitsluitend de risico betrokken die van belang zijn voor de continuïteit van de bedrijfsprocessen van de ODH. De maximumomvang van de weerstandscapaciteit is bepaald op maximaal 5% van de bij de begroting geraamde structurele exploitatielasten. 4. Bijstelling van het risicoprofiel via de paragraaf Weerstandsvermogen vindt plaats bij de jaarrekening en begroting, waarbij voor de kwantificering van de risico’s een ondergrens wordt gehanteerd van € 50.000. 5. De Nota activeren, waarderen en afschrijven wordt elke 5 jaar geactualiseerd. De nota blijft geldig tot een nieuwe nota is vastgesteld. Het weerstandsvermogen wordt uitgedrukt in een ratio. Voor de bepaling of de beschikbare weerstandscapaciteit voldoende is om de (gekwantificeerde) risico’s af te dekken, wordt gebruik gemaakt van een tabel die landelijk1 wordt gehanteerd. Hierin wordt een gradatie aangegeven van ‘ruim onvoldoende’ tot ‘uitstekend’ (tabel 1).
Tabel 1 Richtlijnen weerstandscapaciteit
Betekenis ratio
Ratio weerstandscapaciteit
Uitstekend
> 2,0
Ruim voldoende
1,4 < x < 2,0
Voldoende
1,0 < x < 1,4
Matig
0,8 < x < 1,0
Onvoldoende
0,6 < x < 0,8
Ruim onvoldoende
< 0,6
1
Dit is de meest gebruikte kwantitatieve waarderingsmethode die is ontwikkeld door Nederland Adviesbureau voor Risicomanagement in samenwerking met de Universiteit Twente.
12 / 37
3.1.1
Weerstandscapaciteit
De weerstandscapaciteit van de ODH bestaat uit de Algemene reserve (AR) en de post onvoorzien. Voorzieningen behoren niet tot de weerstandscapaciteit. De weerstandscapaciteit (inclusief de post onvoorzien) bedraagt € 1.304.500. De incidentele weerstandscapaciteit bedraagt € 1.257.100 (tabel 2). Tabel 2 Weerstandscapaciteit
Weerstandscapaciteit Algemene Reserve Onvoorzien (structureel) Totaal weerstandscapaciteit 3.1.2
Stand 1-1-2023 1.257.085 47.400 1.304.485
Risicoanalyse
Voor het identificeren en beheersen van de risico’s wordt binnen de ODH gebruik gemaakt van de softwaretool NARIS, gebaseerd op het model Integraal risicomanagement van het Nederlands Adviesbureau voor Risicomanagement. De uitgevoerde risico-inventarisatie inclusief kwantificering vormt de basis voor het bepalen van het gewenste weerstandsvermogen. De in NARIS uitgevoerde risicosimulatie levert de volgende tabel met de bij de zekerheidspercentages behorende bedragen voor het benodigde weerstandsvermogen op: Tabel 3 Risicosimulatie weerstandsvermogen
Uitgaande van het door het NAR geadviseerde zekerheidspercentage van 90% wordt het gewenste weerstandvermogen op basis van deze risico-inventarisatie bepaald op afgerond € 1.314.200. Uit de inventarisatie zijn in totaal 99 risico’s in beeld gebracht. In onderstaand overzicht (tabel 4) zijn de top10 risico’s opgenomen met de hoogste bijdrage aan de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit (83% van het totaal benodigde weerstandsvermogen). In de tabel zijn eveneens de beheersmaatregelen weergegeven.
13 / 37
Tabel 4 Risicoprofiel Nr. Risico-oorzaak 1 Hacking of gijzeling van systemen
Technisch
Risicogebeurtenis
Financiële gevolgen
Beheersmaatregel
Gijzeling
Kosten van herstel data, herstel systemen etc., verlies aan productie, imagoschade Hoge werkdruk, onvoldoende kwaliteit, imagoschade
Audits ikv beveiligingsbeleid
Uitvoering strategisch personeelsbeleid
50%
500.000
225.000
Oplopende kosten, grotere werkdruk op organisatie (o.a. invoering DSO) Onjuiste informatie, stagnatie in productieproces
Extra inhuur ICT-specialisten
40%
500.000
180.000
Extra incidenteel budget digitalisering dossiers
30%
500.000
135.000
Uitvoering strategisch personeelsbeleid en ziekteverzuimbeleid Lagere bijdrage met als gevolg Instellen van voorziening voor bezuinigingen op capaciteit afvloeiing personeel uit uittredingsvergoeding deelnemers Personele kosten, juridische kosten, Organiseren rampenoefeningen imogaschade
60%
200.000
108.000
10%
1.000.000
90.000
20%
250.000
45.000
Negatieve beoordeling optreden ODH, schadeclaims, imagoschade
40%
100.000
36.000
5%
150.000
6.800
1%
100.000
900
-
-
217.500 1.314.200
2 Arbeidsmarktontwikkelingen en het Organisatorisch/HR Krapte op de arbeidsmarkt, niet kunnen vervullen van vacatures onvoldoende aanwas vaklieden en met de juiste kennis en aanwas vanuit vakopleidingen, competenties, duurdere inhuur hoog verloop 3 Invoering Omgevingswet zorgt voor Organisatorisch/HR Onvoldoende capaciteit, meer werk (in uitvoering) dan besluitvorming invoering voorzien 4 Informatiehuishouding niet op orde Technisch Onvoldoende capaciteit, (niet kunnen beschikken over de complexiteit dossiervorming en juiste data in de processen) dossiers niet op orde 5 Uitval medewerkers (burnout, Organisatorisch/HR Hoge werkdruk, vergrijzing ziekteverzuim) 6 Fluctuatie (afname) van gevraagde Organisatorisch/HR Bezuinigingen door deelnemers, productie door deelnemers aanpassing beleidsprioriteiten (bezuinigingen) 7 Incidenten tijdens uitvoering HR Onvoldoende volgen van (ongeval, asbest) waarvoor instructies, ontbreken adeaquate verzekering onvoldoende dekking toezichtveiligheidinstructies 8 Afbreuk imago ODH na optreden bij Organisatorisch Onvoldoende kennis en kunde in calamiteit of bestuurlijk gevoelige het omgaan met dergelijke zaak calamiteiten 9 Datalek, schending Organisatorisch Onvoldoende instructie en privacywetgeving informatie 10 Ketenaansprakelijkheid bij inhuur Organisatorisch Externe inhuur ZZP-ers 11 Overige 89 risico's -
3.1.3
Productieverlies
Communicatie
Boete, herstelkosten, imagoschade Communicatie over hacking etc, beveiligingssoftware Extra personeelslasten Voldoen aan wet- en regelgeving -
-
Kans Financieel risico Benodigde weermaximum standscapaciteit 20% 1.500.000 270.000
Ratio
De verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit (exclusief de post onvoorzien) en de benodigde weerstandscapaciteit wordt weergegeven in een ratio. Deze bedraagt in 2023 op basis van het risicoprofiel € 1.257.100 / € 1.314.200 = 0,96. Op basis van risicoprofiel kan het weerstandsvermogen als ‘matig’ worden beoordeeld (tabel 1). De incidentele weerstandscapaciteit is € 57.100 lager dan op basis van het risicoprofiel (tabel 5) nodig is en € 28.900 boven het maximum van de begrote structurele exploitatielasten (5% van € 25.720.100 is € 1.286.100). 3.1.4
Kengetallen weerstandsvermogen en risicobeheer
Tabel 5 Kengetallen weerstandsvermogen en risicobeheer Kengetallen Netto schuldquote Solvabiliteitsratio Structurele exploitatieruimte
Verloop van de kengetallen Realisatie 2021 Begroting 2023 Begroting 2024 Begroting 2025 Begroting 2026 -3,9% -2,4% -3,4% -4,2% -4,9% 8,5% 6,7% 6,6% 6,6% 6,5% 2,2% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0%
De netto schuldquote2 geeft de verhouding weer van de vlottende activa minus de vlottende passiva ten opzichte van het saldo van de baten, exclusief mutaties reserves. De netto schuld weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de ODH ten opzichte van de eigen middelen. De solvabiliteitsratio3 geeft de verhouding weer van het eigen vermogen ten opzichte van de totale passiva en geeft aan in welke mate de ODH het eigen vermogen kan inzetten voor de dekking van de schulden (in hoeverre is de ODH in staat aan haar financiële verplichtingen te voldoen). De structurele exploitatieruimte geeft de verhouding weer van de structurele lasten en baten ten opzichte van het saldo van de baten. In bijlage 6.2 is een berekening van de ratio’s opgenomen.
2
Een negatieve netto schuldquote houdt in er geen schulden zijn. De ODH heeft in 2023 een solvabiliteitsratio van 6,7. De groei van het incidentele weerstandsvermogen (Algemene reserve) is beperkt tot een maximum van 5% van de geraamde structurele lasten. De stijging van de ratio met 1,7% is een gevolg van het instellen in 2022 van een bestemmingsreserve eigen risicodragerschap WW, ZW en WGA. 3
14 / 37
3.2 Financiering Volgens de Wet Financiering Decentrale Overheden (FIDO), is elke gemeenschappelijke regeling verplicht om een financieringsparagraaf in haar begroting en jaarrekening op te nemen. Daarin worden de ontwikkelingen aangegeven met betrekking tot de kasgeldlimiet, de ontwikkelingen wat betreft de renterisiconorm, de verwachte toe- of afname van geldleningen of uitzettingen en het verdere beleid ten aanzien van treasury. Deze paragraaf Financiering bevat in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille. 3.2.1
Kasgeldlimiet en de renterisiconorm
De kasgeldlimiet geeft aan in welke mate in de financiering van investeringen mag worden voorzien in de vorm van kortlopende middelen. Volgens de Wet FIDO bedraagt de kasgeldlimiet 8,5% van het totaal van de (primitieve) begroting en dat is voor 2023 € 2,186 miljoen. Er is een treasurystatuut opgesteld voor de omgang met liquide middelen. Hiervoor is met de Bank Nederlandse Gemeenten een overeenkomst gesloten. Er wordt alleen geleend voor kapitaaluitgaven die de reguliere bedrijfsvoering betreffen, dit zullen naar het huidige beeld met name ICT-investeringen zijn. In het treasurystatuut is tevens aangegeven dat voor financieringsdoeleinden het gebruik van derivaten niet is toegestaan. 3.2.2
Schatkistbankieren
Met ingang van 16 december 2013 is de wet Schatkistbankieren voor decentrale overheden in werking getreden. Deelname van de decentrale overheden aan schatkistbankieren draagt bij aan een lagere EMUschuld van de collectieve sector (Rijk en decentrale overheden gezamenlijk). Iedere euro die decentrale overheden aanhouden in de schatkist, vermindert de externe financieringsbehoefte van het Rijk.
3.3 Bedrijfsvoering De afdeling Bedrijfsvoering ondersteunt de uitvoering van de milieuprogramma’s. Het welslagen van deze programma’s is mede afhankelijk van de doelmatigheid, transparantie en kwaliteit van de bedrijfsvoering. De externe dienstverlening is gebaat bij een goede interne bedrijfsvoering. De paragraaf bedrijfsvoering geeft inzicht in de stand van zaken en de realisatie van de beleidsvoornemens ten aanzien van de bedrijfsvoering. De kosten van de ondersteunende activiteiten, hierna te noemen overhead, worden op één centrale plaats in de begroting vermeld. 3.3.1
Wat gaat dat kosten?
Overhead 1 Personeel 2 Kapitaallasten 3 Overige kosten 4 Additionele werken 5 Onvoorzien Totaal overhead
Realisatie Primitieve Gewijzigde 2021 begroting 2022 begroting 2022 7.262.153 6.806.300 6.940.900 670.827 599.800 599.800 2.290.265 2.611.600 2.900.500 0 0 0 0 46.500 46.500 10.223.245 10.064.200 10.487.700
Begroting 2023 7.014.000 611.300 2.630.700 0 47.400 10.303.400
Meerjarenbegroting 2024 2025 7.172.700 7.335.500 622.900 634.800 2.681.100 2.731.900 0 0 48.300 49.200 10.525.000 10.751.400
2026 7.502.000 646.800 2.783.600 0 50.100 10.982.500
1. Personeel De kosten van personeel bestaan uit de volgende kosten: • Kosten van personeel – salarissen • Kosten van personeel – inhuur derden • Kosten van personeel – inhuur derden ICT (specialistische inhuur) • Kosten van personeel – inkoop diensten ICT (beheer ICT) • Kosten van personeel – opleidingskosten • Kosten van personeel – algemene personeelskosten Totaal personeel
15 / 37
€ € € € € € €
4.931.800 170.900 472.500 435.100 475.400 528.300 7.014.000
2. Kapitaallasten Betreft kapitaallasten investeringen in ICT en huisvesting en inventaris. 3. Overige kosten De overige kosten bestaan uit de volgende kostensoorten: • Huisvestingskosten € • ICT € • Vervoerskosten (wagenpark) € • Diverse bedrijfskosten (verzekeringen, accountantskosten, abonnementen, drukwerk, kantoorbenodigdheden, communicatiekosten etc.) € Totaal overige kosten €
775.100 1.182.200 127.800 545.600 2.630.700
4. Additionele werken In de begroting 2023 is nog geen rekening gehouden met additionele werken. Nieuwe additionele werken worden via een administratieve wijziging geraamd (en gemeld via de Voorjaarsnota, Najaarsnota en Jaarrekening). 5. Onvoorzien Betreft post voor niet voorziene uitgaven. De overhead (inclusief de post onvoorzien) van in totaal € 10.303.400 wordt verdeeld op basis van de direct aan de programma’s toe te rekenen fte’s op begrotingsbasis. Op begrotingsbasis wordt 90,67 fte toegerekend aan het programma T&V en 84,08 fte aan het programma T&H (verhouding 51,89 : 48,11). Dit komt neer op een bedrag van € 5.346.000 voor T&V en een bedrag van € 4.957.400 voor T&H.
16 / 37
3.3.2
Organisatie
De ODH bestaat in 2023 tien jaar en bevindt zich inmiddels in een volgende fase van zijn levenscyclus. De jaren van oprichting en opstart zijn achter de rug. De plannen uit het Bedrijfsplan zijn afgerond en de tweede levensfase volgens de afspraken in het Koersplan 2018-2022 is inmiddels ook afgerond. In 2022 is een nieuw Koersplan tot stand gekomen dat als richtlijn dient voor de organisatie in de volgende vier jaren. De dienst is in die tien jaar een betrouwbare uitvoerder geworden op een veelheid van milieutaken, groene wetgeving en duurzaamheid. Naast een ontwikkeling in kwantitatief opzicht vindt er ook een kwalitatieve slag plaats. De toenemende digitalisering, complexiteit in de samenleving en ontwikkeling in wet- en regelgeving vragen een permanente investering van de dienst in kwaliteit van mensen en organisatie om al deze uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Zo staat de inrichting van de ODH niet stil. Een continue organisatieontwikkeling (mensen, functies en processen) is noodzakelijk om overeind te blijven in deze tijd. De onderzoeken in 2021 van de commissie van Aartsen naar de robuustheid van het systeem van omgevingsdiensten en van de provincie Zuid-Holland naar de doorontwikkeling daarvan geven de dynamiek van het stelsel weer en benadrukken de uitdagingen waarvoor de dienst zich gesteld ziet.
Samenwerking met andere diensten, zowel binnen Zuid-Holland als landelijk in OD NL verband is cruciaal zowel voor de dienst al voor het stelsel. 3.3.3
Personeel
De dienst heeft het streven dé omgevingsautoriteit en natuurlijke samenwerkingspartner in Haaglanden te zijn waarbij de kwaliteit van producten en het niveau van dienstverlening onomstreden is. Een goede kwaliteit van het personeel is hierbij cruciaal. Permanente aandacht voor opleiding en ontwikkeling speelt hierin een centrale rol om blijvend het hoofd te kunnen bieden aan de uitdagingen zoals die in punt 3.3.2. zijn omschreven. Tevens is binding aan de organisatie een speerpunt met als doel behoud van opgebouwde kennis en expertise. Dit is nodig vanwege een toegenomen arbeidsmarktmobiliteit en de uitstroom van kennis wegens het bereiken van de AOW-leeftijd. Er is daarom ook in 2023 veel aandacht nodig voor arbeidsmarktcommunicatie en samenwerking met opleidingsinstituten om het personeelsbestand kwantitatief en kwalitatief op sterkte te houden. Tevens is er aandacht voor vitaliteit van de medewerkers en ouderen in het bijzonder. Daarom is in 2022 o.a. ook de regeling 'Generatiepact' verlengd. Via strategische personeelsplanning en kennismanagement worden concrete mogelijkheden ingezet onder andere door scholingsmogelijkheden, seniorenbeleid en stagemogelijkheden.
Doel van de ODH is een dienst te zijn die in staat is doelmatig en doelgericht de huidige en toekomstige VTH- taken uit te voeren en integrale adviezen uit te brengen over ontwikkeling en behoud van een duurzame leefomgeving. Het streven is er op gericht deze kennis binnen de dienst beschikbaar te hebben. Incidenteel gevraagde kennis kan ‘van de markt’ worden betrokken. De strategische personeelsplanning is daarop afgestemd. Uitgangspunt is een relatief grote harde kern met veel kennis en daaromheen een flexibele schil om incidentele vragen en fluctuaties in de vraag van regulier werk op te kunnen vangen. Er wordt gestreefd naar een maximale flexibele schil van 10% bij T&V waar een groot deel van het werk vraag gestuurd en/of additioneel, dus van tijdelijke aard is. In de rest van de organisatie wordt gestreefd naar een maximale flexibele schil van 5%. Binnen de gestelde kaders is het beleid er op gericht inhuur zoveel mogelijk te beperken. Voor tijdelijke dan wel specialistische inzet zal op grond van bedrijfsmatige overwegingen externe inhuur nodig zijn.
17 / 37
Tabel 6 Formatieoverzicht
Formatie Formatie per 1-1-2022
2023 221,03
Wijzigingen APV Nachtvergunningen Den Haag Totaal wijzigingen
0,36 0,36
Formatie na wijzigingen per 1-1-2023 *
221,39
Bezetting per 1-3-2022 Vacatureruimte
215,74 5,65
* Van de structurele formatie heeft 174,75 fte betrekking op het primair proces en 46,64 fte op ondersteuning (waaronder management).
3.3.4
Informatisering en automatisering
In het nieuwe Koersplan staat o.a. ook dat de ODH blijvend zal moeten investeren in digitalisering om adequaat te kunnen inspelen op veranderende wet- en regelgeving, technologische ontwikkelingen, informatiebehoeften en marktontwikkelingen. De technologische ontwikkelingen gaan in sneltreinvaart en het ICT-landschap is permanent in ontwikkeling. Het verzamelen, bewerken, opslaan en ter beschikking stellen van informatie is de kern van het bestaansrecht van omgevingsdiensten naar de toekomst. In de afgelopen jaren zijn een aantal cruciale puzzelstukjes gelegd van de zogenaamde grondplaat door de vervanging van de VTH-software die de ruggengraat vormt van de productie van de ODH. Ook is een nieuw Documentmanagementsysteem en een daaraan gekoppeld archief (RMA) ingevoerd. De inrichting van de ICT-architectuur is gericht op de aansluiting op de landelijke systemen in het kader van de komst van de Ow. Hieraan gekoppeld is het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO), wiens komst ervoor zorgt dat op het vlak van informatievoorziening vooralsnog blijvende inspanningen noodzakelijk zijn. Met dit systeem kunnen initiatiefnemers, belanghebbenden en bevoegd gezag de informatie raadplegen die zij nodig hebben bij het gebruik van de Ow.
De ODH dient zich in dit kader te richten op twee belangrijke aspecten: (1) het beschikbaar hebben van de juiste informatie (data) op de juiste wijze en op het juiste moment voor de gebruikers en (2) het op de juiste wijze kunnen beschikbaar stellen (ontsluiten) van deze data. De toekomst van digitale gegevensopslag zal daarbij geo-georiënteerd zijn en niet langer meer gericht op de zogenaamde ‘inrichtingen’ maar op ‘activiteiten’. 3.3.5
Informatiebeveiliging
Omdat overheidsorganisaties ook gehackt worden om vervolgens via het betalen van grof (los)geld weer vrijgegeven te worden, hecht de ODH sterk aan een goede informatiebeveiliging. Op basis van het ODHinformatiebeveiligingsbeleid is de organisatie van de informatiebeveiliging opgezet en is er een scala aan maatregelen uitgerold. Er is een security-officer benoemd met deze specifieke taak. Tevens heeft de organisatie de nodige acties uitgevoerd in het kader van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Blijvende aandacht op dit vlak is noodzakelijk mede gezien de technologische ontwikkelingen en de continue veranderingen van de bedreigingen. 3.3.6
Duurzaam inkopen
In paragraaf 4.2 van het door het AB op 29 november 2018 vastgestelde Inkoop- en aanbestedingsbeleid ODH is ten aanzien van duurzaam inkopen opgenomen dat de ODH bij inkopen de milieuaspecten in acht neemt. De ODH streeft naar duurzaam inkopen waarbij onder duurzaam inkopen wordt verstaan ‘het meenemen van sociale en milieuaspecten in het inkoopproces’. Dit komt onder andere tot uitdrukking in het volgende: • Uitgangspunt is dat inkoopprocessen digitaal worden uitgevoerd, bijv. via TenderNed en e-mail; • Bij de product- en marktanalyse inventariseert de ODH welke Werken, Leveringen of Diensten op het gebied van duurzaamheid op de markt worden aangeboden; • Uitgangspunt is dat in 100% van de inkopen waaraan een meervoudig onderhandse, nationale of Europese aanbesteding vooraf gaat in een categorie waarvoor door de Rijksdienst voor Ondernemend 18 / 37
• •
Nederland (RVO) duurzaamheidscriteria zijn ontwikkeld, de minimumeisen uit deze criteriadocumenten worden toegepast in de aanbesteding; Per aanbesteding wordt de afweging gemaakt of naast of bovenop de duurzaamheidscriteria (minimumeisen) van de RVO invulling aan duurzaamheid kan worden gegeven: bijvoorbeeld in de vorm van gunningscriteria of geschiktheidseisen; De ODH zal de aangeboden duurzame oplossingen monitoren. Op deze wijze wordt een duurzame oplossing ingebed in de eigen organisatie van de ODH en haar werkwijze.
3.3.7
Wet Open Overheid (Woo)
De invoering van de Woo per 1 mei 2022 verplicht de dienst in een paragraaf aandacht te besteden aan de beleidsvoornemens inzake de invoering van de Woo. Het MT heeft in februari 2022 opdracht gegeven tot het oprichten van een projectgroep die tot doel heeft: 1. de veranderingen en gevolgen van de Woo in beeld te brengen; 2. een plan van aanpak te schrijven voor de implementatie van de Woo op korte termijn; 3. een meerjarenplan op te stellen om de digitale informatiehuishouding op orde te brengen. Hierin moet verdere invulling van het zaaksysteem (Open Wave) en het archiefsysteem (Alfresco) beschreven worden. Dit kan tevens gevolgen hebben voor het (tijdelijk) vergroten van de personele capaciteit bij de afdeling ICT en de kwaliteitsteams van T&V en T&H. Het koppelen van een softwaresysteem, voor het anonimiseren van documenten, aan het zaaksysteem en/of archiefsysteem strekt hierbij tot de aanbeveling.
3.4 Onderhoud kapitaalgoederen In deze paragraaf dient inzicht te worden gegeven in de realisatie van het beleid ten aanzien van het onderhoud van kapitaalgoederen en de daaruit voortvloeiende financiële consequenties ten opzichte van de begroting. Het gaat hierbij tevens om het verlangde onderhoudsniveau, de (lange termijn) onderhoudsplanning voor alle belangrijke activa en het voorzieningenbeleid ter zake. De kapitaalgoederen van de ODH betreffen de inventaris (waaronder b.v. gereedschappen) en ICT. De aanschaf van kapitaalgoederen vindt gefaseerd plaats en er wordt afgeschreven per afzonderlijke component. De afschrijving start in het jaar na aanschaf. In tabel 7 is een overzicht van de materiele vaste activa opgenomen; tabel 8 geeft het verloop van de kapitaallasten weer. De in tabel 7 opgenomen investeringen en afschrijvingen hebben uitsluitend betrekking op de vervanging van de in het verleden uitgevoerde investeringen in ICT, huisvesting en inventaris. Voor vervangingsinvesteringen in ICT is in totaal € 2.652.400 aan krediet beschikbaar gesteld en voor huisvesting en inventaris € 471.700 (huisvesting € 386.900 en gereedschappen € 84.800). Tabel 7 Overzicht vaste activa Omschrijving activa Krediet Investeringen t/m 2021 Restantkrediet 1-1-2022 Verwachte investeringen 2022 Restantkrediet 1-1-2023
ICT 2.652.400 1.889.640 762.760 762.760 0
Boekwaarde 31-12-2022 Investeringen 2023 Afschrijving 2023 Boekwaarde 31-12-2023 Investeringen 2024 Afschrijving 2024 Boekwaarde 31-12-2024 Investeringen 2025 Afschrijving 2025 Boekwaarde 31-12-2025 Investeringen 2026 Afschrijving 2026 Boekwaarde 31-12-2026
1.179.004 0 369.891 809.113 0 255.053 554.060 0 235.174 318.886 0 166.334 152.552
19 / 37
Huisvesting Gereedschappen 386.900 84.800 375.794 84.797 11.106 3 11.109 0 -3 3 191.475 0 38.471 153.004 0 30.357 122.647 0 29.056 93.591 0 28.186 65.405
6.622 0 6.622 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
Totaal 3.124.100 2.350.231 773.869 773.869 0 1.377.101 0 414.984 962.117 0 285.410 676.707 0 264.230 412.477 0 194.520 217.957
Tabel 8 Overzicht verloop kapitaallasten
Omschrijving activa Totaal kapitaallasten primitieve begroting Afschrijving Ruimte voor rente en afschrijving herinvesteringen
2023 611.300 414.984 196.316
20 / 37
2024 622.900 285.410 337.490
2025 634.800 264.230 370.570
2026 646.800 194.520 452.280
4
Financiële begroting
4.1 Uitgangspunten 4.1.1
Begrotingsbeleid
In verband met de aanscherping van het financieel toezicht is de Gemeentewet in 2013 gewijzigd en is de term ‘materieel evenwicht’ vervangen door de term ‘structureel evenwicht’, waarbij tevens de term ‘reëel evenwicht’ is toegevoegd. Het BBV is ter nadere uitwerking van die wetswijziging aangepast, zodat het Algemeen Bestuur en de financieel toezichthouder in staat zijn om vast te stellen of sprake is van een structureel en reëel evenwicht in de begroting c.q. meerjarenraming. Van structureel evenwicht is sprake als de structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Ter invulling van het begrip reëel evenwicht is in het BBV voorgeschreven dat wordt ingegaan op het realisme van de ramingen en de motivering daarvan (zijn de ramingen volledig, realistisch en haalbaar). Het structureel begrotingsevenwicht wordt berekend door de totale lasten en baten te verminderen met de incidentele lasten en baten. Het saldo dat over blijft moet op termijn positief zijn (de structurele baten zijn dan gelijk of groter dan de structurele lasten). Uit tabel 9 blijkt dat de begroting 2023 en de meerjarenraming 2024-2026 conform de uitgangspunten in het BBV structureel in evenwicht is. Tabel 9 Structureel evenwicht
Structureel evenwicht Resultaat na bestemming Af: incidentele lasten Bij: incidentele baten Af: incidentele toevoegingen aan reserves Bij: incidentele onttrekkingen aan reserves Structureel saldo begroting Structureel evenwicht 4.1.2
2023
2024 0 0 0 0 0 0 Ja
2025 0 0 0 0 0 0 Ja
2026 0 0 0 0 0 0 Ja
0 0 0 0 0 0 Ja
Loon- en prijsontwikkeling
Op 27 januari 2022 hebben werkgevers en werknemers ingestemd met het principeakkoord voor een nieuwe cao SGO. De nieuwe cao heeft een looptijd van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022. De structurele gevolgen van de nieuwe cao zijn in de voorliggende begroting verwerkt. Over de uitkomsten van onderhandelingen over een nieuwe Cao SGO per 1 januari 2023 en de financiële effecten daarvan is in deze begroting nog geen rekening gehouden. In het kader van het toezicht heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) bij brief van 12 september 2018 (kenmerk 2018-0000735389) aangegeven voor de begrotingen uit te gaan van reële loon- en prijsstijgingen. Dit omdat het gewenst is de loon- en prijsbijstellingen in de meerjarenraming op te nemen omdat deze anders geen reëel beeld geeft van de lasten en baten en ook niet van de benodigde bijdragen van de deelnemers in die jaren. Tot en met de begroting 2022 is de indexering gebaseerd op hetgeen in het Koersplan 2018-2021 is opgenomen. Voor de loonsom werd tot nu toe de index overheidsconsumptie, beloning werknemers gehanteerd en voor de materiële kosten de prijsindex materiële overheidsconsumptie (imoc). De werkelijke loonstijgingen blijken echter de afgelopen jaren significant hoger uit te vallen dan de indices waar in de begroting werd van uitgegaan.
Zo kwamen de werkelijke loonstijgingen in 2019 uit op 2,6% tegen geraamd 2,4%, in 2020 op 3,2% tegen geraamd 2,9% en in 2021 op 2,38% tegen geraamd 1,3%. De werkelijke lastenstijging van de materiële lasten blijken in de praktijk ook hoger uit te vallen dan het percentage waar in de begroting vanuit was gegaan. De door de leveranciers gehanteerde indexcijfers gaan in de meeste gevallen uit van het Nationale consumentenprijsindexcijfer (CPI), die hoger is dan het door de ODH op basis van het Koersplan gehanteerde indexcijfer materiële overheidsconsumptie (imoc) van 1,5% zoals dat voor de begroting 2022 is gehanteerd. 21 / 37
Omdat de indices loonvoet sector overheid en het Nationale consumentenprijsindexcijfer een meer reëel beeld geven is voor de begroting 2023 met deze indices rekening gehouden. In de meest recente Macro Economische Verkenning van september 2021 (MEV 2022) wordt voor de indexering van de begroting 2023 uitgegaan van een indexering van respectievelijk 2,3% voor de lonen (index loonvoet sector overheid) en 1,9% voor de materiële lasten (nationale consumentenprijsindexcijfer). Voor de jaren 2024 tot en met 2026 is met dezelfde indexpercentages rekening gehouden. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft als toezichthouder aandacht gevraagd voor de invoering van de Omgevingswet in 2022 en de financiële consequenties daarvan voor de ODH. Deze zijn nog niet meegenomen in de voorliggende begroting. De indexering van de lonen en materiële lasten op basis van de MEV 2022 laten een lastenstijging zien in 2023 ten opzichte van de vastgestelde begroting 2022 van € 303.000, die als volgt is verdeeld: 1. Indexering loonkosten -1,22% a.g.v. vervallen premie VPL van 3% € -251.800 2. Indexering loonkosten 2,30% € 469.600 3.