CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Overzicht relevante artikelen Activiteitenbesluit Molenheg 10 Egchel

Raad 23 april 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen ‘Bestemmingsplan Molenheg 10 Egchel’ (2024-059)48.035 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Artikel 3.40 lid 1 van Activiteitenregeling Aan artikel 3.32, aanhef en onder c, van het besluit wordt bij buitenopslag van goederen in ieder geval voldaan indien: a. b.

op de laad- en loskade tot 2 meter uit de kaderand of oever geen opslag van goederen plaatsvindt, of er een deugdelijke keerwand aanwezig is en er geen product tussen de keerwand en de kade of oever ligt.

Artikel 3.40 lid 2 van Activiteitenregeling Om te voldoen aan artikel 3.32, aanhef en onder c, van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen het schoonmaken van grijpers zo uitgevoerd dat overslagresten of spoelwater niet in het oppervlaktewater geraken. Artikel 3.41 lid 1 van Activiteitenregeling Aan artikel 3.32, aanhef en onder c, van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen met inerte goederen voldaan indien: a. b.

bij het laden en lossen van inerte goederen de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 5 meter, of het schip, waarin of waaruit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 19 van 106

17-08-2023

Activiteit: Opslaan en overslaan van bodembedreigende goederen Artikel 3.32 lid 1 van Activiteitenbesluit Goederen worden in de buitenlucht zodanig op- of overgeslagen dat: a. b. c. d.

zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is; verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt; zoveel mogelijk wordt voorkomen dat goederen in een oppervlaktewaterlichaam geraken; zoveel mogelijk wordt voorkomen dat goederen in een voorziening voor het beheer van afvalwater geraken.

Artikel 3.34 lid 1 van Activiteitenbesluit Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met negende lid. Artikel 3.34 lid 2 van Activiteitenbesluit Indien opgeslagen goederen als bedoeld in het eerste lid worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met die goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt. Artikel 3.34 lid 3 van Activiteitenbesluit Het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat in contact is geweest met goederen als bedoeld in het eerste lid waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, is toegestaan indien in enig steekmonster de emissiegrenswaarden, vermeld in tabel 3.34, niet worden overschreden.

Tabel 3.34 Parameter

Emissiegrenswaarde

Chemisch zuurstof verbruik

200 milligram per liter

Som zware metalen (som van arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink) 1 milligram per liter Minerale olie

20 milligram per liter

PAK’s

50 microgram per liter

Extraheerbaar organisch chloor

5 microgram per liter

Totaal stikstof

10 milligram per liter

Fosfor

2 milligram per liter

Artikel 3.34 lid 4 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen, bedoeld in het derde lid, bij maatwerkvoorschrift hogere emissiegrenswaarden vaststellen, voor zover het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Artikel 3.34 lid 5 van Activiteitenbesluit Bij het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat in contact is geweest met goederen als bedoeld in het eerste lid waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, ontstaat geen visuele verontreiniging. Artikel 3.34 lid 6 van Activiteitenbesluit Het lozen van afvalwater, bedoeld in het derde lid, in een vuilwaterriool is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter. Artikel 3.34 lid 7 van Activiteitenbesluit Het lozen van afvalwater dat in contact is geweest met goederen als bedoeld in het eerste lid in een vuilwaterriool is toegestaan indien enig steekmonster niet meer bevat dan: a. b.

20 milligram olie per liter; 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 20 van 106

17-08-2023

Artikel 3.34 lid 8 van Activiteitenbesluit In afwijking van het zevende lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die: a. b.

voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

Artikel 3.34 lid 9 van Activiteitenbesluit Het te lozen afvalwater, bedoeld in het derde tot en met achtste lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd. Artikel 3.34 lid 10 van Activiteitenbesluit Bij ministeriële regeling worden goederen aangewezen die voor de toepassing van deze paragraaf in ieder geval worden aangemerkt als goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken. Artikel 3.35 lid 1 van Activiteitenbesluit Het boven een oppervlaktewaterlichaam opslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, vindt niet plaats, tenzij het opslaan benedendeks plaatsvindt op een binnenschip. Artikel 3.35 lid 2 van Activiteitenbesluit Indien goederen, niet zijnde inerte goederen, boven een oppervlaktewaterlichaam aanwezig zijn, wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. Artikel 3.36 lid 1 van Activiteitenbesluit Bij het opslaan en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 3.36 lid 2 van Activiteitenbesluit Bij het opslaan en overslaan van bederfelijke afvalstoffen wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van geurhinder ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen. Artikel 3.36 lid 3 van Activiteitenbesluit Bij het opslaan van autowrakken wordt ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Artikel 3.41 lid 2 van Activiteitenregeling Aan artikel 3.32, aanhef en onder c, van het besluit wordt bij het laden en lossen van schepen met andere goederen dan inerte goederen voldaan indien: a. b. c.

bij het laden en lossen van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen en goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 1 meter, bij het laden en lossen van andere goederen dan inerte goederen, en dan de goederen, bedoeld onder a, de afstand tussen wal en schip zo klein mogelijk is, en in ieder geval niet groter is dan 2 meter, of het schip, waar in of uit wordt overgeslagen, met de wal wordt verbonden door een ponton of een morsklep.

Artikel 3.42 lid 1 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater worden goederen die boven een oppervlaktewaterlichaam worden opgeslagen en waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, opgeslagen boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen kan opvangen. Artikel 3.42 lid 2 van Activiteitenregeling Op de voorziening, bedoeld in het eerste lid, is artikel 2.4 van overeenkomstige toepassing.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 21 van 106

17-08-2023

Artikel 3.42 lid 3 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater staan goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken en die boven het oppervlaktewater bovendeks aanwezig zijn, opgesteld: a. b.

boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen goederen bevindt en in staat is en de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen en zodanig is uitgevoerd dat er geen hemelwater op of in terecht kan komen, of boven een doelmatige fysieke voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om met daarop afgestemde maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken. Artikel 2.3, tweede tot en met achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘bodem’ wordt gelezen ‘oppervlaktewaterlichaam’.

Artikel 3.43 lid 1 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vindt het opslaan van goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding of in gesloten verpakking, die voldoet aan de ADR-eisen voor vergelijkbare stoffen of anderszins deugdelijk is, boven een bodembeschermende voorziening. Artikel 3.43 lid 2 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico worden goederen, waaruit in een significante hoeveelheid bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen, en die niet vallen onder het eerste lid, en restafval dat dergelijke stoffen kan bevatten, opgeslagen boven een vloeistofdichte vloer of verharding. Artikel 3.43 lid 3 van Activiteitenregeling In afwijking van het tweede lid vindt de opslag plaats boven een bodembeschermende voorziening indien deze zodanig tegen inregenen is beschermd dat uitlogen wordt voorkomen. Artikel 3.43 lid 4 van Activiteitenregeling In afwijking van het tweede lid vindt de opslag van zink plaats boven een bodembeschermende voorziening, indien opslag overeenkomstig het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is.

Artikel 3.43 lid 5 van Activiteitenregeling Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat voor de opslag van andere metalen dan zink het tweede lid niet van toepassing is, indien opslag conform het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is, de opslag plaatsvindt boven een bodembeschermende voorziening, en het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Artikel 3.43 lid 6 van Activiteitenregeling C-hout met KOMO-certificaat, grond en niet verpompbare baggerspecie, bedoeld en geschikt voor toepassing overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, die ter plaatse van de opslag niet voldoen aan de artikelen 52, 59 of 60 van dat besluit, worden opgeslagen boven een bodembeschermende voorziening. Artikel 3.43 lid 7 van Activiteitenregeling Verpompbare baggerspecie, bedoeld en geschikt voor toepassing overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, die ter plaatse van de opslag niet voldoet aan de artikelen 52, 59 of 60 van het Besluit bodemkwaliteit wordt opgeslagen in een foliebassin. Artikel 3.43 lid 8 van Activiteitenregeling Op het opslaan, bedoeld in het zevende lid, zijn de artikelen 3.68 en 3.69 van overeenkomstige toepassing.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 22 van 106

17-08-2023

Artikel 3.44 lid 1 van Activiteitenregeling Voor de toepassing van paragraaf 3.4.3. van het besluit en de artikelen 3.42 en 3.43 worden als goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, in ieder geval aangemerkt: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

j. k. l. m. n. o.

nat afval van het vegen van openbare straten en terreinen, markten en evenementen; nat afval van het legen van openbare afvalbakken en het opruimen van stranden; afval van het reinigen van havens, kanalen, sloten, grachten en vijvers; afval van het reinigen van riolen, kolken en gemalen; autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen die vloeistoffen bevatten; onderdelen van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen die vloeistoffen bevatten; van buiten de inrichting afkomstige grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit niet is vastgesteld op grond van artikel 38 van het Besluit bodemkwaliteit; van buiten de inrichting afkomstige grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de waarden, bedoeld in de artikelen 59 en 60, van het Besluit bodemkwaliteit overschrijdt, tenzij die ter plaatse van de opslag voldoet aan artikel 52 van dat besluit; afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, uitgezonderd de apparatuur van particuliere huishoudens, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van die regeling is ingenomen; metalen met aanhangende olie of emulsie voorafgaand aan en tijdens scheiding; gebruikte oliefilters, oliehoudende poetsdoeken en gebruikt absorptiemateriaal; gebruikte

oliedrukkabels; beschadigde transformatoren en uitgelekte transformatoren; beschadigde oliehoudende apparaten; betonproducten in bekisting, waaruit ontkistingsmiddelen kunnen lekken.

Artikel 3.44 lid 2 van Activiteitenregeling Voor de toepassing van artikel 3.43 worden onder goederen waaruit een significante hoeveelheid bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen, in ieder geval verstaan: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o. p.

IBC-bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; metalen met aanhangende olie of emulsie resterende na afscheiden van de olie of emulsie door centrifugeren of 48 uur uitlekken; andere metalen dan aluminium, ijzer en roestvrij staal; teerhoudend dakafval; composieten van teerhoudend dakafval; dakgrind verkleefd met teer; strooizout; teerhoudend asfalt; straalgrit; geshredderd B- en C-hout; C-hout zonder KOMO-certificaat; gebruikte gepantserde papier-loodkabels; gebruikte papiergeïsoleerde grondkabels; droog afval van het vegen van openbare straten en terreinen, markten en evenementen; droog afval van het legen van openbare afvalbakken en het opruimen van stranden; restafval waarin vaste bodembedreigende stoffen die in een significante hoeveelheid kunnen uitlogen, kan voorkomen, tenzij toepassing is gegeven aan artikel 2.14b van het besluit of anderszins is geborgd dat dit deze stoffen niet bevat.

Artikel 3.45 lid 1 van Activiteitenregeling Artikel 2.11 van het besluit is niet van toepassing op het opslaan van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover het opslaan van grond en baggerspecie binnen de inrichting eenmalig plaatsvindt. Artikel 3.45 lid 2 van Activiteitenregeling Het eerste lid van artikel 2.11 van het besluit is niet van toepassing op het opslaan van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover het opslaan van grond en baggerspecie binnen de inrichting vaker dan eenmalig plaatsvindt.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 23 van 106

17-08-2023

Artikel 3.46 lid 1 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van geurhinder worden opgeslagen bederfelijke afvalstoffen voor zover het niet-houtachtige plantenresten betreft binnen 14 dagen na de aanvoer uit de inrichting afgevoerd, of verwerkt in een composteringsplaats. Artikel 3.46 lid 2 van Activiteitenregeling Dierlijke bijproducten die worden gebruikt voor activiteiten als bedoeld in artikel 17, eerste lid, en artikel 18, eerste en tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PbEU L 2009, 300), worden opgeslagen in vaten of containers of in een afgesloten ruimte. Indien die dierlijke bijproducten niet binnen een werkdag worden verwerkt, worden ze bewaard bij een omgevingstemperatuur van ten hoogste 10°C.

Artikel 3.46 lid 3 van Activiteitenregeling Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt vanwege de op- en overslag van niet-houtachtige plantenresten of dierlijke bijproducten, bedoeld in het tweede lid, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de locatie van de opslag, de afvoer- of verwerkingsfrequentie en de toegepaste opslagvoorzieningen. Artikel 3.55a lid 1 van Activiteitenregeling Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.36, derde lid, van het besluit: a. b.

verricht een inrichting die overeenkomstig artikel 3.27f, vijfde lid, autowrakken opslaat, met betrekking tot die autowrakken geen demontagehandelingen of handelingen, waardoor de identiteit of de inhoud van de autowrakken niet meer herkenbaar is. slaat een inrichting die overeenkomstig artikel 3.27f, vijfde lid, autowrakken opslaat, niet meer dan: 1°. 2°.

400 autowrakken op, indien de inrichting direct aan de kade is gelegen en de autowrakken via de kade worden vervoerd; 50 autowrakken op, indien de inrichting niet direct aan een kade is gelegen.

Artikel 3.55a lid 2 van Activiteitenregeling Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een tijdelijke verhoging van de aantallen autowrakken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, toestaan.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 24 van 106

17-08-2023

Activiteit: Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank Artikel 3.54c lid 1 van Activiteitenbesluit Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van gasolie als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de accijns, smeerolie of afgewerkte olie in een of meer bovengrondse opslagtanks, voor zover: a. b.

de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor gasolie of afgewerkte olie in de buitenlucht ten hoogste 150 kubieke meter is, of de gezamenlijke inhoud van bovengrondse opslagtanks voor gasolie of afgewerkte olie inpandig ten hoogste 15 kubieke meter per opslagruimte is.

Artikel 3.54c lid 2 van Activiteitenbesluit Deze paragraaf is niet van toepassing op bovengrondse opslagtanks die zijn ingebouwd in een installatie. Artikel 3.54d van Activiteitenbesluit Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie wordt ten behoeve van: a. b. c.

het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico; het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico's voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, of het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Artikel 3.71b lid 1 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 3.54d van het besluit, voldoet de opslag van gasolie in bovengrondse opslagtanks aan de artikelen 3.71c tot en met 3.71h. Artikel 3.71b lid 2 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.54d van het besluit voldoet de opslag van smeerolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks aan de artikelen 3.71f en 3.71h. Artikel 3.71b lid 3 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 3.54d van het besluit voldoet de opslag van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks boven een oppervlaktewaterlichaam aan de artikelen 3.71g en 3.71h.

Artikel 3.71c lid 1 van Activiteitenregeling De opslag van gasolie in bovengrondse opslagtanks vindt plaats in bovengrondse opslagtanks, die met de daarbij behorende leidingen en appendages naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen. Artikel 3.71c lid 2 van Activiteitenregeling De bovengrondse opslagtanks en de daarbij behorende leidingen en appendages verkeren in goede staat. Artikel 3.71c lid 3 van Activiteitenregeling De opslag van gasolie in bovengrondse opslagtanks vindt op de vloer plaats. Artikel 3.71c lid 4 van Activiteitenregeling Het derde lid is niet van toepassing op een bovengrondse opslagtank met gasolie indien plaatsing op de vloer als gevolg van de constructie van de bijbehorende procesinstallatie niet mogelijk is.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 25 van 106

17-08-2023

Artikel 3.71c lid 5 van Activiteitenregeling Het derde lid is niet van toepassing op een bovengrondse opslagtank die niet op de vloer staat, en: a. b.

waarop op 31 december 2012 paragraaf 4.1.3.1 van toepassing was en die is geïnstalleerd voor de datum waarop paragraaf 4.1.3.1 op de opslagtank van toepassing werd, of waarop op 31 december 2012 paragraaf 4.1.3.1 niet van toepassing was en die is geïnstalleerd voor de datum waarop paragraaf 3.4.9 op de opslagtank van toepassing werd.

Artikel 3.71d lid 1 van Activiteitenregeling Een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voor het opslaan van gasolie is geïnstalleerd en wordt onderhouden en gerepareerd overeenkomstig BRL K903 door een persoon of instelling die is gecertificeerd overeenkomstig die BRL. De opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages wordt beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903 door een persoon of instelling die is gecertificeerd overeenkomstig dat document. Artikel 3.71d lid 2 van Activiteitenregeling Ondergrondse leidingen inclusief appendages worden beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig AS 6800 door een persoon of instelling die beschikt over een erkenning overeenkomstig dat document. Artikel 3.71d lid 3 van Activiteitenregeling De opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages wordt gecontroleerd overeenkomstig AS 6800 door een persoon of instelling die beschikt over een erkenning overeenkomstig dat document. Artikel 3.71d lid 4 van Activiteitenregeling Het opslaan van gasolie in een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voldoet aan de volgende onderdelen van PGS 30: a. b. c.

de paragrafen 2.2 en 2.3; de voorschriften 2.4.3, 2.6.1, 2.6.3 tot en met 2.6.6 en 2.6.14, en paragraaf 4.2, met uitzondering van de voorschriften 4.2.3, 4.2.9, 4.2.12, 4.2.13, eerste volzin, 4.2.14 en tabel 4.1.

Artikel 3.71d lid 5 van Activiteitenregeling Een opslagtank als bedoeld in het eerste lid bevindt zich niet op een verdieping. Artikel 3.71d lid 6 van Activiteitenregeling Het gebruik van een opslagtank waarin het opslaan, vullen en afleveren van gasolie plaatsvindt in een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages, voldoet aan de volgende onderdelen van PGS 30: a. b. c.

voorschrift 3.2.4; de paragrafen 3.3, 3.5, 3.6, 5.2, 5.4, en de voorschriften 5.5.1, 5.5.2, 5.6.1, 5.6.3 en 5.6.4.

Artikel 3.71d lid 7 van Activiteitenregeling Een stationaire bovengrondse opslagtank voor het inpandig opslaan van gasolie in een werkruimte, in een ruimte met een noodstroomaggregaat of onder een woning heeft een inhoud van ten hoogste 3 kubieke meter.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 26 van 106

17-08-2023

Artikel 3.71d lid 8 van Activiteitenregeling Voor een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages gelden de keurings- en herkeuringstermijnen van tabel 3.71d.

Tabel 3.71d (Her)keuringstermijnen voor een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voor vloeistoffen van PGS-klasse 2 tot en met PGS-klasse 4 Staal enkelwandig in gecertificeerde opvangbak

Eerste (her)keuring

Volgende herkeuring

Zonder coating of niet volledig gecoat

15 jaar

15 jaar

Volledig gecoat niet overeenkomstig BRL K790 of BRL K779

15 jaar

20 jaar

Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 en BRL K779

20 jaar

20 jaar

Staal dubbelwandig met lekdetectiepotsysteem

Eerste (her)keuring

Volgende herkeuring

Zonder coating of niet volledig gecoat

15 jaar

15 jaar

Volledig gecoat niet overeenkomstig BRL K790 of BRL K779

15 jaar

20 jaar

Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 en BRL K779

20 jaar

20 jaar

Staal dubbelwandig met lekdetectie overeenkomstig BRL K910

Eerste (her)keuring

Volgende herkeuring

Zonder coating of niet volledig gecoat

15 jaar

20 jaar

Volledig gecoat niet overeenkomstig BRL K790 of BRL K779

20 jaar

20 jaar

Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 en BRL K779

20 jaar

20 jaar

Kunststof enkelwandig in gecertificeerde opvangbak Eerste (her)keuring

Kunststof dubbelwandig met lekdetectie overeenkomstig BRL K910

Volgende herkeuring

15 jaar

15 jaar

Eerste (her)keuring

Volgende herkeuring

20 jaar

20 jaar

Artikel 3.71d lid 9 van Activiteitenregeling Een dubbelwandige stationaire bovengrondse opslagtank van staal of kunststof met de daarbij behorende appendages en dubbelwandige leidingen wordt jaarlijks op de goede werking gecontroleerd. Artikel 3.71d lid 10 van Activiteitenregeling Bij de bovengrondse opslagtank, bedoeld in het eerste lid, vindt een jaarlijkse controle plaats: a. b. c. d.

van de kathodische bescherming van ondergrondse leidingen; van de lekdetectie van de dubbelwandige leidingen. In afwijking van het eerste lid vindt deze controle plaats overeenkomstig BRL K903, door een bedrijf dat gecertificeerd is op grond van die BRL; van de aarding en de potentiaalvereffening van de vul- en dampretourleiding indien in de bovengrondse opslagtank vloeistoffen van PGS-klasse 1 en 2 zijn opgeslagen; op de aanwezigheid van water in een stalen bovengrondse opslagtank. In afwijking van het eerste lid kan de controle worden uitgevoerd door een daartoe getraind persoon, met een waterzoekpasta die wordt aangebracht op de peilstok.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 27 van 106

17-08-2023

Artikel 3.71d lid 11 van Activiteitenregeling Een bovengrondse opslagtank wordt bij herkeuring inwendig gereinigd en beoordeeld door middel van betreding van de tank. Inwendige inspectie met behulp van een camera is toegestaan bij een volledig inwendig gecoate tank, indien deze inspectie wordt uitgevoerd overeenkomstig AS 6800. Indien bij herkeuring een bovengrondse opslagtank niet kan worden betreden of, indien toegestaan, middels een camera-inspectie inwendig geïnspecteerd kan worden, wordt de opslagtank afgekeurd. Het gebruik van de opslagtank is in geval van afkeuring toegestaan tot de uiterste herkeuringsdatum. Artikel 3.71d lid 12 van Activiteitenregeling Het bevoegd gezag kan ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van toepassing verklaren en toestaan dat een opslagtank zich op een verdieping bevindt. Artikel 3.71d lid 13 van Activiteitenregeling Bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het twaalfde lid kunnen eisen worden gesteld om de toegankelijkheid van de opslagtank voor de brandbestrijding te borgen.

Artikel 3.71d lid 14 van Activiteitenregeling In afwijking van het tiende lid vindt de controle, bedoeld in onderdeel d van dat lid, eenmaal per drie jaar plaats indien de opslagtank aantoonbaar is voorzien van een inwendige coating overeenkomstig BRL K779 en die coating is aangebracht door een bedrijf dat daartoe is gecertificeerd op basis van BRL K790. Artikel 3.71d lid 15 van Activiteitenregeling Indien tijdens de controle, bedoeld in het tiende lid, onderdeel d, water is aangetroffen, wordt dit terstond verwijderd. Van het verwijderde water worden de elektrische geleidbaarheid en de zuurgraad beoordeeld. Wanneer bij de derde opeenvolgende meting blijkt dat de zuurgraad en de elektrische geleidbaarheid van het aangetroffen water buiten de normeisen vallen, wordt een inwendige inspectie van de bovengrondse opslagtank uitgevoerd. Indien een inwendige inspectie noodzakelijk is, wordt dit terstond gemeld aan het bevoegd gezag. Artikel 3.71d lid 16 van Activiteitenregeling In afwijking van het elfde en vijftiende lid is een inwendige beoordeling of inwendige inspectie bij de keuring van een bovengrondse opslagtank niet noodzakelijk indien deze opslagtank dubbelwandig is uitgevoerd met een lekdetectiesysteem in de wand.

Artikel 3.71d lid 17 van Activiteitenregeling Indien een bovengrondse opslagtank voor gasolie is geïnstalleerd voor het tijdstip van het van toepassing worden van paragraaf 3.4.9 op de inrichting is het vijfde lid niet van toepassing tot het moment waarop de eerstvolgende keuring behoort plaats te vinden. Artikel 3.71d lid 18 van Activiteitenregeling Het bevoegd gezag kan aan een opslagtank als bedoeld in het zeventiende lid bij maatwerkvoorschrift eisen stellen om de toegankelijkheid van de opslagtank voor de brandbestrijding te borgen. Artikel 3.71e van Activiteitenregeling De opslag van gasolie in mobiele bovengrondse opslagtanks inclusief de bijbehorende leidingen en appendages, voldoet aan bijlage D van PGS 30. Artikel 3.71f lid 1 van Activiteitenregeling De opslag van gasolie, smeerolie en afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks vindt plaats boven een lekbak. Artikel 3.71f lid 2 van Activiteitenregeling Het eerste lid is niet van toepassing op een opslagtank die dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie zijnde: a. b.

een elektronisch lekdetectiesysteem volgens de BRL K910, dat ten minste eenmaal per jaar wordt beoordeeld en is goedgekeurd overeenkomstig BRL K903, door een bedrijf dat gecertificeerd is op grond van die BRL, of een lekdetectiepotsysteem volgens BRL K796, dat ten minste eenmaal per maand wordt gecontroleerd op goede werking. Bij het constateren van gebreken wordt het lekdetectiepotsysteem binnen een periode van een maand hersteld. Eenmaal per jaar wordt van de controle een aantekening in het installatieboek gemaakt.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 28 van 106

17-08-2023

Artikel 3.71f lid 3 van Activiteitenregeling De vulpunten en aftappunten van een bovengrondse opslagtank met gasolie, smeerolie en afgewerkte olie zijn geplaatst boven een vloeistofdichte vloer of verharding of boven of in een lekbak. Artikel 3.71f lid 4 van Activiteitenregeling De opslagtank is voorzien van een overvulbeveiliging. Artikel 3.71f lid 5 van Activiteitenregeling Het vierde lid is niet van toepassing op een opslagtank voor afgewerkte olie die handmatig of onder vrij verval gevuld wordt. Artikel 3.71f lid 6 van Activiteitenregeling Boven de lekbak, bedoeld in het eerste lid, vindt geen opslag van andere gevaarlijke stoffen plaats, indien die kunnen reageren met de stoffen in de bovengrondse opslagtank. Artikel 3.71f lid 7 van Activiteitenregeling Een stalen opslagtank voor afgewerkte olie wordt minimaal eenmaal per jaar geleegd. Artikel 3.71g lid 1 van Activiteitenregeling De opslag van gasolie, smeerolie en afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks boven een oppervlaktewaterlichaam vindt plaats boven een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen. Artikel 3.71g lid 2 van Activiteitenregeling Het eerste lid is niet van toepassing op een opslagtank die dubbelwandig is uitgevoerd met een systeem voor lekdetectie zijnde: a. b.

een elektronisch lekdetectiesysteem volgens de BRL K910, dat ten minste eenmaal per jaar wordt beoordeeld en is goedgekeurd overeenkomstig BRL K903, door een bedrijf dat gecertificeerd is op grond van die BRL, of een lekdetectiepotsysteem volgens BRL K796, dat ten minste eenmaal per maand wordt gecontroleerd op goede werking. Bij het constateren van gebreken wordt het lekdetectiepotsysteem binnen een periode van een maand hersteld. Eenmaal per jaar wordt van de controle een aantekening in het installatieboek gemaakt.

Artikel 3.71g lid 3 van Activiteitenregeling De vulpunten en aftappunten van een bovengrondse opslagtank met gasolie, smeerolie en afgewerkte olie boven een oppervlaktewaterlichaam zijn geplaatst boven of in een voorziening die zich rondom of onder de opgeslagen stoffen bevindt en die de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen kan opvangen. Artikel 3.71g lid 4 van Activiteitenregeling De voorzieningen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn zodanig uitgevoerd dat: a. b.

gemorste of gelekte vloeistoffen effectief worden opgevangen en kunnen worden opgeruimd; er geen hemelwater op of in terecht kan komen, tenzij het hemelwater regelmatig van of uit de voorziening wordt verwijderd.

Artikel 3.71g lid 5 van Activiteitenregeling De voorzieningen, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn bestand tegen de inwerking van de opgeslagen stoffen en de condities waaronder deze stoffen worden gebruikt of opgeslagen. Artikel 3.71g lid 6 van Activiteitenregeling De voorziening, bedoeld in het eerste lid, heeft een opvangcapaciteit van ten minste 10% van de inhoud van alle opgeslagen stoffen. Artikel 3.71g lid 7 van Activiteitenregeling De opslagtank is voorzien van een overvulbeveiliging. Artikel 3.71g lid 8 van Activiteitenregeling Het zevende lid is niet van toepassing op een opslagtank voor afgewerkte olie die handmatig of onder vrij verval wordt gevuld. Artikel 3.71g lid 9 van Activiteitenregeling Een opslagtank voor afgewerkte olie wordt minimaal eenmaal per jaar geleegd.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 29 van 106

17-08-2023

Artikel 3.71h lid 1 van Activiteitenregeling De artikelen 3.71d, 3.71f en 3.71g zijn niet van toepassing op een bovengrondse opslagtank met gasolie, smeerolie of afgewerkte olie die niet op de vloer staat. Artikel 3.71h lid 2 van Activiteitenregeling Aan de in het eerste lid bedoelde bovengrondse opslagtanks die niet op de vloer staan, kan het bevoegd gezag ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de plaats, de constructie, de keuring, de bodem- en veiligheidsvoorzieningen van de opslagtank.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 30 van 106

17-08-2023

Activiteit: Toepassen van assimilatiebelichting bij het telen of kweken van gewassen in een kas Artikel 3.55 van Activiteitenbesluit Deze paragraaf is van toepassing op het telen of kweken van gewassen in een kas. Artikel 3.56 lid 1 van Activiteitenbesluit Een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, is aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 98% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd. Artikel 3.56 lid 2 van Activiteitenbesluit Het eerste lid is niet van toepassing op een kas waarin uitsluitend assimilatiebelichting wordt toegepast buiten de donkerteperiode. Artikel 3.56 lid 3 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid is een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast tot 1 januari 2017 aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 95% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd, indien deze lichtscherminstallatie is aangebracht voor 1 januari 2014. Artikel 3.56 lid 4 van Activiteitenbesluit Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch of teelttechnisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat lid.

Artikel 3.56 lid 5 van Activiteitenbesluit Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast. Artikel 3.56 lid 6 van Activiteitenbesluit Op een kas als bedoeld in het vijfde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing. Artikel 3.56 lid 7 van Activiteitenbesluit Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter. Artikel 3.57 lid 1 van Activiteitenbesluit Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van ten minste 15.000 lux wordt toegepast, is vanaf het tijdstip van zonsondergang tot het tijdstip van zonsopgang de bovenzijde van de kas op een zodanige wijze afgeschermd dat ten minste 98% van de lichtuitstraling wordt gereduceerd. Artikel 3.57 lid 2 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een ander percentage dan het percentage, bedoeld in het eerste lid, vaststellen.

Artikel 3.57 lid 3 van Activiteitenbesluit Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast. Artikel 3.57 lid 4 van Activiteitenbesluit Op een kas als bedoeld in het derde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing. Artikel 3.57 lid 5 van Activiteitenbesluit Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 31 van 106

17-08-2023

Artikel 3.58 lid 1 van Activiteitenbesluit Indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, is: a. b.

gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 98% wordt gereduceerd, en gedurende de nanacht die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 74% wordt gereduceerd.

Artikel 3.58 lid 2 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een ander percentage dan het percentage in het eerste lid, onder a en b, vaststellen. Artikel 3.58 lid 3 van Activiteitenbesluit Het eerste lid, onderdeel b, is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch of teelttechnisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat onderdeel. Artikel 3.58 lid 4 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste en tweede lid is, indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, tot 1 januari 2017 gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 95% wordt gereduceerd. Artikel 3.58 lid 5 van Activiteitenbesluit Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.

Artikel 3.58 lid 6 van Activiteitenbesluit Op een kas als bedoeld in het vijfde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing. Artikel 3.58 lid 7 van Activiteitenbesluit Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 32 van 106

17-08-2023

Activiteit: Telen of kweken van gewassen in een kas op substraat Artikel 3.55 van Activiteitenbesluit Deze paragraaf is van toepassing op het telen of kweken van gewassen in een kas. Artikel 3.60 lid 1 van Activiteitenbesluit Bij het lozen uit het hemelwaterafvoersysteem van een kas, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met vijfde lid. Artikel 3.60 lid 2 van Activiteitenbesluit Het lozen in een vuilwaterriool is verboden. Artikel 3.60 lid 3 van Activiteitenbesluit Het lozen anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan. Artikel 3.60 lid 4 van Activiteitenbesluit Indien bij het lozen, bedoeld in het derde lid, een hemelwateropvangvoorziening aanwezig is die volledig is benut, wordt het hemelwater geloosd via een overstortvoorziening, die is aangebracht voorafgaand aan de hemelwateropvangvoorziening. Artikel 3.60 lid 5 van Activiteitenbesluit Het vierde lid is niet van toepassing, indien: a. b. c. d.

de opvangvoorziening, bedoeld in dat lid, een inhoud heeft van ten minste 3500 kubieke meter per hectare teeltoppervlak; de kas zodanig is gebouwd dat condenswater niet in het hemelwaterafvoersysteem kan geraken; in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden zodanig worden toegepast dat ze niet in het hemelwaterafvoersysteem kunnen geraken, of in de kas uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden.

Artikel 3.61 lid 1 van Activiteitenbesluit Bij het lozen van condenswater afkomstig van condensvorming aan de binnenzijde van de kas dat via condensgootjes wordt verzameld, wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid. Artikel 3.61 lid 2 van Activiteitenbesluit Het lozen in een vuilwaterriool is verboden, indien in de kas gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast. Artikel 3.61 lid 3 van Activiteitenbesluit Het lozen anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan, indien condenswater afkomstig is van een kas: a. b.

waarin geen gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden toegepast, of waarin uitsluitend sprake is van biologische productiemethoden.

Artikel 3.62 lid 1 van Activiteitenbesluit Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van de buitenkant van een kas wordt ten minste voldaan aan tweede tot en met vierde lid. Artikel 3.62 lid 2 van Activiteitenbesluit Het lozen in een vuilwaterriool is verboden. Artikel 3.62 lid 3 van Activiteitenbesluit Het lozen anders dan in een vuilwaterriool is toegestaan. Artikel 3.62 lid 4 van Activiteitenbesluit Bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam vindt geen visuele verontreiniging plaats.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 33 van 106

17-08-2023

Artikel 3.63 lid 1 van Activiteitenbesluit Het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie; afvalwater dat bloemvoorbehandelingsmiddelen uitsluitend op basis van actief chloor bevat; drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond; drainwater; afvalwater afkomstig van het spuiten of schrobben van vloeren, niet zijnde vloeren van ruimten waar gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden aangemaakt; reinigingswater van leidingen, druppelaars en slangen die onderdeel uitmaken van het systeem waarmee voedingswater aan het gewas wordt toegediend; condenswater van stoomleidingen en condenswater van verwarmingsketels; condenswater van warmtekrachtinstallaties, of afvalwater afkomstig van het bij opkweekbedrijven doorspoelen van substraatblokken die bestemd zijn voor de opkweek van uitgangsmateriaal;is toegestaan, indien ten minste: 1°. 2°.

het perceel waar het afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk, waarop geloosd kan worden, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool waarop kan worden aangesloten en geloosd, meer dan 40 meter bedraagt, of het lozen, bedoeld onder a tot en met j, in een vuilwaterriool, waarop het perceel waar het afvalwater vrijkomt is aangesloten, gelet op de capaciteit van dat vuilwaterriool niet volledig mogelijk is.

Artikel 3.63 lid 2 van Activiteitenbesluit De afstand, genoemd in het eerste lid, onderdeel 1°, wordt berekend: a. b.

vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het afvalwater vrijkomt, en langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

Artikel 3.63 lid 3 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid, onderdeel 1°, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een grotere afstand vaststellen dan de afstand, genoemd in dat onderdeel, waarbij de afstand niet meer dan 10 meter per 0,1 hectare teeltoppervlak bedraagt en wordt berekend overeenkomstig het tweede lid. Artikel 3.63 lid 4 van Activiteitenbesluit In een geval bedoeld in het eerste lid, onder 2°: a. b.

wordt, voorafgaand aan het lozen in een oppervlaktewaterlichaam de afvoercapaciteit van het vuilwaterriool optimaal benut, en vindt lozen in dat vuilwaterriool plaats in een bij ministeriële regeling aangegeven volgorde.

Artikel 3.63 lid 5 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift dan wel bij gemeentelijke verordening een andere volgorde bepalen, dan de volgorde aangegeven in de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b. Artikel 3.63 lid 6 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het vierde lid, onderdeel a, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van: a. b. c.

de per tijdseenheid te lozen hoeveelheid; voorzieningen die gespreide afvoer in het vuilwaterriool mogelijk maken, of een buffervoorziening met een inhoud van ten hoogste 50 kubieke meter per hectare.

Artikel 3.63 lid 7 van Activiteitenbesluit Indien met toepassing van het eerste lid, het lozen in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, zijn op dat lozen de artikelen 3.66 en 3.71 van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.63 lid 8 van Activiteitenbesluit In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 34 van 106

17-08-2023

Artikel 3.64 lid 2 van Activiteitenbesluit Indien het op grond van artikel 3.63, eerste lid, is toegestaan drainwater in een oppervlaktewaterlichaam te lozen vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor het telen of kweken van gewassen in een kas werd gebruikt, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt, in afwijking van artikel 3.63, eerste, derde, zesde of zevende lid, met betrekking tot dat lozen bij maatwerkvoorschrift eisen stellen waarmee het lozen wordt voorkomen of verder wordt beperkt, dan met toepassing van dat artikel het geval zou zijn. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.64 lid 4 van Activiteitenbesluit Voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van drainwater vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, waarvoor tot het van toepassing worden van het tweede lid op dat lozen, een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het tweede lid.

Artikel 3.64a lid 1 van Activiteitenbesluit Drainwater, drainagewater of het spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, wordt voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water verwijdert. Artikel 3.64a lid 2 van Activiteitenbesluit Het eerste lid is niet van toepassing indien het water na de lozing wordt geleid door een zuiveringsvoorziening die, of een zuiveringtechnisch werk dat, ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water verwijdert. Artikel 3.64a lid 3 van Activiteitenbesluit De werking van de zuiveringsvoorziening of het zuiveringtechnisch werk wordt aangetoond volgens een bij ministeriële regeling aangewezen testmethode. Artikel 3.64a lid 4 van Activiteitenbesluit De hoeveelheid van het, in het eerste lid bedoelde, water dat wordt geloosd, wordt gemeten en geregistreerd. Artikel 3.64a lid 5 van Activiteitenbesluit De resultaten van de metingen en registraties worden gedurende vijf jaren bewaard. Artikel 3.64a lid 6 van Activiteitenbesluit Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het meten en registreren, bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3.64a lid 7 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift afwijken van het eerste lid voor lozingen van drainagewater, afkomstig van de teelt waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond, indien door kwel of inzijgend water het ondoelmatig is om ten minste 95% van de werkzame stoffen, die bestaan uit organische verbindingen, uit het afvalwater te verwijderen. Artikel 3.64b lid 1 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat artikel 3.64a, eerste lid, niet van toepassing is indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat uiterlijk op 1 januari 2021 het water, bedoeld in artikel 3.64a, eerste lid, wordt geleid door een collectieve zuiveringsvoorziening die of een collectief zuiveringtechnisch werk dat ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water verwijdert. Artikel 3.64b lid 2 van Activiteitenbesluit Het maatwerkvoorschrift wordt verleend tot de collectieve zuiveringsvoorziening, bedoeld in het eerste lid, is gerealiseerd of tot uiterlijk 1 januari 2021. Artikel 3.65 van Activiteitenbesluit Onverminderd de artikelen 3.56 tot en met 3.64, wordt bij substraatteelt in een kas voldaan aan de artikelen 3.66 tot en met 3.69.

Artikel 3.66 lid 1 van Activiteitenbesluit Bij het lozen van drainwater wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het tiende lid.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 35 van 106

17-08-2023

Artikel 3.66 lid 2 van Activiteitenbesluit Voor de gietwatervoorziening: a. b.

is een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 kubieke meter per hectare teeltoppervlak aanwezig en in gebruik, of wordt water met een natriumgehalte gebruikt dat gelijkwaardig is aan dat van hemelwater.

Artikel 3.66 lid 3 van Activiteitenbesluit Voor het recirculeren van drainwater is een recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik. Artikel 3.66 lid 4 van Activiteitenbesluit De hoeveelheid totaal stikstof in het te lozen drainwater bedraagt in kilogram totaal stikstof per hectare teeltoppervlak per jaar niet meer dan de in tabel 3.66 per categorie van gewassen genoemde waarden:

Tabel 3.66 Maximale hoeveelheid totaal stikstof in het te lozen drainwater in kilogram per hectare teeltoppervlak, per categorie van gewassen, per jaar Categorie van gewassen

2012, 2013 en 2014

2015, 2016 en 2017

2018, 2019 en 2020

2021 en volgende jaren

Categorie 1

25

25

25

12,5

Categorie 2

50

33

25

17

Categorie 3

75

50

38

25

Categorie 4

100

67

50

33

Categorie 5

125

83

67

42

Categorie 6

150

100

75

50

Categorie 7

200

133

100

67

Categorie 8

250

167

125

83

Categorie 9

300

200

150

125

Artikel 3.66 lid 5 van Activiteitenbesluit Bij ministeriële regeling wordt de indeling van gewassen in de categorieën, bedoeld in tabel 3.66, vastgesteld. Artikel 3.66 lid 6 van Activiteitenbesluit De hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in het vierde lid, wordt berekend door de in een jaar geloosde hoeveelheid drainwater te vermenigvuldigen met het daarin aanwezige gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het berekenen van het gehalte aan totaal stikstof. Artikel 3.66 lid 7 van Activiteitenbesluit Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien bij het lozen van drainwater de hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in het vierde lid, niet meer bedraagt dan 25 kilogram. Artikel 3.66 lid 8 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift het tweede en derde lid niet van toepassing verklaren, indien de maatregelen, bedoeld in die leden niet doelmatig zijn. Artikel 2.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.66 lid 9 van Activiteitenbesluit Het tweede, derde en vierde lid, zijn niet van toepassing, indien het totale teeltoppervlak binnen de inrichting waarop telen of kweken van gewassen in een kas plaatsvindt, kleiner is dan 2.500 vierkante meter. Artikel 3.66 lid 10 van Activiteitenbesluit Het te lozen drainwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 36 van 106

17-08-2023

Artikel 3.67 lid 1 van Activiteitenbesluit De volgende gegevens worden gemeten of berekend en geregistreerd: a. b. c.

de hoeveelheid drainwater in kubieke meter die wordt geloosd en de hoeveelheid voedingswater die wordt toegediend; het gehalte aan nitraatstikstof en ammoniumstikstof en totaal fosfor, natrium en de geleidingswaarde in het drainwater, en het gewas of de gewassen die worden geteeld, het teeltoppervlak en de teeltperiode per gewas.

Artikel 3.67 lid 2 van Activiteitenbesluit Indien op grond van artikel 3.63, eerste lid, drainwater zowel in het vuilwaterriool als in een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat beide hoeveelheden worden gemeten en geregistreerd overeenkomstig het eerste lid. Artikel 3.67 lid 3 van Activiteitenbesluit Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het meten, berekenen en registreren, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.67 lid 4 van Activiteitenbesluit De resultaten van de metingen, berekeningen en registraties, bedoeld in het eerste lid, en van de metingen en registraties, bedoeld in het tweede lid, worden gedurende 5 jaren bewaard en op een daartoe strekkend verzoek aan het bevoegd gezag overgelegd. Artikel 3.68 lid 1 van Activiteitenbesluit Jaarlijks voor 1 mei wordt aan het bevoegd gezag een rapportage met de volgende gegevens overgelegd: a. b. c. d.

de gegevens, bedoeld in artikel 3.67, eerste en tweede lid, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar; de maximaal toegestane hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in artikel 3.66, vierde lid, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in onderdeel a; de hoeveelheid totaal stikstof, bedoeld in artikel 3.66, vierde lid, over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in onderdeel a, en de hoeveelheid totaal fosfor in het geloosde drainwater per hectare teeltoppervlak over het aan die datum voorafgaande kalenderjaar, berekend aan de hand van de gegevens, bedoeld in onderdeel a.

Artikel 3.68 lid 2 van Activiteitenbesluit Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de rapportage, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3.69 van Activiteitenbesluit In afwijking van de artikelen 3.67 en 3.68 kan het bevoegd gezag, indien het meten, berekenen, registreren of rapporteren, bedoeld in die artikelen niet doelmatig zijn, bij maatwerkvoorschrift een andere wijze van meten, berekenen, registreren en rapporteren bepalen. Artikel 3.74a van Activiteitenbesluit Indien op 1 april 2002 door middel van een systeem van onderbemaling werd gerecirculeerd, en: a. b. c. d.

recirculatie plaatsvindt door middel van een drainagestelsel met verzamelput en afvoer naar een centrale opvang waarin het drainwater wordt verwerkt; een drainagekoker gelegen is op een diepte van ten hoogste 0,25 m boven de gemiddelde grondwaterstand en ten hoogste 1,25 m onder het maaiveld; ten hoogste 10% van de totale hoeveelheid drainwater naar de bodem sijpelt; door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige is beoordeeld of aan de in de onderdelen a tot en met c genoemde criteria wordt voldaan en een bewijs van de beoordeling, afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, binnen de inrichting wordt bewaard:

wordt het lozen van drainwater in de bodem aangemerkt als het lozen van drainwater waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, is vastgesteld.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 37 van 106

17-08-2023

Artikel 3.72 lid 1 van Activiteitenregeling Voor het meten van: a. b. c. d.

de hoeveelheid drainwater, bedoeld in artikel 3.67, eerste lid, van het besluit; de hoeveelheid voedingswater, bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onderdeel a, van het besluit; de hoeveelheid drainagewater, bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, en de hoeveelheid drainagewater, bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onderdeel c, van het besluit,

is een doelmatige volumemeter geïnstalleerd. Artikel 3.72 lid 2 van Activiteitenregeling Een volumemeter wordt ten minste eenmaal per drie jaar op de goede werking gecontroleerd en onderhouden door een deskundige op het gebied van volumemeters. Artikel 3.72 lid 3 van Activiteitenregeling Een bewijs van de controle en het onderhoud is binnen de inrichting aanwezig. Artikel 3.72 lid 4 van Activiteitenregeling Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu daartoe noodzaakt, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de verzegeling van de volumemeter. Artikel 3.73 van Activiteitenregeling De rapportage, bedoeld in de artikelen 3.68, eerste lid, en 3.73, eerste lid, van het besluit vindt plaats met gebruikmaking van het model dat is opgenomen in bijlage 6. Artikel 3.74 van Activiteitenregeling De volgorde van lozen, bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, onderdeel b, van het besluit is: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n. o. p.

huishoudelijk afvalwater; afvalwater afkomstig van het spuiten of schrobben van vloeren, niet zijnde vloeren van ruimten waar gewasbeschermingsmiddelen of biociden worden aangemaakt; spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie; terugspoelwater van een ontijzeringsinstallatie; spoelwater van ionenwisselaars; afvalwater dat bloemvoorbehandelingsmiddelen uitsluitend op basis van actief chloor bevat; drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond; drainwater; ketelspuiwater; afvalwater afkomstig van het wassen van in de kas geteelde groenteproducten; reinigingswater van leidingen, druppelaars en slangen die onderdeel uitmaken van het systeem waarmee voedingswater aan het gewas wordt toegediend; spoelwater van fusten; condenswater van warmtekrachtinstallaties; afvalwater afkomstig van het bij opkweekbedrijven doorspoelen van substraatblokken die bestemd zijn voor de opkweek van uitgangsmateriaal; condenswater van stoomleidingen en condensorwater van verwarmingsketels; ander afvalwater dan bedoeld in de onderdelen a tot en met o.

AIM-sessie: Akkzonnyfmz

Pagina 38 van 106

17-08-2023

Artikel 3.75 van Activiteitenregeling De indeling van gewassen, bedoeld in artikel 3.66, vijfde lid, van het besluit is de indeling, zoals opgenomen in tabel 3.75.

Tabel 3.75 Categorie-indeling van gewassen Categorie van gewassen Gewassen Categorie 1

Overige groenten

Categorie 2

Anthurium, kuipplanten, perkplanten

Categorie 3

Orchidee (Cymbidium)

Categorie 4

Tulp, eenjarige zomerbloeiers

Categorie 5

Tomaat, kruiden

Categorie 6

komkommerpotplant, uitgangsmateriaal sierteeltoverig sierteelt

Categorie 7

aardbei, aubergine, paprika

Categorie 8

GerberaRoos, uitgangsmateriaal groenten

Categorie 9

Phalaenopsis, overige potorchidee

Artikel 3.76 lid 1 van Activiteitenregeling Het meten van de hoeveelheid drainwater die wordt geloosd en de hoeveelheid voedingswater die wordt toegediend, bedoeld in artikel 3.67, eerste lid, onderdeel a, van het besluit vindt plaats bij ieder lozingspunt. Artikel 3.76 lid 2 van Activiteitenregeling Het registreren van de hoeveelheid drainwater die wordt geloosd en de hoeveelheid voedingswater die is toegediend, bedoeld in artikel 3.67, eerste lid, onderdeel a, van het besluit vindt plaats per periode van vier weken, beginnend op dag 1 van week 1. Artikel 3.76 lid 3 van Activiteitenregeling Het meten en registreren van het gehalte aan totaal stikstof en totaal fosfor, natrium en de geleidingswaarde in het drainwater, bedoeld in artikel 3.67, eerste lid, onderdeel b, van het besluit vindt ten minste een keer per periode van acht weken plaats, beginnend op dag 1 van week 1 en ten minste een keer in de weken 49 tot 52. Artikel 3.76 lid 4 van Activiteitenregeling De afwijking van de nauwkeurigheid van de instrumenten die worden gebruikt voor het meten van de hoeveelheden, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste tien procent. Artikel 3.76 lid 5 van Activiteitenregeling Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan: a. b. c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=910a2b35-dc50-48e7-a44f-e05b98bd3513