Bijlage - Overzicht relevante artikelen Activiteitenbesluit Molenheg 10 Egchel
Tekst van het document
17-08-2023
Relevante artikelen Activiteitenbesluit en Activiteitenregeling AIM-sessie Akkzonnyfmz
Activiteit: In werking hebben van een stookinstallatie Artikel 3.7 lid 1 van Activiteitenbesluit Deze paragraaf is niet van toepassing op: a. b. c. d. e. f. g. h.
het stoken van brandstoffen in stookinstallaties die ingevolge bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a, van het Besluit omgevingsrecht er toe leiden, dat een inrichting vergunningplichtig is; stookinstallaties waarop paragraaf 5.1.1 van toepassing is; stookinstallaties waarop paragraaf 5.1.2 van toepassing is; stookinstallaties waarop Richtlijn 97/68/EG betrekking heeft en andere mobiele stookinstallaties; technische voorzieningen die bij de voortstuwing van een voertuig, schip of vliegtuig worden gebruikt; in de chemische industrie gebruikte reactoren; windverhitters van hoogovens; terugwinningsinstallaties in installaties voor de productie van pulp.
Artikel 3.7 lid 2 van Activiteitenbesluit De artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 3.10q tot en met 3.10t inzake emissies naar de lucht zijn van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft: a. b.
c. d. e. f.
een stookinstallatie die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) of totaal stof; een stookinstallatie die ten hoogste 500 uren per jaar in gebruik is, met uitzondering van dieselmotoren die, behoudens de vanuit bedrijfszekerheid noodzakelijke testen, worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit terwijl het openbare net beschikbaar is. Voor zover het een installatie betreft met een nominaal thermisch ingangsvermogen vanaf 1MW waarin een vaste brandstof wordt gestookt, voldoet deze aan een emissiegrenswaarde voor stof van 200 mg/Nm3 indien deze voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en voldoet deze aan een emissiegrenswaarde voor stof van 100 mg/Nm3 indien deze op of na 20 december 2018 in gebruik is genomen; technische voorzieningen voor de zuivering van afgassen door verbranding die niet als autonome stookinstallatie worden geëxploiteerd; stookinstallaties waar de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen, drogen of anderzijds behandelen van voorwerpen of materialen; stookinstallaties waarin de gasvormige producten van het stookproces worden gebruikt voor het direct verwarmen met gas van
binnenruimten ter verbetering van de omstandigheden op de arbeidsplaats; crematoria.
Artikel 3.7 lid 3 van Activiteitenbesluit De artikelen 3.10k, 3.10n en 3.10o inzake het doelmatig beheer van afvalwater, het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het doelmatig beheer van afval, zijn van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie. Artikel 3.7 lid 4 van Activiteitenbesluit De artikelen 3.10l en 3.10m inzake een doelmatig gebruik van energie, zijn van toepassing op inrichtingen waarin zich geen broeikasgasinstallaties als bedoeld in artikel 16.1 van de wet bevinden en waarbij het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie door middel van een warmtekrachtinstallatie plaatsvindt, tenzij het een warmtekrachtinstallatie betreft waarin vergistingsgas wordt gebruikt. Artikel 3.7 lid 5 van Activiteitenbesluit Artikel 3.10p inzake keuring en onderhoud van een stookinstallatie is van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie, tenzij het betreft een stookinstallatie die blijkens een daarvoor aan de inrichting verleende omgevingsvergunning wordt gebruikt voor het onderzoeken, beproeven of demonstreren van experimentele verbrandingstechnieken of van technieken ter bestrijding van de uitworp van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) of totaal stof.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 1 van 106
17-08-2023
Artikel 3.7 lid 6 van Activiteitenbesluit Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer als één stookinstallatie aangemerkt en worden de vermogens opgeteld indien: a. b.
de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd, of de afgassen van die stookinstallaties, met inachtneming van technische en economische factoren, volgens het oordeel van het bevoegd gezag via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden uitgestoten.
Indien toepassing wordt gegeven aan onderdeel b, stelt het bevoegd gezag in een maatwerkvoorschrift vast welke stookinstallaties deel uitmaken van het samenstel van stookinstallaties. Artikel 3.7 lid 7 van Activiteitenbesluit Voor zover stookinstallaties onder de werkingssfeer van deze paragraaf vallen, zijn de artikelen 2.5, 2.6, 2.7 en 2.8, derde tot en met achtste lid, niet van toepassing. Artikel 3.7 lid 8 van Activiteitenbesluit Onverminderd de emissie-eisen in deze paragraaf kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de emissies van een stookinstallatie. Artikel 3.8 van Activiteitenbesluit Een stookinstallatie kan gelegen zijn binnen de Nederlandse exclusieve economische zone. Artikel 3.9 lid 1 van Activiteitenbesluit Het rookgas van een installatie voor de regeneratie van glycol voldoet aan een emissiegrenswaarde van stikstofoxiden naar de lucht van ten hoogste 80 mg/Nm3. Artikel 3.9 lid 2 van Activiteitenbesluit Indien de kwaliteit van het aardgas en de technische kenmerken van de in het eerste lid genoemde installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in dat lid vaststellen.
De emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden naar de lucht is in dat geval ten hoogste 150 mg/Nm3 indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Artikel 3.9 lid 3 van Activiteitenbesluit Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het tweede lid, wordt onder meer rekening gehouden met de kosteneffectiviteit, bedoeld in artikel 2.7, vierde tot en met zesde lid, en met de integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking. Artikel 3.9 lid 4 van Activiteitenbesluit De emissiegrenswaarden genoemd in het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2019 niet van toepassing op het rookgas van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol die voor 1 januari 2016 in gebruik is genomen. Artikel 3.9 lid 5 van Activiteitenbesluit Voor installaties als bedoeld in het vierde lid blijven, in afwijking van artikel 6.1, tot 1 januari 2019 de emissiegrenswaarden van de vergunning van toepassing. Artikel 3.10 lid 1 van Activiteitenbesluit Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen vanaf 1 MWth voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10. Artikel 3.10 lid 2 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid voldoet een ketelinstallatie gestookt op vergistingsgas die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO2) van 200 mg/Nm3.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 2 van 106
17-08-2023
Artikel 3.10 lid 3 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste en tweede lid voldoet een ketelinstallatie die groter is dan 5 MWth, wordt gestookt op vergistingsgas en die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen, vanaf 1 januari 2025 aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO2) van 170 mg/Nm3.
Tabel 3.10 Ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer Brandstof/vermogen
Stikstofoxiden (NOx) (mg Zwaveldioxide (SO2) (mg Totaal stof (mg per normaal per normaal kubieke per normaal kubieke kubieke meter) meter) meter)
Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa
120
200
5
Biomassa, voor zover de ketelinstallatie een vermogen van 5 MWth of minder heeft
275
200
20
Biomassa, voor zover de ketelinstallatie een vermogen van meer dan 5 MWth heeft
145
200
5
Vergistingsgas
70
100
–
Aardgas
70
–
–
Propaangas, Butaangas
140
–
–
Artikel 3.10a lid 1 van Activiteitenbesluit Het rookgas van een stookinstallatie anders dan een ketelinstallatie, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, met een nominaal thermisch ingangsvermogen vanaf 1 MWth voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10a. Artikel 3.10a lid 2 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag voor installaties die voor 20 december 2018 in gebruik zijn genomen, indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde vaststellen tot maximaal de in tabel 3.10a tussen haakjes aangegeven waarden. Artikel 3.10a lid 3 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid gelden de emissiegrenswaarden in dit artikel voor stookinstallaties die voor 20 december 2018 in bedrijf zijn genomen vanaf: a. b.
1 januari 2025 voor stookinstallaties meer dan 5 MWth; 1 januari 2030 voor stookinstallaties van 1 MWth of meer en 5 MWth of minder.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 3 van 106
17-08-2023
Artikel 3.10a lid 4 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid en onverminderd het derde lid voldoet een stookinstallatie gestookt op vergistingsgas die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO2): a. b.
van 170 mg/Nm3 voor een stookinstallatie van meer dan 5 MWth; van 200 mg/Nm3 voor een stookinstallatie van 1 MWth of meer en 5 MWth of minder.
Tabel 3.10a Stookinstallatie anders dan een ketelinstallatie, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer Brandstof/vermogen
Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)
Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)
Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)
Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa
120(200)
200
5(20)
Biomassa, voor zover de installatie een vermogen heeft van 5 MWth of minder
275(650)
200
20
Biomassa, voor zover de installatie een vermogen heeft van meer dan 5 MWth
145(650)
200
5
Vergistingsgas
80(250)
100
–
Aardgas
80(200)
–
–
Propaangas, Butaangas
140(250)
–
–
Artikel 3.10b van Activiteitenbesluit Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 1MWth voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10b.
Tabel 3.10b Brandstof/vermogen
Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)
Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)
Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)
Biomassa of houtpellets
300
200
40
Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa, gestookt in een ketelinstallatie van 0,4 MWth of meer
120
200
20
Aardgas, gestookt in een ketelinstallatie 70 van 0,4 MWth of meer
–
–
Vergistingsgas, gestookt in een ketelinstallatie van 0,4 MWth of meer
70
200
–
Propaangas, Butaangas, gestookt in een ketelinstallatie van 0,4 MWth of meer
140
–
–
Artikel 3.10c lid 1 van Activiteitenbesluit Bij gelijktijdig gebruik van verschillende soorten brandstof in een stookinstallatie geldt als emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2) en totaal stof, het gewogen gemiddelde van de emissiegrenswaarden die op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10b voor elk van de brandstoffen afzonderlijk zouden gelden.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 4 van 106
17-08-2023
Artikel 3.10c lid 2 van Activiteitenbesluit Het in het eerste lid bedoelde gewogen gemiddelde wordt per tijdseenheid berekend naar het aandeel van elk van de brandstoffen in de energetische inhoud van de toegevoerde brandstoffen. Artikel 3.10d lid 1 van Activiteitenbesluit Het rookgas van een gasturbine voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10d. Artikel 3.10d lid 2 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van ten hoogste 75 mg/Nm3 vaststellen voor een gasturbine die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, indien deze gasturbine is uitgerust met een stoom- of waterinjectie. Artikel 3.10d lid 3 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid voldoet een gasturbine gelegen op een off shore olie- of gaswinningsplatform die voor 1 april 2010 in gebruik is genomen aan een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden van 75 mg/Nm3.
Tabel 3.10d Brandstof
Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)
Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)
Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)
Brandstof in vloeibare vorm
50
65
5
Aardgas
50
–
–
Andere gasvormige brandstof
50
15
–
Artikel 3.10e lid 1 van Activiteitenbesluit Het rookgas van een dieselmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10e. Artikel 3.10e lid 2 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie van meer dan 5 MWth die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen tot 1 januari 2025 aan een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm3. Artikel 3.10e lid 3 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie van meer dan 5 MWth en 20 MWth of minder die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen vanaf 1 januari 2025 aan een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/ Nm3. Artikel 3.10e lid 4 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden vaststellen voor een dieselmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 600 kWth gelegen op een platform dat is gelegen binnen de Nederlandse exclusieve economische zone. De afwijkende emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden bedraagt ten hoogste 930 mg/Nm3.
Artikel 3.10e lid 5 van Activiteitenbesluit Degene die een inrichting drijft waartoe een dieselmotor als bedoeld in het vierde lid behoort, legt elke vijf jaar ten behoeve van het maatwerkvoorschrift aan het bevoegd gezag een haalbaarheidsstudie over naar vermindering van de NOx-emissies door toepassing van emissiebeperkende maatregelen of alternatieve technieken, zoals zonne- en windenergie, gasmotoren en -turbines. Van de haalbaarheidsstudie maakt een kosteneffectiviteitsberekening deel uit. Artikel 3.10e lid 6 van Activiteitenbesluit In afwijking van het vijfde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat kan worden volstaan met een kosteneffectiviteitsberekening indien de resterende levensduur van de installatie daartoe aanleiding geeft.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 5 van 106
17-08-2023
Artikel 3.10e lid 7 van Activiteitenbesluit Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteitsberekening gaat het bevoegd gezag uit van een kosteneffectiviteit als bedoeld in artikel 2.7, vierde tot en met zesde lid.
Tabel 3.10e Vermogen
Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)
Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)
Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)
5 MWth of minder
150
65
20
Meer dan 5 MWth
150
65
10
Artikel 3.10f lid 1 van Activiteitenbesluit Het rookgas van een gasmotor voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10f. Artikel 3.10f lid 2 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie van minder dan 2,5 MWth, die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en op aardgas wordt gestookt, tot 1 januari 2030 aan een emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden (NOx) van 115 mg/Nm3. Artikel 3.10f lid 3 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid voldoet een installatie, die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op vergistingsgas, aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO2) van 65 mg/Nm3. Artikel 3.10f lid 4 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid en derde lid voldoet een installatie van 5 MWth of minder, die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op vergistingsgas, vanaf 1 januari 2030 aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO2) van 60 mg/Nm3. Artikel 3.10f lid 5 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid en derde lid voldoet een installatie van meer dan 5 MWth, die voor 20 december 2018 in gebruik is genomen en wordt gestookt op vergistingsgas, vanaf 1 januari 2025 aan een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide (SO2) van 60 mg/Nm3.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 6 van 106
17-08-2023
Artikel 3.10f lid 6 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor onverbrande koolwaterstoffen vaststellen voor een gasmotor met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 2,5 MWth of meer, die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarin brandstof anders dan vergistingsgas wordt verbrand, indien met een motorzijdige aanpassing onvoldoende reductie van koolwaterstoffen kan worden bereikt. In het maatwerkvoorschrift wordt een einddatum opgenomen.
Tabel 3.10f Gasmotor Brandstof/vermogen Stikstofoxiden (NOx) Zwaveldioxide (SO2) Totaal stof (mg per (mg per normaal (mg per normaal normaal kubieke meter) kubieke meter) kubieke meter)
onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter)
Minder dan 2,5 MWth 95 gestookt op aardgas
–
–
–
Minder dan 2,5 MWth, 115 gestookt op propaangas of butaangas
–
–
–
2,5 MWth of meer, met uitzondering van vergistingsgas
35
–
–
500
Vergistingsgas ongeacht het vermogen
115
40
–
–
Artikel 3.10g lid 1 van Activiteitenbesluit Een stookinstallatie waarvan het rookgas vanwege een storing niet voldoet aan de emissiegrenswaarden die op grond van deze paragraaf voor die stookinstallatie gelden, wordt zo spoedig mogelijk opgelost en mag ten hoogste 120 achtereenvolgende uren na het optreden van de storing in gebruik blijven, met een maximum van 120 uur per kalenderjaar. Artikel 3.10g lid 2 van Activiteitenbesluit Indien een storing als bedoeld in het eerste lid niet binnen 120 uur op een zodanige wijze is opgeheven dat het rookgas van de stookinstallatie weer aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voldoet, wordt de stookinstallatie door de drijver van de inrichting buiten bedrijf gesteld. Artikel 3.10g lid 3 van Activiteitenbesluit Het tweede lid blijft buiten toepassing indien het een stookinstallatie betreft die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt, de storing redelijkerwijs niet binnen het in het eerste lid genoemde aantal uren kan worden hersteld en deze omstandigheid voor het verstrijken van dat aantal uren schriftelijk en met opgave van redenen is gemeld bij het Staatstoezicht op de mijnen. Het Staatstoezicht op de mijnen stelt in dat geval een termijn waarbinnen de storing wordt hersteld. De storing wordt zo spoedig mogelijk opgelost.
Indien de storing niet wordt hersteld binnen de door het Staatstoezicht op de mijnen gestelde termijn, wordt de betreffende stookinstallatie alsnog buiten bedrijf gesteld. Artikel 3.10g lid 4 van Activiteitenbesluit Indien een storing samenhangt met de brandstof die in een stookinstallatie wordt verstookt mag gedurende het aantal uren, genoemd in het eerste lid, een andere brandstof worden gebruikt en blijven de emissiegrenswaarden, die gelden op grond van deze paragraaf, gedurende die uren buiten toepassing. Artikel 3.10h van Activiteitenbesluit Een stookinstallatie die strekt tot vervanging voor ten hoogste zes maanden van een stookinstallatie die buiten bedrijf is gesteld in verband met onderhoud, reparatie of definitieve vervanging en die is afgekoppeld van de brandstoftoevoer of van het stoom- of elektriciteitsnet waaraan zij levert, voldoet ten minste aan de emissiegrenswaarden die gelden voor de buiten bedrijf gestelde stookinstallatie.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 7 van 106
17-08-2023
Artikel 3.10i lid 1 van Activiteitenbesluit Voor de berekening van de uitworp van rookgas door een stookinstallatie wordt de massaconcentratie van stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) in het rookgas herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van: a. b. c.
15 procent, indien het een dieselmotor, gasmotor of gasturbine betreft; 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft; 3 procent, in alle andere gevallen.
Artikel 3.10i lid 2 van Activiteitenbesluit Voor de berekening van de uitworp van rookgas door een stookinstallatie, wordt de massaconcentratie aan stikstofoxiden (NOx) in het rookgas berekend als massaconcentratie van stikstofdioxide. Artikel 3.10j lid 1 van Activiteitenbesluit De concentratie aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) in het rookgas dat wordt uitgeworpen door een stookinstallatie waarvoor in deze paragraaf emissiegrenswaarden zijn gesteld, wordt door de drijver van de inrichting bepaald door een meting. Artikel 3.10j lid 2 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid behoeft geen meting te worden verricht van zwaveldioxide (SO2), indien het in acht nemen van de emissiegrenswaarden geschiedt door het stoken van brandstof met een bekend zwavelgehalte en de stookinstallatie niet is uitgerust met apparatuur voor het reduceren van de emissie van zwaveldioxide. Artikel 3.10j lid 3 van Activiteitenbesluit De meting, bedoeld in het eerste lid, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
Artikel 3.10k lid 1 van Activiteitenbesluit Het spuien van een stoomketel van een stookinstallatie geschiedt in een geschikte spuitank dan wel in een andere geschikte voorziening die ten behoeve van het doelmatig beheer van afvalwater ten minste voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Artikel 3.10k lid 2 van Activiteitenbesluit Het lozen van spuiwater van een stoomketel of condensaat van rookgassen van een stookinstallatie op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam is toegestaan, indien niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd. Artikel 3.10l lid 1 van Activiteitenbesluit Van een warmtekrachtinstallatie is het jaargemiddeld rendement ten minste 65%, berekend volgens de formule: de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht plus tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte. Artikel 3.10l lid 2 van Activiteitenbesluit In afwijking van het eerste lid haalt een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor 1 januari 2008 een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.10l lid 3 van Activiteitenbesluit De warmtekrachtinstallatie wordt zodanig in bedrijf gehouden dat de hoeveelheid warmte die nuttig gebruikt wordt zo hoog mogelijk is en de hoeveelheid warmte die ongebruikt aan de omgeving wordt afgegeven zo klein mogelijk is. Onder ongebruikte warmte wordt mede verstaan de warmte die door de noodkoeler wordt afgegeven. Artikel 3.10m lid 1 van Activiteitenbesluit Jaarlijks wordt het brandstofverbruik en de geproduceerde elektriciteit van een warmtekrachtinstallatie geregistreerd. Artikel 3.10m lid 2 van Activiteitenbesluit Indien de warmtekrachtinstallatie is aangesloten op een noodkoeler wordt jaarlijks de hoeveelheid nuttig toegepaste warmte geregistreerd. Artikel 3.10m lid 3 van Activiteitenbesluit Indien de warmtekrachtinstallatie niet is aangesloten op een noodkoeler wordt het thermisch rendement eenmaal per vier jaar vastgesteld.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 8 van 106
17-08-2023
Artikel 3.10m lid 4 van Activiteitenbesluit De registraties, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening bewaard en zijn in de inrichting aanwezig of binnen een termijn die wordt gesteld door het bevoegd gezag voor deze beschikbaar. Artikel 3.10n lid 1 van Activiteitenbesluit In afwijking van artikel 2.14a, eerste lid, is het verbranden van biomassa die tevens afvalstof is, met uitzondering van verpakkingshout, toegestaan indien: a. b. c.
het de verbranding in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van15 MWth of minder betreft; het verbranden van de biomassa materiaalhergebruik niet belemmert, en de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.
Artikel 3.10n lid 2 van Activiteitenbesluit In afwijking van artikel 2.12, tweede en derde lid, is het toegestaan verschillende categorieën van afvalstoffen, zijnde biomassa, te mengen bij de verbranding van biomassa mits wordt voldaan aan het eerste lid. Artikel 3.10o van Activiteitenbesluit Een stookinstallatie waarin vloeibare brandstof wordt verbrand, voldoet ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen. Artikel 3.10p van Activiteitenbesluit Een stookinstallatie voldoet ten behoeve van het veilig functioneren, een optimale verbranding en energiezuinigheid van deze stookinstallatie aan de bij ministeriële regeling inzake keuring en onderhoud gestelde eisen.
Artikel 3.10q lid 1 van Activiteitenbesluit In afwijking van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, voldoet het rookgas van een stookinstallatie die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, voor zover die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt dan wel deel uitmaakt van een inrichting waarin kooldioxide (CO2), afkomstig van een andere inrichting, wordt ingezet ten behoeve van de bemesting van gewassen teneinde het gebruik van brandstof te verminderen, tot 1 januari 2019 aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning. Artikel 3.10q lid 2 van Activiteitenbesluit Het rookgas van een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voldoet met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f bedoelde emissiegrenswaarden.
Artikel 3.10q lid 3 van Activiteitenbesluit Het bevoegd gezag kan bij maatwerkbesluit voor de off shore gasplatforms G16a-A, G16a-B, K2b-A, K12-B, K12K, K9ab-A en P6A bepalen dat de emissiegrenswaarden in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, niet van toepassing zijn, indien degene die de inrichting drijft voor 1 januari 2019 aan het bevoegd gezag schriftelijk kenbaar heeft gemaakt de activiteiten te beëindigen voor 1 januari 2022. Artikel 3.10q lid 4 van Activiteitenbesluit Op het in werking hebben van een stookinstallatie die voor 1 januari 2014 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarop titel 16.3 van de wet van toepassing was, zijn de op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10j geldende emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NOx) tot 1 januari 2019 niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan voor deze stookinstallaties tot deze datum bij maatwerkvoorschrift emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NOx) in het rookgas van de stookinstallatie vaststellen, indien de lokale luchtkwaliteit dat vergt. Artikel 3.10q lid 5 van Activiteitenbesluit Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 9 van 106
17-08-2023
Artikel 3.10r lid 1 van Activiteitenbesluit In afwijking van artikel 3.10b, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 MWth die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in gebruik is genomen, totdat het tweede lid van toepassing wordt, aan de emissiegrenswaarden die tot 1 januari 2013 voor die installatie golden ingevolge het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden ingevolge een daarvoor verleende omgevingsvergunning of ingevolge het derde of vierde lid. Artikel 3.10r lid 2 van Activiteitenbesluit Het rookgas van een ketelinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de in artikel 3.10b genoemde emissiegrenswaarden vanaf het tijdstip dat: a. b. c.
de branders zijn vervangen; wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw van de ketelinstallatie overeenkomen, of een wijziging wordt doorgevoerd, die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in artikel 3.10b, met meer dan 10 procent.
Artikel 3.10r lid 3 van Activiteitenbesluit In afwijking van artikel 3.10b en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen 500 kWth en 1 MWth, waarin biomassa wordt verbrand of waarin houtpellets, voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, aan een emissiegrenswaarde van 75 mg per normaal kubieke meter voor totaal stof, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan. Artikel 3.10r lid 4 van Activiteitenbesluit In afwijking van artikel 3.10b en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan of gelijk aan 500 kWth, waarin biomassa wordt verbrand of waarin houtpellets, voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, aan een emissiegrenswaarde van 150 mg per normaal kubieke meter voor normaal stof, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.
Artikel 3.10s van Activiteitenbesluit Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste lid, of artikel 3.10r, eerste lid, voor 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal thermisch ingangsvermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f wordt voldaan. Artikel 3.10t van Activiteitenbesluit Artikel 3.10c is van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste lid, of artikel 3.10r, eerste lid. Artikel 3.10u van Activiteitenbesluit Degene die de inrichting drijft houdt de perioden voor het opstarten en stilleggen van de stookinstallaties waarop deze paragraaf van toepassing is zo kort mogelijk. Artikel 3.10v van Activiteitenbesluit Onverminderd het gestelde in de artikelen 3.10g en 3.10h neemt, indien de emissiegrenswaarden genoemd in de artikelen 3.10 tot en met 3.10f of in maatwerkvoorschriften niet worden nageleefd, degene die de inrichting drijft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die grenswaarden zo spoedig mogelijk weer worden nageleefd. Hij meldt zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag het niet naleven, de oorzaak ervan en de genomen maatregelen.
Artikel 3.5 lid 1 van Activiteitenregeling Aan artikel 3.10b van het besluit wordt voor zover het betreft de uitstoot van totaal stof bij de verbranding van brandstof in vloeibare vorm in ieder geval voldaan indien het asgehalte van de brandstof in massaprocent lager is dan de toepasselijke emissie-eis gedeeld door 800 en door middel van een keuring als bedoeld in artikel 3.7m kan worden aangetoond dat de concentratie van koolstof-monoxide (CO) in het rookgas lager ligt dan 100 mg/Nm3.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 10 van 106
17-08-2023
Artikel 3.5 lid 2 van Activiteitenregeling Aan artikel 3.10b van het besluit wordt voor zover het betreft de uitstoot van totaal stof bij de verbranding van hout, in ieder geval voldaan indien: a. b.
de afgezogen stofemissies die vrijkomen worden gevoerd door een elektrostatische E-filter waarvan door middel van een rapport van de leverancier kan worden aangetoond dat aan de emissie-eis in artikel 3.10b van het besluit kan worden voldaan; en de elektrostatische E-filter in goede staat van onderhoud verkeert, periodiek gecontroleerd wordt en zo vaak als voor de goede werking nodig is, wordt schoongemaakt en vervangen.
Artikel 3.5 lid 3 van Activiteitenregeling Aan artikel 3.10b van het besluit wordt voor zover het betreft de uitstoot van stikstofoxiden (NO x) bij de verbranding van hout, in ieder geval voldaan indien: a. b.
de inrichtinghouder een meetrapport van de leverancier kan overleggen waaruit blijkt dat aan de in artikel 3.10b opgenomen emissiegrenswaarde van het besluit kan worden voldaan; en in de ketelinstallatie het houttype wordt gestookt waarop het onder a bedoelde rapport is betrokken.
Artikel 3.5 lid 4 van Activiteitenregeling Aan artikel 3.10b van het besluit wordt, voor zover het betreft de uitstoot van stof bij de verbranding van biomassa en houtpellets geproduceerd uit biomassa, in een installatie tot 400kW, in ieder geval voldaan indien: a. b.
de drijver van de inrichting een meetrapport van de leverancier kan overleggen waaruit blijkt dat aan de emissiegrenswaarden in dat artikel kan worden voldaan, en in de ketelinstallatie het type biomassa en houtpellets geproduceerd uit biomassa, wordt gestookt waarop het rapport, bedoeld in onderdeel a, betrekking heeft.
Artikel 3.6 lid 1 van Activiteitenregeling Een meting als bedoeld in artikel 3.10j van het besluit voldoet aan de eisen in de artikelen 3.7 tot en met 3.7j. Artikel 3.6 lid 2 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het doelmatige beheer van afvalwater, bedoeld in artikel 3.10k van het besluit voldoet het spuien van een stoomketel aan artikel 3.7k. Artikel 3.6 lid 3 van Activiteitenregeling Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 3.10o van het besluit voldoet een stookinstallatie aan artikel 3.7l. Artikel 3.6 lid 4 van Activiteitenregeling Ten behoeve van keuring van en onderhoud op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid van een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10p van het besluit, voldoet een stookinstallatie aan de artikelen 3.7m tot en met 3.7p. Artikel 3.6 lid 5 van Activiteitenregeling Het eerste lid is niet van toepassing op de uitstoot van totaal stof, stikstofoxiden (NO x) of koolmonoxiden (CO), indien voldaan wordt aan artikel 3.5. Artikel 3.7 lid 1 van Activiteitenregeling De concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) in het rookgas worden bepaald door continue of afzonderlijke meting.
Artikel 3.7 lid 2 van Activiteitenregeling In afwijking van het eerste lid wordt de concentratie aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) in het rookgas bepaald door continue meting, indien ter bestrijding van de uitworp rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken worden toegepast. Artikel 3.7 lid 3 van Activiteitenregeling In afwijking van het tweede lid kan worden volstaan met afzonderlijke metingen, indien een logboek van registraties wordt bijgehouden waaruit met een voldoende mate van zekerheid blijkt dat de rookgasreiniging of andere emissiereductietechnieken continu in bedrijf zijn en de betreffende emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 11 van 106
17-08-2023
Artikel 3.7 lid 4 van Activiteitenregeling De concentraties van stoffen waarvoor emissiegrenswaarden zijn vastgesteld worden voor een vervangende stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10h van het besluit binnen vier weken na de inbedrijfstelling van die vervangende installatie bepaald door middel van een afzonderlijke meting. Artikel 3.7a lid 1 van Activiteitenregeling Onverminderd de artikelen 3.7 en 3.7e worden voor het bepalen van de concentraties stoffen in het rookgas, representatieve metingen verricht. Artikel 3.7a lid 2 van Activiteitenregeling De bemonsteringen, analyses en metingen van de parameters die nodig zijn voor het bepalen van het voldoen aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen: a.
emissiemeting: 1°. 2°. 3°. 4°. 5°.
b.
stikstofoxiden (NOx): NEN-EN 14792; zwaveldioxide (SO2): NEN-EN 14791; onverbrande koolwaterstoffen (CxHy): NEN-EN 12619; totaal stof: NEN-EN 13284-1 of NEN-EN 13284-2; zuurstof (O2): NEN-EN 14789.
monstername betreffende de onder a genoemde stoffen: NEN-EN 15259.
Artikel 3.7a lid 3 van Activiteitenregeling Bij toepassing van de normbladen, bedoeld in het tweede lid, onder a, worden de regels voor de meetlocatie, bedoeld in NEN-EN 15259 toegepast. Artikel 3.7a lid 4 van Activiteitenregeling Het uitvoeren van afzonderlijke metingen, parallelmetingen en referentiemetingen geschiedt door een instantie die is geaccrediteerd door een accreditatie-instantie. Artikel 3.7a lid 5 van Activiteitenregeling In afwijking van het tweede lid, onder a, en het vierde lid, mag een afzonderlijke meting aan een middelgrote stookinstallatie vallend onder §3.2.1 van het besluit worden uitgevoerd overeenkomstig Scope 6 van de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel uitmakende van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van de uitvoeren van onderhoud en inspecties aan technische installaties, van de stichting SCIOS, door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat, afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd, om uitvoering te kunnen geven aan genoemde deelregeling. Artikel 3.7a lid 6 van Activiteitenregeling Bij het uitvoeren handelingen als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, 2 en 5 kunnen tot [1 april 2019] onderstaande normbladen worden toegepast: a. b. c.
NEN-EN 14792:2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie aan stikstofoxiden (NOx) – Referentiemethode – Chemiluminescentie, december 2005, NEN-EN 14 791, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie aan zwaveldioxide – Referentiemethode, november 2005, respectievelijk NEN-EN 14 789, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de volumeconcentratie van zuurstof (O2) – Referentiemethode – Paramagnetisme, november 2005.
Artikel 3.7a lid 7 van Activiteitenregeling Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 4, kunnen tot en met 31 december 2020 NEN-EN 13284-1, 2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001 of NEN-EN 13284-2, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004, worden toegepast.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 12 van 106
17-08-2023
Artikel 3.7b lid 1 van Activiteitenregeling Indien de concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof of onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) afzonderlijk worden gemeten, wordt zodra een emissiegrenswaarde van toepassing is geworden, binnen vier weken nadien een afzonderlijke meting verricht. Artikel 3.7b lid 2 van Activiteitenregeling Onverminderd het eerste lid kan de meting van het rookgas van een stookinstallatie worden verricht voorafgaand aan het van toepassing worden van een emissiegrenswaarde. Artikel 3.7b lid 3 van Activiteitenregeling Indien de concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), totaal stof of onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) bij een gasturbine, een gasmotor of een dieselmotor afzonderlijk worden gemeten, wordt in aanvulling op het eerste lid, om de vier jaar een nieuwe afzonderlijke meting verricht. Artikel 3.7b lid 4 van Activiteitenregeling Indien door het veranderen van brandstof andere emissiegrenswaarden van toepassing worden, wordt binnen vier weken nadien een nieuwe afzonderlijke meting verricht. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.7b lid 5 van Activiteitenregeling In aanvulling op het eerste lid en in afwijking van het derde lid worden: a. b. c. d. e.
jaarlijks afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 20 MWth die op of na 20 december 2018 in bedrijf is genomen; iedere drie jaar afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer en 20 MWth of minder die op of na 20 december 2018 in bedrijf is genomen; vanaf 2025 en vervolgens jaarlijks afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 20 MWth die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen; vanaf 2025 en vervolgens iedere drie jaar afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MWth en 20 MWth of minder die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen; vanaf 2030 en vervolgens iedere drie jaar afzonderlijke metingen verricht aan een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer en 5 MWth of minder die voor 20 december 2018 in bedrijf is genomen.
Artikel 3.7b lid 6 van Activiteitenregeling Het vijfde lid is niet van toepassing op stookinstallaties gelegen op een offshore olie- of gaswinningsplatform. Artikel 3.7c lid 1 van Activiteitenregeling Een afzonderlijke meting als bedoeld in artikel 3.7b bestaat uit drie deelmetingen van ten minste vijftien minuten en ten hoogste dertig minuten. Artikel 3.7c lid 2 van Activiteitenregeling Indien geen van de deelmetingen, bedoeld in het eerste lid, de desbetreffende emissiegrenswaarde overschrijdt, wordt aan die emissiegrenswaarde voldaan. Artikel 3.7d lid 1 van Activiteitenregeling Bij een afzonderlijke meting als bedoeld in artikel 3.7b mag van een deelmeting een door een onafhankelijke en deskundige meetinstantie aangetoond 95%-betrouwbaarheidsinterval worden afgetrokken ten behoeve van de toetsing aan de emissiegrenswaarde, bedoeld in artikel 3.7c, tweede lid. Artikel 3.7d lid 2 van Activiteitenregeling De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval, bedoeld in het eerste lid, is niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde voor: a. b. c. d.
zwaveldioxide (SO2): 20; stikstofoxiden (NOx): 20; totaal stof: 30; en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C): 20.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 13 van 106
17-08-2023
Artikel 3.7d lid 3 van Activiteitenregeling In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, is de waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor totaal stof niet groter dan 40% van de emissiegrenswaarde voor totaal stof, voor zover het een stookinstallatie betreft met een nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 1 MWth. Artikel 3.7e lid 1 van Activiteitenregeling Afzonderlijke metingen zijn representatief voor normale bedrijfsvoering met het brandstofmengsel dat de hoogste emissie zal opleveren. Artikel 3.7e lid 2 van Activiteitenregeling Een afzonderlijke meting bij een ketelinstallatie wordt verricht bij een belasting van meer dan 60 procent. Een afzonderlijke meting bij een dieselmotor, een gasmotor of een gasturbine, wordt verricht bij de hoogste belasting, waarbij deze continu kan worden bedreven. Artikel 3.7e lid 3 van Activiteitenregeling Een afzonderlijke meting bij een gasturbine, met een bijbehorende ketelinstallatie, wordt verricht bij een bijstook van ten hoogste 10% in de bijbehorende ketelinstallatie. Artikel 3.7f lid 1 van Activiteitenregeling Continue meting voor de bepaling van de concentratie van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), totaal stof of onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) vindt plaats door: a. b.
rechtstreekse continue meting van de concentratie in het rookgas, of continue meting van de parameters van de voor een stookinstallatie vastgestelde uitworpkarakteristiek.
Artikel 3.7f lid 2 van Activiteitenregeling De kwaliteitsborging van de ter controle van de emissiegrenswaarden geïnstalleerde apparatuur en toegepaste uitworpkarakteristieken voldoen aan NEN-EN 14181. De resultaten van de in het kader van deze norm uitgevoerde jaarlijkse controlemetingen worden door degene die de inrichting drijft, ter beschikking van het bevoegd gezag gesteld. Artikel 3.7g van Activiteitenregeling Bij een continue meting als bedoeld in artikel 3.7f wordt aan een emissiegrenswaarde voldaan indien geen daggemiddelde die emissiegrenswaarde overschrijdt. Artikel 3.7h lid 1 van Activiteitenregeling Indien de concentraties aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) of totaal stof continu worden gemeten, wordt de uitworp tijdens het opstarten en stilleggen van de stookinstallatie niet meegerekend bij het bepalen of aan de desbetreffende emissiegrenswaarde wordt voldaan. Artikel 3.7h lid 2 van Activiteitenregeling Indien de concentratie aan stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C) of totaal stof continu wordt gemeten en de stookinstallatie is uitgerust met nageschakelde apparatuur die is bedoeld voor het verminderen van de emissie van de genoemde stoffen, wordt de uitworp tijdens perioden als bedoeld in artikel 3.10g van het besluit, niet meegerekend.
Artikel 3.7i lid 1 van Activiteitenregeling De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen, op basis waarvan de gemiddelden worden berekend die getoetst worden aan een emissiegrenswaarde, is bij continue metingen niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde: a. b. c. d.
zwaveldioxide (SO2): 20; stikstofoxiden (NOx): 20; totaal stof: 30; en onverbrande koolwaterstoffen (CxHy, uitgedrukt in C): 20.
Artikel 3.7i lid 2 van Activiteitenregeling Bij continue metingen vindt toetsing aan de emissiegrenswaarden plaats op basis van het gemiddelde van de individuele waarnemingen, na aftrek van de waarde van het in het eerste lid bedoelde betrouwbaarheidsinterval.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 14 van 106
17-08-2023
Artikel 3.7i lid 3 van Activiteitenregeling Indien in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn wegens storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem, worden de metingen van die dag als ongeldig beschouwd. Indien in enig kalenderjaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, treft degene die de inrichting drijft passende maatregelen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren. Artikel 3.7j van Activiteitenregeling Van een meting of monstername als bedoeld in deze paragraaf wordt een rapport gemaakt volgens NEN-EN 15259. Artikel 3.7k lid 1 van Activiteitenregeling Bij het spuien van een stoomketel van een stookinstallatie zijn ten minste de spuitank dan wel de andere geschikte voorziening en de leidingen waardoor het spuiwater wordt geleid bestand tegen de inwerking van het spuiwater. Artikel 3.7k lid 2 van Activiteitenregeling De spuitank, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een ontluchtingsleiding, die zodanig is bemeten, dat het bezwijken van de spuiketel door overdruk in de spuitank tijdens het spuien wordt voorkomen. Artikel 3.7l van Activiteitenregeling Het vullen en het legen van een stookinstallatie met vloeibare brandstof vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening.
Artikel 3.7m lid 1 van Activiteitenregeling Een niet-gasgestookte stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van: a. b.
20 kilowatt tot ten hoogste 100 kilowatt, wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid; meer dan 100 kilowatt, wordt ten minste eenmaal per twee jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.
Artikel 3.7m lid 2 van Activiteitenregeling Een gasgestookte stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kilowatt wordt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. Artikel 3.7m lid 3 van Activiteitenregeling Een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt voor de eerste keer uitgevoerd binnen zes weken na ingebruikname. Artikel 3.7m lid 4 van Activiteitenregeling Een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid omvat mede: a. b. c. d.
de afstelling van de verbranding; het systeem voor de toevoer van brandstof en verbrandingslucht; de afvoer van verbrandingsgassen; een meting van koolmonoxide (CO), gemeten voor de onder a genoemde afstelling, uitgedrukt in mg/Nm3, bij een zuurstofpercentage zoals aangegeven in artikel 3.10i, eerste lid, van het besluit, voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer, met dien verstande dat voor installaties in gebruik genomen voor 20 december 2018 deze verplichting geldt: 1. 2.
vanaf 1 januari 2024, indien deze een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MWth hebben; vanaf 1 januari 2029, indien deze een nominaal thermisch ingangsvermogen van 5 MWth of minder hebben.
Artikel 3.7m lid 5 van Activiteitenregeling Aan het vierde lid, onderdeel d, wordt voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, geacht te zijn voldaan, indien de drijver van de inrichting een meetrapport van de fabrikant kan overleggen van een CO-meting die is uitgevoerd aan de stookinstallatie of een stookinstallatie van hetzelfde merk en type, volgens de in het vierde lid, onderdeel d, genoemde eisen.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 15 van 106
17-08-2023
Artikel 3.7m lid 6 van Activiteitenregeling Een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verricht door een bedrijf dat beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven door een instantie die door een accreditatie-instantie is geaccrediteerd om uitvoering te kunnen geven aan de Deelregeling voor stookinstallaties, onderdeel uitmakende van de Certificatieregeling voor het kwaliteitsmanagementsysteem ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud en inspectie aan technische installaties, van de stichting SCIOS. Artikel 3.7m lid 7 van Activiteitenregeling Indien uit een keuring als bedoeld in het eerste of tweede lid blijkt dat de stookinstallatie onderhoud behoeft, vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats. Artikel 3.7m lid 8 van Activiteitenregeling Het verslag van de keuring, bedoeld in het eerste of tweede lid, ondertekend door degene die de keuring heeft verricht, ligt bij de stookinstallatie ter inzage van het bevoegd gezag en wordt voor een periode van ten minste zes jaar bewaard. Artikel 3.7m lid 9 van Activiteitenregeling Na uitvoering van onderhoud als bedoeld in het zevende lid ligt een bewijs van uitvoering van dat onderhoud, gedateerd en ondertekend door degene die het onderhoud heeft uitgevoerd, bij de stookinstallatie ter inzage van het bevoegd gezag.
Artikel 3.7m lid 10 van Activiteitenregeling Indien een stookinstallatie bij keuring dan wel na uitvoering van onderhoud, als bedoeld in het zevende lid, voldoet aan de eisen voor veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid, zorgt degene die de inrichting drijft ervoor dat de stookinstallatie wordt afgemeld in het afmeldsysteem van de stichting SCIOS. Artikel 3.7m lid 11 van Activiteitenregeling Voor stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer omvat het verslag en de afmelding als bedoeld in het achtste en tiende lid ten minste de volgende gegevens: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.
naam en adres van de gebruiker; adres waar de stookinstallatie is opgesteld; unieke identificatie van de stookinstallatie; nominaal thermisch ingangsvermogen (MWth) van de stookinstallatie; type stookinstallatie, onderverdeeld naar gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor, gasturbine, ketel, fornuis, droger, luchtverhitter en andere stookinstallatie; type gebruikte brandstoffen en het aandeel ervan, onderverdeeld naar vaste biomassa, houtpellets, andere vaste brandstof, gasolie, dieselolie, huisbrandolie, biodiesel, andere vloeibare brandstoffen, aardgas, propaangas, butaangas, vergistingsgas en andere gasvormige brandstoffen; datum ingebruikname; verwachte aantal jaarlijkse bedrijfsuren van de stookinstallatie en de gemiddelde belasting tijdens gebruik; sector waarin de stookinstallatie werkt of de inrichting waarin zij wordt gebruikt (viercijferige NACE-code); de datum en meetresultaten van de laatst uitgevoerde emissiemetingen alsmede de tijdens de keuring gemeten koolmonoxide- en zuurstofconcentratie; indien gebruik gemaakt wordt van de vrijstelling van de emissiegrenswaarden op grond van de 500uursregeling, bedoeld in artikel 3.7, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, een door de gebruiker ondertekende verklaring dat de installatie niet meer dan 500 uur per kalenderjaar wordt ingezet; veranderingen in de stookinstallatie of bedrijfsvoering die hebben geleid tot een
verandering in emissiegrenswaarde.
Artikel 3.7m lid 12 van Activiteitenregeling De Minister van Infrastructuur en Waterstaat draagt zorg voor het in stand houden van een register met de gegevens, bedoeld in het elfde lid. Artikel 3.7n lid 1 van Activiteitenregeling De drijver van inrichting onderhoudt de ter controle van de emissiegrenswaarden geïnstalleerde apparatuur zodanig dat de goede werking van de apparatuur is gewaarborgd.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 16 van 106
17-08-2023
Artikel 3.7n lid 2 van Activiteitenregeling Indien zich een storing voordoet in de apparatuur, bedoeld in het eerste lid: a. b.
neemt de drijver van de inrichting onverwijld de nodige maatregelen tot opheffing van die storing, en brengt hij geen wijzigingen aan in het gebruik van de stookinstallatie, die een substantiële stijging van de uitworp van de te meten stof met zich kan brengen.
Artikel 3.7o lid 1 van Activiteitenregeling Voor het bepalen of wordt voldaan aan het urencriterium, genoemd in artikel 3.7, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, registreert degene die de inrichting drijft maandelijks het aantal draaiuren van de stookinstallatie. Artikel 3.7o lid 2 van Activiteitenregeling In afwijking van het eerste lid vindt registratie van het aantal draaiuren van een stookinstallatie gelegen op een offshore olie- of gaswinningsplatform minimaal halfjaarlijks plaats. Artikel 3.7p lid 1 van Activiteitenregeling Degene die de inrichting drijft, bewaart en houdt ter beschikking van het van het bevoegd gezag: a. b. c. d. e. f.
de omgevingsvergunning of de melding ingevolge artikel 1.10 van het besluit; de registratie die wordt bijgehouden ingevolge artikel 3.7o; de resultaten van de laatstelijk uitgevoerde metingen en andere gegevens, die nodig zijn om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de emissiegrenswaarden; een overzicht van de soort en de hoeveelheid in de installatie gebruikte brandstoffen; een overzicht van eventuele storingen of uitvallen van aanvullende emissiebeperkende apparatuur; een overzicht van de gevallen van niet-naleving van de emissiegrenswaarden en de getroffen maatregelen.
Artikel 3.7p lid 2 van Activiteitenregeling De onder b tot en met f bedoelde gegevens en informatie worden ten minste zes jaar bewaard.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 17 van 106
17-08-2023
Activiteit: Opslaan en overslaan van goederen - algemeen Artikel 3.31 lid 1 van Activiteitenbesluit Deze paragraaf is van toepassing op het op- en overslaan van inerte goederen. Artikel 3.31 lid 2 van Activiteitenbesluit Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf voor zover het betreft inrichtingen type B van toepassing op het open overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.3.3, 3.4.1, 3.4.2, 3.4.5 tot en met 3.4.7, 3.4.11, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7. Artikel 3.31 lid 3 van Activiteitenbesluit Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf voor zover het betreft inrichtingen type C van toepassing op: a.
het op- en overslaan van goederen, niet zijnde inerte goederen, voor zover dat niet is geregeld in de paragrafen 3.4.1, 3.4.2, 3.4.4 tot en met 3.4.7, 3.4.11, 4.1.1 tot en met 4.1.4 en 4.1.7, bij: 1°. 2°. 3°.
b.
een autodemontagebedrijf of een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; een zuiveringtechnisch werk, of een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet;
het lozen in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam als gevolg van het op- en overslaan van andere goederen dan inerte goederen.
Artikel 3.31 lid 4 van Activiteitenbesluit Onverminderd het eerste tot en met derde lid is deze paragraaf van toepassing op het zeven van grond met een capaciteit daarvoor van minder dan 100.000 ton per jaar. Artikel 3.31 lid 5 van Activiteitenbesluit Bij ministeriële regeling worden goederen aangewezen welke in ieder geval worden aangemerkt als inerte goederen. Artikel 3.32 lid 1 van Activiteitenbesluit Goederen worden in de buitenlucht zodanig op- of overgeslagen dat: a. b. c. d.
zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is; verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt; zoveel mogelijk wordt voorkomen dat goederen in een oppervlaktewaterlichaam geraken; zoveel mogelijk wordt voorkomen dat goederen in een voorziening voor het beheer van afvalwater geraken.
Artikel 3.32 lid 2 van Activiteitenbesluit Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het zeven van grond. Artikel 3.33 lid 1 van Activiteitenbesluit Het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen, is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter. Artikel 3.33 lid 2 van Activiteitenbesluit Bij het in het oppervlaktewater lozen van afvalwater dat met inerte goederen in contact is geweest, ontstaat geen visuele verontreiniging. Artikel 3.33 lid 3 van Activiteitenbesluit Het lozen op of in de bodem van afvalwater dat met inerte goederen in contact is geweest, is toegestaan. Artikel 3.33 lid 4 van Activiteitenbesluit Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen vindt slechts dan plaats indien het lozen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter. Artikel 3.33 lid 5 van Activiteitenbesluit Het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste en vierde lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
AIM-sessie: Akkzonnyfmz
Pagina 18 van 106
17-08-2023
Artikel 3.33 lid 6 van Activiteitenbesluit Indien de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt. Artikel 3.39 van Activiteitenregeling Voor de toepassing van artikel 3.31, vijfde lid, van het besluit worden onder inerte goederen, in ieder geval de volgende goederen verstaan, voor zover deze niet verontreinigd zijn met bodembedreigende stoffen: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. n.
bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit die binnen dat besluit toepasbaar zijn, uitgezonderd IBC-bouwstoffen als bedoeld in dat artikel; grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 39 van het Besluit bodemkwaliteit; A-hout en ongeshredderd B-hout; snoeihout; banden van voertuigen; autowrakken waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een autodemontagebedrijf en wrakken van tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen; straatmeubilair; tuinmeubilair; aluminium, ijzer, roestvrij staal; kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen; kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels; papier en karton; textiel en tapijt; vlakglas.