2026-022 21 Planregels (geanonimiseerd)
Tekst van het document
REGELS Preambule Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie ‘Woningbouw Nelisveld , Beringe’ en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22ai) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening , bedoeld in artikel 11. 1 lid 2 Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op www. ruimtelijkeplannen. nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22ai] van het omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’ , na de spatie en direct voor het artikel nummer ‘[22ai]’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’ , na de spatie en direct na voor het nummer van de bijlage ‘[22ai]’ gelezen worden.
Hoofstuk 1 Artikel 1
Algemene bepalingen Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen: 1. 1 Begripsbepalingen Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan , bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving , bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving , bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving , bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling , zijn van toepassing op dit hoofdstuk;
Artikel 2
Aanvullende begripsbepalingen
2. 1 Plan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ai ‘Woningbouw het Nelisveld , NL. IMRO. 1894. TAMOPH22ai-VG01 van de gemeente Peel en Maas
Beringe’
met
identificatienummer
2. 2 Omgevingsplan Omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas. 2. 3 Nota parkeernormen De Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 van de gemeente Peel en Maas.
Artikel 3
Toepassingsbereik
3. 1 Verhouding ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijk deel De besluiten op grond van artikel 22.1 , onder a , van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6 , eerste lid , onder a , b , c , g , h , i , j , k , l of m , van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie , bedoeld in het derde lid. 3. 2
Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat) De regels in afdeling 22.2 , met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 , en afdeling 22. 3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. 3 Geometrische afbakening reikwijdte TAM-omgevingsplan De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie ‘Woningbouw Nelisveld , Beringe’ waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL. IMRO. 1894. TAMOPH22ai-ON01 zoals vastgelegd op www. ruimtelijkeplannen. nl.
1
Artikel 4
Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen , in aanvulling op a bedoeld in artikel 22. 24 van dit omgevingsplan , en de volgende meet- en rekeningbepalingen en zijn overeenkomstige toepassing op het meten van waarden die in dit hoofdstuk in m , m² of m³ zijn uitgedrukt , voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3. 1 tot en met 3. 7. 4. 1
de afstand tot de bouwvlak-/functiegrens: tussen de grens van het bouwvlak/functie en een bepaald punt van het bouwwerk , waar die afstand het kortst is. 4. 2
de afstand tussen hoofdgebouw
en
bijbehorende bouwwerken:
tussen de grens van het hoofdgebouw en een bepaald punt van het bijbehorend bouwwerk , waar die afstand het kortst
is. 4. 3 de bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte gemeten aan de binnenzijde van die ruimte(n) binnen een functie die wordt/worden gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling , inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke. 4. 4 de oppervlakte van een bouwvlak- c. q. functievlak: de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en de onbebouwde gronden binnen een bouwvlak/functievlak. Daar waar op de verbeelding twee of meer functievlakken dan wel bouwvlakken door middel van de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden , gelden die functievlakken dan wel bouwvlakken bij de toepassing van deze regels als één functievlak respectievelijk één bouwvlak. 4. 5 de bouwhoogte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk , geen gebouw zijnde , met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen. 4. 6 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 4. 7 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot , c. q. de druiplijn , het boeibord , of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 4. 8
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane-grondvloer , de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de
buitenzijde van daken en dakkapellen. 4. 9 de lengte , breedte en hoogte van een bouwwerk: buitenwerks , dit is de afstand gemeten tussen de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 4. 10 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van een bouwwerk , de fundering niet meegerekend. 4. 11
de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren , neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2
4. 12 de oppervlakte van een bodemingreep: het gebied (zone) waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het (archeologisch) bodemarchief. 4. 13
de oppervlakte van een overkapping:
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping , neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het
afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 4. 14 de vloeroppervlakte van een bouwwerk: de totale vloeroppervlakte gemeten aan de binnenzijde van die ruimte(n). 4. 15 overschrijding van het bouwvlak- c. q. functiegrenzen bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten , pilasters , kozijnen , gevelversieringen , ventilatiekanalen , liftschachten , gevel- en kroonlijsten , luifels , uitbouwen , balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten , mits de overschrijding van het bouwvlak- c. q. functiegrenzen maximaal 1 meter bedraagt.
Artikel 5
Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten , bedoeld in paragraaf 22. 5. 2 zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsplanactiviteit die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 6
Algemeen gebruiksverbod
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsplanactiviteit gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.
3
Hoofstuk 2 Artikel 7
Functies
activiteiten
en
Agrarisch
7. 1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Agrarisch’. 7. 2 Functieomschrijving Een als 'Agrarisch' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. agrarisch grondgebruik , waaronder begrepen het gebruik als hobbydieren-weide , met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – spuitvrije zone’ het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan; met daarbij behorende: a.
b. c.
d.
extensief dagrecreatief medegebruik; groenvoorzieningen paden- en ontsluitingsvoorzieningen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
7. 3 7. 3. 1
Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen Beoordelingsregels bouwen van een hoofdgebouw (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken) Op een als 'Agrarisch' aangewezen locatie mag niet worden gebouwd. 7. 3. 2
Beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken geen gebouw zijnde) Op een als 'Agrarisch' aangewezen locatie mogen geen bouwwerken , geen gebouw zijnde , worden gebouwd , met uitzondering van: erf- en terreinafscheidingen met een open constructie , waarvan de bouwhoogte maximaal 150 a. , meter bedraagt. b. voederruiven en drinkbakken , waarvan de hoogte maximaal 150 , meter bedraagt. ,
,
7. 3. 3
Beoordelingsregels voor het bouwen van een schuilgelegenheid (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken geen gebouw zijnde) Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in artikel 7. 3. 1 ten behoeve van het bouwen van schuilgelegenheden , mits: a. per kadastraal perceel met een minimale oppervlakte van 05, hectare maximaal één schuilgelegenheid wordt gebouwd; b. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt; c. de oppervlakte van de schuilgelegenheid maximaal bedraagt: 1. 25 m² bij een kadastraal perceel met een oppervlakte van 05, hectare tot 1 hectare; 2. 40 m² bij een kadastraal perceel met een oppervlakte groter dan 1 hectare; d. de noodzaak van de schuilgelegenheid uit oogpunt van dierenwelzijn is aangetoond; e. de schuilgelegenheid inpasbaar is ten opzichte van de ter plaatse aanwezige natuurlijke , landschappelijke , abiotische , archeologische en/of cultuurhistorische waarde van de gronden; f. de schuilgelegenheid niet mag worden uitgevoerd in de vorm van een (zee)container; de schuilgelegenheid wordt gerealiseerd aansluitend aan het aangrenzende bouwvlak , dan wel zoveel mogelijk g. geclusterd bij de bestaande bebouwing of aan de randen van het perceel; h. opslag is niet toegestaan; ,
4
i.
geen
1. 2. 3. 4.
onevenredige aantasting plaatsvindt van: de verkeersveiligheid; het woon- en leefklimaat; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7. 3. 4
Beoordelingsregels voor het bouwen van een hoogzit (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken geen gebouw zijnde) Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in artikel 7. 2 ten behoeve van het bouwen van een hoogzit voor de uitoefening van de jacht of natuurstudie , mits: a. de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van actuele en bestaande natuur , landschappelijke , cultuurhistorische , abiotische en archeologische waarden. ,
7. 4 Specifieke gebruiksactiviteiten 7. 4. 1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de functie wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. kamperen; b. evenemententerrein; detailhandel; c. d. paardenbakken; het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen , van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen , van wagens e. en materialen; f. schuilgelegenheden; containervelden; g. h. mest/sleufsilo's; i. nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf; het beproeven van en/of racen met voertuigen , al dan niet in wedstrijdverband en andere lawaaisporten; j. k. (buiten)opslag , waaronder de opslag van mest(stoffen) , behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik. 7. 5 Vergunningsplicht voor het afwijken van de gebruiksactiviteiten 7. 5. 1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van evenementen Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in artikel 7. 4 ten behoeve van het gebruik van gronden voor incidentele evenementen , mits: a. het een tijdelijk of periodiek terugkerend tijdelijk evenement , per locatie maximaal drie keer per jaar voor een aaneengesloten periode van drie dagen , betreft , inclusief op- en afbouw; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. de verkeersveiligheid; 2.
het woon- en leefklimaat; 3. de milieusituatie; 4. de bestaande natuurlijke , landschappelijke , cultuurhistorische , aardkundige en/of abiotische waarden; 5. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing; c. in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden , met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura2000 gebieden; d. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte.
5
7. 5. 2 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van een paardrijbak Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in artikel 7. 4. 1 ten behoeve van de inrichting en het gebruik van gronden als paardrijbak , mits: a. de paardrijbak uitsluitend mag worden gebouwd direct aansluitend aan een bouwvlak van de functie 'Wonen'; b. aangetoond moet worden dat binnen het aangrenzende bouwvlak geen reële mogelijkheden zijn voor realisering van een paardrijbak; c. de oppervlakte maximaal 20 x 40 m bedraagt; d. de paardrijbak mag worden omheind door een bouwwerk geen gebouw zijnde in de vorm van een open afscheiding met een bouwhoogte van maximaal 150 , meter; e. in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden , met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura2000 gebieden; f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het woon- en leefklimaat; 2. de milieusituatie; 3. de bestaande natuurlijke , landschappelijke , cultuurhistorische , aardkundige en/of abiotische waarden; 4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing.
Artikel 8
Groen
8. 1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Groen’. 8. 2 Functieomschrijving Een als 'Groen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. groenvoorzieningen; b. parken; met daarbij behorende: c.
d. e.
f. g.
h. i. j. k. l. m. n.
bermen en beplanting; paden; speelvoorzieningen; jongerenontmoetingsplaatsen; hondenuitlaatplaatsen; nutsvoorzieningen; kunstwerken; dagrecreatief medegebruik; waterlopen en waterpartijen , waaronder wadi's; terrassen;
standplaatsen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
8. 3 8. 3. 1
Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken) Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd , met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen , met dien verstande dat: a. de bouwhoogte maximaal 35, meter bedraagt; b. de oppervlakte per gebouw maximaal 15 m² bedraagt; 6
8. 3. 2
Beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken geen gebouw zijnde) Op een als 'Agrarisch' aangewezen locatie mogen geen bouwwerken , geen gebouw zijnde , worden gebouwd , met uitzondering van: de bouwhoogte van bouwwerken , geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 5 meter , met uitzondering van a. lichtmasten , waarvan de hoogte maximaal 12 meter bedraagt; b. bouwwerken , geen gebouw zijnde ten behoeve van terrassen , jongerenontmoetingsplaatsen en overkappingen zijn niet toegestaan. ,
,
8. 4 Specifieke gebruiksactiviteiten 8. 4. 1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: kamperen; a. b. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen , van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen , van wagens en materialen; c. evenementen , behoudens toegestaan krachtens artikel 8. 4. 2; d. het beproeven van en/of racen met voertuigen , al dan niet in wedstrijdverband; buitenopslag , waaronder de opslag van mest(stoffen) , behalve als dit noodzakelijk is voor het op de e. bestemming gerichte tijdelijke gebruik. 8. 4. 2 Evenementen Evenementen zijn onbeperkt toegestaan voor de duur van maximaal tien aaneengesloten dagen , inclusief op- en afbouw.
Artikel 9
Verkeer
9. 1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Verkeer’. 9. 2 Functieomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen , straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie; b. voet- en rijwielpaden; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen , waaronder bermen en beplanting; e. nutsvoorzieningen; f. kunstwerken; g. waterlopen en waterpartijen , waaronder wadi's; h. vervoersvoorzieningen , zoals bushokjes/abri's; i. evenementen , overeenkomstig het bepaalde in artikel 9. 4. 2; j. terrassen; k. standplaatsen; l. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
7
9. 3 9. 3. 1
Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken) Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd , met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen en openbaar vervoer voorzieningen , met dien verstande dat: de bouwhoogte maximaal 35, meter bedraagt; a. b. de oppervlakte per gebouw maximaal 15 m² bedraagt. 9. 3. 2
Beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken geen gebouw zijnde) Voor het bouwen van bouwwerken , geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: de bouwhoogte van bouwwerken , geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 5 meter , met uitzondering van a. lichtmasten , waarvan de bouwhoogte maximaal 12 meter bedraagt; b. bouwwerken , geen gebouw zijnde ten behoeve van overkappingen en jongerenontmoetingsplaatsen zijn niet ,
,
toegestaan.
9. 3. 3
Beoordelingsregels voor het bouwen van terrassen (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken geen gebouw zijnde) Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken voor het bepaalde in 9. 3. 2 ten behoeve van het bouwen van bouwwerken , geen gebouw zijnde , ten behoeve van terrassen , in de vorm van een uitval/zonnescherm , met dien verstande dat: a. de uitval/ het zonnescherm aan de gevel dient te worden bevestigd; b. de hoogte en de diepte maximaal 4 meter bedraagt; het bouwen geen onevenredig gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid en/of de verblijfsfunctie. c. ,
9. 4 Specifieke gebruiksactiviteiten 9. 4. 1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: kamperen; a. b. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen , van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen , van wagens en materialen; c. evenementen , behoudens toegestaan krachtens artikel 9. 5. 2; d. het beproeven van en/of racen met voertuigen , al dan niet in wedstrijdverband; buitenopslag. e. 9. 4. 2 Evenementen Evenementen zijn onbeperkt toegestaan voor de duur van maximaal tien aaneengesloten dagen , inclusief op- en afbouw.
Artikel 10
Wonen
10. 1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’. 10. 2
Functieomschrijving een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a.
wonen;
8
b.
ter plaatste van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen
– landschappelijke inpassing Peelstraat-Kampweg’ de landschappelijke inpassing van de woningen , overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergeven in de bijlage bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 10. 5. 4;
met de daarbij behorende: c.
d. e.
f. g.
h. i.
uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis overeenkomstig het bepaalde in artikel 10. 6. 3; een paardrijbak voor het hobbymatig houden van paarden; het organiseren van evenementen overeenkomstig het bepaalde in artikel 10. 6. 2 ; groenvoorzieningen; tuinen , erven en terreinen; paden , wegen , ontsluitings- en parkeervoorzieningen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.
10. 3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen 10. 3. 1 Algemeen Op de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 10. 2 genoemde functie worden gebouwd: Hoofdgebouwen in de vorm van woningen , met dien verstande dat: a. 1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - rijwoningen’ uitsluitend rijwoningen. 2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - tweekapper’ uitsluitend twee-onder-een-kap woningen. 3. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – vrijstaand’ uitsluitend vrijstaande woningen. b. Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken , geen gebouw zijnde. c. 10. 3. 2
Beoordelingsregels bouwen van een hoofdgebouw (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken) De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw in de vorm van een woning wordt uitsluitend verleend onder de volgende voorwaarden: de woning mag uitsluitend gebouwd worden binnen het bouwvlak; a. b. per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan , met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' woningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding; c. de voorgevel van de woning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn; d. de inhoud van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 1. 000 m 3 , met dien verstande dat: 1. indien de inhoud van de bestaande gebouwen tezamen op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan Peel en Maas méér bedraagt , de uitbreiding van de bestaande bebouwing of de bouw van nieuwe gebouwen alleen is toegestaan indien na realisatie van die uitbreiding de totale inhoud van gebouwen binnen het bestemmingsvlak maximaal 1. 000 m 3 bedraagt en overtollige bebouwing derhalve wordt gesloopt; 2. de inhoud van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘maximum volume’ maximaal de aangeduide inhoud bedraagt; e. de goothoogte van een woning bedraagt maximaal 7 meter; f.
de bouwhoogte van een woning bedraagt maximaal 11 meter; 10. 3. 3
Beoordelingsregels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bijbehorende bouwwerken) De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt uitsluitend verleend onder de volgende voorwaarden a. Bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd in het achtererfgebied , met uitzondering van overkappingen voor de voorgevelrooilijn als bepaald onder e; 9
b.
c.
d.
e.
f. g.
h. i.
ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte bijgebouwen’ mag een bijbehorend bouwwerk opgericht
worden met een grootte van maximaal 200 m.2 Bijbehorende bouwwerken ter plaatse van deze aanduiding worden niet meegerekend bij de maximale inhoudsmaat op basis van artikel 10. 3. 2 onder d sub 2; bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte bijgebouwen’ hebben een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale nokhoogte van 7 meter; de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied bedraagt maximaal 200 m² , met dien verstande dat maximaal 75% van het achtererfgebied bebouwd mag worden , met inbegrip van bestaande bebouwing; afstand van minimaal 1 meter achter de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd; de afstand tussen de woning en de bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 15 meter; de goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 330 , meter; de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 6 meter. overkappingen voor de voorgevel gebouwd aan andere bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan mits de afstand aan de voorzijde van de overkapping tot aan de bestemmingen 'Verkeer' of 'Verkeer - Verblijfsgebied' minimaal 35, meter bedraagt.
10. 3. 4
Beoordelingsregels voor het bouwen van een bouwwerk geen gebouw zijnde (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken geen gebouw zijnde) De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk , geen gebouw zijnde wordt uitsluitend verleend onder de volgende voorwaarden: de bouwhoogte van bouwwerken , geen gebouw zijnde , bedraagt maximaal 12 meter , met uitzondering van: a. 1. erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn , waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt; 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn , waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt; 3. lichtmasten rond een paardrijbak , waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt; b. per woning is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan , met dien verstande dat: 1. de afstand van het zwembad tot de woning maximaal 15 meter bedraagt; 2. de oppervlakte van het zwembad maximaal 30 m 2 bedraagt; c. het bouwen van één overkapping aan de achter- of zijgevel van de woning is toegestaan , mits de oppervlakte maximaal 30 m 2 bedraagt. ,
,
10. 3. 5 Voorwaardelijke verplichting beeldkwaliteit Het bouwen van woningen , zoals bedoeld in artikel 10.3 , is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat wordt voldaan aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in bijlage 22ai. 2. Plannen worden ter beoordeling aan de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Peel en Maas voorgelegd. Van het bepaalde in artikel 10. 3 kan enkel worden afgeweken na goedkeuring van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Peel en Maas. 10. 3. 6 Voorwaardelijke verplichting nieuwe woningen Kampweg (deelgebied Peelstraat) Het bouwen van woningen op de nieuwbouwlocaties aan de Kampweg op de locatie waar uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan , zoals bedoeld in artikel 10. 3 is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond met een akoestisch onderzoek dat er plaatse van , en in , de woningen voldaan wordt aan aanvaardbare geluidwaardes , zodoende dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van geluid. 10. 4 Maatwerkvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het functievlak: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b.
ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.
10
10. 5 Specifieke functieregels 10. 5. 1 Strijdig gebruik Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen; b. kamerverhuur; c. kamperen; d. woningsplitsing; detailhandel; e. f. evenementen , behoudens toegestaan krachtens artikel 10. 5. 2; g. permanente of tijdelijke bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en gebouwen , geen woning zijnde; h.
opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak;
i.
het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen , van al dan niet afgedankte
voer- en
vaartuigen en
van wagens;
j.
permanente of tijdelijke bewoning , voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken en gebouwen , geen
woning zijnde , betreft; k. l.
bewoning als afhankelijke woonruimte , behoudens bestaande mantelzorgvoorzieningen; buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.
10. 5. 2 Evenementen Evenementen zijn maximaal drie keer per jaar toegestaan voor de duur van maximaal drie aaneengesloten dagen per evenement , inclusief op- en afbouw. 10. 5. 3 Beroep of bedrijf aan huis Een beroep of bedrijf aan huis bij de woning , als opgenomen in het 'Overzicht beroep of bedrijf aan huis' (bijlage bij deze regels) of hiermee naar aard en omvang gelijk te stellen beroepen en bedrijven , wordt geacht in overeenstemming te zijn met de woonfunctie en is toegestaan , mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft; b. degene die gebruiker van de woning is tevens degene is die het beroep of bedrijf aan huis uitoefent; c. maximaal 50 m² van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor beroep en bedrijf aan huis; d. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c. q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt en geen negatieve gevolgen mag hebben op de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving; e. het gebruik geen dusdanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft welke kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; f. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte; g.
internetverkoop slechts is toegestaan indien er geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt en de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en afgehaald kunnen worden. Opslag ten behoeve van internetverkoop is mogelijk binnen de bestaande bebouwing tot maximaal 50 m² waarbij ter plaatse opslag en verzending plaatsvindt. Internetverkoop waarbij ter plaatse alleen de elektronische transactie plaatsvindt en geen opslag en verzending plaatsvindt is zonder meer toegestaan;
h. i. j.
detailhandel plaatsvindt , behoudens beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis gebonden beroep/bedrijf; er geen buitenopslag plaatsvindt; reclame-uitingen ten dienste van het beroep of bedrijf aan huis beperkt blijven tot het plaatsen van een bord met als maximale afmetingen 1 meter x 05, meter aan de voor- of zijgevel of in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neon- of andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan. er geen
11
10. 5. 4 Landschappelijke inpassing De bij dit plan behorende landschappelijke inpassingen zoals opgenomen in de bijlagen dienen overeenkomst het inrichtingsplan te worden gerealiseerd en in stand gehouden.
Artikel 11
Waarde
-
Archeologie 4
11. 1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 4’. 11. 2 Functieomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn , behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) , mede bestemd voor: de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen , in het a. bijzonder voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. 11. 3 11. 3. 1
Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken) Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd , met uitzondering van: a. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken , waarbij de bodemverstoring ten behoeve van de oprichting van het gebouw een oppervlakte heeft van minder dan 250 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld ; b. het bouwen van een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan c. dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 11. 4 Vergunningsplicht voor afwijken bouwactiviteiten 11. 4. 1 Afwijken van de bouwactiviteiten ten behoeve van het bouwen van gebouwen en bouwwerken Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken voor het bepaalde in artikel 10.3.1 , ten behoeve van het bouwen en/of vergroten van gebouwen en/of bouwwerken , met dien verstande dat: a.
door de aanvrager een archeologisch rapport dient te worden overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeologische waarden van het terrein , dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord , in voldoende mate is vastgesteld; b. een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer: 1. naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; 2. door het overleggen van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan de bij het onderzoek vastgestelde diepteligging van het archeologisch relevante niveau.
12
11. 5
Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk , geen bouwwerk zijnde , of van werkzaamheden 11. 5. 1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit van het bevoegd gezag de volgende werken , geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden zoals het afgraven , ophogen , vergraven , egaliseren , diepploegen en diepwoelen van gronden; b. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen , damwanden , boor- en pompputten; waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling; c. d. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing; e. het aanleggen , dempen of wijzigen (zoals het verbreden , verdiepen , wijzigen van oevers en profiel) van sloten , greppels , watergangen en overige waterpartijen; f. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd; g. h. het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt , graszodenteelt en siergewassenteelt; het aanleggen en/of verharden van wegen , paden , parkeerterreinen of het aanbrengen van andere i.
oppervlakteverhardingen; het aanbrengen van ondergrondse transport- energie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende j. constructies , installaties of apparatuur; k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen , waarbij grondroering plaatsvindt; l. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; m. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie. 11. 5. 2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 10. 5. 1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. 1. ten behoeve van de oprichting van het gebouw een bodemverstorings-oppervlakte heeft van minder dan 250 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld; 2. ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen , mits verricht door een ter zake deskundige partij; 3. het normale beheer en onderhoud betreffen , met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen , bestratingen , beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 4. het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 40 centimeter onder maaiveld wordt geroerd; 5. plaatsvinden binnen een afstand van maximaal 25, meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; 6.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. b. Het verbod als bedoeld in artikel 10. 5. 1 is ook niet van toepassing indien: 1. naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat de grond reeds verstoord is; 2. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld , voorzien van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan 40 centimeter onder maaiveld , en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 10. 5. 1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken , geen bouwwerken zijnde , en werkzaamheden is vereist; 3. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld , voorzien van een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 10. 5. 1 sub h 13
het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken , geen bouwwerken zijnde , en werkzaamheden is vereist. 11. 5. 3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 10. 5. 1 zijn slechts toelaatbaar indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. 11. 5. 4 Onderzoeksplicht a. De aanvrager van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 10. 5. 1 die betrekking heeft op gronden , die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 4' dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld , en; 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd , dan wel: 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad , dan wel niet (meer) aanwezig zijn b.
Een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 11. 5. 5 Voorwaarden verlenen binnenplanse omgevingsplanactiviteit het bevoegd gezag verleent de binnenplanse omgevingsplanactiviteit wanneer naar haar oordeel genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht c. nemen van aan de binnenplanse omgevingsplanactiviteit verbonden voorschriften. 11. 5. 6 Voorschriften te verbinden aan binnenplanse omgevingsplanactiviteit In de situatie als bedoeld in artikel 10. 5. 5 kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de binnenplanse omgevingsplanactiviteit: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen , waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen a. worden behouden; b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten opgraven , volgens een variant archeologische c.
begeleiding , door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 12
Waarde
-
Archeologie 5
12. 1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 5’. 12. 2 Functieomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn , behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) , mede bestemd voor: a. de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen , in het bijzonder voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
14
12. 3 12. 3. 1
Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken) Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd , met uitzondering van: a. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken , waarbij de bodemverstoring ten behoeve van de oprichting van het gebouw een oppervlakte heeft van minder dan 2500 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld ; b. het bouwen van een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; c. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 12. 4 Vergunningsplicht voor afwijken bouwactiviteiten 12. 4. 1 Afwijken van de bouwactiviteiten ten behoeve van het bouwen van gebouwen en bouwwerken Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken voor het bepaalde in artikel 12.3.1 , ten behoeve van het bouwen en/of vergroten van gebouwen en/of bouwwerken , met dien verstande dat: door de aanvrager een archeologisch rapport dient te worden overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende a.
norm waarin de archeologische waarden van het terrein , dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord , in voldoende mate is vastgesteld; b. een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer: 3. naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; 4. door het overleggen van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan de bij het onderzoek vastgestelde diepteligging van het archeologisch relevante niveau. 12. 5
Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk , geen bouwwerk zijnde , of van werkzaamheden 12. 5. 1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit van het bevoegd gezag de volgende werken , geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: grondwerkzaamheden zoals het afgraven , ophogen , vergraven , egaliseren , diepploegen en diepwoelen van gronden; a. b. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen , damwanden , boor- en pompputten; waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling; c. d. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing; e. het aanleggen , dempen of wijzigen (zoals het verbreden , verdiepen , wijzigen van oevers en profiel) van sloten , greppels , watergangen en overige waterpartijen; f. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; g. het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd; h. het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt , graszodenteelt en siergewassenteelt; i. het aanleggen en/of verharden van wegen , paden , parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; j.
het aanbrengen van ondergrondse transport- energie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies , installaties of apparatuur; k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen , waarbij grondroering plaatsvindt; l. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; m. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie.
15
12. 5. 2 Uitzonderingen a. Het bepaalde in artikel 12. 5. 1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. ten behoeve van de oprichting van het gebouw een bodemverstorings-oppervlakte heeft van minder dan 2500 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld; 2. ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen , mits verricht door een ter zake deskundige partij; 3. het normale beheer en onderhoud betreffen , met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen , bestratingen , beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 4. het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 40 centimeter onder maaiveld wordt geroerd; 5. plaatsvinden binnen een afstand van maximaal 25, meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; 6. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. b. Het verbod als bedoeld in artikel 12. 5. 1 is ook niet van toepassing indien: 1. naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat de grond reeds verstoord is; 2.
de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld , voorzien van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan 40 centimeter onder maaiveld , en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 12. 5. 1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken , geen bouwwerken zijnde , en werkzaamheden is vereist; 3. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld , voorzien van een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 12. 5.
1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken , geen bouwwerken zijnde , en werkzaamheden is vereist. 12. 5. 3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 12. 5. 1 zijn slechts toelaatbaar indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. 12. 5. 4 Onderzoeksplicht a. De aanvrager van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 12. 5. 1 die betrekking heeft op gronden , die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 5' dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld , en; 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd , dan wel: 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad , dan wel niet (meer) aanwezig zijn b.
Een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
16
12. 5. 5 Voorwaarden verlenen binnenplanse omgevingsplanactiviteit het bevoegd gezag verleent de binnenplanse omgevingsplanactiviteit wanneer naar haar oordeel genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; b. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; c. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de binnenplanse omgevingsplanactiviteit verbonden voorschriften. 12. 5. 6 Voorschriften te verbinden aan binnenplanse omgevingsplanactiviteit In de situatie als bedoeld in artikel 12. 5. 5 kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de binnenplanse omgevingsplanactiviteit: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen , waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten opgraven , volgens een variant archeologische c. begeleiding , door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 13
Waarde
-
Archeologie 7
13. 1 Toepassingsbereik De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 7’. 13. 2 Functieomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 7' aangewezen gronden zijn , behalve voor de andere daar voorkomende functie(s) , mede bestemd voor: de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen , in a. het bijzonder voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde waar een diepere grondbewerking heeft plaatsgevonden. 13. 3 13. 3. 1
Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken) Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 7' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd , met uitzondering van: het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken , waarbij de bodemverstoring ten behoeve van de oprichting van het a. gebouw een oppervlakte heeft van minder dan 2500 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld ; b. het bouwen van een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; c. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. 13. 4 Vergunningsplicht voor afwijken bouwactiviteiten 13. 4. 1 Afwijken van de bouwactiviteiten ten behoeve van het bouwen van gebouwen en bouwwerken Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken voor het bepaalde in artikel 12.3.1 , ten behoeve van het bouwen en/of vergroten van gebouwen en/of bouwwerken , met dien verstande dat: a.
door de aanvrager een archeologisch rapport dient te worden overlegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeologische waarden van het terrein , dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord , in voldoende mate is vastgesteld; b. een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer:
17
1. 2.
het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; door het overleggen van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onderzoek blijkt dat de verstoringsdiepte van de bouwactiviteit minder diep reikt dan 40 centimeter onder maaiveld. naar
13. 5
Binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk , geen bouwwerk zijnde , of van werkzaamheden 13. 5. 1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 7' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit van het bevoegd gezag de volgende werken , geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: grondwerkzaamheden zoals het afgraven , ophogen , vergraven , egaliseren , diepploegen en diepwoelen van gronden; a. b. het indrijven van voorwerpen in de grond zoals heipalen , damwanden , boor- en pompputten; waterhuishoudkundige ingrepen zoals het aanbrengen van onderbemaling; c. d. het aanleggen van dammen en stuwen en het aanbrengen van oeverbeschoeiing; e. het aanleggen , dempen of wijzigen (zoals het verbreden , verdiepen , wijzigen van oevers en profiel) van sloten , greppels , watergangen en overige waterpartijen; f. het aanbrengen van diepwortelende beplanting; het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd; g. h. het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt , graszodenteelt en siergewassenteelt; het aanleggen en/of verharden van wegen , paden , parkeerterreinen of het aanbrengen van andere i.
oppervlakteverhardingen; het aanbrengen van ondergrondse transport- energie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende j. constructies , installaties of apparatuur; k. het slopen van gebouwen en verwijderen van funderingen , waarbij grondroering plaatsvindt; l. het afplaggen van heide- of natuurgebieden; m. het aanleggen van een drainagestelsel en beregeningsinstallatie. 13. 5. 2 Uitzonderingen a. Het bepaalde in artikel 13. 5. 1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. ten behoeve van de oprichting van het gebouw een bodemverstorings-oppervlakte heeft van minder dan 2500 m² of waarbij de bodemverstoring minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld; 2. ten dienste staan van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen , mits verricht door een ter zake deskundige partij; 3. het normale beheer en onderhoud betreffen , met inbegrip van onderhoud- en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen , bestratingen , beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 4. het normale agrarisch gebruik betreffen waaronder worden verstaan grondbewerkingen ten dienste van agrarisch gebruik mits de bodem tot niet meer dan een diepte van 40 centimeter onder maaiveld wordt geroerd; 5. plaatsvinden binnen een afstand van maximaal 25, meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; 6.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. b. Het verbod als bedoeld in artikel 13. 5. 1 is ook niet van toepassing indien: 1. naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangetoond dat de grond reeds verstoord is; 2. de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld , voorzien van een overeenkomstig de eisen van het bevoegd gezag uitgevoerd onafhankelijk onderzoek waaruit blijkt dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden of werken minder diep reikt dan 40 centimeter onder maaiveld , en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 13. 5. 1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de 18
3.
werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken , geen bouwwerken zijnde , en werkzaamheden is vereist; de werkzaamheden vooraf bij het bevoegd gezag zijn gemeld , voorzien van een schriftelijke verklaring met bewijsmateriaal waarbij wordt aangetoond dat de grond reeds dieper is geroerd dan de voorgestelde bewerkingsdiepte en voorzien van een verklaring dat in het geval van teelten zoals bedoeld onder 13. 5. 1 sub h het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld waarop het bevoegd gezag op basis van deze melding voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk te kennen heeft gegeven dat voor de betreffende werkzaamheden geen binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken , geen bouwwerken zijnde , en werkzaamheden is vereist.
13. 5. 3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 13. 5. 1 zijn slechts toelaatbaar indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. 13. 5. 4 Onderzoeksplicht a. De aanvrager van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 13. 5. 1 die betrekking heeft op gronden , die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 7' dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag: 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld , en; 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd , dan wel: 3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad , dan wel niet (meer) aanwezig zijn b. Een onderzoek als bedoeld onder a is niet vereist wanneer naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 13. 5. 5 Voorwaarden verlenen binnenplanse omgevingsplanactiviteit het bevoegd gezag verleent de binnenplanse omgevingsplanactiviteit wanneer naar haar oordeel genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; b.
de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht c. nemen van aan de binnenplanse omgevingsplanactiviteit verbonden voorschriften. 13. 5. 6 Voorschriften te verbinden aan binnenplanse omgevingsplanactiviteit In de situatie als bedoeld in artikel 13. 5. 5 kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorschriften verbinden aan de binnenplanse omgevingsplanactiviteit: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen , waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen a. worden behouden; b. de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten opgraven , volgens een variant archeologische begeleiding , door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
19
Hoofstuk 3 Artikel 14
Algemene regels Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven , blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 15
Algemene bouwactiviteitenregels
15. 1 Ondergronds bouwen 15. 1. 1 Ondergrondse werken Voor het uitvoeren van ondergrondse werken , geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden , behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen , geen beperkingen. 15. 1. 2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden , behoudens de in deze regels opgenomen afwijkingen , de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak , dan wel onder een bestaand hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk; b. het oppervlak van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil; de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter onder peil; c. d. bij het berekenen van de blijkens de verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak , wordt de oppervlakte en de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet in aanmerking genomen. 15. 1. 3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in artikel 15. 1. 2 onder c. voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een diepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat: de waterhuishouding niet wordt verstoord; a. b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden. 15.
2 Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten , pilasters , kozijnen , gevelversieringen , ventilatiekanalen , liftschachten , gevel- en kroonlijsten , luifels , uitbouwen , balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten , mits de overschrijding van bouw- c. q. functiegrenzen maximaal 1 meter bedraagt. 15. 3 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten 15. 3. 1 Afwijkende hogere maten Indien de inhoud of de oppervlakte van bebouwing ter plaatse van de aanduiding ‘vrijkomende agrarische bebouwing’ op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan méér bedraagt dan de maximale toegestane inhoud , dan is uitsluitend de bestaande bebouwing toegestaan.