CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-096 03 Ruimtelijke motivering Molenstraat 67 Helden (geanonimiseerd)

Raad 16 december 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan ‘Molenstraat 67 Helden’ (2025-096)11.537 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Document

__

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

Procedure:

__ WOP (TAM-omgevingsplan)

Datum:

22 oktober 2025

Auteur:

Dhr. i. (geanonimiseerd)

Initiatiefnemer. )dreesiminonaeg(

Pijnenburg

>

agrarisch advies & onroerend goed

Spoorweg 4 5963 NJ Horst

T+31(0)77 398 29 21 F+31 (0)77 398 68 00 info@pijnenburgadvies.nl

INHOUDSOPGAVE

INHOUDSOPGAVE.

1 Aanleiding en doel

1.1 Aanleiding. 1.2 Plangebied

1.3 Het omgevingsplan 14 Leeswijzer

2 Beschrijving huidige situatie. 3 Voorgenomen ontwikkeling

4 Beleid en regelgeving 4.1 Rijksbeleid

.

8

4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels. 4.3 Omgevingswaarden 4.4 Regionaal beleid. 4.5 Beleid Waterschap.

4.6 Gemeentelijk beleid 5 Landschappelijke, stedenbouwkuni

je en cultuurhistorische waarden...

6 Fysieke leefomgeving 6.1 Beschermen van de gezondheid. 6.2 Milieubelastende activiteiten 6.3 Geluid door activiteiten.…

6.4 Kwaliteit van de buitenlucht. 65 Geu

6.6 Bodemkwalit

6.7 Wegen, verkeer en parkeren 6.8 Omgevingsveiligheid.. 6.9 Natuur…

6.10 Water en watersystemen … 6.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw 6.12 Bedrijfsmatige activiteiten… 6.13 Toetsing Besluit m.e.r. / m.e.r-beoordeling 6.14 Spuitzones . 7.1 Beperkingengebieden 8 Uitvoerbaarheid 8.1

Economische

30 uitvoerbaarheid .

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 9 Belangenafweging en conclusie

33

91 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?.… 9.2 Conclusie..

Separate bijlagen: 1.

Notitie inzake geluid

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

1

1 Aanleiding en doel 1.1 Aanleiding eigenaar van de woning aan de Molenstraat 67 te Helden. Op deze locatie was in het verleden een bedrijf gevestigd. Reeds voor geruime tijd wordt de woning niet gebruikt ten behoeve van de bedrifsvoering.

Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (rood omljnd)

Om de feitelijke situatie ook juridisch-planologisch vast te leggen dient een wijziging van het omgevingsplan plaats te vinden. Onderhavige motivering maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tot en met 31 december 2025 kan dat op basis van een TAM-imro. Daar wordt in onderhavig geval dan ook gebruik van gemaakt.

1.2 Plangebied De locatie ligt aan de Molenstraat 67 in de bebouwde kom van Helden. Het perceel is kadastraal bekend als

Helden, sectie V, nummer 773 met een oppervlakte van 795 m2?. De Molenstraat betreft een Provinciale weg (N562) tussen de rotondes “Antiek” en “Potdé” in Helden. Aan de Molenstraat is in hoofdzaak sprake van de functie Wonen'. Daarnaast is er op enkele locaties sprake van andere functies, zoals kleinschalige bedrijvigheid, horeca en detailhandel.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

2

1.3 Het omgevingsplan De locatie valt onder de werking van het ‘Omgevingsplan gemeente Peel en Maas’, welke vanaf 01-01-2024 in werking is getreden. Het omgevingsplan bevat regels van de gemeente voor de fysieke Ieefomgeving. ledere gemeente heeft 1 omgevingsplan onder de Omgevingswet. Alle bestemmingsplannen die op 31 december 2023 bestaan, staan op 1 januari 2024 automatisch in een tjdelijk omgevingsplan. Dit heet een ‘omgevingsplan van rechtswege’. De gemeente gaat dit tijdelijke plan stap-voor-stap veranderen in een omgevingsplan. Dit is uiterlijk in 2032 klaar. De locatie aan de Molenstraat 67 maakt derhalve nu nog onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Dubbelkem Helden-Panningen’, vastgesteld op 5 februari 2013. De locatie heeft daarin de bestemming ‘Bedrijf. Deze bestemming omvat de objecten Molenstraat 67, 69, 694 en Sterappel 1. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie 4'. Tevens gelden maatvoeringsregels met betrekking tot maximale goot- en bouwhoogte.

Verder is op 19-06-2018 het ‘Parapluplan Parkeemota Peel en Maas' vastgesteld. Dit plan maakt het mogeljk om bestemmingsplannen en vergunningaanvragen te toetsen om te beoordelen of er voorzien s in voldoende parkeergelegenheid. Het gebruiken van de aanwezige bedrijfswoning, zonder een bedrijfte exploiteren is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet rechtstreeks toegestaan.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

3

Enkelbestemming Bedrijf

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4

Bouwvlak

Maatvoering maximum bouwhoogte:

7 m

> maximum goothoogte:

5 m

' de bestaande bestemming “Bedrif, rood omljnd is het deel dat de bestemming "Wonen” krgt n di plan.

Om de beoogde wijziging ook juridisch-planologisch vast te leggen dient een wijziging van het omgevingsplan plaats te vinden. Onderhavige motivering maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tot en met 31 december 2025 kan dat op basis van een TAM-imro. Daar wordt in onderhavig geval dan ook gebruik van gemaakt.

1.4 Leeswijzer Deze motivering is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie binnen het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het beleidskader met de bijbehorende regelgeving wordt uitgewerkt in hoofdstuk 4. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 een toelichting gegeven ten aanzien van de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 6 wordt getoetst aan alle relevante (milieu)aspecten behorende tot de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de beperkingengebieden en in hoofdstuk 8 op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot vindt in hoofdstuk 9 de belangenafweging plaats en is de algehele conclusie omtrent het project uiteengezet.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

4

2 Beschrijving huidige situatie In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige sítuatie van het plangebied en de omgeving daarvan. Ook wordter ingegaan op de aanwezige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en omgeving. Dit alles dient als basís voor de voorgenomen ontwikkeling.

De locatie ligt aan de Molenstraat 67, 69, 69a en Sterappel 1 te Helden. De percelen zijn kadastraal bekend

als Helden, sectie V, nummers 773 en 1090 met een gezamenljke opperviakte van 2.748 m2. Op het perceel V773 (795 m2) is een bestaande woning aanwezig met bijbehorende bouwwerken. Op perceel V1090 (1953 m2) is een bedrijfswoning aanwezig met een bedrijfsruimte.

-

Afbeelding 4. Luchtfoto huidige situatie met het plangebied rood omljnd.

U

De bestaande bestemrming Bedrif s oranje omlind

Medio 2002 heeft er een splitsing van het object als geheel plaatsgevonden. Perceel 773 is sinds die tijd als burgerwoning in gebruik. Op perceel V1090 is het bedrijf voorgezet, waarbij door de eigenaar van het bedrif een nieuwe bedrijfswoning is gerealiseerd die nu bekend is als Sterappel 1. De eigenaar van het bedrif heeft daarmee destijds aanvaard dat de woning van het bedrif werd afgesplist en niet ten behoeve van het bedrijf gebruikt zou worden. Dit heeft mede de bouw van de nieuwe bedrijfswoning aan de Sterappel 1 mogelijk gemaakt.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

5

Na die tijd is het bedrijf ter plaatse voortgezet waarbij een deel van het bedrijfsgebouw dat het meest nabij Molenstraat 67 ligt wordt verhuurd aan een ander kleinschalig bedrif. Medio 2025 zijn er daarmee twee bedrijven gevestigd in het bedrijfsgebouw (Molenstraat 69-69a), is er 1 bedrijfswoning die ook als zodanig gebruikt (Sterappel 1) wordt en is er 1 bedrijfswoning die sinds 2003 gebruikt wordt als burgerwoning

(Molenstraat 67). Met onderhavig plan wordt de woning aan de Molenstraat 67 afgesplitst van het bedrif. Het bedrijf wordt ongewijzigd voortgezet. Op grond van de planregels uit het vigerende bestemmingsplan is het gebruiken van het bedrijfsgebouw door 2 bedrijven toegestaan. De Molenstraat betreft een Provinciale weg (N562) tussen de rotondes “Antiek” en “Potdé” in Helden. Aan de Molenstraat is in hoofdzaak sprake van de functie 'Wonen’. Daarnaast is er op enkele locaties sprake van andere functies, zoals kleinschalige bedrijvigheid, horeca en detailhandel.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

6

3 Voorgenomen ontwikkeling In dt hoofdstuk wordt een (korte) beschrijving gegeven van de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij wordt 0ok alvast ingegaan op bijzondere aandachtspunten voor zover daar sprake van is. Een eventuele verdere verantwoording van deze bijzondere aandachtspunten is opgenomen in hoofdstukken 4 en 5. Zoals eerder aangegeven wordt de woning aan de Molenstraat 67 niet bewoond door iemand die een binding heeft met het bedrijf dat ter plaatse gevestigd is. Daarom is het wenselijk om de bestemming van de woning naar Wonen' te wijzigen. Daarmee wordt de planologische situatie in overeenstemming gebracht met de

feitelijke situatie. De bedrijven worden ter plaatse ongewijzigd voortgezet. Het bestemmings- en bouwvlak behorende bij de bestemming “Bedrij wordt verkleind met de opperviakte die de bestemming ‘Wonen’ krijgt. Daardoor hebben de eigenaren ieder de beschikking over een bestemmingsvlak dat overeenkomt met hun eigen perceel. De dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie 4’ en de maatvoeringsregels blijven onverkort van kracht.

[TEGENDA Plangebied

C

ergens

Bestemmingen Enkelbestemringen

E EE

o vons

Dubbelbestemmingen w

Am

&

Bouwvlakken

n /

$

/

_/

n

| Maatvoeringen

s !

N

/

Afbeelding 5: Uitsnede verbeelding

Aangezien voor de locatie Molenstraat 69-69a en Sterappel 1 uitsluitend het bestemmingsvlak en bouwvlak wordt verkleind en de bedrijfsvoering ongewijzigd wordt voortgezet, wordt in deze onderbouwing verder alleen

ingegaan op de locatie Molenstraat 67.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

7

4 Beleid en regelgeving In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling toegelicht en wordt de ontwikkeling hieraan getoetst. Hierbij wordt achtereenvolgens ingegaan op het van toepassing zijnde rijksbeleid, provincíaal beleid, regionaal beleid, beleid van het waterschap en gemeentelijk beleid.

4.1 Rijksbeleid 41 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Riijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI worden de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een

zorgvuldige afweging van belangen werkt het Riijk aan de vier prioriteiten: ° _ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; e Duurzaam economisch groeipotentieel: Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. 2.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;

3.

Afwentelen

wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de afwegingsprincipes benut worden.

Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economisch

sterk Nederland.

Onderhavig planvoornemen omvat het afsplitsen van een bedrijfswoning van een bedrijfsbestemming. Het bedrif wordt daarbij ongewijzigd voortgezet. Gezien het zeer kleinschalige karakter van het planvoornemen worden geen nationale belangen uit de Nationale Omgevingsvisie geschaad. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de Nationale Omgevingsvisie. 4.2 Instructieregels Rijk (AMvB's) Tegelikertijd met het in werking treden van de Omgevingswet (Ow) zijn een aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) in werking getreden. Deze AMvB's bevatten de nadere uitwerking van bepalingen van de Omgevingswet. Het betreft de volgende AMVB's:

e _ Omgevingsbesluit (Ob):

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

8

o _ Gerichtop burgers, bedrijven en bestuursorganen. Bevat regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

° _ Besluit kwaliteit leefomgeving (BkI: o Gericht op bestuursorganen. Bevat onder meer de normen en instructieregels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. ° _ Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): o _ Gericht op burgers, bedrijven en overheden bij hun feiteljk handelen. Bevat algemene, rechtstreeks werkende regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid

van bouwwerken.

Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een

bouwwerk.

° _ Besluit activiteiten Ieefomgeving (Bal): o _ Gericht op burgers, bedrijven en overheden bij hun feiteljk handelen. Bevat algemene, rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Ook worden in dit besluit vergunningplichten aangewezen.

Het Bal en het Bbl bevatten rechtstreeks werkende, altjd geldende, regels. Hier dienen burgers, bedrijven envof overheden zich te allen tijde aan te conformeren. Het Omgevingsbesluit bevat in hoofdzaak de ‘procedurele’ regels. Vanuit deze drie AMvB's komen geen instructieregels naar voren die specifiek voor onderhavig project van toepassing zijn. Het Bkl bevat wel relevante onderdelen, ten aanzien van omgevingsplannen is hoofdstuk 5 van het Bkl (Omgevingsplannen) van belang. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat 3 afdelingen. Afdeling 5.1 bevat Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Deze afdeling is opgedeeld in 8 paragrafen: 1. 2. 3. 4. 5. ”

7.

Paragraaf 5.1.1: Algemene bepalingen Paragraaf 5.1.2: Waarborgen van de veiligheid Paragraaf 5.1.3: Beschermen van de waterbelangen Paragraaf 5.1.4: Beschermen van de gezondheid en van het mileu Paragraaf 5.1.5: Beschermen van landschappelike of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Paragraaf 5.1.6: Behoud van ruimte voor toekomstige functies Paragraaf 5.1.7: Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten

8.

Paragraaf 5.1.8: Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

Afdeling 5.2 bevat Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze gaan onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Afdeling 5.3 bestaat uit een tweetal ontheffingsmogelijkheden.

In de hoofdstukken 4, 5 en 6 van onderhavige ruimtelijke motivering wordt nader gemotiveerd dat aan alle wettelijke kaders voldaan wordt. Daarmee mag verondersteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met de instructieregels uit het Bk!. 4.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van het Rijk.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

9

4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 4.2.1 Omgevingsvisie Limburg Per

25 oktober

2021

is de

‘Omgevingsvisie

Limburg'

in werking

getreden.

De

Omgevingsvisie

is een

strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft ondenwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cuftureel erfgoed.

Daarnaast worden

ook de aspecten

gezondheid,

veiligheid en een gezonde

leefomgeving

in de

Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma's.

In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: *

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;

o

Instedelijk c.q. bebouwd gebied;

o _ Inlandelijk gebied;

= =

Eentoekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘ijdloze' karakteristiek van de ondergrond, de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van hetruimtegebruik in de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende hoofdtypen met bijbehorende categorieën: *

Landelijke gebieden:

*

o _ Groenblauwe mantel | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) | Buitengebied; Bebouwde gebieden: o _ Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke ker | Werklocaties;

*

Infrastructuren;

o _ (Inter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg | (Inter)nationale waterweg | (Lucht)haven | (Inter)nationale leidingstrook. Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie ‘landelijke kem’, behorende bij het hoofdtype ‘Bebouwde gebieden’. Onderhavig planvoornemen sluit aan bij de acoenten uit de omgevingsvisie. Een woonfunctie is namelijk passend binnen een landelijke ken. Vanuit de omgevingsvisie bestaan dus geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk

een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor

intemationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in het ontwerp van de Omgevingsvisie Limburg (POVI). Deze is per 01-01-2024 in werking getreden. Onderhavig planvoomemen heeft een relatie met het onderwerp wonen. De regels ten aanzien van wonen zien echter in hoofdzaak toe op het realiseren/toevoegen van nieuwe woningen. Bij onderhavig initatief is sprake van het wijzigen van de functie van een bestaande (bedrijs)woning en dus niet het toevoegen van een nieuwe

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

10

woning.

Derhalve zijn de regels van deze nieuwe omgevingsverordening

ten aanzien van wonen

niet van

toepassing op onderhavig planvoornemen. Reeds in de voorgaande paragraaf is gemotiveerd dat het plan aan de uitgangspunten van de omgevingsvisie voldoet. 4.2.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van de provincie Limburg.

4.3 Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rik en de provincie, maar ook van gemeenten zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:

e _ De gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats: e De toelaatbare belasting door activiteiten; ° De toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. De omgevingswaarde

moet worden

uitgedrukt in meetbare

of berekenbare

eenheden

of anderszins

in

objectieve termen. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan

om

omgevingswaarden

die

het gemeentebestuur

kan

beïnvloeden

of beheersen

door

de

inzet

van

beleidsinstrumenten, zoals voor geur en geluid. Op dit moment is binnen de gemeente Peel en Maas nog sprake van een tijdelijk omgevingsplan (van rechtswege). Hierin zijn geen, concrete, omgevingswaarden opgenomen. Derhalve wordt voor wat betreft de omgevingswaarden nu verwezen naar de toetsing aan de wettelijke kaders in hoofdstuk 6.

4.4 Regionaal beleid Onderhavig planvoornemen omvat het herbestemmen van een bedrijfswoning tot een burgerwoning, waarbij het bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet. Voor een dergeljk initiatief is geen relevant regionaal beleid uitgewerkt. De daarvoor geldende kaders zijn uitgewerkt in provinciaal en gemeentelijk beleid. 441

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet n strijd met de doelstellingen van het regionaal beleid.

4.5 Beleid Waterschap Relevant beleidsstuk op het gebied van water is het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap Limburg.

Onderhavig planvoornemen omvat het herbestemmen van een bedrijfswoning tot een burgerwoning, waarbij het bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet. Hierbij s geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Verder is ook geen sprake van verandering in activiteiten met grondwater, zoals het onttrekken daarvan. In het plangebied zelf s geen sprake van (relevante) oppervlaktewateren en/of waterkeringen. 45.1 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de regels uit de Wsv.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

11

4.6 Gemeentelijk

beleid

4.6.1 Omgevingsvisie Peel en Maas Op

5 juli 2022

is de

Omgevingsvisie

Peel

en

Maas

opgesteld.

Bestaande

structuurvisies

worden

voorlopig als onderliggend (buitenwettelijk) beleid gehandhaafd. Voor dit project is een toets aan de Omgevingsvisie

uitgevoerd.

Hieruit is gebleken

dat het gebied

getypeerd

wordt als ‘Kernen

Peel en

Maas'.

Voor zover relevant zijn de volgende gebiedskwaliteiten van belang De dorpen bestaan uit hechte gemeenschappen

met een geheel eigen identiteit. In de kernen

staat zorg voor elkaar hoog in het vaandel en bloeit het verenigingsleven. Zelfsturing zit geworteld in de dorpen. Daarmee bedoelen we dat mensen het beste zélf en met elkaar kunnen bepalen hoe zij samenleven,

wat zij belangrijk vinden en welke keuzes ze

maken.

Er is voldoende kracht en kennis in de gemeenschappen aanwezig om zaken zelf voor elkaar te krijgen of te ontwikkelen. De dorpsvisies zoals die er op dit moment liggen, laten dat goed zien.

De diversiteit in bedrijvigheid is een kracht en kwaliteit van Peel en Maas. De lokale bedrijven hebben een sterke

binding en betrokkenheid met de samenleving en hebben oog voor de

leefomgeving. De

hier te versterken

waarden

betreffen:

We gaan uit van de identiteit per dorp als basis voor de toekomst. Maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In- en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. Initiatieven moeten bijdragen aan het versterken van de identiteit per dorp.

Bij ontwikkelingen in de dorpen kijken we niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, maar ook

naar de gevolgen van die ontwikkeling voor het sociale netwerk in het dorp. Welke

invloed heeft de fysieke ontwikkeling op sociaal gebied voor het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin

en een gezonde en veilige

leefomgeving in het dorp. We geven prioriteit aan inbreidings- en herontwikkelingsmogelijkheden binnen het dorp, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp. We geven voorkeur aan bedrijven die een sterke binding en betrokkenheid hebben met de samenleving en die oog hebben voor de leefomgeving. Dit zijn de ondernemers die vanuit hun

betrokkenheid bijdragen aan een gemeente waar het fijn wonen, werken en recreëren is. De

ingezette

koers

omgevingsvisie.

uit de

bestaande

kaderstellingen

De doelstellingen zijn samengebracht

en

beleidsdocumenten

komen

samen

in de

in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3

overkoepelend zijn: 1

Zo

worden

we

duurzamer

onpon

Een gezonde en veilige leefomgeving Het versterken Goed

wonen

van

natuur en biodiversiteit

voor iedereen

Toekomstgericht ondernemen Balans in het buitengebied

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

12

Deze opgaven

moeten

in samenhang

worden gezien.

De gemeente ziet met name de eerste drie als

overkoepelende leidende principes. Bij elke ontwikkeling moet bekeken worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaven kan worden geleverd.

In onderhavig geval krijgt een bedrijfswoning een nieuwe functie als woonobject. in de bebouwde

De locatie is gelegen

kom. Het aanwezige bedrijf wordt in de huidige vorm voortgezet. Een woonfunctie i

hier passend, aangezien de woning al jarenlang niet meer gebruikt werd als bedrijfswoning bij het bedrijf. Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling in n met de Omgevingsvisie Peel en Maas.

4.6.2 Kaderstelling Ruimte en Economie In het coalitieakkoord 2014 is vastgelegd dat het college met de omgeving in gesprek gaat over de gewenste

koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en zeïfsturing als richtsnoer heeft. De omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is passend binnen

de Kaderstelling Ruimte en Economie. De omvang van de bebouwing is passend bij een woonobject. Onderhavig planvoornemen is daarmee passend binnen de kaderstelling Ruimte en Economie.

4.6.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van de gemeente Peel en Maas.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

13

5

Landschappelijke,

stedenbouwkundige

en

cultuurhistorische

waarden In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. De locatie ligt aan de Molenstraat te Helden. De Molenstraat is een weg die al heel lang aanwezig is. Al op topografische kaarten uit 1850 wordt de weg gekarteerd. Destijds nog zonder bebouwing. In de jaren 20 van de vorige eeuw ontstaat er meer bebouwing langs de Molenstraat. In de loop der jaren wordt de bebouwing steeds intensiever. Sinds de jaren 80 is er sprake van een ‘echte” bebouwde kom.

Zowel het thans aanwezige bedrifsgebouw als ook de bedrijfswoning zijn niet aangewezen als cultuurhistorisch pand/gebouw. Ook in de directe omgeving zijn geen waarden aanwezig die bescherming behoeven. De Molenstraat zelfis aangeduid als een ‘weg ouder dan 1806' Hierop heeft dit plan geen effect.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

14

6 Fysieke leefomgeving In dt hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 (fysieke leefomgeving) Omgevingswet.

6.1 Beschermen van de gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat daarbij enerzijds om het beschermen van de gezondheid, anderzijds om het bevorderen van de gezondheid. 6.1.1 Wettelijk kader

Op basis van artikel 1.3 sub a. van de Omgevingswet is het bereiken en n stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Ook in een divers aantal andere artikelen van de Omgevingswet komt het aspect gezondheid aan de orde. Het aspect gezondheid speelt binnen de Omgevingswet dan ook een centrale rol. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de

Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Deze instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trilingen, luchtkwaiteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. 6.1.2 Conclusie

Onderhavig planvoomemen omvat het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het bedrijf wordt ter plaatse ongewijzigd voortgezet. Verderop in dit hoofdstuk zal ingegaan worden op andere relevante aspecten als geluid, geur, trilingen, luchtkwaliteit en bodem.

Uit deze toetsing blijkt dat voor

deze aspecten sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. Op basis daarvan

mag

verondersteld

worden

een

evenwichtige

dat met

onderhavig

project

vanuit

het aspect

gezondheid

sprake

is van

toedeling van functies.

6.2 Milieubelastende activiteiten Op basis van bijlage A bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt een milieubelastende activiteit gedefinieerd als een ‘activíteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een

oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactvitet op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. Alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben betreffen dus milieubelastende activíteiten, behalve de genoemde uitzonderingen. Onderhavig planvoornemen omvat het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij het bedrif ongewijzigd voortgezet zal worden. Het beoogde gebruik wordt op basis van bijlage 1 van het Bbl beschouwd als een woonfunctie. In het Bbl zijn verder allerlei technische eisen uitgewerkt waar bouwwerken, afhankelijk van de gebruiksfunctie, aan moeten voldoen. Daarbij valt te denken aan technische eisen op het gebied van stabiliteit (constructie), rookgasafvoer en brandmeldinstallatie(s). Vanuit het Bbl bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavig project. Op basis van bijlage VI van het Bkl dient een gebouw met een woonfunctie als een ‘kwetsbaar gebouw’ beschouwd te worden. Vanuit het Bkl bestaan verder geen belemmeringen voor wat betreft milieubelastende activiteiten voor onderhavig planvoornemen.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

15

In het Bal zijn geen relevante onderdelen opgenomen ten aanzien van een woonfunctie. Vanuit het Bal bestaan verder geen belemmeringen voor onderhavig project.

6.3 Geluid door activiteiten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 6.3.1 Wettelijk kader In het voorlopige Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijn bepalingen opgenomen die aangeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder, onder andere als gevolg van wegverkeer, industrie, spoorwegen en andere specífieke

activiteiten (waaronder windturbines). Een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient hieraan getoetst te worden. In artikel 3.21 (geluidgevoelige gebouwen) van het Bkl worden de geluidgevoelige gebouwen aangewezen. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. b. c. d.

Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

6.3.2 Onderzoek

Wegverkeer Een burgerwoning wordt op basis van artikel 3.21 van het Bkl aangemerkt als geluidgevoelig gebouw. Het gebruik van de huidige bedrijfswoning wordt ook beschouwd als een woonfunctie en daarmee is de bedrijfswoning dus reeds in de huidige situatie al aangemerkt als geluidgevoelig gebouw. Onderhavig initiatief ziet enkel toe op een gebruikswijziging van de woning van bedrijfswoning naar burgerwoning. Daarbij mag verondersteld worden dat in de huidige situatie sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie. Op basis daarvan mag men tevens veronderstellen dat ook in de beoogde situatie sprake zal zijn van een aanvaardbare situatie. Een nader onderzoek naar de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen ter plaatse van deze woning is dan ook niet aan de orde. Bedrijvigheid Vanuit de bedrijvigheid op de locatie Molenstraat 69-69a is het mogelijk dat er geluid geproduceerd wordt Daarom is er door HMB een notitie opgesteld inzake geluid (bijlage 1. De woning aan de Molenstraat 67 is door de eigenaar van het bedrijf medio 2002 bewust van het bedrijf gesplitst. Dit splitsen maakte het bouwen van een nieuwe bedrijfswoning aan de Sterappel 1 mogelijk. Ten tijde van het spltsen heeft de eigenaar van perceel V1090 aanvaard dat de woning aan de Molenstraat 67 gebruikt zou worden door iemand die geen

binding heeft met het bedrif. Het feitelijke gebruik is daarmee al ruim 20 jaar het gebruik als burgerwoning.

Met

de aanvaarding dat er een burger in de woning Molenstraat 67 kwam te wonen is tevens geaccepteerd dat deze woning de meest nabij gelegen woning ten opzichte van het eigen bedrijf is en daarmee qua geluid ook de meest beperkende woning is voor de bedrijfsvoering. Middels de bestaande bedrijfsvoering ter plaatse is er sprake van een aanvaardbare situatie. Op het moment dat de bedrijfsvoering wijzigt, dan wordt de woning Molenstraat 67 gezien het feiteljke gebruik beschouwd als

een woning van derden. Hierop dient dan getoetstte worden of er voldaan kan worden aan de geluidsnormen. Vooralsnog is er geen sprake van het wijzigen van de bedrifsvoering. Het huidige gebruik is dusdanig dat er ter plaatse van de woning Molenstraat 67 sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

16

6.4.3 Te treffen maatregelen Aangezien de woning reeds in de huidige situatie aangemerkt s als geluidgevoelig gebouw en dit n de beoogde situatie niet wijzigt is het niet nodig om maatregelen te treffen. 6.3.3 Conclusie

Voor wat betreft het aspect geluid door activiteiten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.4 Kwaliteit van de buitenlucht In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

6.4.1 Wettelijk kader De hoofdljnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven

in de instructieregels zoals

opgenomen in het Bk!. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteitinstructieregels

opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bk! (kwallteit van de buitenlucht). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteitis toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: e eris geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; e _ hetproject eidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; e _ hetproject draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaiteit hoeft niet overal plaats te vinden. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en ijnstof nodig. Uit artike! 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen.

Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valtis het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Hierbij kan onder andere de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier bepalen of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

6.4.2 Onderzoek

Onderhavig initiatief behelst het herbestemmen van een bestaande bedrijfswoning tot burgerwoning. In de beoogde situatie is de woonfunctie de hoofdgebruiksfunctie op het perceel. Op basis van artikel 5.54 van het Bkl worden gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan met één ontsluitingsweg tot ten hoogste 1.500 woningen aangemerkt als ‘standaardgeval NIBM'.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

17

Het gaan

gebruiken

van

een

bestaande

initiatief dan het realiseren van

bedrijfswoning

1.500 woningen.

Op

als burgerwoning

basis daarvan

mag

is een

vele malen

verondersteld

kleiner

worden

dat

onderhavig project NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Achtergrondwaarden In het kader van deze ruimtelijke procedure dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen

(uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarljks in kaart worden gebracht.

De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de

huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM:ster plaatse 8,5 ug/m?, de concentratie PM+o ter plaatse 15,1

ug/m? en de concentratie NO2

10,4 ug/ms.

In de Wet

milieubeheer is de jaargemiddelde

grenswaarde voor PMes gesteld op 25 ug/m? en voor PMo op 40 ug/ms. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 ug/n*.

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwalliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 6.4.3 Te treffen maatregelen Aangezien het project NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging is het niet nodig om maatregelen te treffen. 6.4.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.5 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

6.5.1 Wettelijk kader De hoofdljnen voor regelgeving rondom geur staan beschreven n de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geur instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl (geur). In artikel 5.91 van het Bkl worden geurgevoelige gebouwen aangewezen. Lid 1 stelt dat een geurgevoelig gebouw n ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een: a. Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Van

belang

is dat

in lid 4 van

artikel

5.91

benoemd

staat

dat

‘Het

omgevingsplan

kan

andere

geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen’. In het voorlopige Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijn vooralsnog geen andere categorieën gebouwen aangewezen als geurgevoelig object anders dan benoemd in artike! 5.91 van

het

Bk!.

6.5.2 Onderzoek

Onderhavig planvoornemen behelst het herbestemmen van een bedrijfswoning tot burgerwoning, waarbij de bedrijfsfunctie ongewijzigd zal worden voortgezet. In de beoogde situatie is dus sprake van een woonfunctie welke op basis van artikel 5.91 Bkl, lid 1 als geurgevoelig object aangewezen wordt.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

18

Voor

wat

betreft

geurbelasting

kan

een

onderscheid

gemaakt

worden

in voorgrondbelasting

en

achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting

Onderhavige locatie betreft zowel in de bestaande als in de beoogde situatie een geurgevoelig object welke gelegen is in de bebouwde kom van Helden. Veehouderijen van derden liggen op grote afstand, de meest nabij gelegen veehouderij (paardenhouderij ligt op een afstand van meer dan 600 meter. Andere veehouderijen waarmee rekening gehouden dient te worden liggen op nog grotere afstand. Voorgrondbelasting vormt daarmee geen beperking om de functie naar "Wonen te wijzigen. Achtergrondbelasting Op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ uit de monitoring IV Peel en Maas wordt de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van het plangebied als ‘goed' beoordeeld. Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom, hier wordt de categorie ‘goed’ nagestreefd. Hieraan wordt momenteel al voldaan, ter plaatse geldt namelijk de categorie goed. Wat dat betreft kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

zeer goed goed redelijk goed matig tamelijk slecht slecht zeer slecht extreem

slecht

Afbeelding 8. Uitsnede kaart‘Achtergrondbelasting geur uit “Monitoring IV Peel en Maas'. (ocatie rood omcirkeld).

6.5.3 Te treffen maatregelen Aangezien sprake is van een aanvaardbare situatie voor achtergrondbelasting is het niet nodig om maatregelen te treffen.

zowel

voorgrondbelasting

als

ook

6.5.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

19

6.6 Bodemkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodemkwalitei.

6.6.1 Wettelijk kader De hoofdljnen voor regelgeving rondom bodemkwaliteit staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het BK!. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bk! (bodemkwaliteit). In artikel 5.899. lid 1, sub a. wordt een bodemgevoelig gebouw omschreven als ‘een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover

aannemelij is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn’. De algemene doelsteling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het facilteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: * _ De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;

° _ Eenevenwichtige toedeling van functies aan locatieste hanteren, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

°

En het duurzaam aantastingen.

en

doelmatig

beheren

van

de resterende

historische

verontreinigingen

en —

Het is aan de gemeenten zelf om de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast te stellen in het omgevingsplan. Deze waarde mag alleen niet hoger zijn dan het blootstelingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bk!. 6.6.2 Onderzoek

Onderhavig initiatief behelst het herbestemmen van een bestaande bedrijfswoning tot burgerwoning, waarbij het bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet. Op het kadastrale perceel waarop de woning is gelegen vinden voor geruime tijd reeds geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats. Sinds 2003 wordt de woning al gebruikt als woonobject. Het gebruik als woonobject wordt vooralsnog voortgezet. In het Bal is bepaald dat niet

de beëindiging van de bedrijfsvoering bepalend is of er een bodemonderzoek gedaan moet worden, maar het gebruik dat bepaald. Aangezien het gebruik niet wijzigt is er geen nader bodemonderzoek uitgevoerd.

6.6.3 Te treffen maatregelen Aangezien verondersteld mag worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaarbare kwaliteit van de bodem is het treffen van maatregelen niet nodig.

milieuhygiënische

6.6.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect bodemkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.7 Wegen, verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren.

6.7.1 Wettelijk kader Een toename aan functies kan ook zorgen voor een toename van verkeer. B het toelaten van een nieuwe functie dient derhalve gekeken te worden naar de effecten op onder andere de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient ook n beeld gebracht te worden of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

20

De gemeente is het bevoegd gezag voor het opstellen van het parkeerbeleid met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De gemeenteraad van Peel en Maas heeft op 16 juni 2018 het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas vastgesteld. Het doel van deze Parkeemota is om een kader te

scheppen waaraan ruimtelike ontwikkelingen binnen de gehele gemeente Peel en Maas getoetst kunnen worden ten aanzien van het aspect parkeren. 6.7.2 Onderzoek

Voor een woonhuis buiten het centrum van de bebouwde kom geldt op basis van bijlage 2 van de Parkeernota

een parkeernorm van 2,0 auto per woning. Daarbij s het niet relevant of dit een bedrijfswoning is of een reguliere woning. Daarmee wijzigt de parkeerbehoefte ten opzichte van de huidige situatie. Ook zal geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Op eigen terrein is ruim voldoende plaats aanwezig voor de benodigde 2 parkeerplaatsen. Voor wat betreft de effecten op de verkeersafwikkeling geldt dat onderhavig project zoals hiervoorreeds gemotiveerd niet zal Ieiden tot een toename van de verkeersbewegingen op de Molenstraat en omliggende wegen. Daarmee zullen geen negatieve effecten optreden voor wat betreft de verkeersafwikkeling en -veiligheid.

6.7.3 Te treffen maatregelen Op het terrein zijn reeds voldoende parkeerplaatsen (minimaal 2,0) gerealiseerd ten behoeve van de woning. 6.7.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect wegen, verkeer en parkeren is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. 6.8.1 Wettelijk kader De hoofdijnen van het wettelijk kader omtrent omgevingsveiligheid zijn opgenomen n instructieregels in paragraaf 5.1.2 Bkl (waarborgen van de veiligheid). In bijlage VIl van het Bk! zijn activíteiten aangewezen als risicobronnen.

Deze

risicobronnen

ziijn

van

belang

voor

de

regels

over

het

plaatsgebonden

risico en

aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: e _ Activiteiten met gevaarljke stoffen bij bedrijven;

« _ Het basisnet voor vervoer gevaarljke stoffen over de weg, het water en het spoor; e _ Buisleidingen met gevaarljke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende actviteit n het Bal: e _ Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteitin het Bal. Daamnaast dient volgens artikel 5.15 lid 1 van het Bk! in een omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen binnen een brandaandachtsgebied rekening gehouden te worden met de kans op het overlijden van een groep van 10 of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe e laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en

locaties ziijn wel toelaatbaar als daarvoor extra maatregelen getroffen worden aan de hand van voorschriftengebieden. In deze gebieden gelden dan vervolgens de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 van het Bbl.

6.8.2 Onderzoek

Op basis van digitaal raadpleegbare kaarten van het REV die opgenomen zijn in de Atlas leefomgeving onder Veilige omgeving, zie afbeelding 10, zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen met een plaatsgebonden risico gelegen. Ten noorden, op ruime afstand is een tankstation gelegen met een

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

21

risicocontour (brand en explosie). Deze contour overlapt niet met de gronden binnen het plangebied. Derhalve is sprake van een aanvaardbare situatie.

N

Boskoop

aaa'ap

dn m

db Bongerd

Ëenn7 R p Valappel

Netanssppe

Afbeelding 9. Uitsnede kaart Externe veiigheid op waw.llaslesfomgeving.nl, plangebied is rood omdirkeid.

6.8.3 Te treffen maatregelen Door wijziging van de functie ter plaatse neemt het aantal personen binnen het plangebied niet toe. Het plaatsgebonden risico wijzigt eveneens niet. Tenslotte worden er ook geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd. 68.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.9 Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 6.9.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat daarbij in beginsel om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime komt voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen. Dit zijn de Vogelrichtlijn (74/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Op basis van artikel 2.44 van de Omgevingswet is de Minister voor Natuur en Stikstof verantwoordelijk voor het aanwijzen van de

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

22

betreffende Natura 2000-gebieden en is daarbij tevens verantwoordelijk voor het stellen van instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Dit gebeurt in zogeheten aanwijzingsbesluiten

de

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of n combinatie met andere

plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, dat betekent dat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken beoordeeld dienen te worden. In afdeling 8.6 Bkl is het betreffende beoordelingskader voor omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten uitgewerkt. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Deze bescherming richt zich enerzijds op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en anderzijds op soorten van nationaal belang. Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning in het kader van de soortenbescherming voor een activiteit nodig is 6.9.2 Onderzoek

Gebiedsbescherming Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen 3 Nederlandse Natura 2000-gebieden, te weten het Swalmdal op circa 7,6 kilometer, het Leudal op circa 8 kilometer en de Deumnsche Peel & Mariapeel op

circa 8,2 kilometer. Deze afstand is dusdanig groot dat directe effecten zoals versnippering en/of doorkruising van Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden. Eventuele effecten van het project zullen in hoofdzaak samenhangen met een eventuele toename van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000gebieden Onderhavig planvoomemen omvat het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. De wijziging van het gebruik van de woning van bedrijfswoning tot burgerwoning zal niet leiden tot een toename van emissie(s). Zowel in de huidige situatie als ook in de beoogde situatie is sprake van bewoning door één huishouden.

In dit geval is geen sprake van een aanlegfase, de bebouwing is reeds op het perceel aanwezig en de bebouwing is aljarenlang in gebruik. Wel s er sprake van een gebruiksfase, waarin de woning bewoond wordt, verwarmd wordt met een CV installatie en er verkeer van en naar de locatie rijdt. Hiervoor geldt dat voor wat betreft de gebruiksfase de beoogde situatie gelij is aan de huidige situatie. Gezien de zeer grote afstand tussen de woning en N2000 gebieden zijn er geen effecten. Daarmee is er ook geen sprake van een vergunningplicht voor een

N2000

activiteit.

Soortenbescherming

Bij vrijwel a activiteiten in de fysieke leefomgeving dienen de effecten van de beoogde ontwikkelingen op het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten onderzocht te worden. Onderhavig planvoornemen omvat enkel de functiewijziging van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het bedrijf wordt ter plaatse ongewijzigd voortgezet. De thans aanwezige bebouwing en beplanting blift daarbij behouden en er vinden geen sloopactiviteiten plaats. Op basis daarvan mag verondersteld worden dat het project geen nadelige effecten heeft voor eventueel ter plaatse aanwezige beschermde flora en fauna. Evengoed dient bij het exploiteren van de activiteit ten alle tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

23

6.9.3 Te treffen maatregelen Op basis van voorgaande motivatie zijn geen nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden en beschermde flora en fauna te verwachten. Het treffen van maatregelen is dan ook niet aan de orde. 6.9.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.10 Water en watersystemen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen.

6.10.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader, zie ook paragraaf 4.5, is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk

kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap,

het Provinciale Omgevingsvisie (POVI) het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het andschap waaraan

voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: = _ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); + _ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infitreren-afvoeren. Daamnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtljn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: = herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden:

= _ herstelvan de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;

+

schoonwater: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;

*

duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar s;

+

eenvellige Maas: het streven naar een acceptabe! risico voor overstromingen in het ivierbed van de Maas.

dat

De waterkundige waarden zijn in de POVI weergegeven op de kaarten 'Grondwaterbescherming’ en ‘Natuur. Conform deze kaarten geiden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. 6.10.2 Onderzoek

De bodem in het plangebied is vlak, de maaiveldhoogte is gelegen op circa 32.8 m +NAP. De originele bodem bestaat ter plaatse van de woning volgens de bodemkaart uit een hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand. Ter plaatse van de woning bedraagt de grondwatertrap VI. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich daarbij op 40-80 centimeter beneden maaiveld, de gemiddeld laagste grondwaterstand bevindt zich op meer dan 120 centimeter beneden maaiveld.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

24

In het plangebied zelf is geen opperviaktewater aanwezig. Voor wat betreft het hemelwater geldt dat onderhavig planvoornemen uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant is. Er is namelijk geen sprake van toename van verhard oppervlak.

Onderhavig planvoornemen voorziet niet in (nieuwe) grondwateronttrekkingen. Verder voorziet onderhavig planvoornemen ook niet in activiteiten die een mogelijk negatief effect op het grondwater zouden kunnen hebben.

Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelik rioleringssysteem. 6.10.3 Te treffen maatregelen Doordat onderhavig project niet voorziet in een toename van verhard oppervlak en enkel toeziet op de functiewijziging van een bestaande woning met bijgebouw is het uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant. Het treffen van maatregelen is dan ook niet nodig. 6.10.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect water en watersystemen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het project landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast. 6.11.1 Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Ow. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 2 sub g Ow worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt.

Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Dee!s zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl opgenomen, te weten in paragraaf 5.1.5 Bkl (beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed). 6.11.2 Onderzoek

Relevante landschappelijke, stedenbouwkundige gemotiveerd in hoofdstuk 5 van deze motivering.

en cultuurhistorische

waarden

zijn reeds

benoemd

en

Naast deze waarden is ook het aspect archeologie opgenomen onder de eerder genoemde Erfgoedwet. De gemeente Peel en Maas heeft haar archeologiebeleid vastgelegd in de Nota archeologie met bijbehorende beleidskaart. Het archeologiebeleid is doorvertaald naar het vigerende bestemmingsplan. Op basis daarvan is in het vigerende bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen, zijnde ‘Waarde Archeologie - 4”. In deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht indien een oppervlakte van meer dan 250 m? dieper dan 40 centimeter verstoord wordt.

Ruimtelijke motivering “Molenstraat 67 Helden”

25

Onderhavig planvoomemen behelst enkel een functiewijziging waarbij bestaande bebouwing gehandhaafd bljft. Het planvoornemen behelst geen realisatie van nieuwe bebouwing. Het aspect archeologie vormt dan ook geen beperking voor onderhavig initatief. De dubbelbestemming wordt in dit plan 1 op 1 overgenomen. 6.11.3 Te treffen maatregelen Het project heeft geen nadelige gevolgen voor cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw. Het treffen van maatregelen is n deze dan ook niet nodig 6.11.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=16360f99-3123-46b5-9f3d-bf62c1b63abb