2025-095 03 Ruimtelijke motivatie Vieruitersten 26 Meijel (geanonimiseerd)
Tekst van het document
? Afbeelding 10. Uitsnede kaart 'Extere veiighei totaal op www atlasleefomgeing.nl, plangebied i rood omcirkeld.
6.8.3 Te treffen maatregelen
Het meest nabij gelegen aandachtsgebied ligt op geruime afstand van het plangebied. Er dienen dus geen maatregelen getroffen te worden. Tevens veranderd er niets bij een functiewijziging van het bedrijf, en zullen er ook geen andere aandachtsgebieden bij komen.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
27
6.8.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.9 Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activíteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 6.9.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat daarbij in beginsel om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime komt voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen. Dit zijn de Vogelrichtlijn (74/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG)
Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Op basis van artikel 2.44 van de Omgevingswet is de Minister voor Natuur en Stikstof verantwoordelijk voor het aanwijzen van de betreffende Natura 2000-gebieden en is daarbij tevens verantwoordelijk voor het stellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Dit gebeurt in zogeheten aanwijzingsbesluiten. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of n combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, dat betekent dat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken beoordeeld dienen te worden. In afdeling 8.6 Bkl is het betreffende beoordelingskader voor omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten uitgewerkt Soortenbescherming Onder de Omgevingswet
zijn veel dier- en plantsoorten
enerzijds op soorten van
Europees
belang,
beschermd.
Deze
bescherming
richt zich
die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtljn
vallen, en anderzijds op soorten van nationaal belang. Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning in het kader van de soortenbescherming voor een activiteit nodig is 6.9.2 Onderzoek
Gebiedsbescherming Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen 2 Nederlandse Natura 2000-gebieden, te weten de Deurmsche Peel & Mariapeel op circa 1,1 kilometer en de Groote Peel op circa 3,0 kilometer.
Eventuele
effecten van het project zullen in hoofdzaak samenhangen met een eventuele toename van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Onderhavig planvoornemen omvat het wijzigen van bestemming “Agrarisch — Grondgebonden” naar ‘Bedrj Niet agrarisch verwant’. Los van dit TAM-IMRO plan zal er bij de Provincie Limburg een vergunning aangevraagd worden voor de N2000-activiteit. Deze procedures kunnen os van elkaar doorlopen worden. De Provincie Limburg is in deze het bevoegde gezag De wijziging van bestemming en gebruik zal niet Ieiden tot een toename van stikstofemissie(s). Zowel in de huidige situatie als ook n de beoogde situatie is sprake van verkeersbewegingen van en naar de locatie en voertuigen op het erf, dit zal geen verslechtering van de situatie betekenen.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
28
In dit geval is er geen sprake van een aanlegfase, de bebouwing is reeds op het perceel aanwezig en de bebouwing is aljarenlang in gebruik. Wel s er sprake van een gebruiksfase, waarin de woning bewoond wordt, verwarmd wordt met een CV installatie en er verkeer van en naar de locatie rijdt.
Voor deze fase is er een berekening gemaakt met het programma Aerius (bijlage 3). Uit deze berekeningen blijkt dat de effecten van het planvoomnemen ter plaatse van Natura 2000-gebieden in de beoogde situatie verbeteren ten opzichte van de referentiesituatie. Wel is er sprake van een vergunningplicht voor N2000activiteiten. Zoals hierboven aangegeven zal er bij de Provincie Limburg een losse aanvraag gedaan worden voor deze actviteit.
Soortenbescherming Bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving dienen de effecten van de beoogde ontwikkelingen op het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten onderzocht te worden. Daartoe is voor onderhavig planvoornemen een quickscan flora en fauna (bijlage 4 uitgevoerd om eventuele aanwezige beschermde dieren plantensoorten in kaart te brengen en te bekijken of het planvoomemen kan leiden tot nadelige gevolgen voor deze dier en plantensoorten. Uit de quickscan blijkt dat er geen soorten aanwezig zijn die bescherming
behoeven. Op basis daarvan mag verondersteld worden dat het project geen nadelige effecten heeft voor eventueel ter plaatse aanwezige beschermde flora en fauna. Evengoed dient bij het exploiteren van de activiteit te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. 6.9.3 Te treffen maatregelen
Op basis van voorgaande motivatie zijn geen nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden en beschermde flora en fauna te verwachten. Het treffen van maatregelen is dan ook niet aan de orde. 6.9.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.10 Water en watersystemen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen.
6.10.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader, zie ook paragraaf 4.5, is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, het Provinciale Omgevingsvísie (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimtecaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: = _ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantieit); = _ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infitreren-afvoeren. Daamnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemeiwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
29
Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtljn Water en het Nationaal Waterplan.
Het
provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: *
herstel sponswerking:
het voorkomen
van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem,
anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden:
= _ herstelvan de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;
= _ schoonwater:
=
duurzame
het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;
watervoorziening:
het beschermen
van
water
voor
menselijke
consumptie,
zodanig
dat
voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar s; *
eenvellige Maas: het streven naar een acceptabe! risico voor overstromingen in het ivierbed van de Maas.
De waterkundige waarden zijn in de POVI weergegeven op de kaarten 'Grondwaterbescherming' en ‘Natuur. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. 6.10.2 Onderzoek
De bodem in het plangebied is tamelijk vlak, de maaiveldhoogte is gelegen op 32.5m +NAP. De originele bodem bestaat ter plaatse van het plangebied volgens de bodemkaart uit een Veldpodzolgrond, Ieemarm en
zwak lemig fijn zand. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de grondwatertrap V, De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich op >40 centimeter beneden maaiveld. Het plangebied ligt tegen “het kanaal van Deume" aan. Voor wat betreft het hemelwater geldt dat onderhavig planvoornemen uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant is. Er is namelijk geen sprake van toename van verhard oppervlak. De wasplaats met vetafscheider zal aangelegd worden ter plaatse van bestaande verharding. Het hemelwater van daken en verharding zal op eigen terrein infiltreren. Dit zal in geen geval aangesloten worden op de gemeentelijke riolering. Daarnaast is initiatiefnemer
voornemens om een sloot rondom het perceel te leggen. Dit zal een bezinksloot zijn en zal daarom ook gebruikt worden voor de infiltratie van hemelwater op het eigen terrein. Onderhavig project voorziet niet in (nieuwe) grondwateronttrekkingen. Verder voorziet onderhavig project ook niet in activiteiten die een mogeljk negatief effect op het grondwater zouden kunnen hebben. Voor het onttrekken van oppervlaktewater gaat er wel een verandering plaats vinden. Het voormalige fuitteeltbedrijf had een vergunning om oppervlaktewater te onttrekken uit het nabij gelegen defensiekanaal. Aangezien dt fruitteeltbedrijf ophoud te bestaan vervalt ook deze vergunning. Per saldo zal dit een verbetering zijn voor de omgeving omdat er geen oppervlakte water meer onttrokken zal worden uit het defensiekanaal. Het vuilwater afkomstig uit de woning en kantine is aangesloten op het gemeentelik rioleringssysteem. 6.10.3 Te treffen maatregelen Doordat onderhavig
project niet voorziet
in een toename
van
verhard
oppervlak en enkel toeziet op de
functiewijziging van een agrarisch naar niet agrarisch verwant is het uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant. Het treffen van maatregelen is dan ook niet nodig. 6.10.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect water en watersystemen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het project landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
30
6.11.1 Wettelijk kader
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Ow. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 2 sub g Ow worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Dee!s zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl opgenomen, te weten in paragraaf 5.1.5 Bkl (beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed). 6.11.2 Onderzoek
Relevante
landschappelijke,
stedenbouwkundige
en
cultuurhistorische
waarden
zijn
reeds
benoemd
en
gemotiveerd in hoofdstuk 5 van deze motivering. Naast deze waarden is ook het aspect archeologie opgenomen onder de eerder genoemde Erfgoedwet. De gemeente Peel en Maas heeft haar archeologiebeleid vastgelegd in de Nota archeologie met bijbehorende beleidskaart. Het archeologiebeleid is doorvertaald naar het vigerende bestemmingsplan.
Op basis daarvan is
in het vigerende bestemmingsplan voor een groot deel van het bestemmisvlak een archeologische dubbelbestemming opgenomen, zijnde “Waarde Archeologie - 5’. In deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht indien een oppervlakte van meer dan 2500 m? dieper dan 40 centimeter verstoord wordt. Onderhavig planvoomemen behelst enkel een functiewijziging waarbij bestaande bebouwing gehandhaafd blft. Het planvoomemen beheist geen realisatie van nieuwe bebouwing.
Initatiefnemer heeft wel de intentie
om een infitratiesloot om het perceel te leggen. Deze sloot zal een oppervlakte hebben van circa 1000 me. Daarmee blift het onder de maximale oppervlakte van 2.500 m? en hoeft er dus geen onderzoek gedaan te worden vooraf. Het aspect archeologie vormt dan ook geen beperking voor onderhavig initiatief.
6.11.3 Te treffen maatregelen Het project heeft geen nadelige gevolgen voor cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw. Het treffen van maatregelen is n deze dan ook niet nodig. 6.11.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.12 Bedrijfsmatige activiteiten In deze paragraaf komt aan de orde of bij de activiteit rekening gehouden dient te worden met het aspect bedrifsmatige activiteiten.
6.12.1 Wettelijk kader Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrif, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende functies. Door middel van
de milieuwet-
en regelgeving wordt (milieuhinder zoveel
mogelijk voorkomen.
Indien
gevoelige objecten worden gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten,
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
31
dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Anderzijds dienen bedrijven bij het (door)ontwikkelen van het bedrij rekening te houden met omliggende gevoelige objecten. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij
bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteid. Deze bedrijvenlijst geeft richtafstanden waaraan getoetst kan worden. 6.12.2 Onderzoek
Onderhavig project ziet toe op het in herbestemmen van een “Agrarische — Grondgebonden” bedrijf naar een “bedrijf - Niet agrarisch verwant’ waarbij de overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt wordt. Voor een woonfunctie
gelden geen richtafstanden ten opzichte van omliggende objecten. Voor wat betreft omliggende bedrijven zijn de dichtstbij gelegen bedrijven: «
Kwakvors 7: Maatschappelijk - 2, kortste afstand bouwvlak-bouwvlak 110 meter.
«
Kwakvors 6: Agrarisch - Intensieve veehouderij, kortste afstand bouwvlak-bouwvlak 210 meter.
e
Vieruitersten 18: Agrarisch — Grondgebonden, kortste afstand bouwvlak-bouwvlak 210 meter.
De ocatie kan het beste beschouwd worden als gelegen in een ‘rustige woonwijk’. Voor de het bedrijf aan de
Kwakvors 7, dit valt volgens het bestemmingsplan onder Dierenasiels en -pensions. Volgens de bedrijvenlijst VNG is de grootste richtafstand 100 meter. Gekeken naar bouwvlak — bouwvlak wordt hiermee voldaan aan de richtafstand. Gekeken naar Kwakvors 6, heeft dit bedrijf de grootste richtafstand van 200 meter. Dus ook
hier wordt voldaan aan alle richtafstanden. kan gesteld worden dat voldaan wordt aan alle richtafstanden. Gekeken naar de Vieruitersten 18, heeft dit bedrijf de grootste richtafstand 50 meter. Ook hier wordt ruimschoots voldaan aan
alle richtafstanden.
In de huidige vorm als “Agrarisch — Grondgebonden” als fruitteelt bedrijf heeft de locatie volgens de brochure VNG
30 meter voor de grootste richtafstand. In artikel 56 van het vigerende bestemmingsplan
zijn enkele
algemene wijzigingsregels opgenomen. In lid 7 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder andere de bestemming ‘Agrarisch — Grondgebonden’ te wijzigen in ‘Bedrijf — Niet agrarisch verwant’ voor bedrijven tot ten hoogste categorie 1 en 2 conform de lijst van bedrijfsactiviteiten als opgenomen
in bijlage 1 van de regels bij
het vigerende bestemmingsplan. Het voorgenomen gebruik sluit het beste aan bij SBl-code 33.123, reparatie en onderhoud van machines voor een specifieke bedrijfstak. In Artikel 12.1 Bestemmingsomschrijving is het volgende opgenomen:
De voor 'Bedrijf — Niet agrarisch verwant’ aangewezen
gronden
zijn bestemd voor;
bedrijven in de vorm van reparatie van landbouwmachines uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf- 11' (Lid J.8.) Gekeken naar het VAB beleid, ljkt een werkplaats t.b.v. reparatie, onderhoud en verkoop van land- en tuinbouwmachines het meest op een loonbedrijf. Deze vallen afhankelijk van de grootte onder milieu-categorie 20f 3.1 en daarom ook passend binnen het VAB beleid van de gemeente Peel en Maas. Milieu-categorie 3,1
kent een maximale richtafstand van 50 meter. Aangezien er geen bedrijven of woningen binnen een straal van 50 meter vanaf grens bouwvlak vallen is de ontwikkeling qua activiteiten inpasbaar in de omgeving. 6.12.3 Te treffen maatregelen Het project heeft geen nadelige gevolgen gekeken naar bedrijfsmatige activiteiten. Het treffen van maatregelen is in deze dan ook niet nodig. 6.12.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect bedrijfsmatige activiteiten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
32
6.13 Toetsing Besluit m.e.r. / m.e.r.-beoordeling In deze paragraaf komt aan de orde of bij de activiteit rekening gehouden dient te worden met het Besluit m.e. 6.13.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag voor een omgevingsplan volledig is, is een toefs aan de regels over een milieueffectrapportage. Hiervoor zijn regels opgenomen in paragraaf 16.4.1 Ow (miieueffectrapportage voor plannen en programma's).
plannen
en
programma's)
en afdeling
11.1
Ob
(milieueffectrapportage voor
6.13.2 Project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig Een plan kan op twee manieren leiden tot een plan-mer-plicht: de generieke aanwijzing en de plan-merbeoordeling. Onder de generieke aanwijzing van plannen waarvoor direct een plan-mer-plicht geldt. Een plan-
mer-beoordeling geldt voor een plan dat kaderstellend is voor projecten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet n bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt altjd een plan-mer-beoordeling. Staat het project wel in bijlageV, maar komt deze niet boven de drempe! van kolom 2 uit deze bijlage dan geldt een planmer-beoordeling als: 1. Het plan een kleine wijziging van het plan is. 2. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau en als voor dat plan een gemeente het bevoegd gezag is.
Om te bepalen of een mer-plicht of mer-beoordeling noodzakelijk is, moet beoordeeld worden of de onderhavige ontwikkeling voorkomt in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het herbestemmen van een “Agrarische — Grondgebonden” naar “Bedrijf - Niet agrarisch verwant” komt niet voor in kolom 1 van bijlage V Ob. Onderhavig project is dan ook niet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig. 6.13.3 Project mer-beoordeling
Aangezien onderhavig project beoordeling plaats te vinden.
niet mer-plichtig
of mer-beoordelingsplichtig
is, hoeft ook
geen
verdere
6.13.4 Onderzoek
Aangezien onderhavig project niet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, hoeft ook geen verdere beoordeling plaats te vinden. Evengoed kan in deze aangegeven worden dat in onderhavige motivering een beschrijving is gegeven van de plaats en de omvang van het project. Verder is ook ingegaan op de eventuele gevolgen van het project voor alle relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving. Uit deze toetsing zijn geen beperkingen naar voren gekomen. Wat dat betreft kan gesproken worden van een aanvaardbare ontwikkeling 6.13.5 Te treffen maatregelen Aangezien onderhavig project niet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, hoeft ook beoordeling plaats te vinden. Op basis daarvan is ook het treffen van maatregelen niet nodig.
geen
verdere
6.13.6 Conclusie
Voor wat betreft het aspect toetsing Besluit m.e.r. / m.e.r-beoordeling is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.14 Spuitzones 6.14.1 Wettelijk kader Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
33
zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand
aan
te
houden
van
50
m
tussen
gevoelige
functies
en
agrarische
bedrijvigheid
waarbij
gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt,in het algemeen niet onredelik is (uitspraak van 27 mei 2015
in zaak nr. 201410309/1/R6). 6.14.2 Onderzoek
Binnen 50 meter van de functievlakken Vieruitersten 26 ligt rondom bouwland met agrarische functie. Dit is het perceel waarop voorheen de boomgaarden stonden. Dit perceel zal n de toekomst ook als bouwiand bewerkt blijven worden. Echter is er door initatiefnemer een strook van 50 meter rondom de gebouwen bij gekocht. Dit
om spuitzones helemaal uit e sluiten. Ditis opgenomen en verankerd in de planregels en de plankaart. 6.14.3 Te treffen maatregelen Aangezien onderhavig project de spuitzones helemaal heeft uit gesloten door omliggende perceel voor 50 meter vanaf de gevoelige functies bij te kopen, hoeft ook geen verdere beoordeling plaats te vinden. Op basis daarvan is ook het treffen van maatregelen niet nodig. 6.14.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect spuitzones is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
34
7 Beperkingengebieden In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening s gehouden met aangewezen beperkingengebieden.
7.1 Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door R of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Riijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rjkswegen en vaarwegen. Onderhavig plangebied is gelegen op de locatie Vieruitersten 26 te Meijel. Deze locatie is niet gelegen binnen een aangewezen beperkingengebied van Rijk en/of provincie. De beperkingengebieden vormen dan ook geen beperking voor onderhavig project c.q. onderhavig project heeft geen nadelige gevolgen voor de aangewezen beperkingengebieden.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
35
8 Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening economische als ook de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
8.1 Economische 8.1.1
ís gehouden
met zowel de
uitvoerbaarheid
Financieel economische
haalbaarheid
De realisatie van het project geschiedt gehee! voor rekening en risico van initiatiefnemer. De gronden waarop het initiatief plaatsvindt zijn in eigendom bij initiatiefnemer. Met onderhavig project zijn de gemeentelijke financiën niet in het geding. 8.1.2 Kostenverhaal
Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door midde! van een
kostenverhaalsbeschikking
zoals
blijkt
uit
artikel
13.18
Omgevingswet.
Kostenverhaal
geldt
voor
kostenverhaalplichtige activiteiten, te weten:
e _ Aangewezen bouwactiviteiten: e _ Aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit (Ob) bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. In artikel 8.13 Ob gaat in op de aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob gaat in op de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal. Artikel 8.15 Ob gaat in op de kostensoortenlijsten. De activiteiten waarvan kosten worden verhaald (artikel 8.13 Ob) zijn: a. ©. d. e. f
de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt
Onderhavig project behest het herbestemmen van een bedrijf “Agrarisch — Grondgebonden’ naar ‘Bedi Niet agrarisch verwant’. Hierbij is geen sprake van een van de voornoemde activiteiten. In onderhavig geval is kostenverhaal dan ook
niet aan de orde.
8.1.3 Nadeelcompensatie Indien een omgevingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan schade wordt veroorzaakt, dan is Titel 4.5
(nadeelcompensatie), artikelen 4.126 tot en met 4.131, van de Algemene wet bestuursrecht (AWb) van toepassing. Het bevoegd gezag sluit een overeenkomst met initiatiefnemer tot verhaal van de kosten als gevolg van nadeelcompensatie welke e herleiden zijn tot het omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat de kosten van
eventuele nadeelcompensatie niet voor rekening komen van de gemeentelijke financiën.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
36
8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1 Participatie Initiatiefnemer heeft de naaste belanghebbenden 1 op 1 geïnformeerd over onderhavig planvoomemen. Het gaat daar bij om de volgende omwonenden: Kwakvors
7
Vieruitersten
16
Heufkensweg 33 Vieruitersten bouwkavel ongenummerd Door initiatiefnemer is een kort verslag gemaakt van hetgeen er besproken is. Dit verslag is toegevoegd als bijlage 5.
8.2.2 Advies en instemming
De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ljst opstellen waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies c.q. instemming moet worden gevraagd. Daarbij moet ook aandacht besteed zijn voor de wijze waarop deze advisering kan worden ingepast in het besluitvormingsproces bij wijzigingen van een omgevingsplan. Op basis van artikel 16.15a Omgevingswet heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om zichzelf als adviseur aan te wijzen met recht van instemming. Indien gebruik wordt gemaakt van het advies-/instemmingsrecht bedraagt de beslistermijn twaalf weken. In onderhavig geval i instemming van de gemeenteraad noodzakelijk.
8.2.3 Vaststellingsprocedure Voor het wijzigen van een
omgevingsplan
voorbereidingsprocedure volgen.
De procedure is grofweg in te delen in 3 procedurestappen:
1.
een
gemeente
altijd
de
uniforme
openbare
Vóór het ontwerp-omgevingsplan: de gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel een milieueffectrapport (MER) op; a.
2.
moet
Kennisgeving voornemen wijziging omgevingsplan
b. Mileueffectrapport schrijven (indien van toepassing) Ontwerp-omgevingsplan: de gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan
en legt het ter
inzage. ledereen kan daarna zienswijzen inbrengen:
a.
veor f
3.
Kennisgeving ontwerpbesluit Mededeling in gemeenteblad Terinzagelegging ontwerpbesluit
Aanvuling ter inzage gelegde stukken (indien van toepassing) Zienswijzen (indien van toepassing) Verslag mondelingen zienswijzen (indien van toepassing)
Vaststellen omgevingsplan: de gemeente stelt het omgevingsplan vast. a. Termijn vaststelling bij MER (indien van toepassing)
>oaorg
Vaststelling omgevingsplan
Termijn tussen vaststelling en bekendmaking Bekendmaking, kennisgeving, terinzagelegging Mededeling van het besluit
Inwerkingtreding
De regels van het omgevingsplan worden tot slot zichtbaar in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren via de Landelijke voorziening
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
37
bekendmaken en beschikbaar stellen (de LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het omgevingsplan komen dan automatisch in het Omgevingsloket. Iedereen kan zo op een kaart zien welke regels waar gelden.
8.2.4 Bezwaar / Beroep Tijdens de ontwerpterinzagelegging van het omgevingsplan kan eenieder zijn of haar zienswijzen kenbaar maken. Het bevoegd gezag moet vervolgens bij de motivering van het definitieve besluit ingaan op de ingediende zienswijzen. De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de korte/reguliere procedure voor. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarma kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRVS). Bij sommige besluiten is er geen beroepsmogelijkheid
bij de rechtbank, maar moet iemand meteen naar de ABR\S. Deze besluiten staan in bijlage 2, artikel 2, van de Awb. Dit geldt onder andere in het geval van een besluit ten aanzien van een omgevingsplan.
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
38
9 Belangenafweging en conclusie 9.1 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Een wijziging van het omgevingsplan wordt alleen goedgekeurd toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). hoofdstuk 5 van
indien sprake is van een evenwichtige Daamaast gelden de instructieregels n
het BK!.
De algemene vraag is of het initatief leidt tot een situatie waarbij nog steeds of weer (door de voorgenomen wijziging) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover deze betrekking hebben op onderhavig planvoornemen, onderzocht en gemotiveerd (zie de hoofdstukken 4 tot en met 7).
9.2 Conclusie
Uit de toetsing aan alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, met betrekking op onderhavig planvoornemen, komen geen belemmeringen c.q. beperkingen voor onderhavig planvoornemen naar voren Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat met de ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat dus sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling
Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”
39