CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-095 03 Ruimtelijke motivatie Vieruitersten 26 Meijel (geanonimiseerd)

Raad 16 december 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan ‘Vieruitersten 26 Meijel’ (2025-095)13.617 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Document:

_

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel

Procedure:

__ WOP

(TAM-omgevingsplan)

Datum:

22-10-2025

e

r

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) iiaietnemer

Pijnenburg

>

agrarisch advies & onroerend goed

Spoorweg 4 5963 NJ Horst

T+31 (0)77 398 29 21

info@pijnenburgadvies.nl

INHOUDSOPGAVE

INHOUDSOPGAVE

1 Aanleiding en doel

3

1.1 Aanleiding. 1.2 Plangebied 1.3 Het omgevingsplan 1.4 Leeswijzer 2 Beschrijving huidige situatie. 3 Voorgenomen ontwikkeling 4 Beleid en regelgeving

OAD

41 Rijksbeleid

4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels. 4.3 Omgevingswaarden 4.4 Regionaal beleid. 4.5 Beleid Waterschap.

4.6 Gemeentelijk beleid 5 Landschappelijke, stedenbouwkunt

6 Fysieke leefomgeving 6.1 Beschermen van de gezondheid. 6.2 Milieubelastende activiteiten

6.3 Geluid door activiteiten.… 6.4 Kwaliteit van de buitenlucht

6.5 Geur. 6.6 Bodemkwalitei

6.7 Wegen, verkeer en parkeren 6.8 Omgevingsveiligheid.. 6.9 Natuur…

6.10 Water en watersystemen 6.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw 6.12 Bedrijfsmatige activiteiten… 6.13 Toetsing Besluit m.e 1. / m.e.r-beoordeling 6.14 Spuitzones .

7 Beperkingengebieden.

35

7.1 Beperkingengebieden 8 Uitvoerbaarheid

36

8.1 Economische uitvoerbaarheid .

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid..

9 Belangenafweging en conclusie

39

91 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? 9.2 Conclusi

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

1

Separate bilagen: Landschappelijk inpassingsplan Berekening V-stacks vergunning stikstofberekening Aerius

apOnND

Quickscan flora en fauna

Verslag omgevingsdialoog

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

1 Aanleiding en doel 1.1 Aanleiding Initatiefnemer s eigenaar van de locatie aan de Vieruitersten 26 te Mejjel en heeft de locatie recent verworven. Op de locatie is tot op heden een agrarisch fruiteelbedrijf gevestigd. Op de locatie is een bedrijfswoning en een loods aanwezig. Iniiatiefnemer heeft een bedrif dat gespecialiseerd i in reparatie, onderhoud en verkoop

van land- en tuinbouwmachines. In de loods op deze locatie wil de initatiefnemer zijn werkplaats en staling vestigen. Op dit moment

heeft de locatie een enkelbestemming “Agrarische-Grondgebonden’.

Het gebruik van de

gebouwen ten behoeve van een werkplaats is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. De gewenste ontwikkelingen zijn dus niet rechtstreeks passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de werkplaats juridisch-planologisch vast te leggen zou de bestemming gewijzigd dienen te worden

in de

bestemming ‘Bedrijf — Niet agrarisch verwant. Daartoe dient onderhavig plan.

U

92

Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (rood omjnd)

Voor dit planvoornemen is een principeverzoek gedaan bij de gemeente Peel en Maas. Per brief is op 9 december 2024 aangegeven dat de gemeente in principe bereid is medewerking te verlenen aan het plan. Om medewerking te verlenen dient een wijziging van het omgevingsplan plaats te vinden. Onderhavige motivering maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het wizigen van het omgevingsplan. Tot en met 1 januari 2026 kan dat op basis van een TAM-imro. Daar wordt in onderhavig geval dan ook gebruik van gemaakt.

1.2 Plangebied De locatie ligt aan de Vieruitersten 26 te Meijel. De locatie is gelegen op een afstand van circa 1.7 kilometer van het de kern van Meijel. De percelen welke onderdeel uitmaken van het plangebied zijn kadastraal bekend

als Meijel, sectie F, nummer 2689 en 1448. De totale opperviakte van het plangebied bedraagt 21.277 m?.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

3

1.3 Het omgevingsplan De locatie valt onder de werking van het 'Omgevingsplan gemeente Peel en Maas’, welke vanaf 01-012024 in werking is getreden. Het omgevingsplan bevat regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. ledere gemeente heeft 1 omgevingsplan onder de Omgevingswet. Alle bestemmingsplannen die op 31 december 2023 bestaan, staan op 1 januari 2024 automatisch in een tijdelijk omgevingsplan.

Dit heet een ‘omgevingsplan van rechtswege’.

De gemeente gaat dit tijdelijke

plan stap-voor-stap veranderen in een omgevingsplan. Dit is uiterlijk in 2032 klaar. De locatie aan de Vieruitersten 26 maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas' zoals vastgesteld op 24 december 2014. De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch — Grondgebonden’, het bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 8.300 m?. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde — Archeologie — 5'. Tevens gelden de gebiedsaanduidingen ‘provinciale ontwikkelingszone groen’, ‘reconstructiewetzone — extensiveringsgebied’ en ‘wro-zone— wijzigingsgebied 6 bn'.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

4

e

sss Enkelbestemming Agrarisch Grondgebonden

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie

-$

Bouwniak

Gebiedssanduiding provinciale ontwikkelingszone groen|

Gebiedsaanduiding extensiveringsgebied

Gebiedsaanduiding jzgingsgebied 6 bn

Afbeelding 3. Uitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan.

Verder is op 19-06-2018 het ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas' vastgesteld. Dit plan maakt het mogelijk om bestemmingsplannen en vergunningaanvragen te toetsen om te beoordelen of er voorzien is in voldoende parkeergelegenheid. Op basis van deze bestemming en aanduidingen is ter plaatse in beginsel een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Het gebruik van de gebouwen ten behoeve van een werkplaats en stalling van machines en werktuigen is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan. De gewenste ontwikkelingen zijn dus niet rechtstreeks passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de werkplaats juridischplanologisch vast te leggen zou de bestemming gewijzigd dienen te worden in de bestemming 'Bedrijf — Niet agrarisch verwant.. Om medewerking te verlenen dient een wijziging van het omgevingsplan plaats te vinden. Onderhavige motivering maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tot en met 31 december 2025 kan dat op basis van een TAM-imro. Daar wordt in onderhavig geval dan ook gebruik van gemaakt.

1.4 Leeswijzer Deze motivering i als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie binnen het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het beleidskader met de bijbehorende regelgeving wordt uitgewerkt in hoofdstuk 4. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 een toelichting gegeven

ten

aanzien

van

de

landschappelijke,

stedenbouwkundige

en

cultuurhistorische

waarden.

In

hoofdstuk 6 wordt getoetst aan alle relevante (milieu)aspecten behorende tot de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de beperkingengebieden en in hoofdstuk 8 op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot vindt in hoofdstuk 9 de belangenafweging plaats en is de algehele conclusie omtrent het project uiteengezet.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

5

2 Beschrijving huidige situatie In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige sítuatie van het plangebied en de omgeving daarvan. Ook wordter ingegaan op de aanwezige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en omgeving. Dit alles dient als basís voor de voorgenomen ontwikkeling. De locatie ligt aan de Vieruitersten 26 te Meijel. De locatie is gelegen op een afstand van circa 1.7 kilometer van het de kern van Meijel. De percelen welke onderdeel uitmaken van het plangebied zijn kadastraal bekend

als gemeente Meijel, sectie F, nummer 2689 en 1448. De totale opperviakte van het plangebied bedraagt 21.277 me.

Afbeelding 4. Luchtfoto huidige situatie met het huidige bouwviak rood omlijnd.

De Vieruitersten betreft een buitenweg die zich in zuidelijke richting ontsluit op de Heldensedijk, in noordoostelijke richting op de Molenbaan/Molenpeel en in westeljke richting op de Heufkesweg. Aan de Vieruitersten is sprake van een mix van functies waaronder agrarische bedrijven, wonen en recreatie. Aan de

oostzijde van het bedrij loopt het kanaal van Deume en de Helenavaart met daar rondom heen verschillende wandel

en fietsroutes.

Binnen het plangebied is momenteel de volgende bebouwing aanwezig:

-

Bedrijfswoning, opperviakte circa 150 m?

- _ Garage/berging, opperviakte circa 100 m?

-

Bedijfsgebouw, opperviakte circa 1170 m2

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

6

3 Voorgenomen ontwikkeling In dt hoofdstuk wordt een (korte) beschrijving gegeven van de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij worat ook alvast ingegaan op bijzondere aandachtspunten voor zover daar sprake van is. Een eventuele verdere verantwoording van deze bijzondere aandachtspunten is opgenomen in hoofdstukken 4 en 5.

Zoals eerder aangegeven heeft de huidige eigenaar niet de intentie om een agrarisch bedrijf te exploiteren op de locatie. Voornemen is daarom om de functie te wijzigen in de functie “Bedrijf — Niet agrarisch verwant”.

In artikel 56 van het vigerende bestemmingsplan zijn enkele algemene wijzigingsregels opgenomen. In lid 7 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen

om onder andere de bestemming ‘Agrarisch — Grondgebonden' te

wijzigen in 'Bedrijf — Niet agrarisch verwant’ voor bedrijven tot ten hoogste categorie 1 en 2 conform de ljst van bedrifsactiviteiten als opgenomen in bijlage 1 van de regels bij het vigerende bestemmingsplan. Het voorgenomen gebruik sluit het beste aan bij SBl-code 33.123, reparatie en onderhoud van machines voor een speciieke bedrijfstak. In Artikel 12.1 Bestemmingsomschrijving is het volgende opgenomen: De voor ‘Bedrijf — Niet agrarisch verwant’ aangewezen gronden zijn bestemd voor; bedrijven in de vorm van reparatie

van landbouwmachines uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf -11' (Lid J.8). Indien de gemeente daartoe bereid is zou medewerking verleend kunnen worden middels het uitwerken van onderliggend Tam-imro-plan.

Gekeken

naar het VAB

beleid, ljkt een werkplaats t.b.v.

reparatie, onderhoud

en verkoop van land- en

tuinbouwmachines het meest op een loonbedrijf. Deze vallen afhankelijk van de grootte onder milieu-categorie 20f3.1 en daarom ook passend binnen het nieuwe VAB beleid. De bevoegdheid geeft aan dat het wijzigen van de bestemming “Agrarisch — Grondgebonden” naar ‘Bedrijf —

Niet agrarisch verwant” een verkleining van het bouwvlak vereist. Aan de noord-oostzijde van het bestaande bouwvlak wordt een stukje van dit bouwvlak weggenomen, dit deel krijgt de functie “Agrarisch”, zonder bouwmogelijkheden.

In dit deel zal onder andere de tegenprestatie geleverd worden die gewenst is voor de

functiewijziging van het bedrijfsgebouw.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

7

Afbeelding 5: rode viak is het beoogd bouwvlak, gele dee s te verwijderen deel van het huidige bouwviak.

Als onderdeel van onderhavig plan zal de locatie landschappelik in de omgeving ingepast worden. In hoofdstuk 5 wordt daar nader op ingegaan.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

8

4 Beleid en regelgeving In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling toegelicht en wordt de ontwikkeling hieraan getoetst. Hierbij wordt achtereenvolgens ingegaan op het van toepassing zijnde rijksbeleid, provincíaal beleid, regionaal beleid, beleid van het waterschap en gemeentelijk beleid.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI worden de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten:

° _ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; e _ Duurzaam economisch groeipotentieel: e _ Sterke en gezonde steden en regio's; e Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;

2.

Kenmerken

en identiteit van een gebied staan centraal;

3.

Afwentelen

wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de afwegingsprincipes benut worden. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economisch

sterk Nederland.

Onderhavig planvoornemen omvat het herbestemmen van “Agrarisch - Grondgebonden” naar “Bedrijf — Niet agrarisch verwant’. De thans aanwezige bedrijfswoning blift staan. Het bestaande bedrijfsgebouw wordt ook gehandhaafd en omgevormd naar werkplaats, magazijn en stallingsruimte. Overige kleine bijgebouwen worden gesloopt. Gezien het zeer kleinschalige karakter van het project worden geen nationale belangen uit de Nationale Omgevingsvisie geschaad. Het project is daarmee passend binnen de Nationale Omgevingsvisie. 4..2 Instructieregels Rijk (AMvB's) Tegelikertijd met het in werking treden van de Omgevingswet (Ow) zijn een aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) n werking getreden. Deze AMvB's bevatten de nadere uitwerking van bepalingen van de Omgevingswet. Het betreft de volgende AMvB's:

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

9

e _ Omgevingsbesluit (Ob}: o _ Gerichtop burgers, bedrijven en bestuursorganen. Bevat regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). e Besluit kwaliteit leefomgeving (BK) o Gericht op bestuursorganen. Bevat onder meer de normen en instructieregels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. ° _ Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): o _ Gericht op burgers, bedrijven en overheden bij hun feiteljk handelen. Bevat algemene, rechtstreeks werkende regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk.

° _ Besluit activiteiten Ieefomgeving (Bal): o _ Gericht op burgers, bedrijven en overheden bij hun feiteljk handelen. Bevat algemene, rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Ook worden in dit

besluit vergunningplichten aangewezen. Het Bal en het Bbl bevatten rechtstreeks werkende, altjd geldende, regels. Hier dienen burgers, bedrijven envof overheden zich te allen tijde aan te conformeren. Het Omgevingsbesluit bevat in hoofdzaak de ‘procedurele’ regels. Vanuit deze drie AMvB's komen geen instructieregels naar voren die specifiek voor onderhavig project van toepassing zijn. Het Bkl bevat wel relevante onderdelen, ten aanzien van omgevingsplannen is hoofdstuk 5 van het Bkl (Omgevingsplannen) van belang. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat 3 afdelingen. Afdeling 5.1 bevat Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Deze afdeling is opgedeeld in 8 paragrafen: 1. 2. 3. 4. 5.

Paragraaf 5.1.1: Algemene bepalingen Paragraaf 5.1.2: Waarborgen van de veiligheid Paragraaf 5.1.3: Beschermen van de waterbelangen Paragraaf 5.1.4: Beschermen van de gezondheid en van het milieu Paragraaf 5.1.5: Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden erfgoed

”

Paragraaf 5.1.6: Behoud van ruimte voor toekomstige functies Paragraaf 5.1.7: Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Paragraaf 5.1.8: Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

7. 8.

en cultureel

Afdeling 5.2 bevat Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze gaan onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Afdeling 5.3 bestaat uit een tweetal ontheffingsmogelijkheden. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 van onderhavige ruimtelijke motivering wordt nader gemotiveerd dat aan alle wettelijke kaders voldaan wordt. Daarmee mag verondersteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met de instructieregels uit het Bk!. 4..3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van het Rijk.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

10

4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 4.2.1 Omgevingsvisie Limburg Per

25 oktober

2021

is de

‘Omgevingsvisie

Limburg'

in werking

getreden.

De

Omgevingsvisie

is een

strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals

wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed.

Daarnaast worden

ook de aspecten

gezondheid,

veiligheid en een gezonde

leefomgeving

in de

Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal

handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma's. In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden.

Deze opgaven spelen Limburg-breed, de

accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: *

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;

o

Instedelijk c.q. bebouwd gebied;

o _ Inlandelijk gebied;

= «

Eentoekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ijdloze’ karakteristiek van de ondergrond, de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van hetruimtegebruik in de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar

grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende hoofdtypen met bijbehorende categorieën: *

Landelijke gebieden:

=

o _ Groenblauwe mantel | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) | Buitengebied; Bebouwde gebieden:

*

Infrastructuren;

o _ Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke kem | Werklocaties:

o _ (Inter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg | (Inter)nationale waterweg | (Lucht)haven | (Inter)nationale leidingstrook.

De locatie is in hoofdzaak gelegen binnen de categorie ‘buitengebied' behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Daarnaast is het oostelijke dee! van het bestemmingsvlak deels gelegen binnen de ‘groenblauwe

mantel. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de

plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de

ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. De groenblauwe

mantel

is een samenvoeging

van de vroegere Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene

landschapszone. In dit geval gaat het om de “oude” landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones

bronsgroene natuurzone: deze zone rond bestaande natuurgebieden met

omvat de de daarin

aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d.

Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas. In ZuidLimburg omvatten deze zones ook de steilere hellingen, droogdalen en de belangrijkste landschappelijke verbindingen naar het Maasdal. Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone

is er op gericht om de

landschappeljke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Deze zone bestaat

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

11

hoofdzakelijk

uit

landbouwgronden.

Binnen

deze

zone

komen

op

bestemmingsplanniveau

andere

bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen e.d. in dit geval komt deze zonering voort uit de ligging van het perceel tegen het Kanaal van Deurne en de Helenavaart aan, deze zijn aangeduid als “goudgroene natuurzone”. In de groenblauwe mantel kan er sprake zijn van 1 of meer kernkwaliteiten.

Deze zijn het groene karakter, het

visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed, het reliëf en ruimte voor water en waterberging in de

laagten en beekdalen. In dit gevalis er vooral sprake van het groene karakter en het visueel-ruimtelijk karakter. Onderhavig planvoomnemen sluit aan bij de voornoemde accenten uit de omgevingsvisie en — verordening. Er

wordt

door

de functiewijziging

een

kwaliteitsslag

gerealiseerd

doordat

leegstand

en

verpaupering

van

gebouwen in het buitengebied voorkomen wordt.

Daamnaast wordt met dit planvoomemen gelegen is binnen de ‘groenblauwe

ervoor gezorgd dat binnen het gedeelte van het plangebied dat

mante!' geen bebouwingsmogelijkheden meer mogelijk zijn doordat de

bestemming wordt aangepast en doordat het bouwblok wordt verkleind. Daamaast wordt oude bebouwing die niet meer gebruikt wordt afgebroken. Vervolgens wordt er in de groenblauwe mantel ter compensatie van de functiewijziging groen aangeplant, in de vorm van een singel. In het buitengebied vind een aanvullende inpassing plaats. Dit heeft een positieve uitwerking

op

de

doelstellingen

die

nagestreefd

worden

binnen

deze

‘groenblauwe

mantel

en

in het

‘buitengebied'. Hiermee worden de kwaliteiten van het landschap versterkt. Daarmee bestaan er dus geen belemmeringen voor onderhavig initatief.

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in het ontwerp van de Omgevingsvisie Limburg (POV|). Deze is per 01-01-2024 in werking getreden.

4.2.3 Conclusie

Onderhavig planvoomnemen heeft geen relatie met het onderwerp wonen, zonne-energie, steenkoolwinning of huisvesting voor intemationale werknemers. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee niet in strijd met de doelstelingen en het beleid van de provincie Limburg.

4.3 Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Riijk en de provincie, maar ook van gemeenten zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:

e _ De gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats: e De toelaatbare belasting door activiteiten; e De toelaatbare concentratie of depositie van stoffen.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

12

De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur en geluid.

Op dit moment is binnen de gemeente Peel en Maas nog sprake van een tijdelijk omgevingsplan (van rechtswege). Hierin zijn geen, concrete, omgevingswaarden opgenomen. Derhalve wordt voor wat betreft de omgevingswaarden nu verwezen naar de toetsing aan de wettelijke kaders in hoofdstuk 6.

4.4 Regionaal beleid Onderhavig planvoornemen omvat het herbestemmen van “Agrarisch - Grondgebonden’ naar “Bedrijf Niet agrarisch verwant’. Voor een dergelijk initatief is geen relevant regionaal beleid uitgewerkt. De daarvoor geldende kaders zijn uitgewerkt in provinciaal en gemeentelijk beleid. 441

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet n strijd met de doelstellingen van het regionaal beleid.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

13

4.5 Beleid Waterschap Relevante beleidsstuk op het gebied van water is het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap Limburg. Onderhavig planvoornemen omvat het definitief beëindigen van een agrarisch bedrijf door het wegnemen van de agrarische functie. Met onderhavig intiatief i geen sprake van een toename van verhard opperviak. Verder is ook geen sprake van verandering in activiteiten met grondwater.

Voor het onttrekken van oppervlaktewater gaat er wel een verandering plaatsvinden. Het fruitteeltbedrijf had een vergunning om oppervlaktewater te onttrekken uit de nabij gelegen kanalen. Aangezien ditfruitteeltbedrijf ophoud te bestaan vervalt ook deze vergunning. Per saldo zal dit dus als een verbetering gelden omdat er geen opperviaktewater meer onttrokken zal worden uit de kanalen. 45.1

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet n strijd met de regels uit de Wsv.

4.6 Gemeentelijk

beleid

4.6.1 Omgevingsvisie Peel en Maas Op

5 juli 2022

voorlopig

is de

Omgevingsvisie

als onderliggend

Omgevingsvisie

Peel

en

Maas

opgesteld.

(buitenwettelijk) beleid gehandhaafd.

uitgevoerd.

Hieruit

is gebleken

dat

het

Bestaande

structuurvisies

worden

Voor dit project is een toets aan de

gebied

getypeerd

wordt

als:

bos-

en

natuurgebied. Voor zover relevant zijn de volgende gebiedskwaliteiten van belang: « Grote bos- en natuurgebieden aaneengesloten en verspreid door de gemeente

+ + De

De bos- en natuurgebieden vertegenwoordigen een grote waarde voor het landschap en de natuur. Mede daardoor hebben ze de status van beschermd natuurgebied. Daarnaast hebben de gebieden een grote waarde op het gebied van recreatie.

hier te versterken

waarden

betreffen:

« _ Meer diverse inheemse soorten bomen en planten in de bos- en natuurgebieden om de biodiversiteit te versterken.

Ruimte bieden voor water en piekberging. *

Tegengaan verdroging n het gebied. Ontwikkel ecologische verbindingen en gebieden (EHS) in de vorm van een besloten of half open natuurlijk landschap.

Maak natuurvriendelijke oevers langs sloten en beken als ondersteunend ecologisch netwerk. Versterk het ecologisch beheer van de bosgebieden. Erfgoed en cultuurhistorie beter beleefbaar maken. Ontwikkel een recreatief netwerk tussen de natuurgebieden. Natuur en bossen die toegankelijk zijn voor extensief recreatief gebruik en uitdagen tot

bewegen. De

ingezette

koers

omgevingsvisie.

uit de

bestaande

kaderstellingen

De doelstellingen zijn samengebracht

en

beleidsdocumenten

komen

samen

in de

in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3

overkoepelend zijn:

npon=

Zo worden

we

duurzamer

Een gezonde en veilige leefomgeving Het versterken Goed

wonen

van

natuur en biodiversiteit

voor iedereen

Toekomstgericht ondernemen

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

14

6. Deze

Balans in het buitengebied opgaven

moeten

in

samenhang

overkoepelende leidende principes.

worden

gezien.

We

zien

met

name

Bij elke ontwikkeling moet bekeken worden

de

eerste

drie

als

hoe een bijdrage aan

deze drie opgaven kan worden geleverd. Daarnaast is in de gemeente Peel en Maas sprake van een nieuwe

balans in het buitengebied.

en herbestemming geboden, maar

In het buitengebied worden ruime mogelijkheden

voor hergebruik

wel onder strikte voorwaarden

In onderhavig geval krijgt een voormalig agrarisch bedrijf een nieuwe functie als “Bedrijf - Niet agrarisch verwant’. Voor deze functiewijziging dient een tegenprestatie geleverd te worden Basiskwaliteit Plus.

die voldoet aan de

Dat wil zeggen dat nieuwe bebouwing en bestaande bebouwing en verharding goed

ingepast dient te worden. In dit geval betekent dit een inpassing ter grootte van 10% van het gehele bouwvlak (zijnde 8.300 m?), ofwel 830 m? groen (dit zal in hoofdstuk 5 en bijlage 1 toegelicht worden). De locatie zal daarmee voorzien worden van een passende landschappelijke inpassing Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling in n met de Omgevingsvisie Peel en Maas.

4.6.2 Kaderstelling Ruimte en Economie In het coalitieakkoord 2014 is vastgelegd dat het college met de omgeving in gesprek gaat over de gewenste

koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing als richtsnoer heeft. De omzetting van een agrarisch bedrijf naar een bedrijf niet agrarisch verwant is passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie. Op basis van uitvoeringsafspraak 1.2 ‘We benutten bestaande bebouwing en sturen op hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging en daar waar dit niet mogelijk is wordt er zorg gedragen voor hetgeen achterblift. In dit geval blift er een bedrijfswoning staan met een bedrijfsloods die functie doet als werkplaats en magazijn, daarmee is geen sprake van overtollige bebouwing (deze is reeds gesloopt). Ook is in de kaderstelling de uitvoeringsafspraak ‘we hebben oog voor transitie in het landelijk gebied' opgenomen. Als gevolg van schaalvergroting stoppen veel andere (kleinere) agrarische bedrijven. Dat is in dit geval ook aan de orde. Een agrarisch bedrij stopt n het buitengebied en met de nieuwe functie krijgt deze voormalige agrarische locatie een passende vervolgfunctie. Onderhavig planvoornemen is daarmee passend binnen de kaderstelliing Ruimte en Economie. 4.6.3 Kwaliteitskader Buitengebied Het kwaliteitskader biedt een houvast voor ontwikkelingsgericht beleid in het buitengebied.

Daarnaast bevat het een uitwerking van de in het structuurplan vastgelegde beleidsuitgangspunten voor wat betreft de aard en omvang van de te leveren tegenprestatie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen:

1.

Basiskwaliteit (B): B is van toepassing bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding daarvan tot de referentiemaat in een agrarisch gebied. B wil zeggen dat nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang geldt

dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en het erf komt.

2.

Basiskwaliteit Plus (B+): B+ is van toepassing bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding boven de referentiemaat. Als basis voor de omvang van de landschappelijk inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat

overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

15

3.

Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK): Onder andere bij uitbreiding van een solitaire

burgerwoning of bedrijfswoning boven 1.000 m3 is ook AK van toepassing. Bij uitbreiding van solitaire woningen en bedrijfswoningen boven 1.000 m3 gaat het om een fysieke maatregel met een waarde van € 15,- per m? extra uitbreiding. Voor het bepalen van de te leveren tegenprestatie wordt bij functiewijziging van een gebouw gezegd

dat

voldaan dient te worden

en

aan Basiskwaliteit Plus. Basiskwaliteit Plus wil zeggen

bestaande bebouwingen en verharding goed ingepast moet worden.

dat nieuwe

bebouwing

Als basis voor de omvang

landschappelijk inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte

landschappelijke

van de

inpassing

dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak (zijnde 8.300 m?), ofwel 830 m2 groen.

Voor onderhavig plan is een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt (bijlage 1. Dit plan voldoet aan de

uitgangspunten van het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas. 4.6.4 Beleidsnotitie verruiming mogelijkheden Vrijkomende Agrarische Bebouwing In de beleidsnotitie verruiming mogelijkheden Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas, is beleid gemaakt voor voormalige agrarische locaties en woningen waar veel opstallen aanwezig zijn. De regeling houdt in dat hergebruik van bestaande agrarische bebouwing voor een (niet) agrarische functie of burgerwoning onder voorwaarden mogelij is. Om een verdere kwaliteitsverbetering voor deze locaties te stimuleren, wordt in deze notitie aanvullend beleid geformuleerd. Dat houdt in dat er ook mogelijkheden worden geboden, om na sloop van gebouwen, een nieuw gebouw te bouwen. Onder Artikel 6 van de beleidsnotitie worden de volgende voorwaarden verbonden aan nieuwe bedrijvigheid in het buitengebied: 1.

2.

3.

Nieuwbouw is alleen mogelijk indien er binnen het bestemmingsvlak een (bedrijfs)woning aanwezig is; In onderhavig planvoornemen het geval. De woonfunctie blijft de hoofdfunctie, dat wil zeggen dat de bedrijfswoning en het bedrijf aan

elkaar gekoppeld blijven; In onderhavig planvoornemen het geval. In het geval dat de bedrijfswoning sterk verouderd is en nieuwbouw van de bedrijfswoning gewenst is, dient aangesloten te worden bij de regeling die geldt voor (bedrijfs)woningen en bijbehorende bouwwerken in het buitengebied; In onderhavig planvoornemen niet van toepassing.

4.

5.

Er moet sprake zijn van substantiële kwaliteitswinst, die onder meer bestaat uit het verminderen van verstening en het slopen van oude vervallen bebouwing; Oude bebouwing is reeds gesloopt. Er mag maximaal 50% van de te slopen bebouwing aan inhoud (m3) worden teruggebouwd, dan wel worden toegevoegd aan bestaande bebouwing (m.u.. maatwerk);

6.

glastuinbouw, dit betreft

Er vindt vooralsnog geen nieuwbouw plaats. Het gebouw mag niet plat worden afgedekt; In onderhavig planvoornemen níet van toepassing.

7.

Er mag geen buitenopslag plaatsvinden; In onderhavig planvoornemen niet van toepassing.

8.

Overtollige bebouwing moet worden gesloopt. Het bepalen van wat overtollige bebouwing is, gebeurd in overleg met de gemeente. Hierbij staat het behalen van substantiële kwaliteitswinst centraal. Er wordt maatwerk geleverd. In een (anterieure) overeenkomst wordt dit vervolgens vastgelegd; In onderhavig planvoornemen het geval zie hoofdstuk 4.4, 5 en bijlage 1.

9.

Het nieuwe of vergrote gebouw moet architectonisch een goede uitstraling hebben. Het

gebouw is van kwalitatief hoogwaardig materiaal;

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

16

10.

In onderhavig planvoornemen niet van toepassing. Het nieuwe gebouw hoeft niet op dezefde plaats als het te slopen gebouw opgericht te

worden maar moet wel binnen het bestaande bouwvlak worden opgericht; In onderhavig planvoornemen níet van toepassing. 11.

Het onbenutte bouwvlak vervalt, dus het bouwvlak moet worden verkleind;

12.

Dit vindt in deze procedure plaats. Er mogen geen bestaande natuur- en landschappelijke, cultuurhistorische, abiotische en archeologische waarden worden aangetast;

13.

In onderhavig planvoornemen het geval, zie hoofdstuk 6 Er mogen bedrijven tot categorie 3.1 gevestigd worden of bedrijven die hiermee ruimtelijk gezien vergelijkbaar zijn. Hierbij wordt aangesloten bij de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering' van de VNG; Onderhavig planvoornemen zal volgens de VNG bedrijvenlijst onder milieucategorie 2 of 3.1 vallen, en is daarmee passend binnen bovenstaande voorwaarde

14.

Er mag geen sprake zijn van verkeersaantrekkende werking; In onderhavig planvoornemen het geval, zie hoofdstuk 6.

15.

Er mag geen detailhandel plaatsvinden; In onderhavig planvoornemen niet van toepassing.

16.

Er mag geen bedrijfsverzamelgebouw ontstaan; In onderhavig planvoornemen niet van toepassing. 17. Er mag geen logistiek bedrijf gevestigd worden; In onderhavig planvoornemen niet van toepassing. 18. Er mag geen handelsbedrijf gevestigd worden; 19.

In onderhavig planvoornemen niet van toepassing. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is van toepassing;

20.

In onderhavig planvoornemen het geval zie hoofdstuk 4.4 en 5 tevens bijlage 1. Er mag 1 x gebruik gemaakt worden van de regeling, waarbij er tevens sprake is van een

21.

Als bebouwing in het verleden afgebroken is, kan deze niet meer ingezet worden voor nieuw

eindsituatie; Hieraan conformeert initiatiefnemer zich.

op te richten bebouwing zoals bedoeld onder punt 5. Hieraan conformeert initiatiefnemer zich.

Bovenstaande in acht nemende valt onderhavig planvoornemen binnen de voorwaarden van het VABbeleid van de gemeente Peel en Maas.

4.6.5 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van de gemeente Peel en Maas

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

17

5

Landschappelijke,

stedenbouwkundige

en

cultuurhistorische

waarden In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. De locatie ligt aan de Vieruitersten 26 te Meijel. De locatie is gelegen op een afstand van circa 1700 meter van de kem van Mejjel. De Vieruitersten is een wegennetwerk dat al lang bestaat. Al op topografische kaarten uit 1900 worden de wegen gekarteerd. Destijds (en nog steeds) is het een agrarisch gebied tussen Meijel en de kanalen “het Kanaal van Deume" en “de Helenavaart”. Aan de bovenzijde van dit gebied t de provinciegrens en aander onderzijde wordt het gebied doorkruist door de Heldensedijk. Op topografische kaarten uit 1895 is voor het eerst

bebouwing waar te nemen op het perceel. In de jaren zestig is er een woonhuis gebouwd. In 2008 is er achter het woonhuis een nieuwe bedrijfsloods gebouwd t.b.v. het fruitteeltbedrijf.

Zowel de thans aanwezige voormalige bedrijfsgebouwen als ook de bedrijfswoning zijn niet aangewezen als cultuurhistorisch pand/gebouw. Onderhavig planvoornemen omvat het definitief beëindigen van een voormalig agrarisch bedrijf, door het wegnemen van de agrarische functie en het toekennen functie “Bedrijf — Niet agrarisch verwant”. Hierbij zal geen sprake zijn van aantasting van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische, landschappelijk en/of natuurlijke waarden. De activiteiten vinden immers plaats in de bestaande bebouwing. Dit zal mede geborgd worden door het landschappelijk inpassingsplan dat is uitgewerkt voor onderhavig planvoomemen, zie bijlage 1.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

18

Aante

lnten

aakigen

(6

Afbeelding 8. Impressie landschappelike inpassing

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meijel”

19

6 Fysieke leefomgeving In dt hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten

van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 (fysieke leefomgeving) Omgevingswet.

6.1 Beschermen van de gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activíteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat daarbij enerzijds om het beschermen van de gezondheid, anderzijds om het bevorderen van de gezondheid.

6.1.1 Wettelijk kader Op basis van artikel 1.3 sub a. van de Omgevingswet is het bereiken en n stand houden van een veilige en

gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Ook in een divers aantal andere artikelen van de Omgevingswet komt het aspect gezondheid aan de orde. Het aspect gezondheid speelt binnen de Omgevingswet dan ook een centrale rol. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Deze instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trilingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiemavolgende paragrafen gemotiveerd. 6.1.2 Conclusie

Onderhavig planvoomemen omvat het definitief beëindigen van een agrarisch bedrijf. Verderop in dit hoofdstuk zal ingegaan worden op andere relevante aspecten als geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Uit deze toetsing blijkt dat voor deze aspecten sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling Op basis daarvan mag verondersteld worden dat met onderhavig project vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

6.2 Milieubelastende activiteiten

Op basis van bijlage A bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt een milieubelastende activiteit gedefinieerd als een ‘activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteif. Alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben betreffen dus milieubelastende activíteiten, behalve de genoemde uitzonderingen. Onderhavig planvoornemen omvat het definitief beëindigen van een agrarisch bedrijf. Het beoogde gebruik wordtop basis van bijlage 1 van het Bbl beschouwd als een industriefunctie. In het Bbl zijn verder allerlei technische eisen uitgewerkt waar bouwwerken, afhankelijk van de gebruiksfunctie, aan moeten voldoen. Daarbij valt te denken aan technische eisen op het gebied van stabiliteit (constructie), rookgasafvoer en brandmeldinstallatie(s). Onderhavig planvoornemen bevat geen wijziging van gebruiksfunctie. In het voormalige fruitteeltbedrijf had de bedrijfsloods een industriefunctie. Bij wijziging naar werkplaats, stalling en magazijn heeft deze bedrijfsloods nog steeds een industriefunctie. Ook de bedrijfswoning blijft na de wijziging van bestemming nog steeds de bedrijfswoning. Vanuit het Bbl bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavig project.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

20

6.3 Geluid door activiteiten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activíteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 6.3.1 Wettelijk kader In het voorlopige Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijn bepalingen opgenomen die aangeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder, onder andere als gevolg van wegverkeer, industrie, spoorwegen en andere specífieke activiteiten (waaronder windturbines). Een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient hieraan getoetst te worden. In

artikel

3.21

(geluidgevoelige

gebouwen)

van

het

Bkl

worden

de

geluidgevoelige

gebouwen

aangewezen. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. b. c. d.

Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

6.3.2 Onderzoek

De huidige bedrijfswoning blijft bedrijfswoning en kan daarom beschouwd worden als een woonfunctie. De woning wordt op basis van artikel 3.21 van het Bkl aangemerkt als geluidgevoelig gebouw. Daarbij mag verondersteld worden dat in de huidige situatie sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie. Op basis daarvan mag men tevens veronderstellen dat ook in de beoogde situatie sprake zal zijn van een aanvaardbare situatie. Een nader onderzoek naar de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen ter plaatse van deze woning is dan ook niet aan de orde. 6.3.3 Te treffen maatregelen

Aangezien de woning reeds in de huidige situatie aangemerkt s als geluidgevoelig gebouw en dit n de beoogde situatie niet wijzigt s het niet nodig om maatregelen te treffen. 6.3.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect geluid door activiteiten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.4 Kwaliteit van de buitenlucht

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

6.4.1 Wettelijk kader De hoofdljnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteitinstructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bk! (kwaliteit van de buitenlucht). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: e

eris geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

° _ hetproject leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

e _ hetproject draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaiteit hoeft niet overal plaats te vinden. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

2

stikstofdioxide en ijnstof nodig. Uit artike! 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt

aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat s 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijt. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel

onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Als een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valtis het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.

2.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Hierbij kan onder andere de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier bepalen of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms

zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 6.4.2 Onderzoek

Onderhavig initiatief behelst het herbestemmen van “Agrarisch — Grondgebonden” naar “Bedrijf — Niet agrarisch verwant’. In de beoogde situatie blijft de woonfunctie van de bedrijfswoning op het perceel ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van artikel 5.54 van het Bkl worden gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan met één ontsluitingsweg tot ten hoogste 1.500 woningen aangemerkt als ‘standaardgeval NIBM'.

Aangezien de hoofdgebruiksfunctie wijzigt ten opzichte van de voormalige bestemming ("Agrarisch — grondgebonden” naar ‘Bedrijf — Niet agrarisch verwant’) vind er een verandering plaats. Gekeken naar deze functiewijziging, is er een toename van 55 bewegingen per week waarvan 32% zwaar vrachtverkeer is. Dit is gestoeld op de gegevens die we aan verkeersbewegingen mee hebben genomen

in de Aerius rekentool om de stikstofberekening te doen (zie Bijlage 3). Uitgaande van een worst-case benadering dat deze toename allemaal zware verkeersbewegingen (vrachtwagens) zouden betreffen blijkt de berekening dat de toename van het verkeer onder NIBM valt. Op basis daarvan mag verondersteld worden dat onderhavig project NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg

van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel

Maximale bijdrage extra

verkeer

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" n ug/m?

vrachtverkeer

NOz in ug/m

067

PM:o in Hg/m?

0,04

12

Conclusie

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

22

Achtergrondwaarden

In het kader van deze ruimtelijke procedure dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het

RIVM jaarljks in kaart worden gebracht. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.

Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2ster plaatse 9.0 ug/m?, de concentratie PM:o ter plaatse 16.4 ug/m? en de concentratie NO2 grenswaarde voor

11.24 ug/m.

PMes gesteld op 25 ug/m? en voor PM

In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde op 40 ug/m.

Voor NO: is de jaargemiddelde

grenswaarde eveneens gesteld op 40 g/ms. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat.

6.4.3 Te treffen maatregelen Aangezien het project NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging is het niet nodig om maatregelen te treffen. 6.4.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect Iuchtkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.5 Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.5.1 Wettelijk kader

De hoofdljnen voor regelgeving rondom geur staan beschreven n de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geur instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl (geur). In artikel 5.91 van het Bkl worden geurgevoelige gebouwen aangewezen. Lid 1 stelt dat een geurgevoelig gebouw n ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een: a. b. c. d. Van

Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. belang

is dat

in lid 4 van

artikel

5.91

benoemd

staat

dat

‘Het

omgevingsplan

kan

andere

geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen’. In het voorlopige Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijn vooralsnog geen andere categorieën gebouwen aangewezen als geurgevoelig object anders dan benoemd in artike! 5.91 van

het

Bk!.

6.5.2 Onderzoek

Onderhavig planvoornemen behelst het herbestemmen van “Agrarisch — Grondgebonden” naar ‘Bedrijf — Niet agrarisch verwant’ waarbij de bedrijfswoning een bedrijfswoning blijft. In de beoogde situatie is dus sprake van een woonfunctie welke op basis van artikel 5.91 Bkl, lid 1 als geurgevoelig object aangewezen wordt. Voor wat betreft geurbelasting kan een onderscheid gemaakt worden in voorgrondbelasting en achtergrondbelasting.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

23

Voorgrondbelasting Op basis van artikel 5.109 geldt een maximale geurbelasting van 14,0 0.u. In de nabijheid zijn 2 veehouderijen gelegen, namelijk aan Kwakvors 6 en de Vieruitersten 18. De locatie aan de Vieruitersten 18 heeft een melding activiteiten besluit van 10-12-2020. Daarop wordt aangegeven dat er hobbymatig pluimvee, schapen, geiten,

konijnen en overige pluimvee wordt gehouden. Vanwege de kleinschalige omvang is deze locatie niet doorgerekend. De veehouderij aan de Kwakvors 6 is de maatgevende veehouderij. Deze veehouderij ligt het dichtste bij de woning aan de Vieruitersten 26 (ca 280 meter) en beschikt over een vergunning met een geuremissie van 6.874 o.u.. Voor deze maatgevende veehouderijis er een berekening gemaakt met het programma V-stacks vergunning In deze berekening is uitgegaan van het dichtstbijzijnde emissiepunt tot aan de dichtstbijzijnde hoek van het bouwvlak van de Vieruitersten 26. Uit deze berekening (bijlage 2) blijkt dat de geurbelasting ter plaatse van 0.7 o.u bedraagt, waar maximaal 14.0 o.u. toelaatbaar is. Daaruit blijkt dat er ruim voldaan wordt aan de geurnormen

Achtergrondbelasting

Op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur' uit de monitoring IV Peel en Maas wordt de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van het plangebied als ‘goed' beoordeeld. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied, in het buitengebied wordt de categorie ‘matig’ nagestreefd. Hieraan wordt momenteel al voldaan. Wat dat betreft kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat

GEUR ouE/m3 0.0-30

_

zeergoed

30-74 7.4-13.1

_ _

goed redelijk goed

13.1-20.0

matig

20.0-28.3

tamelijk slecht

283-38.5

slecht

38.5-50.7

zeer slecht

507

+

Orct L

extreem slecht

= Afbeelding 9. Uitsnede kaart‘Achtergrondbelasting geur uit ‘Monitoring IV Peel en Maas'

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

TE (plangebied rood omcirkeld).

24

6.5.3 Te treffen maatregelen

Aangezien sprake is van een aanvaardbare situatie voor achtergrondbelasting is het niet nodig om maatregelen te treffen.

zowel

voorgrondbelasting

als

ook

6.5.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.6 Bodemkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodemkwaliteit.

6.6.1 Wettelijk kader De hoofdljnen voor regelgeving rondom bodemkwaliteit staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het BK!. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bk! (bodemkwaliteit). In artikel 5.899. d 1, sub a. wordt een bodemgevoelig

gebouw omschreven als ‘een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelij is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn’. De algemene doelsteling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het facilteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: e _ De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; ° _ Eenevenwichtige toedeling van functies aan locatieste hanteren, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

°

En het duurzaam aantastingen.

en

doelmatig

beheren

van

de resterende

historische

verontreinigingen

en —

Het i aan de gemeenten zelf om de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast te stellen in het

omgevingsplan. Deze waarde mag alleen niet hoger zijn dan het blootstelingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bk!. 6.6.2 Onderzoek

Onderhavig planvoornemen omvat het wijzigen van de bestemming “Agrarisch — Grondgebonden” naar "Bedrijf — Niet agrarisch verwant”. Het gebruik van de woning veranderd daardoor niet. Ook het gebruik van de bedrifsloods veranderd niet van functie. Op het voormalige fruitteelt bedrijf werkten er mensen in de loods voor meer dan twee uur per dag, in onderliggend plan gaan er ook weer mensen werken in de werkplaats en het magazijn. In het Bal is bepaald dat niet de beëindiging van de bedrijfsvoering bepalend is of er een bodemonderzoek gedaan moet worden, maar het gebruik dat bepaald. Aangezien het gebruik niet wijzigt is er geen nader bodemonderzoek uitgevoerd. 6.6.3 Te treffen maatregelen Aangezien verondersteld mag worden dat ter plaatse sprake is van kwaliteit van de bodem is het treffen van maatregelen niet nodig.

een

aanvaarbare

milieuhygiënische

6.6.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect bodemkwalliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

25

6.7 Wegen, verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activíteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. 6.7.1 Wettelijk kader Een verandering van functie kan zorgen voor een toename van verkeer. B het toelaten van een nieuwe functie dient derhalve gekeken te worden naar de effecten op onder andere de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling Daarbij dient ook in beeld gebracht te worden of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte. De gemeente is het bevoegd gezag voor het opstellen van het parkeerbeleid met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moet voldoen. De gemeenteraad van Peel en Maas heeft op 16 juni 2018 het Parapluplan Parkeemota Peel en Maas vastgesteld. Het doel van deze Parkeernota is om een kader te scheppen waaraan ruimtelijke ontwikkeling binnen de gehele gemeente Peel en Maas getoetst kunnen worden ten aanzien van het aspect parkeren. 6.7.2 Onderzoek

Voor een woonhuis buiten de bebouwde komt geldt op basis van de bijlage 2 van de Parkeernota een parkeernorm van 2,00 auto per woning. Reeds in de huidige situatie is sprake van een vrijstaande woning. Dat wijzigt niet na het wijzigen van de gebruiksfunctie. Daarmee is ook geen sprake van een toename van parkeerbehoefte ten opzichte van de huidige situatie. Ook zal geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Verder wordt in bijlage 2 van de nota parkeemormen

Peel en Maas 2018 verwezen naar het thema werken

(bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief). Daarbij heeft het bedrijfspand een oppervlakte van circa 1.200 m?. Volgens de parkeernorm zou er per 100 m? oppervlakte 1,1 parkeergelegenheid moeten zijn. Dat wil zeggen dat er in onderhavig plan 13 parkeerplaatsen zouden moeten zijn. Op het eigen terrein is ruim voldoende plaats om 13 auto's te parkeren, Echter zullen bezoekers gespreid over de dag de locatie bezoeken en zullen deze 13 parkeerplekken in de praktik nooit nodig zijn. Voor wat betreft de effecten op de verkeersafwikkeling geldt dat onderhavig project zoals hiervoor reeds gemotiveerd toename van de verkeersbewegingen op de Vieruitersten en omliggende wegen. negatieve effecten optreden voor wat betreft de verkeersafwikkeling en -veiligheid.

niet zal leiden tot een Daarmee zullen geen

6.7.3 Te treffen maatregelen

Op het terrein is ruim voldoende plaats om 13 + 2 auto's te parkeren, ten behoeve van de werkplaats, stalling een magazijn. 6.7.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect wegen, verkeer en parkeren is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activíteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. 6.8.1 Wettelijk kader De hoofdjnen van het wettelijk kader omtrent omgevingsveiligheid zijn opgenomen n instructieregels in paragraaf 5.1.2 Bkl (waarborgen van de veiligheid). In bjlage VIl van het BK! zijn activiteiten aangewezen als

risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

de regels

over

het plaatsgebonden

risico en

e _ Activiteiten met gevaarljke stoffen bij bedrijven; « _ Het basisnet voor vervoer gevaarljke stoffen over de weg, het water en het spoor; ° _ Buisleidingen met gevaarljke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende actviteit n het Bal:

Ruimtelijke motivering “Vieruitersten 26 Meije”

26

« _ Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Daarnaast dient volgens artikel 5.15 lid 1 van het Bk! in een omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen binnen een brandaandachtsgebied rekening gehouden te worden met de kans op het overlijden van een groep van 10 of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare ocaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als daarvoor extra maatregelen getroffen worden aan de hand van voorschriftengebieden. In deze gebieden gelden dan vervolgens de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 van het Bbl 6.8.2 Onderzoek

Op basis van digitaal raadpleegbare kaarten van het REV die opgenomen zijn in de Atlas leefomgeving onder Veilige omgeving, zie afbeelding 11, zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen met een plaatsgebonden risico gelegen. Wel is er sprake van een 'Explosieaandachtsgebied' en ‘Brandaandachtsgebied' vanwege de ligging in de nabijheid van een opslagtank gas (propaan) ten oosten van het plangebied. Het meest nabijgelegen punt van het plangebied ligt echter nog 150 meter buiten de cirkel van het 'Explosieaandachtsgebied'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=a607d5f5-0282-41c8-b85f-e7f7d796aba4