CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-067 03 Motivering wijziging omgevingsplan Tongerlose Pad 7, Maasbree vastgesteld (geanonimiseerd)

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan Tongerlose Pad 7 Maasbree (2025-067)16.240 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

is een uitsnede van het plangebied weergegeven, met een visualisatie

van het huisweitje en de siertuin. Ter hoogte van het huisweitje (aangeduid in lichtgroen) wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen — gevoelige objecten uitgesloten’ toegevoegd. Eiauur 12 uitsnede plangebied met visualisatie huisweitje en siertuin

toegang huisweide

_

oprit n parkeren

Verder is op circa 60 meter ten noordwesten van de woning een dierenpension geegen. Deze activiteit is qua milieubelasting vergelijkbaar met het fokken en houden van huisdieren. Dit betreft een activiteit van milieucategorie 3.1, waarvoor een richt-

afstand van 50 meter wordt geadviseerd voor geluid, 30 meter voor geur en 10 meter voor gevaar. Aan deze afstanden wordt voldaan.

Ten zuiden is een vleesveehouderij (rundvee) gelegen op een afstand van circa 300 meter van de woning.

Voor de categorie “Fokken en houden van rundvee” wordt

een afstand van 100 meter aangehouden voor geur, en 30 meter voor stof en geluid. Ook

aan

deze

afstand

wordt

voldaan.

Overige bedrijven zijn op een grotere afstand gelegen en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. LUCHT

Het beleid en de regelgeving over luchtkwaliteit heeft tot doel om mensen te be-

schermen

tegen

de

gezondheidseffecten

van

luchtverontreiniging.

Ze bevatten

luchtkwaliteitsnormen voor verschillende stoffen. Ruimtelijke plannen of projecten die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals omgevingsplannen,

Tongerlose Pad 7 Maasbree

30

|P Geling Advies dienen getoetst te worden aan de Omgevingswet. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zoals zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, ben-

zeen in de buitenlucht. In Nederland zijn de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) voor toetsing of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. NIBM projecten De wet maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Kleine pro-

jecten zijn projecten die de luchtkwaliteit ‘niet in betekende mate' (NIBM) verslechteren. Deze projecten hoeven niet meer beoordeeld te worden op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit.

Er

i geen belemmering als een klein project niet of nauwelijks bij draagt aan luchtverontreiniging, óók niet in overschrijdingsgebieden (gebieden met te veel luchtvervuiling). Het gaat dan over woningen, kantoren, combinatie hiervan, telen van gewas-

sen, het aanleggen van een spoorwegemplacement. Het Bkl geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBM-project is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een rekenmodel. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 1500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontslui-

tingsweg, of minder dan 3000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Voor veehouderijen wordt gebruik gemaakt van een vuistregel om te bepalen of er sprake is van NIBM situatie. Deze gaat uit van afstanden tot stallen, dieraantallen en bijbehorende emissiefactoren voor stof.

Doorwerking projectgebied De

voorgenomen

ontwikkeling

heeft

betrekking

op

omzetten

van

één

bedrijfswoning naar burgerwoning. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen

gebleven zoals genoemd in de Regeling ‘niet in betekende mate’ bijdragen. Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en

zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. Ter hoogte van het plangebied gelden voor het jaar 2023 de volgende waarden:

D Fijnstof PMao ca. 14,19 ug/m? (grenswaarde 40 ug/m? jaargemiddelde) D Fijnstof PM2s ca. 7,907 ug/m? (grenswaarde 20 ug/m jaargemiddelde) D Stikstof ca. 9,027 ug/m3 (grenswaarde 40 ug/m? jaargemiddelde)

Tongerlose Pad 7 Maasbree

31

|P Geling Advies Eiauur 13

Uitsnede Grootschalige

Concentratie- en Depo-

m

sitiekaarten Nederland | a

(PM10)

D e

m

Opeen.

e

e

e

aa

e

m.} C}

n

e

t

007

‘Grootschalige Concentratie- on Depositiekaarten Nederland (GCN en GON)

Eiquur 14 Uitsnede Grootschalige Concentratie-

en Depo-

asas

G E

E

sitiekaarten Nederland | ga{mas (PM2.5)

p

a

Versduen

em

e e

e E

Tongerlose Pad 7 Maasbree

e

s

#

ST

32

|P Geling Advies iquur 15

‘Grootschalige

Concentratie- on Deposttiskaarten Nederland (GCN

en GON)

Uitsnede Grootschalige

|

Concentratie- en Depositiekaarten

Nederland

smetende

Geenieeg]

vo

e

(NO2)

p

nb

e

Verscuwen:gebr de s

e

o

< Zomen Ll en 1

Gekeken

<S97>

naar de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart voor het jaar 2023

is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het thema 'luchtkwaliteit’ [eidt niet tot belemmeringen 54

GEUR

De regels met betrekking geur staan in paragraaf 5.1.4.6 van het BKL. Deze regels zijn, tezamen met het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de regels van de bruidsschat, het toetsings- en beoordelingskader voor geur bij omgevingsplanactiviteiten en wijzigingen van het omgevingsplan. Geur door activiteiten

Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn

(NeR).

De brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt

het rijksbeleid in grote lijnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Be-

schikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid. Uitgangspunten van het rijksbeleid zijn:

D als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; D als er wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniek-principe;

D de gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel is. Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf Het gaat uitdrukkelijk om agrarische geur van landbouwhuisdieren uit dierstallen. De

bruidsschat maakt onderscheid tussen geurnormen voor intensieve en extensieve veehouderijen. De geurbelasting van intensieve veehouderijen wordt berekend en uitgedrukt in de vorm van een geurcontour. De geurbelasting van extensieve veehouderijen wordt uitgedrukt in vaste afstanden.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

3

|P Geling Advies Vaste

afstanden

De gemeente Peel en Maas heeft geen eigen geurbeleid. Dit betekent dat er wordt aangesloten bij de landelijke normen. De afstand tot een geurgevoelig object dient in dat geval 100 meter te bedragen wanneer deze ligt binnen de bebouwde kom en 50 meter wanneer het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De meest dichtbijgelegen veehouderij betreft een vleesveehouderij op een afstand van circa 300

meter

van de locatie.

Aan

de minimale afstand wordt

Bij het bedrijf waar de woning van wordt afgesplitst worden

ruimschoots voldaan.

hobbymatig

paarden

gehouden. De afstand van de gevel waar hobbydieren gehouden worden tot woning moet ten minste 25 meter bedragen. Deze afstand bedraagt 28,5 meter. Daarmee wordt aan deze afstand voldaan. Zie ook de navolgende figuur Eiauur 16 Afstand tot hobbymatig dierenverblif.

Geurfactoren

Om te beoordelen of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat, dient gekeken te worden naar de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting is de gezamenlijke geurbelasting van alle rond een geurgevoelig object gelegen agrarische bedrijven. De berekende achtergrondbelasting is nodig om een oordeel te kunnen geven over het heersende woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen samen. Om de achtergrondbelasting te beoordelen is bijlage 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij als leidraad gebruikt en meer specifiek bijlagen 6 en 7. De Raad van State heeft het gebruik van de handreiking geaccepteerd bij onderzoeken naar de achtergrondgeurbelasting (zie uitspraak ECLI:NL:RVS:2013:BZ7606). In bijlage 7 van de Handreiking is de navolgende tabel opgenomen waarin de kans op geurhinder is vertaald

Eiguur 17

naar

Geurgehinderdenir.t

Milieukwalieit zeer goed [ goed

woon-enleefklimaat

_ [ edelijk goed

matig tamelijkslecht slecht zeerslecht extreem slecht

Tongerlose Pad 7 Maasbree

het woon-

en

leefklimaat.

Geurgehinderden [2e[ <5 3-

1015

1570 025 250 30535 350 34

|P Geling Advies Doorwerking projectgebied Het voorliggende

bestemmingsplan

voorziet

niet in de ontwikkeling van nieuwe

geurgevoelige objecten. Er is immers al sprake van een bestaande woning. Hiervan

wijzigt uitsluitend de functie van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Er wordt geen woning toegevoegd en de woning komt niet dichter bij omliggende intensieve veehouderijen te liggen. De omliggende veehouderijen, waarvan

de dichtstbijzijnde op ruim 300 meter ten

zuiden van het plangebied ligt, hebben hiermee geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat in het plangebied. Gezien de afstand tot de omliggende intensieve veehouderijen, het feit dat andere woningen dichter bij de veehouderijen lig-

gen en het eerdere gebruik van het plangebied, leidt de functiewijziging bovendien niet tot beperkingen van de mogelijkheden van deze veehouderijen. Industriële

geur

In de omgeving zijn geen bedrijven gelegen welke industriële geur waardoor dit geen probleem vormt voor de ontwikkeling. Het

aspect

geur

vormt

geen

belemmering

voor

onderhavige

veroorzaken,

ontwikkeling.

Ter

plaatse is sprake van een redelijk goed woon- en leefklimaat. GELUID

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en

specifieke activiteiten (windturbines etc.). In de Omgevingswet vormt geluid vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluids-

kwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals

industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn regels via het Aanvullingsspoor geluid geïntegreerd in de Omgevingswet en het Bkl De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen

of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:

— _ het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; — _ het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen

en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; — _ het bevorderen van bronmaatregelen;

Tongerlose Pad 7 Maasbree

35

|P Geling Advies — _ het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels:

— _ het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast

voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bk! zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. De wetge-

ver maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen

en industrieterreinen heeft invloed op de omge-

ving.

Geluidsgevoelige gebouwen Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van bronnen afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen bij geluidsgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bk!). De geluidsgevoelige gebouwen worden

aangewezen

in artikel 3.20 Bk!. Het betreft

gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de ge-

zondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen

de

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels op-

genomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevatop grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan [ocaties. In een omgevingsplan is n de bruidsschat het onderdeel geluid geregeld in paragraaf

22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waar-

den bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Doorwerking projectgebied In het voorliggende geval vindt uitsluitend een functiewijziging plaats van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij geen uitbreiding van het pand plaatsvindt. Voor een dergelijke functiewijziging geldt geen onder-

zoeksverplichting en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Bovendien kennen de omliggende wegen een lage verkeersintensiteit, waardoor geluidhinder als gevolg van wegverkeer geen belemmering oplevert. In de

omgeving van het plangebied zijn daarnaast geen spoorwegen van

railverkeer is dan

Tongerlose Pad 7 Maasbree

ook

niet aan

gelegen. Geluidhinder

de orde.

36

|P Geling Advies VEILIGHEID

Omgevingsveiligheid behandelt de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risicos kunnen hun weerslag hebben

op

de omgeving. Het wettelijke kader voor omgevingsveiligheid bestaat onder meer uit instructieregels in afdeling 5.1.2 Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bki). In bijlage VIl van het Bk! zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten:

D Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

D Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). D Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit n het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

D Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). De risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden

risico en

aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen

in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden

voor

kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bk!) worden

in een omgevingsplan

in acht genomen.

Met standaardwaarden

voor be-

perkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bk!). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VIl Bk!). Groepsrisico Het werken

met aandachtsgebieden

voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe

manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 512 t/m 5.15 Bk!). Een aandachtsgebied wordt vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen

binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De gemeenten moeten in die gebieden rekening houden met het risico van brand, explosie of gifwolken en bepa-

len in hun omgevingsplan de benodigde

beschermende

maatregelen

binnen zo'n

aandachtsgebied. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te |aten en ook geen be-

perkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. De gemeente kan in een aandachtsgebied een deelgebied aanwijzen als voorschriftengebied. Dit betekent

dat in een deelgebied in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied kan worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvul-

lende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96

Tongerlose Pad 7 Maasbree

37

|P Geling Advies Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen,

zoals scholen, kinderdagopvang,

gingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bk|).

en

gelden

dus

en verzoraanvullende

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die

zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):

D Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bk). D Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bk|).

D Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bk).

D Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Doorwerking projectgebied Inventarisatie

risicobronnen

De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de nationale

risicokaart geïnventariseerd (zie navolgende figuur). Eiquur 18 Uitsnede

risicokaart

Uit bovenstaande figuur blijkt, dat in de omgeving van het plangebied

geen risico-

bronnen aanwezig zijn, welke een risicocontour over het plangebied hebben liggen. Risicovoltransport

Tongerlose Pad 7 Maasbree

38

|P Geling Advies In de omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats over wegen, spoorwegen, vaarwegen.

Wel vindt op circa 1 km ten zuidwesten van het plangebied

risicovol transport van aardgas plaats door buisleidingen. De plaatsgebonden risico-

contour 10% van de drie aardgasleidingen bedraagt ter hoogte van het plangebied 160 meter, en reikt hiermee niet tot het plangebied. De gasleidingen hebben een 1%

etaliteitscontour van 580 meter. Deze reikt ook niet tot het plangebied. De ligging ‘ten opzichte van de aardgasleidingen vormt hierdoor geen belemmering. Conclusie

De planlocatíe ligt niet binnen de aandachtsgebieden voor transportroutes. Daarnaast is de |ocatie niet in de risicocontour voor risicovolle inrichtingen gelegen.

zijn derhalve geen belemmeringen

Er

ten aanzien van het aspect externe veiligheid

voor het plan. 5.7

TRILLINGEN

Onder de Omgevingswet is het onderdeel ‘trillingen’ geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Bergen. Daarin worden regels

gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een om-

gevingsplanactiviteit (Opa).

Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en

voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat in het omgevingsplan van de gemeente Bergen. Doorwerking projectgebied

Bij onderhavige ontwikkeling vindt een functiewijziging plaats van een bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning, waarbij geen uitbreiding van het

pand plaatsvindt. In de nabije omgeving zijn geen bedrijven of andere activiteiten aanwezig welke in grote mate trillingen veroorzaken. Hiermee vormt het onderdeel ‘trillingen’ geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.8

WATER

De gemeente

Peel en Maas weegt het belang van het water- en bodemsysteem

in

ruimtelijke afwegingen. Dat is belangrijk om het gebied minder kwetsbaarte maken voor klimaatverandering, en voor een gezonde en veilige leefomgeving voor inwoners van de gemeente Bergen. De Omgevingswet stelt in het Besluit kwaliteit leef-

omgeving (Bkl) dat bij het vaststellen van een omgevingsplan het waterbelang moet worden gewogen. Bij de totstandkoming van het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvat-

tingen van de waterbeheerder moeten daarbij worden betrokken. Bij het wegen van het waterbelang wordt de waterbeheerder benaderd voor een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspec-

ten die worden meegewogen zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. Het wegen van het waterbelang heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wate-

ren en grondwater. Beleid van gemeente, provincie en rijk i van toepassing bij het wegen van het waterbelang. Toetsing van de waterparagraaf gebeurt op kwaliteit en kwantiteit. De verwerking van hemelwater, afvalwater en planologische ‘waterbe-

stemmingen’ komen aan bod.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

39

|P Geling Advies Beleid

Waterschap Limburg

In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is de strategie van het waterschap voor de genoemde periode vastgelegd. De doelen op hoofdlijnen zijn: °

Hoogwaterbescherming

Maasvallei:

bescherming

tegen

overstro-

mingen vanuit de Maas. e _ Klimaatadaptatie:

balans tussen water afvoeren én water vasthou-

den.

° _ Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht. e _ Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. De ambitie van het Waterschap is om het afkoppelen van regenwaterte stimuleren

Regenwater van nieuwe daken en verharding wordt zo veel mogelijk opgevangen op eigen terrein.

Daarnaast beschikt het Waterschap Limburg over het beleidsdocument de Keur. De keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren,

beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen zoals agrariërs. Werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden ge-

toetst aan de beleidsregels. Gemeentelijk beleid

Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijken

klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L} 2022'.

Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.

Doorwerking projectgebied Huidige situatie

In het plangebied is uitsluitend sprake van een functiewijziging van de bestaande agrarische

bedrijfswoning

naar

een

burgerwoning.

Het

bestemmingsplan

maakt

geen nieuwe bebouwing en/of verharding mogelijk die nu niet ook al is toegestaan. Daarmee is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

40

|P Geling Advies Op basis van de Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Vanuit grondwaterkwaliteit zijn er dan ook geen belemmeringen. Huidige verwerking hemelwater In de huidige situatie valt het hemelwater op de bebouwing

en de verharding en

wordt het afgevoerd op het riool. Aanwezig oppervlaktewater en waterkeringen Navolgend is een uitsnede van de leggerkaart van het Waterschap weergegeven Eiquur 19

Uitsnede legger

©) Oppenaktewateren Watergang - primair

Uit de legger blijkt dat ten zuidoosten van het plangebied een primaire watergang i gelegen. Deze watergang maakt geen onderdeel uit van voorliggende omgevingsplanwijziging. Fysiek vinden ook binnen de beschermingszone geen ontwikkelingen

plaats. Ook wordt geen water op deze watergang afgevoerd. Grondwaterstanden en maaiveldhoogte De locatie ligt op een maaiveldniveau van circa 28 m + NAP (AHN3).

De bodem kan

worden geclassificeerd als Gooreerdgronden; lemigfijn zand. Toekomstige situatie Afval- en hemelwater

In het plangebied is uitsluitend sprake van een functiewijziging van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het bestemmingsplan maakt

geen nieuwe bebouwing en/of verharding mogelijk die nu niet ook al is toegestaan. Daarmee is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Nader onderzoek i niet noodzakelijk. Grondwater

Tongerlose Pad 7 Maasbree

a

|P Geling Advies De bodemopbouw in de omgeving van het plangebied bestaat uit gooreerdgronden van lemig fijn zand (bron: bodemkaart

op www.pdokviewer.pdok.nl).

Wat betreft

geohydrologie is uit de kaart 'Milieubeschermingsgebieden', behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014, af te lezen dat het plangebied niet is gelegen in infiltratie-, grondwater- of overige beschermingsgebieden. Waterkwaliteit

& beheer

Een belangrijk instrument bij de uitvoering van het waterbeleid is de Watertoets. Het

toepassen van de Watertoets bij ruimtelijke ingrepen is verplicht en heeft als uitgangspunt dat de situatie voor het watersysteem door de ruimtelijke ingreep niet mag verslechteren (stand-still-beginsel). Bovendien wordt er bij de toepassing van

de Watertoets naar gestreefd de kansen om bestaande ongewenste situaties te verbeteren, zoveel mogelijkte benutten.

Aangezien het voorliggende bestemmingsplan geen nieuwe bebouwing en/of verharding mogelijk maakt in het plangebied die in de huidige situatie niet ook al i toe-

gestaan, is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hierdoor, en doordat het plangebied niet is gelegen in een aandachtsgebied, is vooroverleg met het Waterschap Limburg niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat er met het voorliggend initiatief geen gemeentelijke

en waterschapsbelangen n het geding zijn. Eris derhalve geen belemmering aanwezig vanuit het aspect water. NATUUR

Bij ruimtelijke ontwikkelingen

dient rekening te worden

gehouden

met eventuele

ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming.

Indien hiervan sprake is moet ontheffing

of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen

nega-

tieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds-

en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Voorheen werd in Nederland de gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming. Deze is opgegaan in de omgevingswet. Hierin zijn alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen geïmplementeerd. Met betrek-

king tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van Natura 2000-gebieden van belang. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernat-

ting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, ed. Doorwerking projectgebied Gezien de afstand tot de omliggende natuurgebieden, welke ten minste 7 kilometer is (Deurnsche Peel en Mariapeel), zijn effecten op gebieden al grotendeels uit te sluiten (door bijvoorbeeld, geluid, licht of trillingen), behalve door stikstofemissie.

Om

te kijken ofer met het plan nadelige effecten zijn op de Natura 2000-gebieden door

Tongerlose Pad 7 Maasbree

42

|P Geling Advies stikstofemissie, zijn met behulp van het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt van de stikstofdepositie in de referentie- en beoogde situatie. Uit deze berekeningen blijkt dat er geen nadelige effecten zijn op Natura 2000-gebieden. Deze berekening is opgenomen in bijlage 22.m3 bij onderhavige motivering. De bijbehorende toelichting i opgenomen in bijlage 22.m4 bij dit plan. De stikstofdepositie van de referentiesituatie is als maximale depositie vastgelegd in de regels behorende bij dit plan

Concluderend kan gesteld worden dat de toekomstige ontwikkeling niet zal leiden tot significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk

in de omgeving.

Nederland

In de omgeving van het plangebied zijn diverse gronden gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: ecologische hoofdstructuur (EHS)). De NNN is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuur-

waarden van (inter) nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid

(Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken significant aantasten.

of waarden van het gebied

Doorwerking projectgebied Op navolgende luchtfoto is het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving weergegeven. De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in of nabij delen van de NNN Het plan vormt derhalve geen

belemmering voor de aanleg of instandhouding van

de NNN

Eiguur 20 NNN

in de omgeving

Tongerlose Pad 7 Maasbree

43

|P Geling Advies Soortenbescherming De Omgevingswet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten

en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden

middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen, is het verplicht de resterende schade te compenseren. Doorwerking projectgebied In het plangebied

is uitsluitend sprake van een functiewijziging van de bestaande

agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Hierbij vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. Er zal dan ook geen sprake zijn van verstoring van flora en fauna als gevolg van de functiewijziging. Een nader onderzoek naar flora en fauna

wordt niet noodzakelijk geacht. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering in het kader van het voorliggend bestemmingsplan. CULTUURHISTORIE

Ruimtelijke plannen dienen rekening te houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in

brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis.

Binnen het plangebied en in de directe nabijheid zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten gelegen. Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie

Limburg zijn binnen en nabij het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. De weg Tongerlose Pad en een naamloos zandpad direct ten noor-

den van het plangebied zijn aangeduid als ‘andere weg ouder dan 1806. De voorgenomen functiewijziging heeft geen invloed op het verloop en profiel van deze wegen. 5.11

ARCHEOLOGIE

Archeologische waarden dienen bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen expliciet meegewogen te worden en waar mogelijk worden ontzien. Archeologisch erf-

goed dient bij uitgangspunt te worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. In gebieden met een hoge en middelhoge indicatieve verwachting dient in principe een verkennend booronderzoek te worden uitgevoerd. De gemeenteraad van Peel en Maas heeft een gemeentelijk archeologiebeleid in de

vorm van het Beleidsplan archeologie vastgesteld. De laatste bijbehorende archeologische beleidskaart dateert van juni 2015. Op de beleidskaart wordt een 7-tal waarden archeologie onderscheiden. Categorie 1 kent de hoogste verwachtingswaarde en categorie 7 de laagste verwachtings-

waarde. De verwachtingswaarde geeft op basis van de verstoringsoppervlakte en de verstoringsdiepte aan of er een onderzoeksplicht geldt. De onderzoeksplicht bestaat in hoofdzaak uit veldwerkzaamheden (bureauonderzoek is grotendeels verricht bij het opstellen van de waarden- en verwachtingen-

kaart) om te bepalen of er archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

44

|P Geling Advies Op basis van de resultaten zullen eventuele maatregelen worden getroffen om mogelijke archeologische waarden veilig te stellen.

Dit kan nog leiden tot archeologie-

vriendelijke bouwwijze dan wel proefsleuvenonderzoek een opgraving).

(al dan niet gevolgd door

Daar waar een lage verwachting geldt, is verder geen archeologisch onderzoek nodig. In de andere verwachtingsgebieden

moet,

indien de grond

dieper dan 40 cm

wordt verstoord, mogelijk archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. iquur21

Uitsnede archeolo-

gische beleidskaart Bergen

: e de

|

i

i

wosoge

woeseger woesoges

woeseges wowsoge s |

|

Het plangebied en zijn omgeving is aangewezen als archeologisch aandachtsgebied.

De provinciale archeologische aandachtsgebieden betreffen representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De provincie zet zich in voor onderzoek naar

en behoud van de archeologische waarden in deze aandachtsgebieden. Dit gebeurt door toe te zien dat de aandachtsgebieden geborgd worden bij ruimtelijke ontwikkelingen, in gemeentelijke bestemmingsplannen, Het provinciale aandachtsgebied is

als zodanig opgenomen op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting (Waarde — Archeologie 4). Het is op deze locatie niet toegestaan om gebouwen en/of bouwwerken te bouwen, waarbij de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van

250 m? of meer en waarbij dieper wordt gegraven dan 40 cm onder het maaiveld of waarbij heiwerkzaamheden plaatsvinden. In het plangebied is uitsluitend sprake van de functiewijziging van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning.

Hierbij vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden of andere bodemverstoringen plaats. Omdat middels het voorliggende bestemmingsplan geen bodemverstoringen mogelijk worden gemaakt die niet ookal mogelij zijn in de bestaande situatie, hoeft

geen

archeologisch

onderzoek

te

worden

uitgevoerd.

De

dubbelbestemming

‘Waarde - Archeologie 4' wordt in het voorliggende bestemmingsplan

opgenomen

overeenkomstig de archeologische beleidskaart en de vigerende beheersverordening. Hiermee is de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden gewaarborgd.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

45

|P Geling Advies Concluderend vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de ontwikkeling. 512

VERKEER

EN

PARKEREN

Het plangebied is en blijft ontsloten via een in- en uitrit op het Tongerlose Pad. Er is

uitsluitend sprake van een functiewijziging van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het aantal verkeersbewegingen blijft hierbij gelijk ten opzichte van de huidige situatie. De omliggende wegen rond het plangebied kunnen

dit beperkte aantal verkeersbewegingen zonder problemen verwerken. Er is geen sprake van een wijziging in de parkeerbehoefte als gevolg van de functiewijziging. Parkeren vindt reeds op eigen terrein plaats. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig.

5.13

SPUITZONES

Bij het mogelijk maken

van een nieuwe gevoelige bestemming,

in de nabijheid van

bestemmingen die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, dient het aspect ‘spuitzone’ besproken te worden. De introductie van dergelijke spuitvrije zones is ingegeven door de noodzaak van het minimaliseren van

drift: het verwaaien

van spuitvloeistof tijdens de toediening van gewasbescher-

mingsmiddelen naar de omgeving. Dit fenomeen kan immers significante negatieve

effecten hebben op de kwaliteit van de leefomgeving, waaronder de verontreiniging van nabijgelegen oppervlaktewaterlichamen, en de gezondheid van omwonende bewoners.

De spuitzones zorgen derhalve voor een bufferzone. Dit is een zone waar geen ge-

wasbeschermingsmiddelen gespoten mogen worden om een afstand te creëren tussen enerzijds het agrarische perceel en anderzijds gevoelige objecten. Tot gevoelige objecten worden onder andere woningen, kantoren, winkels, kinderdagverblijven en

ziekenhuizen gerekend. In Nederland zijn er echter geen wettelijke bepalingen die de minimale afstanden tussen landbouwpercelen en gevoelige functies voorschrijven.

In de afwezigheid van

dergelijke wetgeving hebben de hoogste bestuursrechters (Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State) kaders ontwikkeld die richtlijnen bieden voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot bestemmingsregels die gevoelige functies toelaten. Deze jurisprudentie stelt dat voor dríftgevoelige bestemmin-

gen een spuitvrije zone van 50 meter wordt aangehouden, gemeten vanaf de grens van de bestemming. Deze afstand wordt in verschillende uitspraken als “niet onredelijk” beoordeeld. De vaste richtafstand van 50 meter s in de open teelt met name

van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding), maar ook zij- en opwaarts (voorkomen

en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat

bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico's. Het is echter mogelijk, gezien het ontbreken van specifieke wettelijke richtlijnen voor

de omvang van een spuitzone, een kortere afstand aan te houden tussen gevoelige functies en gronden waar sprake is van gewasbeschermingsmiddelen. Er dient dan wel een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deug-

delijke motivering.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

46

|P Geling Advies Allereerst dient vermeld te worden dat enkel ‘reguliere aanwezigheid in de buitenlucht’ als een bepalend blootstellingsscenario dient te worden beschouwd.

Hiervan

is bijvoorbeeld sprake in een tuin. Blootstelling in een gebouw is immers niet bepalend, alleen al omdat inpandig geen sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen — primair relevant voor kinderen).

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt verder gereguleerd door Verordening 1107/2009/EU en 528/2012/EU. In deze verordeningen is bepaald dat alIeen gewasbeschermingsmiddelen op de Europese markt mogen worden toegelaten

waarvan voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid. Dit betreft gewasbeschermingsmiddelen die geen gevaar vormen voor de volksgezondheid,

zonder

dat

hiervoor

aanvullende

maatregelen

zouden

moeten

worden getroffen in de vorm van afscherming 0.i.d., aangezien in de toelatingsprocedure een reëel, worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie ar-

tikel 19, lid 2a van de Verordening 528/2012/EU). In artikel 4.723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is verder aangegeven

dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. Bij neerwaarts spuiten mogen de spuitdoppen zich verder ten hoogste 50 cm boven het te bespuiten oppervlak bevinden. In het artikel is voor verschillende teelten een

referentietechniek opgenomen

ten opzichte waarvan

deze driftreductie dient te

worden bepaald Doorwerking plangebied Op onderhavige planlocatie vindt een functiewijziging plaats van een bedrijfswoning naar burgerwoning. Er zullen geen sloop- of bouwwerkzaamheden worden uitge-

voerd, en de woning komt niet dichter bij de omliggende percelen te liggen. De bestaande woning

betreft reeds een driftgevoelige bestemming,

wat

inhoudt dat er

reeds driftreducerende maatregelen getroffen dienen te worden. De omliggende percelen worden verder niet gebruikt voor boom- of fruitteelt, waardoor zijwaartse spuittechnieken niet van toepassing zijn. Er wordt uitsluitend neerwaartse spuittechniek toegepast, wat de drift aanzienlijk vermindert. Bovendien be-

vindt de woning zich op een afstand van 53,94 meter van de kassen. Deze afstand is volgens de geldende jurisprudentie voldoende om mogelijke negatieve gezondheidseffecten

te minimaliseren.

De woning zal ten slotte zorgvuldig worden ingepast in het landschap, met aandacht

voor de spuitzone. Gelet op de geldende regelgeving en de vereisten vanuit de Europese Unie, zijn er geen belemmeringen voor de voortgang van dit plan. 5.14

VOLKSGEZONDHEID

Voor toetsing van het aspect volksgezondheid bij initiatieven in relatie tot veehouderijen, wordt de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezond-

heid: endotoxinetoetsingskader 1.0 gehanteerd. Door middel van dit toetsingskader wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het toetsingskader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. De locatie ligt op meer dan 250 meter van veehouderijen. Het endotoxinetoetsings-

kader vormt daarmee geen belemmering.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

47

|P Geling Advies In het kader van het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden’ is het tevens van belang of in de nabije omgeving van de locatie zich een geitenhouderij

bevindt. Uit het rapport komt naar voren dat een verhoogde kans op longontsteking bestaat voor omwonenden in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. Er zijn geen geitenhouderijen gelegen binnen een straal van 2 km rondom de locatie. Het endotoxinetoetsingskader vormt daarmee geen belemmering. Verder betreft het uitsluitend het omzetten van een bedrijfswoning naar een bur-

gerwoning. Hierbij wordt de woning niet verbouwd of vergroot. Het aantal gevoelige objecten neemt niet toe als gevolg van voorliggend plan. 5.15

KABELS

EN

LEIDINGEN

Binnen of in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen planologisch te beschermen kabels en leidingen. Er vinden met de ontwikkeling geen graaf-

werkzaamheden plaats op de locatie. 5.16

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

Op grond van wettelijke procedureregels dienen B&W

een beoordelingsbesluit te

nemen dat voor dit plan geen milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld. In het besluit m.er. is opgenomen voor welke voorgenomen activiteit een

m.e.r.-plicht of m.e.r. beoordelingsplicht geldt om te toetsen of sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning valt

niet onder een categorie van bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit. Het Omgevingsbesluit i daarom niet van toepassing en een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling is niet nodig. Het plan kan doorgang vinden. 517

DUURZAAMHEID

EN

KLIMAATADAPTATIE

In de omgevingsvisie legt de gemeente Peel en Maas geen nieuwe koers vast. De al

ingezette koers wordt uit de bestaande kaderstellingen en beleidsdocumenten gehaald, en samen in één document gevoegd: de omgevingsvisie. Hierin komen gaves naar voren, waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn: M

Zo worden

6 op-

we duurzamer

Een gezonde en veilige leefomgeving Het versterken Goed

wonen

van natuur en biodiversiteit

voor iedereen

Toekomstgericht ondernemen Balans in het buitengebied In het plangebied vindt uitsluitend de functiewijziging van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning plaats. Hierbij wordt geen bebouwing gesloopt of

opgericht. Maatregelen in relatie tot duurzaamheid zijn hierbij niet aan de orde.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

48

|P Geling Advies

JURIDISCH

6.1

KADER

TAM-OMGEVINGSPLAN

ALGEMEEN

In de beoogde situatie wordt de agrarische bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning en afgesplitst van het bedrijf. Om de functie/bestemming te wijzigen is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. De onderliggende aanduiding voor een maximum aantal van 3 wooneenheden verwijst naar het aantal toegestane bedrijfswoningen op de locatie. Met het afsplitsen van de bedrijfswoning aan de Tongerlose

Pad 7 wordt ook deze aanduiding gewijzigd naar een maximum

aantal van 2 woon-

eenheden. Dit om te voorkomen dat de planologische mogelijkheid geboden wordt

voor het bouwen van een derde bedrijfswoning na afsplitsing. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één ge-

heel s met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen

te worden,

in samenhang

met

de

bruidsschat

van

het

omgevingsplan.

Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, plan. 6.2

waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22m van het omgevings-

REGELS

Hoofdstuk 1 - Algemene

bepalingen.

Dit TAM-omgevingsplan

maakt onderdeel

uit

van het omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Tongerlose Pad 7 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen

maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-

omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten. Conform

de eisen vanuit de Omgevingswet

worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen’, staan

deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde ‘bestemming'. Dit vanwege

het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan

worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tij-

delijk deel omgevingsplan Peel en Maas (bestemmingsplan 'Buitengebied Klavertje

Tongerlose Pad 7 Maasbree

49

|P Geling Advies 4/). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3: Algemene regels. Voor dit hoofdstuk zijn er algemene

bepalingen op-

genomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie. Hoofdstuk 4: Overgangsrecht. In TAM-omgevingsplannen

hoeven geen

bepalingen

te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Echter, in onderhavig voorbeeld TAM-omgevingsplan wordt een functiewijziging mogelijk gemaakt. VERBEELDING

De verbeelding is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen'zijn te zien, en dat specifieke func-

ties als zijnde ‘functieaanduidingen' worden benoemd.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

50

|P Geling Advies

>

UITVOERBAARHEID

71

ECONOMISCHE

UITVOERBAARHEID

In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt s dat de kosten die gemaakt worden

voor het opstellen van een omge-

vingsplanwijziging voor rekening komen van de initiatiefnemer. Z11

Einancieel economische haalbaarheid

De omgevingsplanwijziging voorziet n nieuwe bouwmogelijkheden. Artikel 12.1 Ow

‘Verhaal van kosten, verbonden aan grondexploitatie’ is dan ook van toepassing. Dat betekent dat meerkosten voor de planologische procedure als gevolg van particu-

liere ontwikkelingen dienen te worden verhaald op de initiatiefnemer(s). Het verhaal van deze kosten kan op twee manieren worden geregeld, namelijk via een anterieure overeenkomst of via exploitatieregels / exploitatievoorschriften. Dit plan is een particulier initiatief. Met initiatiefnemer is een anterieure overeen-

komst gesloten. De kosten die voortvloeien uit het plan zijn voor rekening en risico van initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst is ook vastgelegd dat de eventuele plan-

schade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. Z12

Kostenverhaal

Daar waar nodig zal op basis van artikel 12.8 Ow het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking. Tevens worden voor het in behandeling nemen van de omgevingsplanwijziging leges in rekening gebracht. 13

Nadeelcompensatie

Voor iedere omgevingsplanwijziging wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4.5 Awb, in dit geval zijn de eventuele planschadekosten

in de anterieure overeenkomst opgenomen. .2

MAATSCHAPPELIJKE

Z21

Participatie & omgevingsdialoog

Het aangeven

UITVOERBAARHEID

hoe er geparticipeerd

plicht) met een TAM-omgevingsplan

is bij een

gebiedsontwikkeling

(motiverings-

is een vereiste onder de Omgevingswet.

Dit

dient gedaan te worden conform de eisen uit artikel 10.2 uit het Omgevingsbesluit (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan). In dit hoofdstuk

wordt dit traject en de uitkomst ervan te worden beschreven. Initiatiefnemer heeft vroegtijdig bij uitwerking van het plan de direct omwonenden benaderd

om te horen of er op- of aanmerkingen zijn. Er kon dan worden gekeken

Tongerlose Pad 7 Maasbree

51

|P Geling Advies of deze verwerkt konden worden in het plan. Uit de gesprekken zijn geen bezwaren op het plan naar voren gekomen. In bijlage 22.m5 behorend bij dt plan, zijn de inge-

vulde formulieren toegevoegd ter bevestiging dat het gesprek heeft plaatsgevonden. Z22

Bevoegd gezag en afstemming met ketenpartners

De gemeente Peel en Maas betreft het bevoegd gezag voor wijziging van het omge-

vingsplan. Ter vooroverleg is het ontwerp-omgevingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg en het waterschap Limburg. z23

Vaststellingsprocedure

De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan

is

geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare

voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerp-omgevingsplan heeft voor iedereen gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke web-

site. ledereen kon zijn zienswijze over het ontwerp omgevingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdensde terinzagelegging. Er zijn geen zienswijze naar voren gebracht.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

52

|P Geling Advies

BELANGENAFWEGING

EN

IS

EVENWICHTIGE

SPRAKE

AAN

VAN

EEN

CONCLUSIE

TOEDELING

VAN

FUNCTIES

LOCATIES?

De ontwikkeling voorziet in het afsplitsen van een bedrijfswoning en deze om te zet-

ten naar een burger woning. Op deze manier kan het huis ook worden bewoond door mensen die geen binding hebben met het bedrijf. Er wordt gezorgd voor een goede

landschappelijke inpassing waardoor er een meerwaarde ontstaat. De ontwikkeling is passend binnen het landschappelijke- en stedenbouwkundig karakter van de omgeving. Met inachtneming van hetgeen omschreven

in hoofdstuk 5 en de bijbeho-

rende onderzoeksrapportages en resultaten uit eventuele vervolgonderzoeken, is er met uitvoering van voorliggend plan sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Tongerlose Pad 7 Maasbree

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=34693ba4-1f5e-4797-9603-31817cedb4c1