CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-066 03 Motivatie TAM-omgevingsplan Scherluitweg 1 Kessel (geanonimiseerd)

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan Scherluitweg 1 Kessel (2025-066)17.388 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

betrekking tot het aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.

gebruik. De regels met

in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Dit besluit bepaalt ook voor

26 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl bevat instructieregels om bodemrisico's bij ruimtelijke ontwikkelingen te kunnen beheersen. De paragraaf is van toepassing op bodemgevoelige gebouwen, zijnde een gebouw of een gedeelte

ervan voor zover aannemelijk i dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Binnen het plangebied is geen sprake van bekende verontreiniging van de bodem (bron: Bodemloket). Het toekomstig gebruik van de voormalige stallen is gericht op statische opslag. In geval van statische opslag is het niet aannemelijk dat personen meer dan twee uur per dag in de gebouwen aanwezig zullen zijn. Het bedrijf aan

huis wordt gesitueerd in een loods die reeds als zodanig in gebruik was ten tijde van het exploiteren van de intensieve veehouderij. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt i voor het beoogde gebruik. Conclusie bodem

Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor het planvoornemen. 5.2.2.

Grondwaterkwaliteit

Provincie Limburg monitort in heel Limburg het grondwater. Afhankelijk van het doel wordt de kwantiteit, kwaliteit of beide gemonitord. Metingen zijn van belang om te bezien wat er ‘buiten’ gebeurt, en om te zien of

het opgestelde beleid effect heeft. Vervolgens kunnen de metingen worden gebruikt om het beleid te evalueren en, indien nodig, aan te passen. Maar er wordt ook gemonitord om aan de landelijke (wettelijke) verplichtingen te kunnen voldoen, mede in verband met de rapportages aan het Rijk en de Europese Commissie. Volgens het ‘Waterkwaliteitsportaal’ is het grondwater in de buurt van het plangebied van goede kwaliteit Gezien de aard en omvang van het planvoornemen, is het niet aannemelijk dat het planvoornemen de kwaliteit

van het grondwater negatief beïnvloed. Conclusie waterkwaliteit

Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘grondwaterkwaliteit’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3.

Activiteiten en milieuzoneringen

Het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; deze is vervangen door regels voor

milieubelastende activiteiten. Een ‘milieubelastende activiteit’ is een activiteit die nadelige

gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende

activiteiten

staan

opgenomen

in hoofdstuk

3 in het

Besluit

activiteiten

leefomgeving

(hierna:

Bal). Voor

activiteiten die niet in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7 Ow) en het algemene verbod (artikel 1.7a Ow)

in het uit de

Omgevingswet zijn altijd van toepassing. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie n de nabijheid van woningen of andere

gevoelige functies krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen

op een verantwoorde

afstand van bedrijven

gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:

e _ Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;

e _ Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen

aanvaardbare

voorwaarden

kunnen

uitoefenen.

De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen

wil mogelijk maken. Dit besluit

dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Ondanks het beschikbaar zijn van de

nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering is om te bepalen of

tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. In deze publicatie worden

de 27

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activíteit in een milieucategorie en

daarmee ook voor de richtafstand. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.

Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede

afhankelijk van het omgevingstype.

De

richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk” of daarmee vergelijkbaar. Wanneer sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied” kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met

één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon-

en leefklimaat. Afstand

meten

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Toets omgevingstype en milieucategorie Het plangebied is overeenkomstig de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009 gelegen in gebiedstype

“gemengd

gebied”, mede vanwege

de menging van functies wonen

en (agrarische) bedrijven

in de directe

omgeving.

Opslaggebouwen, verhuur opslagruimte, (SBl-code-52109) worden voor milieu aangemerkt als categorie 2 bedrijf. De richtafstand van het milieuaspect ‘geluid’ (deze richtafstand kent de grootste richtafstand) tot een milieugevoelige functie in het omgevingstype ‘rustige woonwijk/buitengebied’ bedraagt 30 meter. Binnen het omgevingstype ‘gemengd gebied’ mag deze richtafstand met één afstandstap verkleind worden. De richtafstand komt daarmee op 10 meter.

De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie, specifiek een woonfunctie aan Scherluitweg 2, is ten opzichte van de grens van onderhavig plangebied gelegen op een afstand van meer dan 60 meter. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstand.

Conclusie bedrijven en milieuzoneringen

Gelet op vorenstaande kan geconcludeerd worden dat aan de richtafstand wordt voldaan. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 54.

Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en

industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De regels over geluid zijn terug te vinden in het Bkl alsook in de bruidsschat. Geluid door activiteiten

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan

van de gemeente

('de bruidsschat'). Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een

toegelaten activiteit. Wanneer instructieregels voor activiteiten

nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn de van toepassing (5.59 Bkl) waarbij een omgevingsplan er onder andere in

voorziet dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. ij de toekenning van een nieuwe functie aan een bepaald gebied kan in het kader van de beoordeling of dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gebruik gemaakt worden van de VNG-

brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In paragraaf 5.3 is geconcludeerd dat aan de richtafstanden, waaronder de richtafstand voor geluid,

wordt voldaan. Een geluidsonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

28 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Op

het

geluid

door

wegen,

spoorwegen

en

industrieterreinen

is artikel

3.18

Bkl

van

toepassing.

De

instructieregels hierover in het Bkl heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bk!) of geluidgevoelige ruimte (artikel 3.22 Bk!). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake

is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (artikel 3.20 Bk). Het plan voorziet in het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf. De reeds bestaande

bedrijfswoning blijft deze functie behouden. Er is geen sprake van toevoeging van een geluidgevoelig gebouw. Een nader onderzoek naar geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie geluid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmering voor het planvoornemen. 5.5.

Kwaliteit van

de buitenlucht

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor

negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin Sinds

de

inwerkingtreding

van

de

Omgevingswet

zijn

de

hoofdlijnen

voor

mee te nemen.

regelgeving

rondom

de

luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Volgens paragraaf 5.1.4.1 gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer activiteiten worden

die

leiden tot een

omgevingswaarden

verhoging als genoemd

van

die concentratie

stikstofdioxide

in afdeling 2.2. in acht worden

dan

genomen

wel

fijnstof

in de

toegestaan

buitenlucht,

de

in het kader van een evenwichtige

toedeling van functies aan locaties. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: e Eris geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarde;

e « Voor

De activiteit leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; De activiteit draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. een

activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing

aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10

niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 39% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde

categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen 2.

aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een

kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Locaties waar geen toetsing nodig ís De instructieregels van de artikelen 5.50 en 5.51 gelden niet voor locaties waar de bescherming van de

gezondheid niet of nauwelijks relevant is. Op locaties die aan één van de volgende criteria voldoen, is geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit nodig:

>

mensen er relatief kort verblijven (blootstellingscriterium); 29

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

>

het gaat om arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl);

>

mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel|), bestaand ui

frice blik op advies

o _ locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is o _ derijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm

Toets plan Met behulp van de NIBM-tool kan een 'worst-case' berekening worden verricht voor de bijdrage van het extra

verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 3.432 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Van een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is

als gevolg van het plan geen sprake. Het plan voorziet in het omzetten een agrarisch functie, zijnde intensieve veehouderij naar een niet-agrarische

functie inhoudende statische opslag. Vanwege de beëindiging van de agrarische functie is per saldo sprake van een verbetering van de luchtkwaliteit. Het aantal verkeersbewegingen in het kader van de functie van statische opslag is dermate

beperkt ten opzichte van de intensieve veehouderij dat ook op dit punt sprake is van een

aanzienlijke verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Binnen de opslagruimten is bovendien geen sprake van langdurige blootstelling. Conclusie

luchtkwaliteit

Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering voor het planvoornemen. 5.6.

Geur

In de fysieke leefomgeving kunnen (bedrijfsmatige) activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen

van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving’). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels op voor geurbelasting (artikel 5.91 Bkl), maar de gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Een verdere invulling van de plicht vloeit voort uit artikel 5.92 Bk[ op grond waarvan in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: « «

Bij het mogelijk maken van het verrichten van geuractiviteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven.

Het plan betreft een omzetting van een agrarische functie naar een niet-agrarische functie, zijnde statische opslag. Het plan voorziet niet in het verrichten van geuractiviteiten in de buurt van gevoelige gebouwen en zorgt

daarmee

niet voor

geurhinder aan

de omgeving.

Ook wordt

toegelaten. Het aspect geur is vormt geen belemmerende

binnen

het plan geen

geurgevoelig

gebouw

factor voor de uitvoering van dit plan.

Conclusie geur Gelet op vorenstaande wordt in het kader van ‘geur' voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

57.

Waarborgen van de veiligheid

Externe veiligheid (ook wel omgevingsveiligheid genoemd)

beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van

opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor de omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bk!. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over

het toestaan

van

beperkt

kwetsbare,

kwetsbare

en zeer kwetsbare

gebouwen

en beperkt

kwetsbare

en

kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een [ocatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

30 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

uimtelijke ontwikkelingen in een gebied zijn er regels en voorschriften wanneer sprake is van een activiteiten met gevaarlijke stoffen. Zo zijn in de regelgeving verschillende afstanden gebieden benoemd. Het gaat hierbij om

het plaatsgebonden risico, de aandachtsgebieden en voorschriftengebieden ° _ Het plaatsgebonden

risico (PR-contouren) c.q. veiligheidsafstanden

is vooral gericht op de te realiseren

basisveiligheid voor individuele burgers. Het plaatsgebonden risico houdt kort gezegd in dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen

komen

te

liggen

van

aangewezen

standaardwaarden voor het plaatsgebonden

activiteiten

met

externe

risico zijn opgenomen

veiligheidsrisico's.

in het Bk!.

ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen rekening gehouden moet worden.

De

grens-

Deze waarden

en

worden

moeten worden of waarmee

e _ Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar zich, bij een ongeval met gevaarlijke stoffen, levensbedreigende

gevaren

voor

personen

in gebouwen

kunnen

voordoen.

Daarbij

is onderscheid

gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brandaandachtsgebieden), overdruk (explosieaandachtsgebieden) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolkaandachtsgebieden). De aard en omvang van aandachtsgebieden wordt bepaald door de effecten van een scenario en niet door de

kans. De begrenzing van de aandachtsgebieden

ligt daar waar mensen

binnenshuis in een standaard

gebouw beschermd zijn tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Binnen elk aandachtsgebied geldt van rechtswege de verplichting om in het omgevingsplan rekening te houden met het groepsrisico. Het

bevoegd gezag dient hierbij af te wegen welke maatregelen worden ingezet om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Een brandaandachtsgebied (BAG) of een explosieaandachtsgebied (EAG) (of een deel hiervan) kan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen dit gebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van een bouwwerk. De aanvullende bouweisen hebben tot doel om mensen buiten komende brand of explosie.

in een gebouw te beschermen

tegen de gevolgen van een van

Op grond van de kaart ‘Externe veiligheid’ raadpleegbaar via www.atlasleefomgeving.nl

gemaakt

van de risicobronnen

in en om

het plangebied.

Uit deze kaart kan worden

is een

inventarisatie

geconcludeerd

dat de

dichtstbijzijnde risicobron is gelegen op iets minder dan 500 m. ten zuid-oosten van de planlocatie, betreffende het LPG-tankstation aan de Baarloseweg. Het plangebied is niet gelegen binnen invloedsgebieden van enige

risicobron. Hierdoor is een nadere motivering van de externe veiligheidsrisico's niet noodzakelijk. Conclusie externe veiligheid

Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5.8.

Trillingen

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de bruidsschat. Daarin worden

regels gesteld aan

trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op gronden van een omgevingsplan. Er gelden maximale

waarden

voor

continue

trillingen

en

voor

herhaald

voorkomende

trillingen.

De

maximale

waarden

zijn

opgenomen in de tabellen in artikel 2288 van de bruidsschat en artikel 5.87 Bk.

Er zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen

bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen

veroorzaken, zoals spoorlijnen. Tevens veroorzaakt de statische opslag geen trillingen. Er wordt verondersteld

dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. Conclusie trillingen

Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘trilingen’ geen belemmering voor het planvoornemen. 5.9.

Water

Biij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen, dit volgt uit paragraaf 5.1.3 Bk!. De gemeente

moet hierbij voor het waterbelang

de opvattingen van de waterbeheerder

31 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

betrekken. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn in het BK! instructieregels opgenomen. Artikel 5.37 Bk stelt dat bij de afweging van ruimtelijke

ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden met het waterbelang en de gevolgen voor het beheer van het watersysteem. Daarnaast is paragraaf

5.1.3 van het Bk! specifiek gericht op onderdelen van het rijksbelang.

Voor Peel en Maas is hierin paragraaf 5.1.3.4 ‘Grote Rivieren’, specifiek van belang. 54

Waterbel

Relevante

stukken

op

het gebied

van water

0..

het ‘Waterbeheerplan

2022-2027' van

het waterschap,

de

Omgevingsvisie Limburg, het ‘Nationaal Waterplan’, ‘WB21’, ‘Nationaal Bestuursakkoord Water’ en de Europese ‘Kaderrichtlijn Water’. Al deze beleidsstukken hebben in de kern een belangrijk punt: water is een belangrijk sturend element in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet

worden. De bekend drietrapsstrategieën zijn daarbij eidend: e _ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); e _ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit); e _ Hergebruik-bergen-infiltreren. Daarnaast staat in de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering' hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. De hierboven genoemde drietrapsstrategieën gelden hierbij ook. Het

waterbeleid in de Omgevingsvisie Limburg sluit aan op de Europese doelen en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: e _ Herstellen van de sponswerking, waarbij het voorkomen van wateroverlasten watertekort in het regionale

e

watersysteem, anticiperend op veranderingen in het klimaat centraal staan; Het herstellen van de natte natuur waarmee een ecologisch gezond

watersysteem

ontstaat

en

grondwaterafhankelijke natuur; e _ Schoon water door het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment.

e

Duurzame

watervoorziening waarbij

het beschermen

van water voor menselijke consumptie

centraal

staat, zodat er voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is.

e _ Een veilige Maas, waarbij het streven is naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van

de Maas.

Waterhuishoudkundige situatie (huidige situatie)

5

Op de bodemkaart van Nederland worden de gronden binnen het plangebied grotendeels aangemerkt als “Ieemarm en zwak lemig fijn zand’, voor een klein deel ‘lerig fijn zand’ (bron: atlasleefomgeving, kaart bodem). Conform

de

Omgevingsverordening

Limburg

is

het

plangebied

niet

gelegen

binnen

een

grondwaterbeschermingsgebied.

Voor wat betreft het afvalwater huishoudelijke aard, is de locatie Scherluitweg 1 reeds aangesloten op het rioleringsstelsel van de gemeente. Dit blijft in de beoogde situatie ook het geval. 5

Waterhuishoudkundige situatie (nieuwe situatie)

Vanuit het beleid van het waterschap dient sprake te zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Dat wil zeggen dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Het hemelwater, afkomstig van de nieuwe bebouwing, dient in de gemeente Peel en Maas op eigen terrein te worden afgekoppeld. Voor

het bufferen en infiltreren van het hemelwater eist het Waterschap dat minimaal een bui van T = 100 kan worden geborgen.

Binnen het plangebied wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Er wordt ca. 1.300 m? aan bebouwing gesloopt. Onderhavig plan voorziet daarmee niet in een (negatieve) wijziging van de waterhuishoudkundige Daarnaast wordt er geen industrieel water op het openbaar vuilwaterriool geloosd.

situatie

32 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n Conclusie

frice blik op advies

water

Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘water’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10.

Kabels, leidingen en straalpaden

Er kunnen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. De locaties van deze leidingen worden aangegeven in het omgevingsplan als ze voorkomen in het gebied. Door of n de directe nabijheid van het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Op een afstand van ca. 600 meter bevindt zich de hoogspanningsverbinding ‘150 kV Buggenum - knooppunt Koesdonk (2} (bron: atlasleefomgeving, kaart bovengrondse hoogspanningslijnen met rekenafstand).

Gezien de grote afstand vormt deze hoogspanningsverbinding geen belemmeringen voor het plan. Eveneens zorgt het plan niet voor belemmeringen voor deze hoogspanningsverbinding.

Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5.11. In

de

Natuur toelichting

van

een

omgevingsplan

moeten

de

gevolgen

van

de

voorgenomen

ontwikkeling

voor

ecologische waarden n beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de wet- en regelgeving op het gebied van natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet:

de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuuren de Aanvullingsregeling natuur.

Er

is sprake van een beleids-neutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd.

5411

Gebiedsbescherming

Natura2000-gebieden De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 11 Besluit activiteiten leefomgeving. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar

aanleiding van projecten, plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Effecten kunnen n beginsel alleen optreden door zogenaamde externe

werking,

waarbij

veranderingen

en

activiteiten

binnen

de

locatie

kunnen

leiden

tot

effecten

in

de

natuurgebieden.

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde (Nederlandse) Natura2000-gebied betreft het Swalmdal, en ligt op een afstand van ca. 6 km ten zuiden van het plangebied. Doordat het plangebied buiten de begrenzing van Natura2000-gebieden ligt, kunnen

de directe negatieve effecten, zoals oppervlakteverlies, op voorhand worden uitgesloten. Verstorende effecten door bijvoorbeeld licht of geluid tijdens de afstand en tussenliggende infrastructuur.

(sloop)werkzaamheden

zijn ook

uitgesloten

vanwege

de ruime

significante negatieve effecten door stikstofdepositie zijn in principe nooît op voorhand uit te sluiten vanwege de overbelaste situatie in Nederland. Echter, in dit geval betreft het een bestaande situatie, die functioneel wordt

omgezet

van agrarisch

intensieve

veehouderij

intensieve heeft

veehouderij

reeds

een

naar niet-agrarisch

substantiële

biijdrage

statische opslag.

De beëindiging van

de

geleverd

vermindering

de

aan

de

van

stikstofdepositie als gevolg van het beëindigen van de ammoniakemissie. Een toename van stikstof als gevolg van verkeersbewegingen voor de statische opslag, alsmede de sloop en renovatie van de bebouwing wordt, mede gezien de grote afstand tot Natura2000 gebieden, niet aannemelijk geacht.

33 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

Natuur Netwerk Nederland (NNN) Een

andere

vorm

samenhangend

van

gebiedsbescherming

is het

Natuur

Netwerk

Nederland

(NNN).

netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden

Het

NNN

is een

in Nederland, dat

voldoende robuust i voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en

voor natuurlijke leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Limburg uitgewerkt in de Omgevingsverordening Limburg. Binnen het NNN streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur.

De dichtstbijzijnde grens met een NNN-gebied is gelegen op een afstand van ca. 550 meter ten noorden van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat dit

niet leidt tot een aantasting c.q. doorkruising van het NNN. 5.11.2.

Soortenbescherming

Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden

moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten

heeft, en zo ja welke,

Onder de Omgevingswet

op beschermde

soorten.

zijn veel dier- en plantensoorten

beschermd waardoor vrijwel voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving

is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Algemene zorgplicht

Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. lemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter-)nationaal beschermde soorten én

bij andere soorten. Uit bestudering van de provinciale

natuurgegevens

blijkt dat er binnen

het plangebied,

in 2012

een Zwarte

Roodstaart is gesignaleerd, alsmede een Holenduif. Recentere waarnemingen hebben volgens deze database niet plaatsgevonden. De ontwikkeling omhelst géén nieuwbouw van gebouwen. De sloop en renovatie van een aantal bestaande gebouwen zal gedurende de looptijd van dit omgevingsplan

plaatsvinden. Dit zal grotendeels

door initiatiefnemer zelf uitgevoerd worden. Gezien het gewenste behoud van de overige bebouwing binnen de locatie dient

de sloopt

heel

zorgvuldig

uitgevoerd

te worden.

Deze

zorgvuldigheid

zal ertoe

bijdragen

dat

eventuele aanwezigheid van soorten tijdig kan worden opgemerkt en noodzakelijke handelingen om verdere verstoring te voorkomen tijdig kunnen worden uitgevoerd. Bovendien zijn de bestaande stallen conform de tijdens de bouw geldende regels van toen zogenaamd ‘vogeldicht’ gebouwd. Het is onwaarschijnlijk dat er vogels in de stallen verblijven.

\

‘

©

t

£;

Holenduif 5

Legenda Broedvogels Vlakdekkend

3

@

Soort van de Rode List

©

Aandachtsoort (0.9. voormalige Rode Lijst-soorten)

O

Schaarse of zeldzame soort Algernene soort (niet op de kaart, wel in de lijst)

Figuur 5.11.1

Uitsnede kaart Natuurgegevens Provincie Limburg (bron:

www.natuurgegevensprovincielimburg.nl}

34

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

QuickScan flora en fauna Op verzoek van initiatiefnemeris in week 15 van 2025 een QuickScan flora en fauna uitgevoerd door IVN Helden,

ter plaatse van het plangebied. Uit deze QuickScan is geconcludeerd dat binnen het plangebied geen beschermde diersoorten

en planten zijn aangetroffen.

Er wordt geadviseerd

met de activiteiten en sloopwerkzaamheden

rekening te houden met het winterslaap en broedseizoen van de vleermuizen (15 november / 15 maart en 15 mei / 1 augustus) en het broedseizoen van de vogels (15 maart / 15 juli). Het resultaat van de QuickScan is opgenomen in bijlage 2 bij de omgevingsplan Conclusie natuur

Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘natuur’ geen belemmering voor het planvoornemen

5.12.

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid s dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden

gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt

geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Gemeenten

erfgoed.

moeten

in hun omgevingsplan rekening

houden

met

het

belang

van

het behoud

van cultureel

Dit volgt uit artikel 5.130 lid 1 van het Bkl. Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en

aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Om

hieraan

gevolg te kunnen

geven,

maakt

de gemeente

een

inventarisatie

en analyse

gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden gemeente een toereikend beschermingsregime instellen.

van het binnen

cultureel erfgoed

de

moet de

Bij cultureel erfgoed kan het gaan om: e _ Monumenten zoals (bouw)werken. e

Tuinen en parken.

e _ Bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. e _ Stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen. De gemeente legt de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten

gemeente Peel en Maas heeft archeologiekaart op te stellen. 5121

dit gedaan

door

voor

het

gehele

vast n het omgevingsplan.

grondgebied

van

de

gemeente

De

een

Archeologie

Op grond van deze gemeentelijke archeologische kaart ligt het plangebied in zowel ‘Waarde — Archeologie 4’ als ‘Waarde — Archeologie 6/. Dit betreft beiden gronden met een hoge verwachtingswaarde.

De

voor

'Waarde

- Archeologie'

aangewezen

gronden

zijn,

behalve

voor

de

andere

daar

voorkomende

bestemming(en), c.q. functie(s), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een hoge

archeologische verwachtingswaarde. Waarde — Archeologie 4 en 6

Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 4' en ‘Waarde — Archeologie 6' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:

35 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

e _ het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;

e _ de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van minder dan 250 m?; e

een

bouwwerk

maximaal

e

dat

uitsluitend voor archeologisch

onderzoek

is bestemd

met een

bouwhoogte

van

3 meter;

gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

Voor het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt is tevens

vergunningsplichtig en dient voorafgegaan te worden door een nader archeologisch onderzoek. Conclusie archeologie

De ontwikkeling omhelst met name een functionele wijziging. Er vindt sloop van één van de bestaande bedrijfsgebouwen plaats, welke een totale oppervlakte heeft van 684 m?. De fundering onder dit gebouw is 130

m. lang, 0,60 m. diep en 0,25 m. breed. In totaal gaat het om een oppervlakte van 32 m? aan fundering, die zal worden verwijderd. Daarmee wordt ruimschoots binnen de ondergrens van 250 m? gebleven, zodat voorafgaand archeologisch onderzoek niet noodzakelijk

wordt geacht.

De archeologische bescherming op de gronden wordt in dit TAM-omgevingsplan bescherming van de archeologische waarden in de bodem voldoende verzekerd 5.12.2.

gewaarborgd.

Hiermee

is de

Cultuurhistorie

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In artikel 5.130 lid 2 Bk! staan hiervoor instructieregels. Deze regels gaan over:

.

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

. .

Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

.

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

. .

Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Deze instructieregels gelden nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten cultuurhistorisch waardevolle monumenten (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bk!). Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd

is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Om hieraan gevolg te kunnen geven, maakt de gemeente cultureel erfgoed.

een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente

aanwezige en te verwachten

Binnen het plangebied liggen geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Ook is geen sprake van een beschermd

stads- of dorpsgezicht, conform de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg. Conclusie cultuurhistorie

Gelet

op

vorenstaande

vormt

het

aspect

‘archeologie

en

cultuurhistorie’

geen

belemmering

voor

het

planvoornemen.

5.13.

Verkeersgeneratie,

-afwikkeling & parkeren

Biij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties hoort ook goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige

verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de functies van de beoogde ontwikkeling aanwezig te zijn.

36 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n 5.13.1.

frice blik op advies

Verkeer

Verkeersveiligheid is primair geregeld in de weg- en verkeerswetgeving, deze regelgeving maakt geen deel uit

van de Omgevingswet. Bekende richtlijnen van het CROW blijven ook bestaan. In de Omgevingsvisie van Peel en Maas wordt onder de opgave ‘een gezonde en veilige leefomgeving’ ingegaan op de ambitie voor een verkeersveilige infrastructuur. De parkeernormen zijn in het (tijdelijk) omgevingsplan en de ‘Parkeernota’ geregeld.

De hoeveelheid verkeersbewegingen van en naar de locatie wijzigt als gevolg van het planvoornemen, Het dagelijkse c.q. wekelijkse zware vrachtverkeer in het kader van de intensieve veehouderij wijzigt naar wekelijkse c.q. maandelijkse verkeersbewegingen vanwege busjes en (bestel)auto's. Vrachtverkeer wordt ondergeschikt. Toets plan Verkeersgeneratie

In de

situatie,

toen

nog

sprake

was

van

een

intensieve

veehouderij,

was

er sprake

van

de

volgende

verkeersbewegingen:

Zwaar verkeer (vrachtwagens Aan-en afvoer kuikens: 5 vrachtwagen combi’s per week. - _ Aanvoer mengvoer en tarwe: 4 vrachtwagens per week.

Totaal: 9 vrachtwagens per week Licht verkeer

- _ Personenbussen personeel, vangploegen en reinigingsploegen: 5 auto's/busjes per week. - _ Facilitair, dierenarts, onderhoud, service: 10 auto's/busjes per week. Alle vervoersmomenten zwaar of licht, konden in de situatie van de intensieve veehouderij 7 dagen per week gedurende 24 uur plaatsvinden.

In de nieuwe

situatie, ten aanzien

van

het

niet agrarisch

verwant

bedrijf,

is er sprake

van de volgende

verkeersbewegingen:

Zwaar verkeer

(vrachtwagens)

- _ Opslag: 2 vrachtwagens per maand. icht verkeer

-

_ Opslag: 2 auto's met aanhanger of busje per

maand.

- _ Brengen en ophalen van campers en/of caravans o _ Oktober t/m maart: 1 x per week. o _ April t/m september: 10 x per week. De vervoersmomenten zullen enke in de dagperiode plaatsvinden.

In vergelijking tot de voormalige agrarische frequentie van de verkeersbewegingen, verkeersbewegingen worden afgewikkeld

geasfalteerde

weg,

met

zijdelingse

bedrijfsfunctie

is het duidelijk inzichtelijk dat het aantal en de

alsmede de zwaarte van het soort verkeer, sterk afneemt. De via de bestaande infrastructuur. De Scherluitweg is een eenbaans

zachte

berm.

Vanaf

deze

Scherluitweg

draait

men

een

lange

(privé)

toegangsweg c.q. oprit op, die de verdere toegang biedt tot de bedrijfsgebouwen en de locatie. Daar de locatie n de nieuwe situatie voornamelijk nog door licht verkeer zal worden bezocht, zal de bestaande infrastructuur

voldoende zijn en blijven voor de verkeersafwikkeling. Incidentele vrachtwagens die de locatie kunnen aandoen, zullen eveneens via de bestaande infrastructuur afgewikkeld kunnen worden. Vanwege de lange oprit naar de locatie zal er geen overlast optreden ten aanzien van het overige verkeer op de Scherluitweg. Vanuit de verkeersafwikkeling en het verkeersbeleid bestaat geen belemmering voor dit omgevingsplan.

37 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

Parkeren

Het verkeer dat de locatie aandoet zal in de regel enkel goederen

komen

brengen ofwel

komen

ophalen. De

behoefte aan parkeerruimte is hiermee beperkt en slechts tijdelijk van aard. Rondom de bestaande gebouwen is reeds in de huidige situatie voldoende vrije ruimte beschikbaar om aan de mogelijke parkeerbehoefte te kunnen

voldoen. Nadere toetsing van het parkeerbeleid in aantallen is hiermee niet noodzakelijk. Routing

Het verkeer zal de locatie bereiken via het deel van de Scherluitweg, dat enkel toegang biedt tot de planlocatie. Binnen de planlocatie zal één toegangspoort, welke als het ware het einde van de toegangsweg vormt, toegang bieden tot de opslaggebouwen. Vervolgens is het mogelijk

voor de bezoekers om de opslaggebouwen te bereiken

en

Verkeer

ook

weer

via

bedrijfswoning

dezelfde

danwel

route

het

de

locatie

te

verlaten.

aan

huis,

zal

bedrijf

geen

dat

gebruik

de

locatie

maken

aandoet

van

de

voor

bezoek

toegangspoort

aan

de

naar

de

bedrijfsgebouwen, maar kan direct bij de bedrijfswoning parkeren.

Conclusie verkeer en parkeren Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘verkeeren parkeren’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5.14.

Duurzaamheid en gezondheid

Duurzame

stedenbouw

verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting.

Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoeren natuur en rekening houden landschapselementen.

met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, Dit betekent dat in de praktijk gelet moet worden op

vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen,

landschapsstructuren het materiaalgebruik,

en de

intensief ruimtegebruik en flexibel

‘bouwen (levensloopbestendig). Voorts kan door tijdens de bouw zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. Toetsing

aan de aspecten

duurzaamheid

en gezondheid

is sterk afhankelijk van

het gemeentelijk

beleid op

dergelijke thema's. De gemeente kan het beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan vastleggen in de vorm van omgevingswaarden. Indien deze omgevingswaarden van toepassing zijn, moet het initiatief getoetst worden aan deze omgevingswaarden. De gemeente Peel en Maas beschikt over een duurzaamheidsagenda en een zonneladder. De gemeente heeft dit beleid nog niet vastgelegd in het omgevingsplan, zijnde als omgevingswaarden. De bruidsschat bevat wel een

artikel over energiebesparende maatregelen (22.52). 5.14.1.

Duurzaamheid

Het begrip ‘duurzame

ontwikkeling’

i in de Omgevingswet (Ow) als volgt gedefinieerd:

‘een ontwikkeling die

voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen.’

In artikel 1.3 Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: ‘deze wet is, met het 00g op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

a.

bereiken

houden

van

b.

omgevingskwaliteit, en: doelmatig beheren, gebruiken

en

in stand

en

een

veilige

en

gezonde

fysieke

ontwikkelen

van

de fysieke

leefomgeving

leefomgeving

en

een

ter invulling

goede van

de

maatschappelijke behoeften.” Met deze bepaling wordt een duurzame ontwikkeling binnen de fysieke leefomgeving geborgd. Er wordt gezocht

naar de samenhang van alle relevante belangen, waaronder ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. Conclusie duurzaamheid

Voorliggend plan betreft het omzetten van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag. Vanwege de beëindiging van de intensieve veehouderij wordt hiermee met name een bijdrage geleverd 38 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

aan een gezonde fysieke leefomgeving en verbetering van de omgevingskwaliteit. De voorgestane ontwikkelingen binnen het plangebied zullen met aandacht voor de omgeving en met toepassing van duurzame

materialen

worden

uitgevoerd.

Met

de

renovatie

van

de

bestaande

gebouwen

wordt

het

bestaande

asbesthoudende dak verwijderd en vervangen.

Met dit initiatief is sprake van duurzaam hergebruik van de locatie, gebouwen en materialen. Voorkomen wordt dat de oudere gebouwen

verloederen en er verrommeling

plaatsvindt.

Met het aspect duurzaamheid

wordt

voldoende rekening gehouden in relatie tot onderhavig planvoornemen. 5.14.2.

Beschermen van de gezondheid

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow). Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en beidt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan dan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Ow). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke

leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld

een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met

andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. gemeentelijke beleid. Conclusie gezondheid Het Riijk stelt ondergrenzen

voor

omgevingswaarden

voor

paragrafen

beoordeeld.

reeds

geluid,

Regels met betrekking tot de 'gezondheid' s sterk afhankelijk van het

de bescherming

luchtkwaliteit, Hieruit

kan

van

geur

de gezondheid

door

en waterkwaliteit.

geconcludeerd

worden

dat

Deze

bijvoorbeeld

instructieregels

aspecten

zijn in voorgaande

onderhavig

plan

voldoet

aan

of alle

omgevingswaarden en er ter plekke sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de omgeving van het plangebied is het toegestaan om gewassen

te verbouwen.

Daarbij is het mogelijk dat

gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen, die drift kunnen veroorzaken, wat kan leiden tot gezondheidsrisico's. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient op dit aspect nader te worden ingegaan indien sprake is van een toevoeging van een nieuwe gevoelige functie binnen het plangebied. Dat is in onderhaving plan

niet aan de orde. Het aspect spuitzones kan hiermee buiten beschouwing worden gelaten. Er verandert niets aan de reeds bestaande situatie ten aanzien van dit aspect.

39 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

6.

Uitvoerbaarheid

6.1.

Financieel — economische

Economische

frice blik op advies

uitvoerbaarheid

uitvoerbaarheid

Uit voorliggende motivering blijkt dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden bereikt,

en dat de beoogde functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aanvullend worden aangenomen dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de beoogde functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd. Daaruit kan geconcludeerd worden dat met deze motivatie is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de

toegekende functies op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Kostenverhaal

In hoofdstuk 13 Omgevingswet zijn de financiële bepalingen opgenomen. Afdeling 13.6 gaat over kostenverhaal bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen”.

Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet, zijn bestuursorganen verplicht om de kosten vanwege, algemene

maatregel

van

bestuur aangewezen

bouwactiviteiten

of activiteiten vanwege

bij

gebruikswijzigingen,

naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemer die hiervan profijt ondervindt. Als het niet mogelijk is een overeenkomst via privaatrechtelijke weg af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een

projectbesluit. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Artikel 8.13 Omgevingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten een kostenverhaal verplicht is. Artikel 814 Omgevingsbesluit bepaalt de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal.

Ten behoeve van voorliggend plan wordt door de gemeente Peel en Maas een bijdrage n de ambtelijke kosten (legesnota) gevraagd van initiatiefnemer. Nadeelcompensatie Hoofdstuk 15 Omgevingswet

behandeld

‘schade’. Afdeling

15.1 gaat over

“nadeelcompensatie”

(voorheen

planschadevergoeding). Op grond van artikel 15.1, eerste lid van de Omgevingswet, wordt door een bestuursorgaan nadeelcompensatie toegekend aan degene die als gevolg van bijvoorbeeld een planontwikkeling schade lijdt. Titel 4.5 van de

Algemene wet bestuursrecht is alleen van toepassing op de toekenning van schade als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Op grond van artikel 4.126 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om met een aanvrager (initiatiefnemer) van een plan een overeenkomst te sluiten. De strekking van een dergelijke overeenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van

de

aanvrager.

De

gemeente

Peel

en

Maas

heeft

haar

beleid

hiervoor

uitgewerkt

in

de

‘Verordening

nadeelcompensatie Peel & Maas 2024’.

Ten

behoeve

van voorliggend

initiatiefnemer waarin

6.2. Met

plan wordt een

initiatiefnemer

anterieure

het risico van

overeenkomst

gesloten

tussen

de gemeente

en

het ontstaan van schade aanvaardt.

Juridische aspecten de

komst

van

de

Omgevingswet

op

1 januari

2024

zijn

alle

bestemmingsplannen

opgegaan

in één

gemeentelijk tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarnaast bestaat het omgevingsplan nog uit de Bruidsschat 40 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

en, indien van toepassing, een aantal gemeentelijke verordeningen. In de Bruidsschat bevinden zich een aantal regels die vanuit het Rijk overgegaan naar de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en milieubelastende activiteiten.

Het omgevingsplan van rechtswege kan door de gemeente gewijzigd worden, waarbij voorliggende wijziging zich beperkt tot de locatie Scherluitweg 1 te Kessel. 62.1.

Wijzigen van omgevingsplan van rechtswege

Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit een aantal delen: e

Motivatie;

e

Regels.

Het eerste deel van het besluit betreft voorliggende motivering. In deze motivering wordt de aanleiding tot wijzigen omgevingsplan genoemd en of het inpasbaar is n de fysieke leefomgeving. In de regels die deel uit gaan maken van het omgevingsplan, wordt aangegeven welke regels mogelijk worden gewijzigd, toegevoegd of verwijderd als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Verder wordt duidelijk aangegeven voor welke locatie(s) de regels gaan gelden. Dit middels een verbeelding c.q. aan te geven werkingsgebied. Voor

deze ontwikkeling wordt aansluiting gezocht bij de geldende regels voor niet-agrarische bedrijven in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Planregels

6.

Door het wijzigen van de functies op de betreffende locatie, worden ook de planregels voor onderhavige locatie gewijzigd.

De gronden ter plaatse van het plangebied worden gewijzigd van ‘Agrarisch — Intensieve veehouderij’

naar

‘Bedrijf — niet agrarisch verwant’. Binnen de regels wordt expliciet het gebruik van de bedrijfsgebouwen

voor

statische opslag van goederen voor derden, mogelijk gemaakt. Ook is het uitoefenen van een bedrijf aan huis, specifiek een ontwerpstudio voor het creëren en aanbrengen

van logo's op textiel en andere

ondergronden

binnen de bebouwing toegestaan, beperkt tot maximaal 70 m?. In de regels wordt een maximale toegestane oppervlakte voor bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning en de daarbij bijbehorende bouwwerken vastgelegd. Wat betreft de bedrijfsgebouwen is dit gebaseerd op de bestaande en te

behouden bebouwing, exclusief één voormalige stal (nr. 6) die gesloopt zal worden. Zie hiervoor ook paragraaf 3.1. Voor de bedrijfswoning wordt gerekend met een opperviakte van ca. 185 m? en voor het bijgebouw behorende bij de woning een oppervlakte van ca. 170 m?.

Stal1

ca,

63 m. bij

20m

1.260

m

Stal2

ca

63m. bij

20 m.

1.260

m

Stal3

ca. 52m. bij 9 m.

468 m

stal5

ca.52

468

Stal4

Loods/werkplaats

Woni Totaal G

ca. 60m. bij9 m. m. bij

9m,

| ca. 40 m. bij 11 m.

Bron: BAG

Ca. 8,5 m. bij 20 m.

540 m” m

440 m

185 m? 4791 m=

170 m?

In de regels wordt verwezen naar een nadere aanduiding op de verbeelding die het maximaal te bebouwen oppervlak aanduid. Dit oppervlak wordt op de verbeelding vastgelegd op 4.800 m?. De bestaande woning en bijbehorende garage blijven gehandhaafd in dit plan, waarbij de bestaande inhoud als ‘maximale inhoud mag worden gehandhaafd. De bestaande woning plus garage hebben een gezamenlijke inhoud van ca. 1.500 m’.

41

TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

frice blik op advies

Eris een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren en in stand houden van het landschappelijk inpassingsplan, welke is opgesteld voor het plangebied. Voor de overige

regels is aangesloten

bij de regels als opgenomen

in het moederplan

voor de betreffende

functies.

6.3.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie

Initiatiefnemer heeft in de maand april 2025 gesproken met omwonenden

over het wijzigen van de functie op

de locatie Scherluitweg 1 van agrarisch — intensieve veehouderij naar bedrijf - niet agrarisch verwant, in de vorm van statische opslag, waarbij één van de bestaande stallen zal worden gesloopt. De volgende adressen zijn benaderd: - _ Scherluitweg 2; - _ Scherluitweg - _ Molenstraat 62; -

Tijdens

_

Molenstraat

64.

het overleg is het plan toegelicht en is er ruimte geboden

voor eventuele opmerkingen.

Met een

handtekening heeft de buurt aangegeven geïnformeerd te zijn over het plan. Er zijn geen opmerkingen gemaakt die hebben geleid tot nadere aanpassing van het plan. Het verslag van deze omgevingsdialoog is separaat bij de gemeente Peel en Maas kenbaar gemaakt. In verband

met privacy-gevoelige informatie wordt dit niet als bijlage bij dit omgevingsplan gevoegd. 6.

Vooroverleg/intaketafel

Om te komen tot voorliggend plan is voorafgaand aan het opstellen van dit TAM-omgevingsplan contact geweest

met de gemeente Peel en Maas. Sinds 2022 zijn gesprekken gevoerd. Gebrek aan specifiek gemeentelijk beleid voor Vrijkomende Agrarische Bedrijfslocatie heeft ervoor gezorgd dat het tot medio 2024 heeft geduurd, voordat er een formeel principeverzoek ingediend kon worden, waarop een besluit kon worden

genomen.

Op 21 mei

2024 heeft er een locatiebezoek plaatsgevonden waarin met de gemeente afstemming is gezocht over de (on)mogelijkheden van dit initiatief. Op 28 juni 2024 is een principeverzoek ingediend, waarop op 16 september 2024 een positief principebesluit is genomen. Dit heeft geleid tot het opstellen van voorliggend plan. Daarnaast is in artikel 2.2 van de Omgevingswet een algemene verplichting opgenomen dat bestuursorganen overleg voeren, met elkaars belangen rekening houden en zo nodig onderling afstemmen. Om die reden is

voorliggend

TAM-omgevingsplan

voorgelegd

aan de

provincie

Limburg

en Waterschap

Limburg.

Zowel

de

provincie Limburg als het Waterschap hebben aangegeven geen bezwaren te zien op voorliggend plan. 6.3.3.

ienswijze

Het TAM-omgevingsplan heeft van 11 juli tot en met 21 augustus 2025 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan geen zienswijze ingediend.

42 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

vonbuiten. n

7.

frice blik op advies

Procedure

De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan met de regels voor activiteiten voor de leefomgeving. Om dit omgevingsplan van rechtswege te wijzigen, volgt de gemeente een vaste juridische procedure.

De procedurebepalingen

staan in de Omgevingswet,

het Omgevingsbesluit

en de

Algemene wet bestuursrecht. In afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht staan de van toepassing zijnde openbare voorbereidingsprocedure, welke kan worden opgedeeld in twee stappen: 1. Ontwerp-omgevingsplan De gemeente geeft kennis van

het ontwerp-omgevingsplan.

De gemeente

plaatst het ontwerpbesluit

integraal in het digitale gemeenteblad en egt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken voor

6 weken ter inzage. Binnen 6 weken vanaf het moment omgevingsplan kan eenieder een zienswijze inbrengen.

van

terinzagelegging

van

het

ontwerp-

Indien er binnen de termijn van 6 weken geen zienswijze zijn ingediend, doet de gemeente hiervan een melding n het gemeenteblad

en neemt de gemeente

het besluit binnen 4 weken

nadat de termijn voor zienswijze is

verstreken.

2. De

Vaststellen omgevingsplan gemeenteraad stelt het omgevingsplan

vast.

De gemeente

maakt

het

besluit

bekend

door

het

te

publiceren in het elektronische gemeenteblad. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt.

De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Tegen het besluit tot wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

43 TaM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w, Scherluitweg 1 Kessel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=1096b2d6-02c8-415e-858e-6443476b4103