CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-064 07 Ruimtelijke motivering Baarloseweg 33 Helden Vastgesteld (geanonimiseerd)

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan Baarloseweg 33 Helden (2025-064)11.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Document:

_

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

Procedure:

__ WOP (TAM-omgevingsplan)

Datum:

30 juni 2025

Auteur:

Dhr. inc. (geanonimiseerd)

Initiatiefnemer.

Pijnenburg

>

agrarisch advies & onroerend

goed

Spoorweg 4 5963 NJ

Horst

T+31(0)77 398 29 21 info@pijnenburgadvies.nl

INHOUDSOPGAVE

INHOUDSOPGAVE

1 Aanleiding en doel

3

1.1 Aanleiding. 1.2 Plangebied 1.3 Het omgevingsplan 1.4 Leeswijzer 2 Beschrijving huidige situatie. 3 Voorgenomen ontwikkeling 4 Beleid en regelgeving

)E

41 Rijksbeleid

4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels. 4.3 Omgevingswaarden 4.4 Regionaal beleid. 4.5 Beleid Waterschap.

4.6 Gemeentelijk beleid 5 Landschappelijke, stedenbouwkunt

6 Fysieke leefomgeving 6.1 Beschermen van de gezondheid. 6.2 Milieubelastende activiteiten

6.3 Geluid door activiteiten.… 6.4 Kwaliteit van de buitenlucht

6.5 Geur. 6.6 Bodemkwalitei

6.7 Wegen, verkeer en parkeren 6.8 Omgevingsveiligheid.. 6.9 Natuur…

6.10 Water en watersystemen 6.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw 6.12 Bedrijfsmatige activiteiten… 6.13 Toetsing Besluit m.e 1. / m.e.r-beoordeling 7 Beperkingengebieden.

3

7.1 Beperkingengebieden 8 Uitvoerbaarheid 8.1

Economische

32 uitvoerbaarheid .

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid.. 9 Belangenafweging en conclusie 91 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?.… 9.2 Conclusie..

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

1

Separate bilagen: 1. Landschappelijk inpassingsplan 2. Berekeningen V-stacks vergunning 3. Berekening V-stacks gebied

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

1 Aanleiding en doel 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn eigenaar van de woning aan de Baarloseweg 33 te Helden. Op deze locatie was n het verleden een agrarisch (tuinbouw)bedrif gevestigd. Reeds voor geruime tijd is van bedrijfsmatig agrarisch gebruik op deze locatie echter geen sprake meer. Initatiefnemers zijn voornemens om deze locatie te gaan

verkopen. Omdat de locatie te beperkt van omvang is om nog een volwaardig agrarisch bedrijf te kunnen exploiteren is de wens ontstaan om voorafgaand aan de verkoop de locatie om te vormen naar de functie wonen.

Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (rood omljnd)

Om de beoogde wijziging ook juridisch-planologisch vast te leggen dient een wijziging van het omgevingsplan plaats te vinden. Onderhavige motivering maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het wijzigen van het

omgevingsplan. Tot en met 31 december 2025 kan dat op basis van een TAM-imro. Daar wordt in onderhavig geval dan ook gebruik van gemaakt.

1.2 Plangebied De locatie ligt aan de Baarloseweg 33 te Helden op een afstand van circa 1,7 kilometer van de kemn Helden.

Het perceel is kadastraal bekend als Helden W 68 met een opperviakte van 5.665 m?. De Baarloseweg betreft een weg in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas aan de oostzijde van de kern Helden. Aan de Baarloseweg is sprake van een sterke mix van functies, waaronder wonen, agrarisch — grondgebonden, agrarisch - intensieve veehouderij, agrarisch — glastuinbouw en detailhandel. Kenmerkend voor de omgeving

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

3

is verder het beekdal van de Kwistbeek aan de noordzijde van het plangebied en de Kesselse/Heldense bossen aan de zuidzijde van de Baarloseweg.

Afbeelding 2. Globale ligging plangebied binnen grondgebied van de gemeente Peel en Maas.

1.3 Het omgevingsplan De locatie valt onder de werking van het 'Omgevingsplan gemeente Peel en Maas', welke vanaf 01-01-2024 in werking is getreden. Het omgevingsplan bevat regels van de gemeente voor de fysieke leefomgeving. Iedere gemeente heeft 1 omgevingsplan onder de Omgevingswet. Alle bestemmingsplannen die op 31 december 2023 bestaan, staan op 1 januari 2024 automatisch in een tjdelijk omgevingsplan. Dit heet een ‘omgevingsplan van rechtswege’. De gemeente gaat dittijdelijke plan stap-voor-stap veranderen in een omgevingsplan. Dit s uiterlijk in 2032 klaar. De locatie aan de Baarloseweg 33 maakt derhalve nu nog onderdeel uit van het ‘Omgevingsplan Kwistbeek', vastgesteld op 23 juni 2020. De locatie is daarin bestemd als ’Agrarisch — Grondgebonden'. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde — Archeologie 5' en ‘Waarde — Beekdal buiten de keren. Tevens gelden de gebiedsaanduidingen ‘overige zone — ontwikkelingszone bebouwingslinten’, ‘overige zone — provinciale ontwikkelingszone groen’, reconstructiewetzone verwevingsgebied’, reconstructiewetzone — extensiveringsgebied, en ‘wetgevingzone — wijzigingsgebied 3 bd. Verder is op 19-06-2018 het ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas' vastgesteld. Dit plan maakt het mogelijk om bestemmingsplannen en vergunningaanvragen te toetsen om te beoordelen of er voorzien is in voldoende parkeergelegenheid.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

4

Het gebruiken van de aanwezige bedrijfswoning, zonder een agrarisch bedrijfte exploiteren is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet rechtstreeks toegestaan.

Enkelbestemming Agrarisch - Grondgebonden

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5

Dubbelbestemming Waarde

- Beekdal

buiten de kernen

Bouwviak

Gebiedsaanduiding overige zone - ontwikkelingszone bebouwingslinten

Gebiedsaanduiding reconstructiewetzone

-

verwevingsgebied

Gebiedsaanduiding wetgevingzone - wijzigingsgebied 3 bd

Afbeelding 3. Uitsnede plankaart vigerend bestemmingsplan.

Om de beoogde wijziging ook juridisch-planologisch vastte leggen dient een wijziging van het omgevingsplan plaats te vinden. Onderhavige motivering maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tot en met 31 december 2025 kan dat op basis van een TAM-imro. Daar wordt in onderhavig geval dan ook gebruik van gemaakt.

1.4 Leeswijzer Deze motivering is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie binnen het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het beleidskader met de bijbehorende regelgeving wordt uitgewerkt in hoofdstuk 4. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 een toelichting gegeven ten aanzien van de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 6 wordt getoetst aan alle relevante (milieu)aspecten behorende tot de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de beperkingengebieden en in hoofdstuk 8 op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot vindt in hoofdstuk 9 de belangenafweging plaats en is de algehele conclusie omtrent het project uiteengezet.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

5

2 Beschrijving huidige situatie In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige sítuatie van het plangebied en de omgeving daarvan. Ook wordter ingegaan op de aanwezige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en omgeving. Dit alles dient als basís voor de voorgenomen ontwikkeling.

De locatie ligt aan de Baarloseweg 33 te Helden op een afstand van circa 1,7 kilometer van de kern Helden. Het perceel is kadastraal bekend als Helden W 68 met een oppervlakte van 5.665 m2.

Afbeelding 4. Luchtfoto huidige situatie met het plangebied rood omlijnd.

De Baarloseweg betreft een weg in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas aan de oostzijde van de kem Helden. Aan de Baarloseweg is sprake van een sterke mix van functies, waaronder wonen, agrarisch — grondgebonden, agrarisch - intensieve veehouderij, agrarisch — glastuinbouw en detaïlhandel. Kenmerkend voor de omgeving is verder het beekdal van de Kwistbeek aan de noordzijde van het plangebied en de Kesselse/Heldense bossen aan de zuidzijde van de Baarloseweg. Binnen het plangebied is momenteel de volgende bebouwing aanwezig:

- _ Bedrijfswoning, oppervlakte circa 135 m2 - _ Garage/berging, oppervlakte circa 225 m?2

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

6

3 Voorgenomen ontwikkeling In dt hoofdstuk wordt een (korte) beschrijving gegeven van de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij wordt 0ok alvast ingegaan

op bijzondere aandachtspunten

voor zover daar sprake

van is. Een

eventuele

verdere

verantwoording van deze bijzondere aandachtspunten is opgenomen in hoofdstukken 4 en 5 Zoals eerder aangegeven hebben de huidige eigenaren niet de intentie om een agrarisch bedrijfte exploiteren op de locatie. Voornemen is daarom om de functie te wijzigen in de functie “Wonen’. Daarbij wordt de oppervlakte van het bouwvlak verkleind, zodat dit qua opperviakte beter aansluit bij de functie wonen, en het feitelijk grondgebruik. De beoogde oppervlakte van het bouwvlak voor de functie wonen bedraagt in de

beoogde situatie circa 2.350 m. Zowel de aanwezige woning als ook de bijbehorende garage/berging bliven in de beoogde situatie behouden. De voormalige bedrijfswoning krijgt de functie als burgerwoning, de garage/berging krijgt een functie als bijgebouw bij de burgerwoning conform het huidige feitelijke gebruik. Gezien de omvang van het perceel is sprake van een passende omvang van bebouwing.

Afbeelding 5: Beoogde situatie schetsmatig weergegeven. De rode omljning betreft het vigerende bouwvlak. Het gele viak is het beoogde ‘bouwwlak voorde functie 'Wonen het groene viak krigt de functie Agrarisch' zonder bouwmogelikheden.

Verder zal de locatie landschappeljk ingepast worden, daar wordt in hoofdstuk 5 nader op ingegaan.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

7

4 Beleid en regelgeving In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling toegelicht en wordt de ontwikkeling hieraan getoetst. Hierbij wordt achtereenvolgens ingegaan op het van toepassing zijnde rijksbeleid, provincíaal beleid, regionaal beleid, beleid van het waterschap en gemeentelijk beleid.

4.1 Rijksbeleid 41 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Riijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI worden de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met

andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Riijk aan de vier prioriteiten: ° _ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; e Duurzaam economisch groeipotentieel: ° _ Sterke en gezonde steden en regio's: °

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Centraal bij de afweging van belangen

staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving,

zowel van de boven- als van de ondergrond.

De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

1. 2.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;

3.

Afwentelen

wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de afwegingsprincipes benut worden. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economisch

sterk Nederland.

Onderhavig planvoornemen omvat het definitief beëindigen van een voormalig agrarisch bedrijf. De thans aanwezige bedrijfswoning krijgt een nieuwe functie als burgerwoning. Het bestaande bijgebouw wordt gehandhaafd. Gezien het zeer kleinschalige karakter van het planvoornemen worden geen nationale belangen uit de Nationale Omgevingsvisie geschaad. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de Nationale Omgevingsvisie. 4.2 Instructieregels Rijk (AMvB's) Tegelikertijd met het in werking treden van de Omgevingswet (Ow) zijn een aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) in werking getreden. Deze AMvB's bevatten de nadere uitwerking van bepalingen van de Omgevingswet.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

8

Het betreft de volgende AMVB's:

e _ Omgevingsbesluit (Ob}: o _ Gerichtop burgers, bedrijven en bestuursorganen. Bevat regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). e Besluit kwaliteit leefomgeving (BK) o Gericht op bestuursorganen. Bevat onder meer de normen en instructieregels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. ° _ Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl):

o _ Gericht op burgers, bedrijven en overheden

bij hun feiteljk handelen.

Bevat algemene,

rechtstreeks werkende regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk.

° _ Besluit activiteiten Ieefomgeving (Bal): o _ Gericht op burgers, bedrijven

en overheden

bij hun feiteljk handelen.

Bevat algemene,

rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Ook worden in dit besluit vergunningplichten aangewezen. Het Bal en het Bbl bevatten rechtstreeks werkende, altjd geldende, regels. Hier dienen burgers, bedrijven envof overheden zich te allen tijde aan te conformeren. Het Omgevingsbesluit bevat in hoofdzaak de ‘procedurele’ regels. Vanuit deze drie AMvB's komen geen instructieregels naar voren die specifiek voor onderhavig project van toepassing zijn. Het Bkl bevat wel relevante onderdelen, ten aanzien van omgevingsplannen is hoofdstuk 5 van het Bkl (Omgevingsplannen) van belang. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat 3 afdelingen. Afdeling 5.1 bevat Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Deze afdeling is opgedeeld in 8 paragrafen: 1. 2. 3. 4. 5. ”

7. 8.

Paragraaf 5.1.1: Algemene bepalingen Paragraaf 5.1.2: Waarborgen van de veiligheid Paragraaf 5.1.3: Beschermen van de waterbelangen Paragraaf 5.1.4: Beschermen van de gezondheid en van het milieu Paragraaf 5.1.5: Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden

en cultureel

erfgoed Paragraaf 5.1.6: Behoud van ruimte voor toekomstige functies Paragraaf 5.1.7: Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Paragraaf 5.1.8: Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

Afdeling 5.2 bevat Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze gaan onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Afdeling 5.3 bestaat uit een tweetal ontheffingsmogelijkheden. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 van onderhavige ruimtelijke motivering wordt nader gemotiveerd dat aan alle wettelijke kaders voldaan wordt. Daarmee mag verondersteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met de instructieregels uit het Bk!. 4.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling i niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van het R.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

9

4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 4.2.1 Omgevingsvisie Limburg Per

25 oktober

2021

is de

‘Omgevingsvisie

Limburg'

in werking

getreden.

De

Omgevingsvisie

is een

strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cuftureel erfgoed.

Daarnaast worden

ook de aspecten

gezondheid,

veiligheid en een gezonde

leefomgeving

in de

Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma's.

In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: *

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;

o

Instedelijk c.q. bebouwd gebied;

o _ Inlandelijk gebied;

= =

Eentoekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘ijdloze' karakteristiek van de ondergrond, de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van hetruimtegebruik in de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende hoofdtypen met bijbehorende categorieën: *

Landelijke gebieden:

*

o _ Groenblauwe mantel | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) | Buitengebied; Bebouwde gebieden: o _ Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke ker | Werklocaties;

*

Infrastructuren;

o _ (Inter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg | (Inter)nationale waterweg | (Lucht)haven | (Inter)nationale leidingstrook. Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied' en ‘groenblauwe mantel, beide behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogejkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit

komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden,

een

breed

scala

aan

grondgebruiksvormen

mogelijk,

rekening

houdend

met

de

ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Onderhavig planvoormemen sluit dus aan bij de voornoemde accenten uit de omgevingsvisie. Verder wordt door de functiewijziging een kwallteitsslag gerealiseerd doordat leegstand en verpaupering van gebouwen in het buitengebied voorkomen wordt. Verder wordt met dit planvoornemen ervoor gezorgd dat binnen het gedeelte van het plangebied dat gelegen is binnen de ‘groenblauwe mantel' geen bebouwingsmogelikheden meer mogelijk zijn doordat het bouwvlak aanzienlijk verkleind wordt. Dit heeft een positieve uitwerking op de doelstelingen die nagestreefd worden binnen deze ‘groenblauwe mantel’. Vanuit de omgevingsvisie bestaan dus geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

10

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening

Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of

inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor intemationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in het ontwerp van

de Omgevingsvisie Limburg (POVI). Deze is per 01-01-2024 in werking getreden. Onderhavig planvoornemen heeft een relatie met het onderwerp wonen. De regels ten aanzien van wonen zien

echter in hoofdzaak toe op het realiseren/toevoegen van nieuwe woningen. Bij onderhavig initatief is sprake van het wizigen van de functie van een bestaande (bedrijs)woning en dus niet het toevoegen van een nieuwe woning.

Derhalve zijn de regels van deze nieuwe omgevingsverordening

ten aanzien van wonen

niet van

toepassing op onderhavig planvoornemen. Reeds n de voorgaande paragraaf is gemotiveerd dat het plan aan de uitgangspunten van de omgevingsvisie voldoet. 4.2.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van de provincie Limburg.

4.3 Omgevingswaarden Een omgevingswaarde

is een van de instrumenten om

beleid door te laten werken

vanuit het Rik en de

provincie, maar ook van gemeenten zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:

e _ De gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats: e De toelaatbare belasting door activiteiten; e

De toelaatbare concentratie of depositie van stoffen.

De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur en geluid Op dit moment is binnen de gemeente Peel en Maas nog sprake van een tijdelijk omgevingsplan (van rechtswege). Hierin zijn geen, concrete, omgevingswaarden opgenomen. Derhalve wordt voor wat betreft de omgevingswaarden nu verwezen naar de toetsing aan de wettelijke kaders in hoofdstuk 6.

4.4 Regionaal beleid Onderhavig planvoornemen omvat het definitief beëindigen van een voormalig agrarisch bedrif. De thans aanwezige bedrijfswoning krijgt een nieuwe functie als burgerwoning. Voor een dergelijk initatief is geen relevant regionaal beleid uitgewerkt. De daarvoor geldende kaders zijn uitgewerkt n provinciaal en gemeentelijk beleid.

441

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet n strijd met de doelstellingen van het regionaal beleid.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

11

4.5 Beleid Waterschap Relevant beleidsstuk op het gebied van water is het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap Limburg. Onderhavig planvoornemen omvat het definitief beëindigen van een voormalig agrarisch bedrijf door het wegnemen van de agrarische functie en het toekennen van de functie wonen. Met onderhavig initatief s geen sprake van een toename van verhard opperviak. Verder is ook geen sprake van verandering in activiteiten met grondwater, zoals het onttrekken daarvan. In het plangebied zeff is geen sprake van (relevante) oppervlaktewateren en/of waterkeringen. 45.1

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet n strijd met de regels uit de Wsv.

4.6 Gemeentelijk

beleid

4.6.1 Omgevingsvisie Peel en Maas Op

5 juli 2022

is de

Omgevingsvisie

Peel

en

Maas

opgesteld.

Bestaande

structuurvisies

worden

voorlopig als onderliggend (buitenwettelijk) beleid gehandhaafd. Voor dit project is een toets aan de Omgevingsvisie

uitgevoerd.

Hieruit

is gebleken

dat het gebied

getypeerd

wordt

als ‘beekdalen

en

rivierdal.

Voor zover relevant zijn de volgende gebiedskwaliteiten van belang e

De beken

zijn belangrijk voor de ruimtelijke structuur van

ontwatering

en

egalisering

zijn

de

beken

echter

niet

het gebied, maar door ontginning,

altijd

even

herkenbaar

meer

in het

landschap aanwezig. Laag in het beekdal igt grasland en hogerop liggen akkers en bosschages.

Hoofdzakelijk kleinschalige verkaveling, loodrecht op de beken. Sprengbeken gevoed door kwel (Springbeek, Bosbeek) en beken met zurig water (Peelplateau) met

kenmerkende

flora.

Eerste nederzettingen op de randen van de beekdalen. De

hier te versterken

°

Stimuleer

waarden

betreffen:

(extensieve)

grondgebonden

landbouw

als

mede-drager

van

het

aanwezige

landschap. Versterk de openheid en verminder de hoeveelheid bebouwing in het beekdal (maak versteende

gebieden open door sanering van glas). Versterk waar

mogelijk

de

natuurlijke

dynamiek

(hoge

en

lage

waterstanden,

meandering,

natuurvriendelijke oevers) in het beekdal.

Maak de randen van het beekdal herkenbaar met beplanting en maak de beek (weer) zichtbaar. Draag bij aan ontbrekende schakels in het wandel- en fietsnetwerk door de rivier- en beekdalen en maak het landschap beleefbaar. De

ingezette

koers

uit de

bestaande

kaderstellingen

en

beleidsdocumenten

komen

samen

in de

omgevingsvisie. De doelstellingen zijn samengebracht in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn: 1.

Zo worden

we

2.

Een gezonde en veilige leefomgeving

3.

Het versterken

4.

Goed

wonen

duurzamer

van

natuur en biodiversiteit

voor iedereen

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

12

5.

Toekomstgericht ondernemen

6.

Balans in het buitengebied

Deze

opgaven

moeten

in

samenhang

worden

gezien.

We

zien

met

name

de

eerste

drie

als

overkoepelende leidende principes. Bij elke ontwikkeling moet bekeken worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaven

kan worden geleverd.

nieuwe balans n het buitengebied.

en herbestemming geboden,

Daarnaast is in de gemeente

Peel en Maas sprake van een

In het buitengebied worden ruimte mogelijkheden voor hergebruik

maar wel onder strikte voorwaarden.

In onderhavig geval krijgt een voormalig agrarisch bedrijf een nieuwe functie als woonobject.

De locatie

is gelegen aan de rand van een beekdal aan het bebouwingslint van de Baarloseweg. De woning met bijbehorend wordt

bijgbebouw zal voorzien worden van een passende landschappelijke inpassing.

mogelijke

verpaupering

van

het

buitengebied

tegengegaan.

Verder

Hierdoor

worden

de

bebouwingsmogelijkheden op het perceel door het verkleinen van het bouwvlak ingeperkt. Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling in n met de Omgevingsvisie Peel en Maas. 4.6.2 Kaderstelling Ruimte en Economie In het coalitieakkoord 2014 is vastgelegd dat het college met de omgeving in gesprek gaat over de gewenste koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en

zelfsturing als richtsnoer heeft. De omzetting van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie is passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie. Op basis van uitvoeringsafspraak 1.2 'We benutten bestaande bebouwing en sturen op hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging en daar waar dit niet mogeijk is wordt

er zorg gedragen voor hetgeen achterblift. In dit geval is de omvang van de bebouwing passend bij een woonobject, daarmee is geen sprake van overtollige bebouwing Ook is in de kaderstelling de uitvoeringsafspraak ‘we hebben oog voor transitie in het landelijk gebied’ opgenomen. Als gevolg van schaalvergroting stoppen veel andere (kleinere) agrarische bedrijven. Dat is in dit geval ook aan de orde.

Een agrarisch bedrij stopt n het buitengebied en met de nieuwe functie krijgt deze

voormalige agrarische locatie een passende vervolgfunctie. Onderhavig planvoornemen is daarmee passend binnen de kaderstelling Ruimte en Economie.

4.6.3 Kwaliteitskader Buitengebied Het kwaliteitskader biedt een houvast voor ontwikkelingsgericht beleid in het buitengebied. Daarnaast bevat het een uitwerking van de in het structuurplan vastgelegde beleidsuitgangspunten voor wat betreft de aard en omvang van de te leveren tegenprestatie.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen: 1. Basiskwaliteit (B): B is van toepassing bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding daarvan tot de referentiemaat in een agrarisch gebied. B wil zeggen dat nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en het erf komt.

2.

Basiskwaliteit Plus (B+): B+ is van toepassing bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding boven de referentiemaat. Als basis voor de omvang van de landschappelijk inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

13

3.

Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK): Onder andere bij uitbreiding van een solitaire

burgerwoning of bedrijfswoning boven 1.000 m3 is ook AK van toepassing. Bij uitbreiding van solitaire woningen en bedrijfswoningen boven 1.000 m3 gaat het om een fysieke maatregel met een waarde van € 15,- per m? extra uitbreiding. Voor de realisatie van een woonfunctie geldt op basis van het kwaliteitskader de categorie B, oftewel Basiskwaliteit. Basiskwaliteit houdt in dat 10% van het bouwvlak ingepast moet worden. Het functie- en

bouwvlak heeft een oppervlak van 2.350 m2. Dat leidt tot een inpassingseis van 235 m2. Voor onderhavig plan is een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt (bijlage 1. Dit plan voldoet aan de uitgangspunten van het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas. 4.6.4 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van de gemeente Peel en Maas

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

14

5

Landschappelijke,

stedenbouwkundige

en

cultuurhistorische

waarden In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. De locatie ligt aan de Baarloseweg 33 te Helden op een afstand van circa 17 kilometer van de kern Helden. De Baarloseweg is een weg die al voor geruime tijd aanwezig is. Al op topografische kaarten uit 1900 wordt de weg gekarteerd. Destijds (en nog steeds) vormt de weg een verbinding tussen de kemen Helden en Baarlo. Binnen het plangebied wordt pas veel later de eerste bebouwing gekarteerd. Pas op topografische kaarten van 1998 is de 1° bebouwing zichtbaar (volgens het BAG is de woning echter reeds omstreeks 1989 gebouwd). Dat betreft ook direct de thans nog steeds aanwezige bebouwing, dus de woning met het bijbehorende bijgebouw.

Afbeelding 6-7. Uitsnede topografische kaarten 1900 (lnks) en 1998 (rechts).

Het plangebied is rood omcirkeld.

Zowel het thans aanwezige voormalige bedrijfsgebouw als ook de bedrijfswoning zijn niet aangewezen als cultuurhistorisch pand/gebouw. Onderhavig planvoornemen omvat het definitief beëindigen van een voormalig agrarisch bedrijf, door het wegnemen van de agrarische functie en het toekennen van een woonfunctie. Hierbij zal geen sprake zijn van

aantasting van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurljke waarden. Dit zal mede geborgd worden door het landschappelijk inpassingsplan dat is uitgewerkt voor onderhavig planvoornemen. Dit landschappelijk inpassingsplan is nader toegelicht en gemotiveerd in bilage 1 bij onderhavige motivering. In afbeelding 8 (volgende pagina) is de landschappelike inpassing schetsmatig weergegeven.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

15

Legenda:

©

Bestaande fuitbomen

. Bestaande notenboom .

Nieuwe fruitbomen

m

Bestaande beukenhaag Nieuw kruidenrijk grasland

Element

B.

Afbeelding 8. Impressie landschappelike inpassing

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

16

6 Fysieke leefomgeving In dt hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 (fysieke leefomgeving) Omgevingswet.

6.1 Beschermen van de gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat daarbij enerzijds om het beschermen van de gezondheid, anderzijds om het bevorderen van de gezondheid. 6.1.1 Wettelijk kader Op basis van artikel 1.3 sub a. van de Omgevingswet is het bereiken en n stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaiteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Ook in een divers aantal andere artikelen van de Omgevingswet komt het aspect gezondheid aan de orde. Het aspect gezondheid speelt binnen de Omgevingswet dan ook een centrale rol.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Deze instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trilingen, luchtkwaiteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. 6.1.2 Conclusie

Onderhavig planvoomemen omvat het definitief beëindigen van een voormalig agrarisch bedrij. Fysiek gezien is er reeds jarenlang geen sprake meer van een agrarische bedrijfsvoering. Verderop in dit hoofdstuk zal ingegaan worden op andere relevante aspecten als geluid, geur, trilingen, luchtkwaliteit en bodem. Uit

deze toetsing blijkt dat voor deze aspecten sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. Op basis daarvan mag verondersteld worden dat met onderhavig project vanuit het aspect gezondheid sprake is

van een evenwichtige toedeling van functies.

6.2 Milieubelastende activiteiten Op basis van bijlage A bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt een milieubelastende activiteit gedefinieerd

als een ‘activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactvitet op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. Alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben betreffen dus milieubelastende activíteiten, behalve de genoemde uitzonderingen. Onderhavig planvoornemen omvat het definitief beëindigen van een voormalig agrarisch bedrijf. Het beoogde gebruik wordt op basis van bijlage 1 van het Bbl beschouwd als een woonfunctie. In het Bbl zijn verder allerlei technische eisen uitgewerkt waar bouwwerken, afhankelijk van de gebruiksfunctie, aan moeten voldoen. Daarbij valt te denken aan technische eisen op het gebied van stabilteit (constructie), rookgasafvoer en brandmeldinstallatie(s). Onderhavig planvoornemen behelst enkel een gebruikswijziging van een bestaand gebouw van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Vanuit het Bbl bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavig project. Op basis van bijlage VI van het Bkl dient een gebouw met een woonfunctie als een ‘kwetsbaar gebouw’ beschouwd te worden. Vanuit het Bkl bestaan verder geen belemmeringen voor wat betreft milieubelastende activiteiten voor onderhavig planvoornemen.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden”

17

In het Bal zijn geen relevante onderdelen opgenomen ten aanzien van een woonfunctie. Vanuit het Bal bestaan verder geen belemmeringen voor onderhavig project.

6.3 Geluid door activiteiten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. 6.3.1 Wettelijk kader In het voorlopige Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijn bepalingen opgenomen die aangeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder, onder andere als gevolg van wegverkeer, industrie, spoorwegen en andere specífieke activiteiten (waaronder windturbines). Een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient hieraan getoetst te worden In artikel 3.21 (geluidgevoelige gebouwen) van het Bkl worden de geluidgevoelige gebouwen aangewezen. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. b. c. d.

Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

6.3.2 Onderzoek

Een burgerwoning wordt op basis van artikel 3.21 van het Bkl aangemerkt als geluidgevoelig gebouw. Het gebruik van de huidige bedrijfswoning wordt ook beschouwd als een woonfunctie en daarmee is de bedrijfswoning dus reeds in de huidige situatie al aangemerkt als geluidgevoelig gebouw. Onderhavig initiatief ziet enkel toe op een gebruikswijziging van de woning van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning.

Daarbij

mag

verondersteld

worden

dat

in

de

huidige

situatie

sprake

is

van

een

aanvaardbare akoestische situatie. Op basis daarvan mag men tevens veronderstellen dat ook in de beoogde situatie sprake zal zijn van een aanvaardbare situatie. Een nader onderzoek naar de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen ter plaatse van deze woning is dan ook

niet aan

de orde.

6.4.3 Te treffen maatregelen Aangezien de woning reeds in de huidige situatie aangemerkt s als geluidgevoelig gebouw en dit n de beoogde situatie niet wijzigt s het niet nodig om maatregelen te treffen. 6.3.3 Conclusie

Voor wat betreft het aspect geluid door activiteiten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.4 Kwaliteit van de buitenlucht

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

6.4.1 Wettelijk kader De hoofdljnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven

in de instructieregels zoals

opgenomen in het Bk!. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels

opgenomen

in paragraaf 5.1.4.1 Bk! (kwalteit van de buitenlucht). Volgens deze regels gelden zogeheten

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

18

omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stoffen stikstofdioxide (NO2) en

fijnstof (PM10). Een activiteitis toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

e

eris geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

° _ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; e _ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaiteit hoeft niet overal plaats te vinden. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM)

bijdraagt aan de Iuchtverontreiniging,

is geen

toetsing aan de rijksomgevingswaarden

voor

stikstofdioxide en ijnstof nodig. Uit artikel 553 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijt. Onder deze 'standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bk!. Als een project binnen de genoemde

categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valtis het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden 2.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan

een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Hierbij kan onder andere de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier bepalen of een project n betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 6.4.2 Onderzoek

Onderhavig

initiatief behelst

het

herbestemmen

van

een

bestaande

agrarische

bedrijfswoning

tot

burgerwoning. In de beoogde situatie is de woonfunctie de hoofdgebruiksfunctie op het perceel. Op basis van artikel 5.54 van het Bk! worden gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties

daarvan

met één ontsluitingsweg

tot ten hoogste

1.500 woningen

aangemerkt als ‘standaardgeval

NIBM'.

Het gaan gebruiken van een bestaande agrarische bedrijfswoning als burgerwoning is een vele malen kleiner initiatief dan het realiseren van 1.500 woningen. Op basis daarvan mag verondersteld worden dat onderhavig project NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Achtergrondwaarden In het kader van deze ruimtelijke procedure dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg

is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarljks in kaart worden gebracht.

De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de

huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM:ster plaatse 9,0 ug/m?, de concentratie PM+o

ter plaatse 18,0 ug/m? en de concentratie NO2 11,4 ug/ms. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PMes gesteld op 25 ug/m? en voor PMo op 40 ug/ms. Voor NO: is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 ug/n*.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

19

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 6.4.3 Te treffen maatregelen Aangezien het project NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging is het niet nodig om maatregelen te treffen. 6.4.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.5 Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

6.5.1 Wettelijk kader De hoofdljnen voor regelgeving rondom geur staan beschreven n de instructieregels zoals opgenomen in het

Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geur instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl (geur). In artikel 5.91 van het Bkl worden geurgevoelige gebouwen aangewezen. Lid 1 stelt dat een geurgevoelig gebouw in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een: a. Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Van belang is dat in lid 4 van artikel 5.91 benoemd staat dat ‘Het omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen’. In het voorlopige Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijn vooralsnog geen andere categorieën gebouwen aangewezen als geurgevoelig object anders dan benoemd in artikel 5.91 van

het Bkl.

6.5.2 Onderzoek

Onderhavig planvoornemen behelst het herbestemmen van een agrarische bedrijfswoning tot burgerwoning. In de beoogde situatie is du sprake van een woonfunctie welke op basis van artikel 5.91 Bkl, lid 1 als geurgevoelig object aangewezen wordt. Voor wat betreft geurbelasting kan een onderscheid gemaakt worden in voorgrondbelasting en achtergrondbelasting Voorgrondbelasting Onderhavige locatie betreft na het wijzigen van de gebruiksfunctie een geurgevoelig object welke gelegen is in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas. Op basis van artikel 5.109 geldt een maximale geurbelasting van 14,000.u. In de nabijheid zijn 2 veehouderijen gelegen, nameljk aan de Baarloseweg 32 en 33a. Voor beide veehouderijen is een berekening gemaakt met het programma V-stacks vergunning. Uit deze berekeningen

(bijlage 2) blijkt dat de geurbelasting ter plaatse van de gevel van de woning maximaal 6,5 0.u bedraagt, waar maximaal 14.0 o.u. toelaatbaar is. Daaruit blkt dat er voldaan wordt aan de geurnormen. Achtergrondbelasting Vanwege de redeljk grote hoeveelheid veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied is ook voor wat betreft de achtergrondbelasting een berekening uitgevoerd. Deze berekening is gemaakt met het programma V-stacks gebied. In de berekening (bijlage 3) zijn alle veehouderijen binnen 2 kilometer van het plangebied meegenomen. Uit de berekening blijkt een maximale geurbelasting van 19,84 o.u. daar waar

maximaal 20,0 .U. (categorie matig) toelaatbaar is. Daaruit blijkt dt ook voor wat betreft achtergrondbelasting aan de geumormen voldaan kan worden.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

20

6.5.3 Te treffen maatregelen Aangezien sprake is van een aanvaardbare situatie voor achtergrondbelasting is het niet nodig om maatregelen te treffen.

zowel

voorgrondbelasting

als

ook

6.5.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.6 Bodemkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodemkwaliteit.

6.6.1 Wettelijk kader De hoofdljnen voor regelgeving rondom bodemkwaliteit staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bk!. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect bodemkwaliteitinstructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl (bodemkwaliteit). In artkel 5.899. lid 1, sub a. wordt een bodemgevoelig gebouw omschreven als ‘een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelij is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn’. De algemene doelsteliing van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het facilteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: e _ De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;

e _ Eenevenwichtige toedeling van functies aan locaties te hanteren, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

e

En

het duurzaam

en doelmatig

beheren

van de resterende

historische verontreinigingen en —

aantastingen.

Het is aan de gemeenten zelf om de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast te stellen in het omgevingsplan. Deze waarde mag alleen niet hoger zijn dan het blootstelingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bk!. 6.6.2 Onderzoek

Onderhavig planvoornemen omvat het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie. Op het perceel vinden voor geruime tijd reeds geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats. Sinds die tijd wordt de locatie gebruikt als woonobject. Het gebruik als woonobject wordt vooralsnog voortgezet. In het Bal is bepaald dat niet de beëindiging van de bedrijfsvoering bepalend is of er een bodemonderzoek gedaan moet worden, maar het gebruik dat bepaald. Aangezien het gebruik niet wijzigt is er geen nader bodemonderzoek uitgevoerd.

6.6.3 Te treffen maatregelen Aangezien verondersteld mag worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaarbare kwaliteit van de bodem is het treffen van maatregelen niet nodig.

milieuhygiënische

6.6.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect bodemkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

2

6.7 Wegen, verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren 6.7.1 Wettelijk kader Een toename aan functies kan ook zorgen voor een toename van verkeer. B het toelaten van een nieuwe functie dient derhalve gekeken te worden naar de effecten op onder andere de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient ook in beeld gebracht te worden of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte.

De gemeente is het bevoegd gezag voor het opstellen van het parkeerbeleid met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De gemeenteraad van Peel en Maas heeft op 16 juni 2018 het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas vastgesteld. Het doel van deze Parkeemota is om een kader te scheppen waaraan ruimtelike ontwikkelingen binnen de gehele gemeente Peel en Maas getoetst kunnen worden ten aanzien van het aspect parkeren. 6.7.2 Onderzoek

Voor een woonhuis buiten de bebouwde komt geldt op basis van bijlage 2 van de Parkeemota een parkeemorm van 2,0 auto per woning. Reeds in de huidige situatie is sprake van een vrijstaande woning. Dat wijzigt niet na het wijzigen van de gebruiksfunctie. Daarmee is ook geen sprake van een toename van parkeerbehoefte ten opzichte van de huidige situatie. Ook zal geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied

Op eigen terrein is ruim voldoende plaats aanwezig voor de benodigde 2 parkeerplaatsen. Voor wat betreft de effecten op de verkeersafwikkeling geldt dat onderhavig project zoals hiervoor reeds gemotiveerd niet zal Ieiden tot een toename van de verkeersbewegingen op de Baarloseweg en omliggende wegen. Daarmee zullen geen negatieve effecten optreden voor wat betreft de verkeersafwikkeling en -veiligheid. 6.7.3 Te treffen maatregelen Op het terrein zijn reeds voldoende parkeerplaatsen (minimaal 2,0) gerealiseerd ten behoeve van de woning. 6.7.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect wegen, verkeer en parkeren is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. 6.8.1 Wettelijk kader De hoofdijnen van het wettelijk kader omtrent omgevingsveiligheid zijn opgenomen n instructieregels in paragraaf 5.1.2 Bkl (waarborgen van de veiligheid). In blage VIl van het BK! zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

e _ Activiteiten met gevaarljke stoffen bij bedrijven; « _ Het basisnet voor vervoer gevaarljke stoffen over de weg, het water en het spoor; e _ Buisleidingen met gevaarljke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit n het Bal: « _ Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteitin het Bal.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

22

Daarnaast dient volgens artikel 5.15 lid 1 van het Bk! in een omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen binnen een brandaandachtsgebied rekening gehouden te worden met de kans op het overlijden van een groep van 10 of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer

kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties ziijn wel toelaatbaar als daarvoor extra maatregelen getroffen worden aan de hand van voorschriftengebieden. In deze gebieden gelden dan vervolgens de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 van het Bbl.

6.8.2 Onderzoek

Op basis van digitaal raadpleegbare kaarten van het REV die opgenomen zijn in de Atlas leefomgeving onder Veilige omgeving, zie afbeelding 11, zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen met een plaatsgebonden risico gelegen. Enkel aan de [ocatie Baarloseweg 34a is een propaan opslagtank gelegen met een risicocontour (explosie). Deze contour overlapt niet met de gronden binnen het plangebied. Derhalve is sprake van een aanvaardbare situatie.

Afbeelding 9. Uitsnede kaart Externe veiigheid op waw.llaslesfomgeving.nl, plangebied is rood omdirkeid.

6.8.3 Te treffen maatregelen

Door wijziging van de functie ter plaatse neemt het aantal personen binnen het plangebied niet toe. Het plaatsgebonden risico wijzigt eveneens objecten gerealiseerd.

niet. Tenslotte worden

er ook

geen

nieuwe

(beperkt)

kwetsbare

68.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

23

6.9 Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 6.9.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat daarbij in beginsel om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten (waaronder

vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime komt voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen. Dit zijn de Vogelrichtlijn (74/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Op basis van artikel 2.44 van de Omgevingswet is de Minister voor Natuur en Stikstof verantwoordelijk voor het aanwijzen van de betreffende Natura 2000-gebieden en is daarbij tevens verantwoordelijk voor het stellen van de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Dit gebeurt in zogeheten aanwijzingsbesluiten. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, dat betekent dat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring

kunnen

veroorzaken

beoordeeld

dienen

te

worden.

In

afdeling

8.6

Bkl

is

het

betreffende

beoordelingskader voor omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten uitgewerkt. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Deze bescherming richt zich enerzijds op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn

vallen, en anderzijds op soorten van nationaal belang. Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning in het kader van de soortenbescherming voor een activiteit nodig is 6.9.2 Onderzoek

Gebiedsbescherming Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen 3 Nederlandse Natura 2000-gebieden, te weten

het Swalmdal op circa 8,0 kilometer, het Leudal op circa 8,9 kilometer en de Deurnsche Peel & Mariapeel op circa 9,0 kilometer. Deze afstand is dusdanig groot dat directe effecten zoals versnippering en/of doorkruising van Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden. Eventuele effecten van het project zullen in hoofdzaak samenhangen gebieden.

met een eventuele toename van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-

Onderhavig planvoomnemen omvat het definitief beëindigen van een agrarisch bedrijf door het toekennen van een woonfunctie aan het perceel. De wijziging van het gebruik van de woning van agrarische bedrijfswoning

tot burgerwoning zal niet leiden tot een toename van emissie(s). Zowel in de huidige situatie als ook n de beoogde situatie is sprake van bewoning door één huishouden. In dit geval i geen sprake van een aanlegfase, de bebouwing is reeds op het perceel aanwezig en de bebouwing is aljarenlang in gebruik. Wel s er sprake van een gebruiksfase, waarin de woning bewoond wordt,

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

24

verwarmd wordt met een CV installatie en er verkeer van en naar de locatie rijdt. Hiervoor geldt echter dat voor wat betreft de gebruiksfase de beoogde situatie gelij is aan de huidige situatie. Daarmee kan per saldo geen sprake zijn van een nadelig effect ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Daarmee is er ook geen sprake van een vergunningplicht. Soortenbescherming

Bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving dienen de effecten van de beoogde ontwikkelingen op het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten onderzocht te worden. Onderhavig planvoornemen omvat enkel de functiewijziging van agrarisch bedrijf naar woonobject. De thans aanwezige bebouwing en beplanting blijft daarbij behouden en er vinden geen sloopactiviteiten plaats. Op basis daarvan mag verondersteld worden dat het project geen nadelige effecten heeft voor eventueel ter plaatse aanwezige beschermde flora en fauna. Evengoed dient bij het exploiteren van de activiteit te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. 6.9.3 Te treffen maatregelen Op basis van voorgaande motivatie zijn geen nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden en beschermde flora en fauna te verwachten. Het treffen van maatregelen is dan ook niet aan de orde. 6.9.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.10 Water en watersystemen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen.

6.10.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader, zie ook paragraaf 4.5, is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk

kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap,

het Provinciale Omgevingsvisie (POVI) het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het andschap waaraan

voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: = _ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantieit); + _ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infitreren-afvoeren. Daamnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtljn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: = herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden:

= _ herstelvan de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;

Ruimtelijke motivering “Baarloseweg 33 Helden"

25

= _ schoonwater:

=

duurzame

het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;

watervoorziening:

het beschermen

van

water

voor

menselijke

consumptie,

zodanig

dat

voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar s; *

eenvellige Maas: het streven naar een acceptabe! risico voor overstromingen in het ivierbed van de Maas.

De waterkundige waarden zijn in de POVI weergegeven op de kaarten 'Grondwaterbescherming' en ‘Natuur. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. 6.10.2 Onderzoek

De bodem in het plangebied is tameljk vlak, de maaiveldhoogte is gelegen tussen 28,5 en 29,0 m +NAP. De originele bodem bestaat ter plaatse van de woning volgens de bodemkaart uit een hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit lerig fijn zand. Ter plaatse van de woning bedraagt de grondwatertrap VIId. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich daarbij op 80-140 centimeter beneden maaiveld, de gemiddeld laagste grondwaterstand bevindt zich op meer dan 180 centimeter beneden maaiveld.

In het plangebied zelf is geen opperviaktewater aanwezig. Voor wat betreft het hemelwater geldt dat onderhavig planvoornemen uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant is. Er is namelijk geen sprake van toename van verhard oppervlak.

Onderhavig planvoornemen voorziet niet in (nieuwe) grondwateronttrekkingen. Verder voorziet onderhavig planvoornemen ook niet in activiteiten die een mogelijk negatief effect op het grondwater zouden kunnen hebben.

Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelik rioleringssysteem. 6.10.3 Te treffen maatregelen Doordat onderhavig project niet voorziet in een toename van verhard oppervlak en enkel toeziet op de functiewijziging van een bestaande woning met bijgebouw is het uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant. Het treffen van maatregelen is dan ook niet nodig. 6.10.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect water en watersystemen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het project landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast. 6.11.1 Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Ow. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het i op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 2 sub g Ow worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=fb3781c3-6583-472e-8cc2-1d00fafa26ef