CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-062 22 Bijlage 6 bij Regels - Vergunning(-en) m.b.t. mestscheiding (geanonimiseerd)

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan De Horsten (2025-062)21.263 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

gemeente

Peel en Maas

Besluit van Burgemeester en Wethouders gemeente Peel en Maas

Omgevingsvergunning

1° fase

Adres

H.M.M., Rutten Holding BV, De Horsten Kenmerk

Z-HZ_WABO-2019-03786

17 en 20 te Egchel

van de

INHOUDSOPGAVE 1.

OMGEVINGSVERGUNNING:

HET

BESLUIT

Aanvraag.

Ontwerpbesluit

Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

Fasering . Zienswijzen 2.

OMGEVINGSVERGUNNIN:

DE

PROCEDURE

Bevoegd gezag Ontvankelijkheid en procedurs Activiteitenbesluit.

Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Richtlijn

2

3.

OVERWEGINGEN

3 4.

industriële

emissi

Wet natuurbescherming

OVERWEGINGEN

HANDELINGEN Overwegingen..

(Wnb)

IN STRIJD

.

MET RUIMTELIJKE

ORDENING.

MILIEU

Algemeen Activiteitenbesluit.

Toetsing aan milieucriteria aangaande agrarische bedrijven Geur. Ammoniak. Luchtkwalitei

(Volks)gezondheid Mestverwerking

.

Toetsing aan overige aan WABO

verbonden milieucriteria

Afvalstoffen Afvalwate

(Externe)

veiligheid .

Geluid

Energie Toetsing aan overige richtlijnen, BIJLAGE

regels en wetten .

VOORSCHRIFTEN

1894/2020/2202374

datum besluit: 14 mei 2020

2

OMGEVINGSVERGUNNING:

HET

BESLUIT

Aanvraag

Burgemeester en wethouders hebben op 18 oktober 2019 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen voor het uitbreiden van de varkenshouderij, fase 1 aan De Horsten

17 en 20 te Egchel.

De

aanvraag

om

omgevingsvergunning

omvat

de

navolgende

algemene

bepalingen

activiteiten:

e

planologisch strijdig gebruik (artikel omgevingsrecht). Zie hoofdstuk 3

2.1

lid

1

onder

c Wet

e _ oprichten/veranderen/in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1 lid 1 onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Zie hoofdstuk 4 omvat de volgende gegevens:

- naam en adres:

Rutten Holding ev, (geanonimiseerd)

H

(geanonimiseerd)

- adres/locatie inrichting:

- kadastrale aanduiding

inrichting:

_

De Horsten

17 en 20 te Egchel

Gemeente

Helden,

deel

van

- soort bedrijf/activiteiten:

Varkenshouderij

- registratiekenmerk

4578801

OLO:

- gemeentelijk zaaknummer: - datum ontvangst aanvraag: De

initiatiefnemer

faseren,

heeft

er

sectie

H,

nummers

255,

256

en

project

te

3.124

1894/2019/2115017 18 oktober 2019 op

grond

van

artikel

2.5

Wabo

voor

gekozen

het

De nu aangevraagde activiteiten betreffen de 1° fase van het gehele project.

Besluit

Gelet op artikel 2.14 Wabo verlenen wij de aangevraagde omgevingsvergunning 1° fase. Onze procedurele en inhoudelijke overwegingen hebben wij verderop toegelicht. De volgende onderdelen

maken

deel uit van deze vergunning:

1.

Voorschriften

2.

MER-beoordelingsbesluit met de daartoe behorende ingediend 22 oktober 2019 (1894/2019/2115956);

3.

Brief

ontvangstbewijs

2018-206531, laatst (1894/2019/2115959);

4. S. 6.

7. 8. 9.

ingediende gewijzigd

aanvraag 30

Wet

oktober

bijlagen

van

natuurbescherming,

2018,

ingediend

18

26

juli

2019,

zaaknummer oktober

2019

Aanvraagformulier OLO kenmerk 4578801, ingediend 18 oktober 2019 (1894/2019/2202373); Toelichting milieuaspecten, laatst gewijzigd 16 december 2019, ingediend 20 december 2019 (1894/2019/2202372); Rapport Ruimtelijke onderbouwing, opgesteld door Van Dun

advies, laatst ge\

igd 10

februari 2020 (1894/2020/2211869); Notitie toelichting aanvullingen, kenmerk FA/16420-BA, laatst gewijzigd 11 december 2018, ingediend 20 december 2019 (1894/2019/2202363); Situatietekening, projectnummer 16420-BA008, laatst gewijzigd 13 december 2019, ingediend. 20 december 2019 (1894/2019/2202369); Plattegrond

biggenstal,

projectnummer

16420-BA008,

laatst gewijzigd

13

december

2019, ingediend 20 december 2019 (1894/2019/2202371); 10. Detailtekening lw biggenstal, projectnummer 16420-BA008, laatst gewijzigd 13 december 2019, ingediend 20 december 2019 (1894/2019/2202370); 11. Plattegrond zeugenstal, projectnummer 18307-AA003, laatst gewijzigd 13 december 2019, ingediend 20 december 2019 (1894/2019/2202368); 12. Detail zeugenstal,

projectnummer

18307-AA003,

laatst gewijzigd

13 december

2019,

ingediend 20 december 2019 (1894/2019/2202367); 13. Systeembeschrijving luchtwasser ontvangst d.d. 18 oktober 2019 (1894/2019/2115952); 14. Rapport akoestisch onderzoek, opgesteld door Sain milieuadvies, projectnummer 20193111-0, laatst gewijzigd 16 oktober 2019, ingediend 18 oktober 2019 (1894/2019/2115953);

1894/2020/2202374

datum besluit: 14 mei 2020

3

15.

Rapport dimensioneringsplan 5987NK.4, laatst gewijzigd (1894/2019/2115955);

biggenstal opgesteld 21 december 2018,

door Devrie, ingediend 18

projectnummer oktober 2019

16.

Rapport dimensioneringsplan 5987NK.4, laatst gewijzigd

zeugenstal opgesteld 11 november 2018,

door Devrie, ingediend 18

projectnummer oktober 2019

17. 18.

19. 20. 21. 22.

23.

(1894/2019/2115958); Rapport geurberekening, laatst gewijzigd 24 mei 2019 2019 (1894/2019/2115962);

12:06:23, ingediend

18 oktober

Rapport fijnstofberekening, laatst gewijzigd 12 juni 2019 13:57:49, ingediend 18 oktober 2019 (1894/2019/2115957); Energiechecklist ontvangst d.d. 20 december 2019 (1894/2019/2202365); Checklist water ontvangst d.d. 20 december 2019 (1894/2019/2202364); AERIUS-berekening ontvangst d.d. 30 januari 2020 (1894/2020/2202362); Landschapsplan, projectnummer 16420-BA010/18307-AA005, laatst gewijzigd

december 2019, ingediend 20 december 2019 (1894/2019/2202366); Onderhoudsplan Landschappelijke Inpassing, kenmerk FA/18420.BA010/418502, gewijzigd 15 januari 2020, ingediend 30 januari 2020 (1894/2020/2202361);

17

laatst

24.

QuickScan flora en fauna, laatst gewijzigd 10 oktober 2019, ingediend (1894/2019/2115966);

25.

Toelichting dialoog, kenmerk FA/16420.BA009/418284, laatst gewijzigd 14 januari 2020, ingediend 30 januarí 2020 (1894/2020/2202360); Reactie provincie Limburg, laatst gewijzigd 30 januari 2020, ambtelijk toegevoegd 3 februari 2020 (1894/2020/2202359);

26. 27.

Brochure:

18 oktober 2019

Rechtsmiddelen (bezwaar en beroep) tegen beslissing overheid;

Fasering De aanvraag

bestaat

aangevraagd.

Om

uit

gebruik

twee

fasen,

te kunnen

waarbij

maken

van

met

deze

de

vergunning

aanvraag

goedgekeurd. Als de 2% fase niet binnen 2 jaar is aangevraagd, 14 fase worden ingetrokken.

de

moeten

1

fase

beide

wordt

fasen

zijn

kan de vergunning voor de

Zienswijzen

De ontwerpbeschikking heeft gedurende hebben wij geen zienswijzen ontvangen.

6 weken

ter inzage gelegen.

Binnen

deze termijn

Namens de burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

(geanonimiseerd) Coördinator Integrale Vergunningen * Di besluitis in een geautomaiseerd systeem opgemaakt en digitaal geaccordeerd door de bevoegde functionaris,

hierdoor staat er geen persoonlijke handtekening onder dt besluit

1894/2020/2202374

datum besluit: 14 mei 2020

4

2

OMGEVINGSVERGUNNING:

24

Bevoegd

Gelet

op

aangevraagd

(Bor)

en bijlage

is,

I van

nemen

op de aanvraag.

22

Ontvankelijkheid en procedure

_

PROCEDURE

gezag

hetgeen

omgevingsrecht

DE

het

bepaalde

in

hoofdstuk

het Bor zijn wij in dit geval

3

bevoegd

van

het

een

beslissing te

Besluit

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze aan de hand van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) getoetst op ontvankelijkheid. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. Desgevraagd hebben wij aanvullende gegevens ontvangen. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag inclusief de aangevulde gegevens ontvankelijk is. Conform artikel 3.10 lid 1 onder c Wabo vindt de behandeling van de aanvraag plaats volgens paragraaf 3.3 Wabo in combinatie met afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betreft de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

23

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht vanwege het onderdeel milieu voor de meeste inrichtingen opgeheven. Alleen inrichtingen waartoe een IPPC-installatie (Integrated Pollution Prevention and Control) behoort

en

inrichtingen

die

zijn

aangewezen

als

vergunningplichtig

in

bijlage

op

grond

van

de

inrichting

waartoe

een

IPPC-

Besluit omgevingsrecht (Bor) blijven vergunningplichtig inrichtingen worden aangemerkt ais type C-inrichtingen. De

vergunningaanvraag

heeft

betrekking

op

een

I van

Wabo.

het

Deze

installatie

behoort De inrichting wordt dan ook aangemerkt als een type C inrichting. De inrichting is daarmee vergunningplichtig met dien verstande dat een aantal voorschriften uit het Activiteitenbesluit rechtstreeks, dus zonder dat deze in deze vergunning expliciet zijn opgenomen, mogelijk van toepassing zijn. Voor zover dit het geval is, is dit elders in deze beschikking

Op grond inrichting

(onder & 3.3 bij overwegingen

milieu) aangegeven.

van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit dient de oprichting en wijziging van de te worden gemeld. De informatie uit de aanvraag hebben wij aangemerkt als de

melding.

24

_

Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.)

Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) behandelt het milieueffectrapport (MER). De Wm maakt onderscheid tussen activiteiten waarbij het opstellen van een MER verplicht is (m.e.r. plicht) en activiteiten waarbij het bevoegd gezag moet beoordelen of een MER nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht).

Het

gaat

bij

veehouderijen

volgens

het

Besluit

milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) dan om activiteiten in de vorm van het oprichten, igen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. ligt in de vorm van een drempelwaarde per diercategorie vast wanneer

voor

een

initiatief

beoordelingsplicht (onderdeel dan de volgende situatie:

Diercategorie

de

m.e.r.-plicht

D van

de

(onderdeel

bijlage)

geldt.

C

van

Bij de

de

bijlage)

voorliggende

of de

aanvraag

blijkt

drempelwaarde | drempelwaarde | gevraagde onderdeel C onderdeel D oprichting/ wijziging/

zeugen (D.1.2, D.1.3 en D.3) gespeende biggen (D.1.1)

m.e.r.

| > 900 dieren geen

> 750 dieren >3.750 dieren

uitbreiding

897 dieren | 6720 dieren

De aanvraag resulteert in een overschrijding van de drempelwaarde van onderdeel D en een onderschrijding van de drempelwaarde van onderdeel C. Er geldt dus een m.e.r.-

1894/2020/2202374

datum besluit: 14 mei 2020

5

beoordelingsplicht. Als startpunt heeft de initiatiefnemer daarom een mededeling als bedoeld in artikel 7.16 Wm ingediend. Na een inhoudelijke beoordeling van de mededeling hebben wij op 26 juli 2019 besloten dat de aangevraagde activiteiten geen aanleiding geven een MER te laten opstellen. De m.e.r.-beoordelingsplicht staat behandeling van de voorliggende aanvraag

niet

meer

in

de

weg.

Voor

meer

informatie

verwijzen

richtlijn

industriële

(richtlijn

2010/75/EU,

wij

naar

de

bijlagen

(RIE)

in de

Nederlandse

behorende bij dit besluit. 25

_

Vanaf

Richtlijn industriële emissies

1 januari

2013

milieuwetgeving

is de

Europese

geïmplementeerd

emissies PbEÙU

L334).

De

RIE

geeft

milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn horende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. Binnen de

inrichting

waar

deze

beschikking

betrekking

op

heeft,

meer

dan

bevinden

zich

één

of meer

IPPC-

installaties. Het gaat hier om: Intensieve

pluimvee-

of varkenshouderij

met

750

plaatsen

voor zeugen

(categorie

6.6c) In het belang van het bereiken van een hoog aan

de vergunning

voorschriften worden

niveau van bescherming

verbonden,

die nodig

van het milieu moeten

zijn om

de

nadelige gevolgen

die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk — bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende

beste beschikbare technieken

(BBT) worden

toegepast.

Bij het bepalen van wat BBT voor een IPPC-installatie, moeten wij rekening houden met Europese referentiedocumenten (BREF-documenten). Deze documenten geven een overzicht van de beschikbare milieutechnieken en wijzen de technieken aan die de beste milieuprestaties

leveren

en

daarnaast

economisch

en

technisch

haalbaar

zijn.

Deze

aanwijzingen worden BBT-conclusies genoemd. De procedure tot vaststelling en bekendmaking van BBT-conclusies vindt op Europees niveau plaats. Deze BBT-conclusies worden via internet bekend gemaakt, totdat deze zijn vervangen door

actuele

conclusies.

Voor

de

nieuwe

BBT-conclusies

zorgt

de

Europese

Commissie

zelf

voor publicatie op internet. Er

moet

worden

relevante

voldaan

aan

de

BBT-conclusies

voor

de

hoofdactiviteit

en

aan

andere

BBT-conclusies.

Op grond van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBTconclusies

bij vergunningverlening,

is gebleken

dat het bevoegd

gezag

bij het toetsten

aan

BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT, die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Op 15 februari 2017 zijn door de Commissie de meest actuele BBT-conclusies voor de intensieve pluimveeen varkenshouderij

vastgesteld.

Bij het nemen

deze

van

beschikking

hebben

wij rekening

gehouden

met

de volgende

BBT-

relevante

BBT-

conclusies:

'Categorie in bijlage 1 RIE 6.6c

Intensieve

varkenshouderij

pluimveemet

dan 750 plaatsen zeugen

BBT-conclusies hoofdactiviteit

of | BBT-conclusies

meer | Intensieve

Andere

_voor pluimvee-

varkenshouderij

conclusies / BREF's de | BREF open _ overslag _ en | bulkgoederen

(BREF

ESB)

BREF Energie-efficiëntie

Naast

de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Mor aangewezen informatiedocumenten over beste beschikbare technieken: « Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), maart 2012;

* _ Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak * Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag september 2016;

en veehouderij, juni 2007; van verpakte gevaarlijke stoffen,

Voor een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken, verwijzen wij naar de afzonderlijke toetsing aan de relevante milieucompartimenten.

1894/2020/2202374

datum besluit: 14 mei 2020

BBT-conclusies

De

voor intensieve

BBT-condlusies

voor

pluimvee-

intensieve

of varkenshouderij

pluimvee-

of

varkenshouderij

bevatten

de

volgende

aspecten:

Milieubeheerssystemen Een milieubeheerssysteem heeft tot doel om de algehele milieuprestaties van de veehouderij te verbeteren. Het gaat dan onder meer om het opstellen van een milieubeleid, de planning, vaststelling

en uitvoering van

procedures

en het controleren

van de prestaties en het nemen

van corrigerende maatregelen. Dit aspect vertaalt zich in boekhouding, waarin onder meer water- en energieverbruik, hoeveelheid afval en meststoffen worden bijgehouden.

de zin van hoeveelheid

Hiervoor

zijn

gelden

de

registratievoorschriften

zoals

deze

een verplichte veevoer en de

opgenomen

in

het

Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en in deze vergunning. Met betrekking tot de meststoffen gaat het hier om de voorwaarden die zijn opgenomen in het mestbeleid. Goede bedrijfspraktijken Dit

aspect

vertaalt

zich

in

noodplannen,

voorlichting

en

opleiding

van

personeel

en

het

onderhouden van installaties. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en in deze vergunning. Daarnaast zijn hiervoor regels opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Dit geldt voor de voorlichting

en opleiding

van

personeel

en

het onderhoud

van

gereedschap,

machines

en

installaties (arbeidsmiddelen). Om veilig en gezond te kunnen werken dienen arbeidsmiddelen n goede staat te verkeren en op de juiste wijze te worden gebruikt. Voor spedifieke installaties zijn controlevoorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing

is) en deze vergunning.

Een ander onderdeel van een goede bedrijfspraktijk is het zodanig situeren van activiteiten om overlast naar de omgeving te beperken. Dit vindt zijn uitwerking in de verschillende toetsingskaders die in deze beoordeling zijn behandeld. Verder gaat het om het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd.

De regels voor het opslaan

Regeling dierlijke producten. Voedingsbeheer De uitstoot van mineralen

en afvoeren

van

In de omgevingsvergunning

dode

dieren

uit mest, waar dit aspect betrekking

in het mestbeleid en behoeft in de omgevingsvergunning

(kadavers)

staan

in de

is geen verdere toets nodig.

op heeft,

is geïmplementeerd

geen verdere toets.

Efficiënt gebruik van water / emissies uit afvalwater In de BBT-conclusies worden

een aantal

waterbesparende

maatregelen

beschreven.

Het gaat

hierbij om gebruik van hogedrukreinigers welke zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen, het ijken, controleren en onderhouden van drinkwaterinstaliatie en het bijhouden van het waterverbruik. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Verder wordt voor het waterverbruik en de besparende maatregelen verwezen

naar de toetsing zoals elders in de beoordeling

van de aanvraag

is opgenomen.

Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Besluit gebruik meststoffen. Efficiënt gebruik

van energie

In de BBT-conclusies worden enkele aspecten als isolatiewaarden in stallen, ventilatiewijzen en verlichting beschreven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van deze aanvraag is opgenomen.

Huisvestingssystemen

In de BBT-conclusies

zijn, voor wat betreft de diercategorieën

technieken zijn ontwikkeld, huisvestingssystemen criterium van BBT. De passende maatregelen

waarvoor voldoende

beschreven welke voldoen tegen verontreiniging zijn

bewezen aan voor

het de

vergunninghouder hierbij niet alleen op het gebruik van de stallen van toepassing, maar ook op de kosten, bouwwijze, ontwerp, onderhoud en ontmanteling ervan. Hierbij spelen de emissies van ammoniak, geur, stof en afvalwater zijn afwegingscriteria.

geluid

een

rol, maar

ook

het energieverbruik

en

het

In onderhavige situatie wordt bij de alle dieren emissiearme huisvesting- en stalsystemen toegepast. Uit de beoordeling hierna onder het kopje ‘Beste beschikbare technieken (BBT) en 1894/2020/2202374

datum besluit: 14 mei 2020

7

maximale ammoniakemissiewaarde’_ (opgenomen in $ 3.4.2 Ammoniak) en ‘Toetsing aan Besluit emissiearme huisvesting’ (opgenomen in $ 3.4.3 Luchtkwaliteit) blijkt dat de toegepaste emissiearme (huisvestings)systemen voldoen aan het criterium dat het toepassen

van de BBT vereist.

Opslag van varkens- en pluimveemest Voor de opslag van mest wordt onderscheid gemaakt in vaste en vloeibare mest (drijfmest). Voor de vloeibare mest geldt dat deze in een afgedekte opslag moet worden bewaard in de aanwezige

melstkelders.

Voor

de

vaste

mestopslagen

geldt

dat

deze

op

een

dichte

vloer

moet worden opgeslagen met afdekking dan wel percolaatopvang. Waar van toepassing gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit of deze vergunning.

Be-/verwerking van mest op de boerderij Het mestbe-/verwerken is geen verplichting vanuit de BBT-conclusies, maar wanneer deze op bedrijfsniveau worden toegepast kunnen hieraan eisen worden gesteld. Afhankelijk van de lokale omstandigheden en regelgeving kan mestscheiding als BBT worden beschouwd bij varkens.

Het uitrijden van varkens- en pluimveemest Zoals bij de voerstrategieën is aangegeven, heeft dit aspect betrekking op het mestbeleid behoeft in de omgevingsvergunning

geen

verdere

toets.

Het uitrijden van mest

en

is een

aspect

geluid)

wordt

dat buiten de inrichting plaatsvindt. Emissies

Voor

wat

betreft

de

emissies

(ammoniak,

geur,

zwevende

deeltjes

(stof)

en

hier volstaan met een verwijzing naar de volgende hoofdstukken waarin dit is beschouwd. BREF open overslag bulkgoederen (BREF ESB) De BREF ESB is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare

gassen

en

vaste

stoffen

bij

IPPC-installaties

onafhankelijk

van

de

sector

of

industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de |ucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is gericht op stof. In de categorie specifieke BREF's

(primaire BREF's)

zijn ook technieken

opgenomen

voor op-

en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. De specifieke maatregelen (de primaire BREF's) verdienen de voorkeur verdienen boven de generieke maatregelen uit de horizontale BREF's). Zo zijn in de (BREF IV) specifieke maatregelen opgenomen voor de opslag van dierlijke mest.

Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en de opslag van vloeistoffen en gassen in opslagtanks zijn voorwaarden gesteld in de PGS-richtlijnen. Deze zijn van toepassing op basis van de algemeen werkende regels in het Activiteitenbesluit of op basis van de voorschriften die in deze vergunning zijn gesteld. De technische en organisatorische maatregelen

uit de BREF ESB zijn verwerkt

in deze

Nederlandse

BBT-documenten.

De eisen aan emissies naar de lucht uit deze BREF zijn opgenomen Activiteitenbesluit. Deze regels hebben een rechtstreekse werking. Voor de aangevraagde

activiteiten en daarbij

behorende

voorzieningen

in afdeling

2.3 van

zijn, rekening

het

houden

met de in dit besluit opgenomen voorschriften, in overeenstemming met de in de BREF ESB genoemde best beschikbare technieken. De maatregelen staan in een redelijke verhouding tot de schaal van de installatie.,

BREF Energie-efficiëntie De BREF Energie-efficiency is van toepassing is op alle RIE-inrichtingen, behalve degenen

die

vallen onder het systeem van Emissiehandel. Deze BREF bevat derhalve richtsnoeren en conclusies inzake technieken voor energie-efficiëntie die voor alle onder de RIE vallende

installaties in het algemeen als BAT-compatibel worden beschouwd. Deze BREF: ° bevat geen specifieke informatie over processen en activiteiten in sectoren «

die

onder

andere BREF-documenten vallen; stelt geen sectorspecifieke BBT vast.

Proces-specifieke BAT energieverbruiksniveaus 1894/2020/2202374

voor worden

in

energie-efficiëntie en daarmee _ samenhangende de desbetreffende verticale sectorspecifieke BREFdatum besluit: 14 mei 2020

8

documenten gegeven. Voor het energieverbruik en de besparende maatregelen wordt verder verwezen naar de toetsing zoals elders in de beoordeling van de aanvraag is opgenomen. Hieruit volgt dat de aangevraagde en vergunde activiteiten met de in dit besluit opgenomen voorschriften n overeenstemming zijn met de BREF Energie-efficiëntie.

26

Wet natuurbescherming

(Wnb)

De plannen van de aanvrager kunnen nadelige gevolgen hebben voor vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming (Wnb).

natuurgebieden

Voorafgaand

natuurbescherming

aan

de

omgevingsvergunning

is

een

aanvraag

om

Wet

die

aangevraagd. De aanvraag is op 10 oktober 2018 bij de provincie Limburg ingediend. Op 30 oktober 2018 is daartoe een ontvangstbevestiging ontvangen. Er vindt daarom geen coördinatie plaats tussen beide vergunningstelsels. Dit betekent dat beide aanvragen apart van elkaar door de bevoegde gezagen worden behandeld en de Wnb-vergunning in dit geval niet aanhaakt bij de Wabo. niet van toepassing.

1894/2020/2202374

Het vragen

van

een

verklaring

van

datum besluit: 14 mei 2020

geen

bedenkingen

is dan

ook

9

3.

OVERWEGINGEN

34

HANDELINGEN

IN

STRIJD

MET

RUIMTELIJKE

ORDENING

Overwegingen

Bij het nemen van het besluit hebben wij overwogen dat: .

De Horsten 17 en 20, kadastraal bekend als Gemeente Helden, sectie H, nummers 255, 256 en deel van 3.124 is gelegen in de bestemmingsplannen Buitengebied

Helden, zoals dat op 16 september 1991 is vastgesteld en bestemmingsplan Ariba, zoals dat op 9 januari 2006 is vastgesteld. Daarnaast geldt specifiek voor de reeds gerealiseerde biggenstal een op 21 september 2012 verleende omgevingsvergunning voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening'. Voor de mestverwerkingslocatie is op 20 februari 2019 een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ verleend voor een periode

«

van 10 jaar (tot 20 februari 2029); Binnen de vigerende bestemmingsplannen dan wel de verleende omgevingsvergunning is de beoogde uitbreiding van de varkenshouderij niet mogelijk. In beide plannen zijn geen afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Daarnaast wordt beoogd om de tijdelijke vergunning voor de mestverwerking om te zetten naar permanent;

. _ met toepassing van deze buitenplanse afwijkingsbevoegdheid en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo is het vergunnen van deze aanvraag mogelijk; e uit de beoordeling van het plan volgt dat er geen nadelige gevolgen ontstaat voor de fysieke leefomgeving. Voor de specífieke onderbouwing verwijzen wij u naar de ruimtelijke onderbouwing, opgesteld 2020 en ingediend 6 februari 2020.

e

door Van Dun advies, laatst gewijzigd 15 januari Uit deze toelichting volgt dat die voldoet aan de

eisen die artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht en de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid van het Besluit ruimtelijke ordening daaraan stellen; gezien bovenstaande overwegingen er geen bezwaren bestaan tegen het realiseren van een varkenshouderij met mestverwerking van de mest, die afkomstig is van de eigen locaties aan de Horsten 17 en 20, kadastraal bekend gemeente Helden, sectie H, nummers 255, 256 en 3.124.

Landschappelijke inpassing Voor

het realiseren

van

het voorgenomen

plan

is een

landschappelijke

inpassing

opgesteld

en maakt onderdeel uit van dit plan. U bent verplicht deze landschappelijke inpassing uit te voeren. Dit kunt u gelijktijdig met de bouwwerkzaamheden doen. De inpassing moet uiterlijk gerealiseerd zijn in de eerstvolgende plantperiode nadat “het bouwwerk” is opgeleverd. De plantperiode loopt van 1 november tot en met 1 maart. Na

realisatie

bent

u

verplicht

de

landschappelijke

inpassing

te

beheren

en

in

stand

te

houden. Zoals ook opgenomen in het Landschapsplan, projectnummer 16420-BA010/18307AA00S, laatst gewijzigd 17 december 2019, ingediend 20 december 2019 en het Onderhoudsplan landschappelijke inpassing, kenmerk FA/16420.BA010/418502, laatst gewijzigd

15 januari

2020,

1894/2020/2202374

ingediend

30 januari 2020.

datum besluit:

14 mei 2020

10

OVERWEGINGEN

44

MILIEU

Algemeen

Algemeen De

aanvraag

heeft

betrekking

op

het

oprichten

en

veranderen

van

de

werking

van

een

inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 aanhef en onder e en artike! 2.6, lid 1 van de Wabo. De Wabo legt in artikel 2.14 het milieu hygiënische toetsingskader van de aanvraag vast. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden Wij

beperken

ons

in

het

navolgende

daadwerkelijk op onze beslissing van

Huidige vergunningsituatie Slechts voor één van de vergunning

verleend.

Dit

twee

tot

locaties

betreft

die

onderdelen

van

het

de

waar

Horsten

dieren

20.

Voor

worden deze

gehouden

inrichting

2012 een omgevingsvergunning

verleend voor een varkenshouderij.

Naast

is voor

het

houden

van

sectie H, nummer

dieren

12 x per jaar draait.

In

1a

is

het

aantal

locatie

kadastraal

ook

bekend

is op

is

eerder

een

21

september

als gemeente

verleend voor het plaatsen van

dieren,

de

ammoniak-,

geur-

waarvoor vergunning is verleend en wat rechtsgeldig dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Tabel 1a: Huidige

die

Helden, mestsilo's

en dunne fractie voor een periode van 10 jaar. Binnen deze plaats middels een mobiele mestscheidingsinstallatie, die

maximaal tabel

de

3.124 een omgevingsvergunning

voor de opslag van drijfmest locatie vindt mestscheiding

toetsingskader

invloed zijn.

en

is.

fijn

Het

stofemissie

maximale

weergegeven

aantal

te houden

vergunde situatie

Ammoniakemissie” emissie-

Diercategorie

1

|Gespeende biggen

| systeem

dieren |

[D1.1.15.4

(kg/jaar)

6240

|

(kg/iaar)

0.10

Geuremissie® emissie-

factor | ammoniak Huisvestings- | Aantal | Ammoniak emissie stal

|

Totale

_| Fijn stofemissie?

Totale

emissie

factor geur

|

geur | factor | fijn stofemissie | fijn stof | emissie

|

(OUe/s)

|

(OU:/s)

624,0

4,3|

|

(gr/ir)

| (kg/iaan)

15

93,6

26.832,0

Totaal

a) Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 17 december 2019

b) Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 19 juli 2018 c Uitgaande van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op wwwrijksoverheid.nl d.d. 1 oktober 2019. 1. Gecombineerde

uchtwassysteem

85% ammoniakemissiereductie,

45%

geuremissiereductie en 80%

fijn stofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser

Aangevraagde

situ:

De aanvraag ziet op

het uitbreiden van de inrichting aan de Horsten

20 en het oprichten van

een

aan

om

zeugenhouderij

de

Horsten

17.

Daarnaast

wordt

verzocht

de

locatie

voor

het

verwerken van de drijfmest om te zetten naar een permanente mestverwerkingslocatie voor het verwerken van de drijfmest afkomstig van de locatie aan de Horsten 17, 20 en Jacobusstraat 42. Binnen deze locaties wordt in totaal ca. 15.078 m3 mest geproduceerd. Bij de aanvraag is rekening gehouden met een voorgenomen uitbreiding op termijn op één van de locaties. De aanvraag voorziet om die reden in een verwerkingscapaciteit van 20.000 m3 drijfmest. Het

aantal

dieren

waarvoor

vergunning

stofemissie zijn n tabel 1b weergegeven. het aantal dierplaatsen.

1894/2020/2202374

wordt

gevraagd

en

de

ammoniak-,

geur-

en

fijn

Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan

datum besluit:

14 mei 2020

Totale

|

11

Tabel 1b: Aangevraagde

situatie

Ammoniakemissie emissie-

huisvestingss | Aantal| Stal | Diercategorie

| ysteem

|DLLI54 | 6240 D11.15.4 689

1

[Kraamzeugen

[D1.2.17.4

1

|Gusteen

|013124

dragende

Geuremissie® emissie-

_|_

Fijn stofemissie?

Totale

emissie

Totale

factor | ammoniak | Ammoniak | emissie |

facter geur

| |

geur emissie

| factor | fijn stof| fijn stof |_ emissie

(kg/jaar)

(OUe/s)

|

(OUs/s)

|

dieren|

t ende t ÊÊÉ‘Î:”“

|

Totale

|

(kg/jaar)

|

(ar/ir)

|

(kg/jaar)

0,10 0,10

624,0 68,9

43| 26.8320| 43| 29630]

15,0 15,0

93,6 10,3

212

3

275,6

15,3|

3.244,0|

320

6,8

635

0,63

400,1

10,3|

6.540,5)|

350

222

zeugen

1 1

[Dekberen _ |[Opfokzeugen

[D2.4.4 [D3.2.15.4

2 50

0,83 0,45

17 22,5

10,3 12,7|

20,6| 635,0|

_36,0 310

0,1 1,6

2

|Gespeende biggen

|D1.1.15.4

6.720

0,10

672,0

4,3|

28.896,0|

_ 15,0

100,8

Totaal

2.064,7

69.130,4

235,4

2) Uitgaande van de Regeling ammoniak en veehouderij gepubliceerd d.d. 17 december 2019 b) Uitgaande van de Regeling geurhinder en veehouderij gepubliceerd d.d. 19 juli 2018 ©} Uitgaande van de emissiefactoren fijn stof voor de veehouderij zoals deze zijn gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl d.d. 1 oktober 2019

1. Gecombineerde luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie,

45% geuremissiereductie en 80%

fijn stofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser

42

Activiteitenbesluit

Binnen

de inrichting

de

bijbehorende

hoofdzaak,

om

vindt een

ministeriële

aantal

activiteiten

regeling

direct

de onderstaande

plaats waarvoor

werkende

activiteiten, welke

regels

in hoofdstuk

het Activiteitenbesluit en stelt.

3 van

Het

gaat

hier,

in

het Activiteitenbesluit

zijn opgenomen. * +

In werking Uitwendig

hebben van een stookinstallatie wassen van motorvoertuigen

of

werktuigen

waarmee

geen

gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast Opslaan en overslaan van stuifgevoelige goederen of zeven van grond Opslaan van vloeibare bijvoedermiddelen Het houden van landbouwhuisdieren bij een type C bedrijf

Houden van landbouwhuisdieren in een huisvestingssysteem luchtwassysteem Daarnaast geldt een aantal algemene milieuregels:

dat is voorzien van een

=

Algemene

= =

Algemene milieuregels voor emissies naar de lucht voor type C inrichtingen Algemene milieuregels voor emissies van zeer zorgwekkende stoffen voor inrichtingen

=

Algemene

+

Algemene milieuregels voor bodembedreigende activiteiten

Wij

merken

uit

het

milieuregels voor lozen

type

C

milieuregels voor geuremissies voor type C inrichtingen

op dat deze

Activiteitenbesluit

activiteiten en

de

moeten

daarop

plaatsvinden

gebaseerde

overeenkomstig

ministeriële

de voorschriften

regeling.

Vanwege

de

rechtstreekse werking van dit besluit en de bijbehorende ministeriële regeling kunnen in deze vergunning geen voorschriften worden opgenomen die betrekking hebben op de daarin geregelde activiteiten en aspecten, tenzij dit besluit of bijbehorende regeling de mogelijkheid biedt

tot

het

stellen

maatwerkvoorschriften

Dit betekent

dat

de

ministeriele regeling toepassing zijn.

van

maatwerkvoorschriften.

Wij

zien

geen

aanleiding

om

te stellen.

betreffende

paragrafen

geraadpleegd

1894/2020/2202374

moeten

uit het Activiteitenbesluit worden

datum besluit:

om

te

14 mei 2020

zien

welke

en

de regels

bijbehorende hierop

van

12

Op de activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is, zijn ook afdeling 2.1 “Zorgplicht”, afdeling 2.2 “Lozingen” en afdeling 2.3 “Lucht” van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. Op

alle activiteiten die verricht worden

het Activiteitenbesluit rechtstreeks

binnen

de

inrichting

van toepassing,

met

is ook afdeling

2.4 “Bodem"

van

uitzondering van artikel 2.11, eerste

lid.

In deze vergunning zijn met betrekking tot de zorgplicht, lozingen, lucht en bodem activiteiten

geen

(aanvullende)

voorschriften

gesteld.

afdelingen uit het Activiteitenbesluit geraadpleegd hierop van toepassing zijn. Ook

is hoofdstuk

6 “Overgangs-

Dit

moeten

en slotbepalingen” van

betekent

worden

om

dat

de

voor deze betreffende

te zien welke

regels

het Activiteitenbesluit rechtstreeks van

toepassing. 43

_

Toetsing aan milieucriteria aangaande agrarische bedrijven

4.3.1

Geur

Geur

dierenverblijven

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het exclusieve toetsingskader voor geurbelasting, als gevolg van de dierenverblijven, op gevoelige objecten. Artikel 3, lid 1 van de Wgv bevat geurnormen voor gevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom in een

concentratiegebied

(de

zuid). Voor de bebouwde ‚een norm

van

gemeente

kom

Peel

en

geldt een norm

Maas

van

is gelegen

3 OUe/m3

in

het

concentratiegebied

en voor het buitengebied

geldt

14 OU:/m3.

De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) schrijft voor dat de geurbelasting berekend moet worden met het model V-Stacks vergunning. In afwijking van deze systematiek bepaalt artikel

3, lid 2 van

de

Wgv

dat

voor een

gevoelig

object

dat deel

uitmaakt

van

een

andere

veehouderij, of sinds 19 maart 2000 geen deel meer uitmaakt van een andere veehouderij, een minimale afstand geldt. De afstand wordt gemeten vanaf het dichtst bij het gevoelig object gelegen emissiepunt en bedraagt 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten

de

bebouwde

kom

Op grond van artikel 6, lid 1 van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat andere normen van toepassing zijn dan de normen uit artikel 3, lid 1 van de Wgv. De gemeenteraad

van

Peel en Maas

heeft op

15

september

2015

de ‘Verordening

op grond

van

de Wet geurhinder en veehouderij voor Egchel en Giel Peetershof’ (hierna de verordening) vastgesteld, zoals bedoeld in dit artikel. De verordening is op 1 oktober 2015 in werking getreden.

Op grond

van de verordening

afwijkende

norm

is voor een aantal gebieden

Bij de aanvraag is een berekening gevoegd gewijzigd 24 mei 2019). Met behulp van berekening

nabij onderstaande

inrichting een

opgenomen.

gemaakt

van

geurgevoelige objecten.

de

van de geuremissie (rapport geurhinder, laatst het programma V-stacks vergunning, is een

geurbelasting

De uitkomsten

op

de

in

de

directe

hiervan zijn weergegeven

omgeving

gelegen

in de volgende tabel:

Tabel 2b: Geurbelasting geurgevoelige objecten [geurgevoelig object

Melkweg

[bebouwdel

(voormalig)

[

geurnorm

kom

onderdeel

|

(oue/m?)

11

[Melkweg 12 [Karissendijk 4 |Karissendijk 10 Rongvenweg

|

|geurbelasting[

voldoet aan

aanvraag

| afstandsnorm

nee

andere veehouderij nee

(oue/m?) 14,0

32

Ja

nee Nee nee

nee nee nee

14,0 5,5 14,0

3,4 1,6 12,7

Ja Ja Ja

nee

nee

5,5

2,7

Ja

16

Ja

nee

3,0

14

Ja

jacobusstraat 37 [Doorbrand 2

Ja nee

nee nee

3,0 10,0

14 2,3

Ja Ja

datum besluit:

14 mei 2020

jacobusstraat

8

|

1894/2020/2202374

13

Wij stellen vast dat de Wgv verlening van de aangevraagde

vergunning niet in de weg staat.

In aanvulling op het hiervoor behandelde toetsingskader volgt uit artikel 5, lid 1 van de Wgv een

norm

voor

de

afstand

van

de

buitenzijde

van

het

dichtstbijzijnde

dierenverblijf

tot de

buitenzijde van een gevoelig object. De minimale afstand is 25 meter als het gevoelig object buiten de bebouwde kom ligt en 50 meter als het gevoelig object binnen de bebouwde kom ligt. De afstandsnormen uit artikel 5, lid 1 van de Wgv wijken af van de andere afstandsnormen

uit

de

Wgv,

omdat

deze

uitgaan

van

de

afstand

van

het

dichtstbijzijnde

emissiepunt van de veehouderij tot de buitenzijde van een geurgevoelig opject. Artikel 5 lid 1 van de Wgv bevat dus een aanvullende afstandseis waaraan ook moet worden voldaan. Uit de aanvraag blijkt dat in de aangevraagde situatie voldaan wordt aan de hiervoor genoemde afstanden.

Artikel

5, lid 1 van

de Wgv

staat verlening

van de aangevraagde

vergunning

niet

mestscheider.

Als

in de weg. Geur mestopslag Voor de mestverwerkingslocatie gevolg

hiervan

ontstaat

wordt

er dikke

gebruik gemaakt

fractie.

Ter

plaatse

van

een

is een

mobiele

opslagcapaciteit

van

250

m3

aanwezig. Op deze opslag zijn de voorschriften, zoals vermeld in paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Voor de opslagen van drijfmest met een totale opslagcapaciteit van 1.627 m3 is paragraaf 3.4.6 van het Activiteitenbesluit van toepassing. Tijdens

het scheiden

van

mest

is er mogelijk

sprake van verhoogde

geuremissie.

Gelet op de

grote afstanden van woningen van derden ten opzichte van deze locatie en het feit dat er meerdere agrarische bedrijven in de omgeving aanwezig zijn, achten wij de extra geurvracht niet onaanvaardbaar. Om voornoemde redenen zijn wij van mening dat het opnemen van maatwerkvoorschriften

om

onaanvaardbare

geurhinder

naar de

omgeving

niet noodzakelijk

is.

4.3.2

_ Ammoniak

Algemeen

De ammoniakemissie + Wet ammoniak gebieden; .

Besluit

vanuit de veehouderij wordt beoordeeld op de volgende onderdelen: en veehouderij (Wav), ligging ten opzichte van zeer kwetsbare

emissiearme

huisvesting),

_

huisvesting

beste

voor

beschikbare

landbouwhuisdieren

_

technieken

_

(Besluit

(BBT)

emissiearme

_ en

_

maximale

ammoniakemissiewaarden;

+

technische

kenmerken

en

de

geografische

plaatselijke milieuomstandigheden

+

ligging

van

de

installatie

alsmede

de

veehouderij

de

(IPPC-omgevingstoets);

_ gevolgen van directe ammoniakschade aan gewassen.

Wet ammoniak en veehouderij (Wav) De Wav stelt regels voor de ammoniakemissie

uit

dierenverblijven.

de zeer kwetsbare

Onder

de Wav

worden

uitsluitend

de

tot

gebieden

behorende beschermd.

Gebieden zijn zeer kwetsbaar als zij voor verzuring gevoelig zijn en binnen de (door de provincie begrensde) ecologische hoofdstructuur (EHS) gelegen zijn. Van belang is tevens dat zij als zeer kwetsbaar door Provinciale staten zijn aangewezen. Provinciale staten van Limburg

hebben

op 18 april 2008

de zeer kwetsbare

gebieden

aangewezen.

De Wav bepaalt dat binnen een zone van 250 meter rond zeer kwetsbare gebieden geen oprichtingen van veehouderijen zijn toegestaan en dat uitbreidingen van het aantal dieren van één of meer diercategorieën uitsluitend toegestaan zijn, als het (gecorrigeerd) maximaal emissieplafond voor ammoniak wordt gerespecteerd. Het

meest

dichtbij

gelegen

zeer

kwetsbaar

gebied,

betreft

gebiedsnummer

362,

gelegen

nabij de Staldijk en Boerderijweg. Uitgaande van de aangevraagde situatie ligt dit gebied op ongeveer 2.940 meter van de dierenverblijven (De Horsten 20). Het bedrijf ligt niet in een

250 meter zone om een zeer beperking in de vorm van een

kwetsbaar gebied. Voor dit bedrijf geldt dan ook geen gecorrigeerd maximaal ammoniakemissieplafond. De Wav

staat verlening van de aangevraagde

vergunning

niet in de weg.

Beste

en

ammoniakemissiewaarde

beschikbare

technieken

(BBT)

maximale

Zoals in 8 2.5 aangegeven, hebben wij bij het nemen van rekening gehouden met de volgende documenten over BBT: 1894/2020/2202374

datum besluit:

14 mei 2020

deze

beschikking

onder

andere

14

-

BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij; de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij; de Oplegnotitie BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij.

De BREF gaat in op de volgende

De

activiteiten:

-

management van het bedrijf, bereiding van voer en voedingsstrategie, veeteelt,

-

verzamelen

meeste

verwerking van mest binnen de inrichting, uitrijden van mest en afvalwaterzuivering. aandacht gaat uit naar ammoniak, de voornaamste

omdat

deze

en opslaan

stof in grote

van

mest,

hoeveelheden

wordt

uitgestoten.

De

luchtverontreinigende

BREF

geeft

stof,

de technieken

die

in het algemeen op Europees niveau tot de beste beschikbare technieken worden gerekend. Nederland heeft ervoor gekozen om vanwege de ernst van de ammoniakproblematiek voor huisvestingssystemen de voorschriften ten aanzien van de emissie van ammoniak vast te stellen

in een

algemene

maatregel

van

bestuur en niet in de vergunningsvoorwaarden.

Op

1

juli 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Het Besluit emissiearme huisvesting stelt voor de huisvesting van verschillende diercategorieën maximale emissiewaarden voor fijn stof - en ammoniakemissie per dierplaats en geeft aan wanneer

hieraan uiterlijk moet

zijn voldaan.

Toetsing

van de aanvraag

het Besluit emissiearme

aan

huisvesting

levert de volgende

tabel

op:

Tabel 3a: Aangevraagde

huisvestingssysteem en maximale emissiewaarde

Stal | diercategorie nr

emissiewaarde [ Stal Rav (kg)* - nieuw - bouwvergunning verleend

maximale voldoet aan emissiewaarde | Besluit | (kg) emissiearme huisvesting

- bestaand

1 2 1 1 1

| | | _ [ |

1

|

Gespeende biggen Gespeende biggen Gespeende biggen Kraamzeugen G/D Zeugen

| 0.10 | 0.10 | 0.10 13 0.63

Dekberen

1 __ | Opfokzeugen * De emissiewaarden

Bestaand Nieuw Nieuw Nieuw Nieuw

0.21 0.21 0.21 2.5 1.6

Ja Ja Ja Ja Ja

0.83

nieuw

0.83

Ja

0.45

Nieuw

11

van diverse (sub)typen

stalsystemen

Ja

zijn opgenomen

in de Regeling

ammoniak en veehouderij (Rav). Alle aangevraagde Hiermee

wordt

stalsystemen

voldaan

aan

voldoen

individueel

aan

het Besluit emissiearme

huisvesting.

BBT.

Het Besluit emissiearme huisvesting bevat, zoals de tabel laat zien, geen emissiewaarde voor de diercategorie dekberen. In artikel 1, lid 3 van de Wav is echter bepaald dat voor dieren waarvoor geen maximale emissiewaarde is vastgesteld, de waarde die het aangevraagde systeem

heeft

als

maximale

emissiewaarde

geldt.

De

Afdeling

bestuursrechtspraak

van

de

Raad van State heeft beslist dat als het Besluit emissiearme huisvesting geen maximale emissiewaarde bevat, vooralsnog elk huisvestingssysteem voldoet als BBT (zie bijvoorbeeld uitspraak van 12 januari 2011, zaak 201003937/1/M2). Op grond van artikel 1, lid 3 van de Wav

en

deze

rechtspraak

concluderen

wij

dat

de

aanvraag

aanvullende

toets

op

voldoet

aan

het

Besluit

emissiearme huisvesting. 1PPC

De

Wav

legt

in

artikel

3,

lid

3

een

bij

IPPC-installaties.

Deze

toets

betekent dat een vergunning moet worden geweigerd als niet kan worden voldaan aan voorschriften, welke nodig zijn vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of de plaatselijke milieuomstandigheden, maar niet met toepassing van de in aanmerking

komende

BBT kunnen

1894/2020/2202374

worden gerealiseerd.

datum besluit:

14 mei 2020

15

Beleidslijn

IPPC-omgevingstoetsing

ammoniak

en veehouderij

(Beleidslijn)

De Wav en de RIE schrijven niet voor op welke wijze rekening moet worden gehouden met de technische kenmerken en geografische ligging van de veehouderij. Ook ontbreekt een omschrijving van wat onder plaatselijke milieuomstandigheden moet worden begrepen. Om deze

leegte

te

vullen

heeft

het

ministerie

van

VROM

in

2007

de

Beleidslijn

IPPC-

omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij (Beleidslijn) vastgesteld. Met behulp van de Beleidslijn kunnen wij bepalen of en in hoeverre strengere emissie-eisen nodig zijn vanwege de technische kenmerken, geografische ligging of plaatselijke milieuomstandigheden. Deze emissie-eisen

worden

in de

Beleidslijn

aangemerkt

als “strenger

dan

BBT

(BBT+)"

en

“veel

strenger dan BBT (BBT++)", De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgesproken dat de beleidslijn niet in strijd is met de IPPC-richtlijn (zie bijvoorbeeld uitspraak van 18 maart 2009, zaak 200800463/1). Omdat de aangevraagde ammoniakemissie niet uitkomt boven 5.000 kg, kan volgens de Beleidslijn worden voistaan met toepassing van BBT. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voldoet een stalsysteem aan BBT als het voldoet aan de maximale emissiewaarde uit het Besluit emissiearme huisvesting. Directe ammoniakschade aan gewassen In de Wav is aangegeven dat deze wet niet geldt voor de gevolgen voor het milieu die worden veroorzaakt door directe opname van ammoniak uit de lucht door planten en bomen. Vooral coniferen

en

fruitbomen

Planten” van het IMAG

worden. Om minimaal en

zijn

gevoelig

in Wageningen

schade te voorkómen

voor

ammoniakopname.

Het

rapport

uit 1981 schetst hoe deze gevolgen

Een

minimale

afstand

en

moeten

worden in het rapport minimaie afstanden aanbevolen van

50 meter tussen stallen en meer gevoelige planten en bomen

kasteelt).

“Stallucht

beoordeeld

van

25 meter

wordt

aanbevolen

(bijvoorbeeld coniferen

tussen

stallen en minder

gevoelige planten en bomen (bijvoorbeeld een fruitboomgaard). Volgens het rapport geldt er geen minimale afstand tussen stallen en akkerbouwgewassen en grasland. Binnen de hierboven

genoemde

Er is op dit onderdeel

geen

4.3.3

afstanden

zijn geen coniferen of tuinbouwgewassen

(onaanvaardbare)

directe ammoniakschade

aanwezig.

te verwachten.

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Wabo

en

Wet

milieubeheer

Op grond van de Wet milieubeheer gelden de bepalingen van artikel 5.2 en de daarbij behorende bijlage 2 van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen. Op grond van artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer houdt het bevoegd gezag bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot het verlenen van de omgevingsvergunning rekening met de in bijlage 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM:o en PM2,s), lood, koolmonoxide en benzeen en de richtwaarden voor ozon, nikkel, arseen, cadmium en benzo(a)pyreen. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 staat beschreven op welke plaatsen er getoetst moet worden. Het toepasbaarheidsbeginsel en blootstelling speelt hierbij een grote rol,

Volgens

het toepasbaarheidsbeginsel

hoeft

op

een

aantal

locaties

de

luchtkwaliteit

niet

vastgesteld te worden. Deze locaties betreffen terreinen van andere inrichtingen, wegen en plaatsen waar het publiek in de praktijk niet zal verblijven (zoals natuurgebieden met een hek erom, terreinen van het Ministerie van Defensie, akkers en spoorwegen). Voor de blootstellingstijd geldt dat deze significant moet zijn ten opzichte van een etmaal. Een plaats met significante blootstelling kan bijvoorbeeld een woning, school, winkel, loods of sportterrein zijn. Op plaatsen waar geen sprake is van significante blootstelling hoeft de luchtkwaliteit

Uit

de

niet

Regeling

beoordeeld

beoordeling

te worden.

luchtkwaliteit

2007

blijkt

dat

de

emissie

van

agrarische bedrijven met standaard rekenmethode 3 (SRM3) berekend moeten luchtkwaliteitsmodel ISL3a (welke voldoet aan SRM3) is specifiek bedoeld om

fijn

stof

bij

worden. Het de gevolgen

van (agrarische en industriële) puntbronnen op de luchtkwaliteit in de omgeving te bepalen. Fijn stof komt vooral vrij vanwege de emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit

de stallen. De beoordeling richt zich dan ook met name op de concentratie fijn stof afkomstig van

het

houden

van

dieren.

1894/2020/2202374

datum besluit:

14 mei 2020

18

Op 12 december 2018 is de gewijzigde Regeling beoordeling luchtkwaliteit (Rbl) gepubliceerd. Om te voorkomen dat nieuwe overschrijdingen van de grenswaarden voor zwevende deeltjes ontstaan, is in het tweede lid van artikel 73 voorgeschreven dat onder bepaalde omstandigheden een meer gedetailleerde cumulatieve berekening nodig is. Met de wijziging

is

het

vanaf

1 januari

2019

daarom

in

bepaalde

gevallen

verplicht

om

bij

de

toetsing van een oprichting of wijziging van een veehouderij ook omliggende veehouderijen in een straal van 500 meter in te voeren in het rekenprogramma ISL3a. Deze meer gedetailleerde cumulatieve berekening is alleen nodig bij veehouderijen die een aanvraag indienen met een totale fijnstof emissie van meer dan:

e e

500 kg/jaar als de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 ug/m?, of 800 kg/jaar ongeacht de achtergrondconcentratie.

Bij de beoordeling is gebleken dat de totale emissie in de aangevraagde situatie minder is dan 500 kg PM; /jaar. Een meer gedetailleerde cumulatieve berekening is daarom in dit geval

niet nodig.

Emissiefactoren fijn stof Op grond van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moet voor de berekening van concentraties van fijn stof gebruik worden gemaakt van de meest actuele emissiegegevens die zijn gepubliceerd (voor het laatst in oktober 2019) op de website van het Ministerie van Infrastructuur

en

Milieu.

Besluit emissiearme huisvesting)

huisvestingssystemen

In het Besluit emissiearme

huisvesting

voor

is bepaald

landbouwhuisdieren

(Besluit

emissiearme

dat in een dierenverblijf dat is opgericht op

of na 1 juli 2015 geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor voor zwevende deeltjes (PM:o) die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor zwevende deeltjes (PM‚0) die voor de desbetreffende diercategorie is opgenomen. Alleen

voor pluimvee

opgenomen

zijn

in het

voor zwevende

Besluit

emissiearme

huisvesting

maximale

emissiewaarden

deeltjes (PM10).

De gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de luchtkwaliteit Onderhavige inrichting betreft een veehouderij. Bij veehouderijen is in het kader van de genoemde luchtkwaliteitseisen met name de emissie van zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), ofwel fijn stofemissie van belang. Voor zwevende deeltjes (PM10) gelden de volgende grenswaarden: -

40 microgram

-

50 microgram per m3 (ug/m3 waarbij geldt dat deze maximaal

per m3

(u9/m3

} als jaargemiddelde concentratie;

)

als vierentwintig-uurgemiddelde vijfendertig maal per kalenderjaar

concentratie, mag worden

overschreden.

Voor zwevende deeltjes (PM2,5) gelden de volgende grenswaarden:

-

25 microgram per mó, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie.

Toetsing

(PM;0)

afkomstig

Bij de aanvraag

fijn

stof

is een

berekening

juni

2019)

de

deze

vergunning

van

emissie

wordt

van

van

dieren

gevoegd

zwevende

aangevraagd

(rapportage

deeltjes

Uit de berekening

deeltjes ter plaatse van relevante beoordelingspunten komt

en

dat er minder

dan

35

maal

luchtkwaliteit,

als gevolg

per jaar een

van

de

laatst gewijzigd activiteiten

blijkt dat de emissie

niet boven

overschrijding

van

zwevende

de 40 microgram is van

de

12

waarvoor

per m?

vierentwintig-

uurgemiddelde concentratie.

De bepalingen van de Wet milieubeheer voor de luchtkwaliteitseisen staan verlening van de aangevraagde vergunning niet in de weg. Toetsing

fijn stof (PM,s)

afkomstig

van

dieren

Voor zwevende deeltjes (PM,s) geldt met ingang van 1 januari 2015 een grenswaarde voor de bescherming van de gezondheid van de mens van 25 microgram per m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Er zijn al wel commerciële rekenprogramma's op de markt waarmee de verspreiding van PMzs berekend kan worden. Er zijn echter nog geen

emissiefactoren blootstelling te condensatie

voor PMz,s vastgesteld, dus het is op dit moment niet mogelijk om de bepalen. De fractie PM; bevat vooral de deeltjes die ontstaan door

van verbrandingsproducten

1894/2020/2202374

of door reactie van gasvormige

datum besluit:

14 mei 2020

luchtverontreiniging.

17

Ook stof dat, bijvoorbeeld in de vorm van roet en rook, rechtstreeks vrijkomt bij verbrandingsprocessen zoals bij transport, industrie en consumenten, bestaat vooral uit kleinere deeltjes. Stof dat vrijkomt bij mechanische bewegingen, zoals wegdekslijtage en stalemissies, betreft vooral deeltjes die groter zijn dan PM2,s. Veehouderijen vormen voor zover bekend

geen

belangrijke bron van

PM2,s emissies.

In de monitoringsrapportage Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL) 2014 zijn berekeningen uitgevoerd voor de fijnere fractie van fijn stof, PM2,. Daaruit blijkt dat er in 2015

geen

overschrijding

van

de jaarnorm

PM2s

geconstateerd

wordt.

Dit bleek

overigens

ook al uit de monitoringsrapportage NSL 2013. Volgens informatie van Infomil fractie onderdeel

is de PM;9 bepalender dan PM2,s. Het PM,s maakt als lichtere

uit van het PM;o.

De grenswaarden

voor PM;

liggen daarbij erg dicht bij die

van PM2s. Een overschrijding van de grenswaarde voor PM2 zal in de praktijk eerst optreden voor het toegestane aantal overschrijdingsdagen voor PM1o. Dit gebeurt doorgaans bij een jaargemiddelde PMo concentratie van rond de 32-33 microgram per m3. Nu de berekende jaargemiddelde PM;o concentratie in de aangevraagde situatie maximaal 18,60 microgram

per

m3

is, kan

gesteld

worden

dat

er geen

overschrijding

van

de

grenswaarde

van PM;,s plaats zal vinden. Toetsing Ook

fijn stof en stikstofdioxide afkomstig van verkeersbewegingen

verkeersbewegingen

zorgen

voor

emissies

van

fijn

stof

en

daarnaast

ook

voor

de

emissie van stikstofdioxide. De fijn stof emissie afkomstig van de verkeersbewegingen zijn, in vergelijking met de emissies afkomstig van dieren, echter zeer beperkt. Ook de emissie van stikstofoxide is zeer beperkt. Dit blijkt uit de berekening met de NIBM tool van Infomil. NIBM

staat

hierbij

voor

Niet In Betekenende

Mate.

Uit deze

emissie van fijn stof en stikstofdioxide afkomstig daarom als niet significant aan te merken is.

4.3.4 Als

van

berekening

is gebleken

verkeersbewegingen

NIBM

dat de

is

en

_ (Volks)gezondheid

door

ontstaan,

het

in werking

moeten

deze

zijn

van

risico's

een bij

inrichting

de

risico's

beoordeling

van

voor

de

volksgezondheid

kunnen

een

vergunningaanvraag

worden

meegenomen.

Op 7 juli 2016 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden gepubliceerd (RIVM rapport, kenmerk 2015 - 0058, 5 juli 2016,hierna * VGO-onderzoek'). Het doel van het VGO-onderzoek _was om meer duidelijkheid te verkrijgen over mogelijke gezondheidseffecten van de veehouderij op de gezondheid van omwonenden, vooral infectieziekten en luchtwegaandoeningen in relatie tot luchtverontreiniging (zoals fijnstof en endotoxinen). Het VGO-onderzoek richtte zich op mogelijke verbanden tussen stoffen en micro-organismen

van

veehouderijen

en gezondheidseffecten.

De

bevindingen

van

dit VGO-

onderzoek hebben aanleiding gegeven voor vervolgonderzoek. Als vervolg hierop is op 16 juni 2017 het onderzoek “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies), Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen” gepubliceerd (RIVM-rapport

2017-0062,

hierna

VGO2-onderzoek).

Op

22

oktober

2018

is

het

eerste

deelonderzoek van het onderzoeksprogramma VGO gepubliceerd (Longontsteking in nabijheid van geitenen pluimveehouderijen: actualisering van gegeven huisartsenparktijken 2014-2016, hierna V603-onderzoek).

de uit

In deze studies zijn een aantal mogelijke relaties tussen veehouderij en gezondheidseffecten geconstateerd: - _ Duidelijk is geworden dat de afstand tot veehouderijen er toe doet. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt en/of het aantal (dichtheid) veehouderijen

in een gebied groter wordt. Veehouderijsectoren met de hoogste uitstoot van fijnstof, zoals pluimvee- en varkenshouderij, dragen duidelijk bij aan de concentratie van endotoxinen in veehouderij die

-

de leefomgeving. Opvallend was verder dat ook niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen

sectoren van de toch substantieel

lijken bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties en dat er een verminderde longfunctie is bij een hoge 1894/2020/2202374

datum besluit:

14 mei 2020

18

-

concentratie van ammoniak in de lucht. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. De onderzoeken bevestigen de conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand

van

veehouderijen

veehouderij Omdat geen

wonen.

Daar staat tegenover dat bij mensen

de VGO-onderzoeken conclusies

over

een

de veehouderijsector als geheel

individueel

bedrijf

onderzoeken

houden

omstandigheden

van/op

dat

bedrijf en de

nabije

veehouderijen

en

gezondheid

hebben

onderzoeken

wel

een

relatie

ontbreken

er

vooralsnog

de

Niet

duidelijk

verband

is.

er momenteel

De

Ofschoon

oorzakelijk

kunnen

worden.

de specifieke

de

betreft,

uit afgeleid

immers geen rekening met omgeving van dat bedrijf.

aangetoond,

die dicht bij een

wonen astma en neusallergie minder voor komen.

tussen

(wetenschappelijke)

is wát

precies

de

inzichten

genoemde

wat

hiervan

het

gezondheidseffecten

veroorzaakt. Om meer inzicht te krijgen wat in de lucht rondom intensieve veehouderijen gebeurt, vinden momenteel diverse aanvullende onderzoeken plaats. De bevindingen en conclusies daarvan

laten nog

wel enige tijd op zich wachten.

De resultaten van deze vervolgonderzoeken zijn van essentieel belang voor de vorming van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en de ontwikkeling van een wettelijk en beleidsmatig toetsingskader. Vooralsnog ontbreken deze voor wat betreft het aspect gezondheid,

en

geven

omgevingsvergunning Bovenstaande worden

laat echter

genomen,

om

momenteel

dan

ook

geen

aanleiding

om

milieu op grond van het voorzorgsbeginsel te moeten onverlet,

dat

momenteel

de uitstoot en verspreiding

op

bedrijfsniveau

de

gevraagde

weigeren.

maatregelen

van geur, fijn stof, ammoniak,

moeten

endotoxinen

en andere gezondheids-gerelateerde emissie zoveel als mogelijk is te reduceren. Daarvoor zijn in de voorliggende aanvraag voorzieningen en maatregelen opgenomen ter reductie van de ziektedruk voor zowel mens als dier. Het gaat hier om de volgende (aangevraagde) voorzieningen en maatregelen: - _ Alle dieren worden binnen de inrichting inpandig gehouden.

-

Binnen de inrichting gelden strikte hygiënemaatregelen en er gelden voorschriften de hygiëne bevorderen. Binnen de inrichting zijn een of meerdere hygiëneslui(s)zen aanwezig. Personeel bezoekers zijn verplicht om

de stallen via een

die en

hygiënesluis te betreden en te verlaten.

Personeel en bezoekers moeten gebruik maken van kleding en schoenen van het bedrijf. Gezien de stand van de technieken die gebruikt worden in de veehouderijsector zijn andere (aanvullende) maatregelen redelijkerwijs niet mogelijk/reëel. Mede gelet op de in de aanvraag opgenomen voorzieningen en maatregelen die gezondheids-gerelateerde emissies beperken, het feit dat er specifieke gezondheidsvoorschriften voor het houden van dieren gelden, het feit dat vooralsnog algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten en wettelijke en beleidsmatig toetsingskaders

voor

het

aspect

gezondheid

ontbreken,

zijn

er

naar

zodanige risico's voor de gezondheid aanwezig dat de aangevraagde milieu om die reden zou moeten worden geweigerd. 4.3.5

ons

oordeel

geen

omgevingsvergunning

_ Mestverwerking

Binnen de inrichting aan de Horsten 17 en 20 wordt op jaarbasis als gevolg van het aantal te houden dieren ca. 9.588 m3 drijfmest geproduceerd. Naast deze mest wordt de mest afkomstig van de locatie aan de Jacobusstraat 42, waarbij op jaarbasis ca. 5.490 m3 mest als gevolg van dieren wordt geproduceerd verwerkt. Deze mest wordt via een mobiele mestscheider, die op een deel van de locatie, kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie 3124, wordt opgesteld, gescheiden. De scheider betreft een gesloten systeem, waarbij geen toevoegmiddelen worden gebruikt. Technische

beschri

Mechanische mestscheiders kunnen

werken volgens verschillende principes:

- deeltjesgrootte: zeven of filteren zoals bij een vijzelpers, schroefpersfilter en zeefbocht - soortelijke massa deeltjes: centrifugeren

- viscositeit van de mest:

1894/2020/2202374

zeefbandpers

datum besluit:

14 mei 2020

19

Een menginstallatie in de mestopslag is n het algemeen noodzakelijk om te zorgen voor homogene meststroom naar de scheider toe. Alle scheiders produceren een dikke en dunne fractie. Organische stof en fosfaat hopen zich op in de dikke fractie, die men gebruiken als bodemverbeteraar. De dunne fractie (liefst met hoog stikstof- en fosfaatgehalte) kan men gebruiken als vloeibare meststof

een een kan laag

Na scheiding zal er ca. 8.293 m° dunne fractie en 6.785 m° dikke fractie ontstaan. Nederlandse emissie Richtlijn lucht De

aangevraagde

emissies,

afkomstig

van

de

mestverwerkingsinstallatie,

naar de

lucht zijn

getoetst aan de Nederlandse emissie Richtlijn Lucht (NeR). De NeR beschrijft de beste beschikbare technieken voor het beperken van emissie naar de lucht en wordt landelijk toegepast voor de beoordeling en regulering van de emissies naar de lucht. De systematiek van de NeR is gebaseerd op algemene eisen aan emissieconcentraties, die zijn gebaseerd op het toepassen van de Beste beschikbare technieken (BBT) op het gebied van emissiebeperking. De algemene concentratie-eisen zijn gegeven per stof of per klasse van stoffen. Hierbij is n de meeste gevallen ook een drempelwaarde (grensmassastroom) gegeven, die aangeeft of de emissie zo groot is dat maatregelen te overwegen zijn. De concentratie-eisen

in de

NeR

gelden

als bovengrens

voor de concentratie

in de afgasstroom

van een bepaalde, relevante bron. Daarnaast zijn er uitzonderingsbepalingen voor specifieke activiteiten of bedrijfstakken. Deze worden in de NeR aangeduid als bijzondere regelingen. Ammoniak/Geurhinder

Het algemene uitgangspunt van het geurbeleid is het zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van Beste Beschikbare Technieken (BBT) de kern van het geurbeleid. Het landelijk geurbeleid voor mestverwerkingsinstallaties is opgenomen in de NeR. Het geurbeleid bestaat uit de volgende beleidslijnen: « als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; « als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van BBT afgeleid; ° voor bepaalde branches is het hinderniveau bepaald en in een bijzondere regeling vastgelegd;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=488cae9e-92e6-401a-a303-759d05eddca1