CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-062 08 Bijlage 5 bij Toelichting - Aanvulling MER 3 juni 2024 (geanonimiseerd)

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan De Horsten (2025-062)34.824 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Aanvulling Plan-MER De Horsten Egchel Bestemmingsplan ‘De Horsten’ Gemeente

Peel en Maas

PO))DEROYEN fNNAER

: Aanvulling Plan-MER De Horsten Egchel Bestemmingsplan ‘De Horsten’ Gemeente

Peel en Maas

Rapportnummer:

P218712.001.004

Naam opdrachtgever:

Gemeente

status:

definitief (t.b.v. vaststelling bestemmingsplan)

Datum:

3juni 2024

Peel en Maas

POPDEROYEN JONNAER Vestigingen te Nijmegen,

St. Stevenskerkhof

Vught, Baexem en Voerendaal

2

6511 VZ Nijmegen

T(024) 32245 79

info@pouderoyentonnaer.nl

pouderoyentonnaer.nl

Op onze dienstverlening ijn de

DNR 2011 van toepassing die u vindt op

pouderoyentonnaer.nl

Inhoud Inleiding, 1

2

3

4

5

6

7

Doelstelling. 1.1

Advies Commissie

1.2

Doelstelling..

voor de m.e.r.

Onderbouwing locatie 2.1

Advies Commissie

voor de m.e.r….

2.2

Onderbouwing locatie ……

Maximale mogelijkheden plan 3.1

Advies

Commissie

voor de m.e.r….

3.2

Beschrijving maximale mogelijkheden van het plan …

3.3

Maximale mogelijkheden en effecten vleesvarkenshouderij…

Mogelijke effecten Natura2000 … 4.1

Advies

Commissie

voor de m.e.r.

…

4.2

Aanvullende passende beoordeling

43

Aanbeveling voor het bestemmingsplan..

Effecten flora en fauna … 5.1

Advies Commissie

voor de m.e.r. …

5.2

Aanvullende beoordeling

…

Stikstofgevoeligheid goudgroene zone... 6.1

Advies

Commissie

voor de m.e.r

6.2

Aanvullende beoordeling

….

…

Effecten geur en gezondheid 7.1

Advies

Commissie

voor de m.e.r

7.2

Aanvullende beoordeling

….

…

721

_ Wijziging referentie MER …

7.2.2

_

Voorgrondbelasting geur scenario's

P(ÂDEROYEN c;PNNAER

8

7.2.3

_ Achtergrondbelasting scenario’s

724

_

Geurenleefklimaa

7.2.5

_

Effectvergelijking geu

7.2.6

_ Aanbeveling voor het bestemmingsplan…

Effecten waterhuishouding.. 8.1

Advies

Commissie

voor de m.e.r…

8.2

Aanvullende beoordeling

…

9

Samenvatting van de aanbevelingen…

10

Bijlagen

Bijlage 1: Voorlopig toetsingsadvies Commissie m.e.r., 15 november 2023… Bijlage 2: Diertabellen … Bijlage 3: Passende beoordeling met Aerius berekeningen …

Bijlage 4: Aerius berekening stikstofgevoelige vegetaties Natuurnetwerk . Bijlage 5: Waterplan (met oplegnotitie bij het landschappelijk inpassingsplan voor waterbufferpoelen) ….

Bijlage 6: Flora en fauna onderzoek Bijlage 7: Kaarten… Bijlage 8: Bestanden geurberekeningen …

Vestigingen te Nijmegen,

St. Stevenskerkhof

Vught, Baexem en Voerendaal

2

6511 VZ Nijmegen

T(024) 32245 79

info@pouderoyentonnaer.nl

pouderoyentonnaer.nl

Op onze dienstverlening ijn de

DNR 2011 van toepassing die u vindt op

pouderoyentonnaer.nl

Inleiding De gemeente Peel en Maas werkt aan een bestemmingsplan voor uitbreiding van de varkenshouderij aan De Horsten in Egchel. Op de locatie zijn al een zeugenstal, twee biggenstallen en een tijdelijke mestverwerkingsinstallatie n bedrijf. De grondeigenaar wil het bedrijf uitbreiden

met drie zeugenstallen, drie biggenstallen en verschillende andere gebouwen en installaties. De milieugevolgen van de uitbreiding die planologisch mogelijk wordt gemaakt, zijn onderzocht en beschreven in een milieueffectrapport (Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel, Pouderoyen

Tonnaer, 27 juni 2023). De milieueffectrapport is samen met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie) gevraagd te adviseren over het PlanMER.

De Commissie heeft in haar advisering ook de ingekomen

zienswijzen betrokken. In het voorlopig toetsingsadvies van 15 november 2023 (projectnummer 3751) spreekt de Commissie zich uit over dejuistheid en de volledigheid van het MER. De Commissie geeft aan dat het MER goed gestructureerd en prettig leesbaar is en is voorzien van bijlagen met achtergrondinformatie of een verdere verdieping van de milieu-informatie. De Commissie merkt op dat het MER een sterke focus heeft op het ontwikkelplan van de ondernemer. De Commissie benadrukt dat een plan-MER over een bestemmingsplan tot doel heeft

om de maximale milieueffecten van dat bestemmingsplan in beeld te brengen. De gemeenteraad maakt bij de vaststelling van het bestemmingsplan

een brede afweging op basis van 0.a. de

informatie uit het plan-MER, met het o0g op de goede ruimtelijke ordening. De Commissie signaleert bij de toetsing van het PlanMER dat er nog belangrijke informatie

ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. De commissie adviseert het PlanMER aan te vullen op de volgende punten:

1.

Een nadere onderbouwing van de doelstelling;

>un

Een nadere onderbouwing van de locatiekeuze;

Effecten die gepaard gaan met de geboden maximale planologische mogelijkheden; Onderbouw dat het opnieuw uitvoeren van een Passende beoordeling niet tot nieuwe inzichten zal leiden;

onon

Effecten op flora en fauna;

Stikstofgevoeligheid goudgroene zone; Effecten geur en gezondheid; Effecten op waterhuishouding.

De Commissie adviseert deze informatie n een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een

besluit te nemen over het bestemmingsplan. In deze aanvulling op het PlanMER worden de aanvullende informatie per hoofdstuk uitgewerkt. Deze aanvulling wordt ter toetsing voorgelegd aan de Commissie m.e.r., waarna door de Commissie een definitief toetsingsadvies over het MER wordt uitgebracht.

4

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN JTONNAER

P218712.001.004

Wijziging referentie MER De bestaande zeugenstal op De Horsten 17 is feitelijk gerealiseerd overeenkomstig de dierbezetting

in het totale ontwikkelplan en in de onherroepelijke Wnb-vergunning. De bestaande zeugenstal op De Horsten 17 is echter afwijkend van de omgevingsvergunning gebouwd en in werking. De

dierbezetting in deze stal wijkt af van de omgevingsvergunning, die verleend is voor het afwijken van het bestemmingsplan. Deze vergunning is verleend voor het specifieke project. De ondernemer heeft een aanvraag ingediend voor legalisatie van de ‘milieubelastende- en bouwactiviteiten’ en in april 2024 is hierover een ontwerp-besluit genomen. Het onderhavige bestemmingsplan moet gaan voorzien in de planologische legalisering van deze bestaande zeugenstal. De bestaande zeugenstal niet planologisch legaal ten tijde van vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan en is daardoor formeel geen onderdeel van de referentie MER. De

zeugenstal s feitelijk al gerealiseerd overeenkomstig de opzet van het totale ontwikkelplan en vormt daarmee een onderdeel van het planvoornemen. De beschrijving van de milieugevolgen van het totale ontwikkelplan worden hier niet wezenlijk anders van. De besluitvorming over het

bestemmingsplan gaat over het totale ontwikkelplan en dat daar deze (te legaliseren) zeugenstal onderdeel

van.

1 Doelstelling 1.1

Advies Commissie voor de m.e.r.

Een bestemmingsplan moet algemene kaders scheppen, terwijl het MER focust op het ontwikkelplan

van de ondernemer. De doelstelling moet een kader voor het bestemmingsplan vormen. Deze doelstelling kadert in welke ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, en welke (locatie)alternatieven n het MER moeten worden onderzocht. Het MER onderbouwt onvoldoende

de doelstelling van het bestemmingsplan. Dit is een essentieel onderdeel van het MER, omdat de doelstelling de maximale mogelijkheden van het plan, inclusief de benodigde omvang van de bouwvlakken, en de redelijkerwijs te onderzoeken (locatie)alternatieven bepaalt. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER de doelstelling van het bestemmingsplan duidelijk te definiëren. Maak daartoe inzichtelijk of en hoe de binnen het bestemmingsplan geboden

ontwikkelruimte (circa 8,5 ha) past binnen het beleid van de gemeente. Licht daarnaast de (bedrijfseconomische) noodzaak en wenselijkheid van het ontwikkelplan toe.

1.2

Doelstelling

In de NRD en het MER van 2023 is een beschrijving gegeven van de historie die hebben geleid tot de doelstelling van het bestemmingsplan en de locatiekeuze.

In navolgend kader een samen:

Waarom maakt de gemeente Peel en Maas deze uitbreiding op deze plek mogelijk: « _ Inhet reconstructieplan Noord- en Midden Limburg (2004) heeft de provincie Limburg zoekgebieden voor landbouwontwikkelingsgebieden aangegeven, waarbinnen de gemeente een landbouwontwikkelingsgebied (hierna: LOG) kan aanwijzen door middel van een besluit van de gemeenteraad. In een LOG kan de intensieve veehouderij zich binnen de daarvoor gestelde kaders verder ontwikkelen. De zoekgebieden voor landbouwontwikkelingsgebieden zijn in het provinciale reconstructieplan aangewezen als onderdeel van de integrale zonering intensieve veehouderij. Deze zonering had tot doel

om aan te geven in welke gebieden er geen of minder mogelijkheden zijn voor verdere ontwikkeling van intensieve veehouderij (zoals zones rondom natuur) en er juist wel

mogelijkheden zijn voor verdere ontwikkeling van intensieve veehouderijen. De zoekgebieden zijn begrensd op basis van diverse criteria, zoals (grote) afstanden tot natuurgebieden, woonkernen, afwezigheid van landschappelijke waarden en aansluitend

bij gebiedsindeling uit de (toenmalige) provinciale omgevingsvisie. Het planvoornemen past binnen de provinciale kaders en doelstellingen uit het Reconstructieplan.

© _ In de Structuurvisie Intensieve Veehouderij en Glastuinbouw Buitengebied Peel en Maas (2011) en het bijbehorende MER heeft de gemeente Peel en Maas nader beschouwd of deze zoekgebieden voor intensieve veehouderij wenselijk en geschikt zijn voor de daadwerkelijke ontwikkeling tot LOG. Het doel van deze structuurvisie is om op

gemeentelijk niveau invulling te geven aan de volgende doelstellingen:

5

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN JTONNAER

P218712.001.004

1. Bieden van concrete mogelijkheden voor een economisch gezonde en duurzame

ontwikkeling van bedrijven; 2. Ontwikkelen en borgen van een goed woon- en leefklimaat in de gemeente Peel en

Maas, zowel in het buitengebied als in de kernen; 3. Ontwikkelen en versterken van een afwaartse beweging van intensieve veehouderij en glastuinbouwbedrijven die zijn gelegen in en rondom de kwetsbare gebieden en functies.

De structuurvisie beoogt duidelijkheid te geven over ontwikkelingsmogelijkheden op de (middel)lange termijn. Die duidelijkheid is nodig voor de ondernemers én de inwoners

van de gemeente Peel en Maas. Onderdeel daarvan is de mogelijkheid voor nieuwvestiging van IV bedrijven als er een knelpunt wordt opgelost op een ongewenste locatie en ontwikkelruimte bieden aan bestaande bedrijven op duurzame locaties op afstand

van de kernen.

e _ Het LOG Egchelse Heide is in deze structuurvisie benoemd als é&n van de meest geschikte

gebieden voor de intensieve veehouderij om zich verder te ontwikkelen. Voor wat betreft nieuwvestiging is het LOG Egchelse Heide aangewezen als meest geschikt: het gebied dat als eerste wordt ontwikkeld. Twee andere gebieden zijn ook aangewezen als LOG, maar pas nadat het LOG Egchelse Heide is ‘uit-ontwikkeld’. De gemeente Peel en Maas heeft

gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het landbouwontwikkelingsgebied Egchelse Heide nader te begrenzen en heeft als extra sturingsinstrument gronden aangekocht, om

zo uitvoering te geven aan de beleidsuitgangspunten zoals vastgesteld door de Raad op 22 december 2008. Eén van deze beleidsuitgangspunten is sturen op minimaal het behoud van het woon- en leefklimaat in de kern Egchel.

« _ Om ontwikkeling van het LOG planologisch mogelijkte maken is in 2013 een PlanMER opgesteld en een bestemmingsplan voorbereid. Het bestemmingplan LOG Egchelse Heide

maakte rechtstreeks gebruiksruimte

mogelijk voor twee intensieve veehouderijen. De

vier overige veehouderijen werden indirect mogelijk gemaakt via een wijzigingsbevoegdheid. Het bestemmingsplan LOG Egchelse Heide is op 25 juni 2013 door de raad vastgesteld. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van

State is op 1 april 2015 dit bestemmingsplan geheel vernietigd. *

Op 21 september 2012 is een omgevingsvergunning verleend voor de varkenshouderij

aan De Horsten 20 en de oprichting van de eerste biggenstal voor 6.250 gespeende biggen (nieuwvestiging), in lijn met de Structuurvisie uit 2011. Op 18 mei 2020 is een omgevingsvergunning fase 1 verleend voor het uitbreiden van de varkenshouderij aan De

Horsten 20 en 17 (uitbreiding op een duurzame locatie op afstand van de woonkern). De eigenaar van deze locatie{s) heeft in 2012 een gedeelte van zijn varkenshouderij aan de Jacobusstraat (gelegen aan de rand van het dorp Egchel) verplaatst naar deze locaties. e

Tussen gemeente en ondernemer is er op 20 mei 2021 een overeenkomst gesloten over verkoop van gronden (door de gemeente aan de ondernemer) in het LOG t.b.v. verdere

uitbreiding van de varkenshouderij. Hierin is een inspanningsverplichting opgenomen voor de gemeente om het ontwikkelplan, dat als bijlage bij de overeenkomst is opgenomen, qua bestemming en vergunningen mogelijk te maken. Het bestemmingsplan

geeft invulling aan deze inspanningsverplichting.

P218712.001.004

De onderbouwing van de locatie volgt uit doelen, kaders en locatiekeuzen die gemaakt zijn in het kader van het provinciale reconstructieplan en de gemeentelijke structuurvisie. De verdere uitbreiding van de bestaande varkenshouderij op deze locatie sluit aan bij de reeds gerealiseerde

gedeeltelijke verplaatsing van de varkenshouderij in de kernrandzone van Egchel. Daarnaast past deze ontwikkeling bij her eerder genomen bestemmingsplan voor het LOG.

besluit van de raad over de vaststelling van het

Betreffende ondernemer heeft voor het beoogde vermeerderingsbedrijf een totaal ontwikkelplan op hoofdlijnen uitgewerkt en wil de beoogde bedrijfsopzet gefaseerd kunnen realiseren. Bij de verkoop

van de gronden door de gemeente aan deze ondernemer zijn onderlinge afspraken gemaakt over de ontwikkelmogelijkheden. In de geactualiseerde overeenkomst van 20 mei 2021 staat een inspanningsverplichting voor de gemeente om de beoogde bedrijfsopzet qua bestemming en

vergunningen mogelijk te maken. Het bestemmingsplan geeft invulling aan deze overeenkomst. De doelstelling van het kaderstellende bestemmingsplan is gebaseerd op deze overeenkomst: e _ het planologisch mogelijk maken van uitbreiding van de bestaande varkenshouderij op de

locaties De Horsten 20 en 17 en voormalige Melkweg 22, mestscheiding”, reguliere functioneel ondersteunende bedrijfsactiviteiten en één nieuwe bedrijfswoning; e _ het planologisch verankeren van de bestaande, vergunde varkenshouderij;

e _ metals randvoorwaarde dat het leefklimaat in het dorp Egchel niet mag verslechteren (uitgaande van de milieuvergunningen op peildatum 22 december 2008).

( De inpandige mestscheidingsinstal/atie -voor het fysisch scheiden van drijfmest in een dikke en dunne fractie- verwerkt alleen ter plaatse geproduceerde drijfmest en de drijfmest van de huidige ‘thuislocatie’ Jacobusstraat 42).

Niet specifiek als doelstelling benoemd, maar wel relevant voor de kaderstelling van het bestemmingsplan, is dat het totale ontwikkelplan van de ondernemer binnen de planologische kaders nog verder uitgewerkt en geconcretiseerd kan worden in één of meerdere vergunningaanvragen.

e e

Hiervoor is het van belang dat:

ervoldoende ruimte binnen de bouwvlakken aanwezig is voor een brandveilige situering van de stallen ten opzichte van elkaar; ervoldoende ruimte binnen de bouwvlakken aanwezig s om invulling te kunnen geven aan

toekomstige dierwelzijnseisen en/of een keurmerk (met name meer leef-oppervlak per dier en bijvoorbeeld vrijloopkraamhokken); e

er voldoende ruimte aanwezig is voor een optimale ontsluiting en erfindeling (laden en lossen, manoeuvreren, parkeren en schone-vuile weg).

De ondernemer is een lokale, toekomstgerichte varkenshouder. Deze ondernemer wilde aanvankelijk zijn varkenshouderij aan de Jacobusstraat 42 verder ontwikkelen, omdat

schaalvergroting noodzakelijk is voor een toekomstgerichte varkenshouderij

met een rendabele

bedrijfsvoering. De gemeente heeft toen met de ondernemer bekeken of het bedrijf op grotere

afstand van het dorp Egchel, in het landbouwontwikkelingsgebied, verder kon ontwikkelen. De gemeente Peel en Maas wil in het landbouwontwikkelingsgebied aan intensieve veehouderijbedrijven de ruimte bieden om te ontwikkelen en op de Jacobusstraat 42 worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de varkenshouderij beperkt door de korte afstand tot de woonkern.

3

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN JTONNAER

P218712.001.004

Het was dus voor de gemeente én de ondernemer wenselijk om het varkensbedrijf verderte ontwikkelen in het landbouwontwikkelingsgebied, waarna is overgegaan tot verkoop van gronden

en maken van afspraken over de ontwikkelingsmogelijkheden op deze locatie. Het bestemmingsplan is in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Peel en Maas. De landbouw in Peel en Maas is een belangrijke economische drager van het buitengebied. Uitbreiding is mogelijk op toekomstbestendige locaties

waar ondernemers voor de langere termijn hun agrarisch bedrijf

passend bij de omgeving kunnen ontwikkelen. Ontwikkeling van grootschalige agrarische bedrijvigheid wordt alleen toegestaan in gebieden waar het passend is op basis van de gebiedsgerichte aanpak en op toekomstbestendige locaties. In het kader van behoud en versterking

van het woon- en leefklimaat van de kernen wordt de afwaartse beweging van intensieve veehouderij van de kernen gestimuleerd. Voor de uitbreiding van agrarische bedrijven wordt een tegenprestatie gevraagd bestaande uit een bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan zijn uitvoerbaar binnen het gemeentelijk

beleid, maar de ondernemer zal zijn totale ontwikkelplan op hoofdlijnen nog wel verder moeten concretiseren en optimaliseren.

De doelstelling van dit bestemmingsplan kan in de toekomst mogelijk conflicteren met andere doelstellingen vanuit de gemeente (op dit moment is dit niet aan de orde). Er wordt met dit bestemmingsplan planologische ruimte toegekend voor een gefaseerde uitbreiding van een varkenshouderij met een bovengemiddelde schaalgrootte. Het is niet uit te sluiten dat het totale ontwikkelplan niet in zijn geheel gerealiseerd zal of kan worden en dat de planologische ruimte die wordt toegekend niet in zijn geheel benut gaat worden. Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen n de omgeving moet dan wel rekening gehouden worden met nog niet- benutte bouwvlakken waar stallen opgericht mogen worden. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die een beperking opleveren voor de mogelijkheden n dit bestemmingsplan, zijn niet mogelijk zonder dat er planschade vergoed wordt aan de ondernemer. Hier staat tegenover dat het geen uitvoering geven aan de overeenkomst tussen gemeente en ondernemer ook financiële consequenties heeft. Aanbeveling voor het bestemmingsplan De ondernemer kan niet verplicht worden om het totale ontwikkelplan ook daadwerkelijkte

realiseren. In het bestemmingsplan kan wel een uiterste realisatiedatum in de regels opgenomen worden, bijvoorbeeld in de bouwregels voor bouwwerken, om te voorkomen dat er op de termijn latente bouwmogelijkheden blijven bestaan, waar rekening mee gehouden moet worden bij andere

ruimtelijke ontwikkelingen. De uiterste realisatiedatum moet wel realistisch zijn met het 00g op de planontwikkeling.

P218712.001.004

Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen Omgevingswet

De gemeente Peel en Maas heeft een beleidsregel voor het intrekken van ongebruikte omgevingsvergunningen onder de Omgevingswet (geldend vanaf 1 mei 2024). Deze beleidsregel ziet in de praktijk toe op ongebruikte omgevingsvergunningen die jaren geleden zijn verleend maar nooit zijn gerealiseerd. De redenen waarom geen gebruik is of wordt gemaakt van een omgevingsvergunning kunnen zeer divers zijn, waardoor het nagenoeg onmogelijk is om aan elke mogelijke oorzaak een tijdsduurte verbinden. Als gewogen gemiddelde kan een termijn van drie

jaar worden aangehouden. Deze periode is lang genoeg om aan zowel eenvoudige als complexere omgevingsvergunningen uitvoering te geven dan wel te voltooien. Bij urgente en zwaarwegende

belangen wordt vastgehouden aan de minimale termijn van één jaar. In de afweging om tot (gedeeltelijke) intrekking over te gaan is daarnaast oog voor de belangen van de vergunninghouder in de vorm van een verlengingsmogelijkheid.

Zolang deze beleidsregel in werking is, zal deze ook van toepassing zijn op de omgevingsvergunning(en) die nog moeten worden verleend voor de gefaseerde

bedrijfsontwikkeling op De Horsten.

10

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN ?NNAER

P218712.001.008

2 Onderbouwing locatie 21

Advies Commissie voor de m.e.r.

Het MER bevat geen duidelijke onderbouwing van de locatie van de ontwikkelingen die het

bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit wordt versterkt doordat de doelstelling voor het bestemmingsplan onduidelijk is. Een locatieafweging is een essentieel onderdeel van een plan-MER. In het MER wordt hiervoor verwezen naar de afweging die heeft plaatsgevonden voor het LOG

Egchelse Heide. Deze afweging is circa 10 jaar geleden gemaakt, dus overwegingen en inzichten kunnen in de loop van de tijd zijn veranderd. Bovendien is het bestemmingsplan voor het LOG nooît onherroepelijk geworden. Uit het MER blijkt niet of en waarom de locatieafweging die voor het LOG

is gemaakt nog steeds relevant en actuee! is. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER te onderbouwen waarom gekozen is voor deze locatie. Betrek daarbij ook milieuoverwegingen. Onderbouw daarnaast of andere locaties wellicht (ook) kunnen voldoen aan de doelstelling

2.2

Onderbouwing locatie

In paragraaf 1.2 is in het kader toegelicht wat de historie ten aanzien van de doelstelling en de locatiekeuze is.

De locatieafweging heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de verkoop van de betreffende gronden door de gemeente aan deze ondernemer. De verkoop is gepaard gegaan met een overeenkomst tussen gemeente en ondernemer over de bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden op deze locatie en is de gemeente een inspanningsverplichting aangegaan. Op basis hiervan zijn ook al stallen gerealiseerd. De lange doorlooptijd tussen sluiten overeenkomst en vaststellen van dit bestemmingsplan is daarbij niet te wijten aan de ondernemer. De gemeente Peel en Maas wil een betrouwbare overheid zijn en de gesloten overeenkomst nakomen Onderzoek naar andere locaties valt buiten de doelstelling van het bestemmingsplan en daarmee buiten de scope van het planMER. In paragraaf 1.1 van het MER van 27 juni 2023 staat de aanleiding voor het kaderstellende bestemmingsplan beschreven en wordt de al doorlopen tijdlijn beschreven. Dit betekent niet dat er geen locatie-onderzoek heeft plaatsgevonden. Aan de verkoop van de gronden aan de ondernemer ging de visie- en besluitvorming ten aanzien van de

gebiedsontwikkeling Egchel en in het bijzonder het (voormalig) LOG Egchelse Heide vooraf. De provincie heeft dit gebied in het verleden aangewezen als zoekgebied LOG vanwege de gunstige ligging en kenmerken van het gebied (=locatieonderzoek). In deze fase heeft de locatie-afweging al

plaatsgevonden en op basis daarvan is door de gemeente een structuurvisie gemaakt voor het LOG en een m.e.r.-procedure doorlopen. Dit gebied wordt door de gemeente nog steeds aangemerkt als een landbouwontwikkelingsgebied, waar ontwikkeling van een toekomstgerichte varkenshouderij mogelijk is. Het is een goed ontsloten gebied met een sterk agrarisch karakter met inmiddels twee intensieve veehouderijen, weinig burgerwoningen of andere gevoelige functies op korte afstand en

relatief grote afstanden tot woonkernen/bebouwingsconcentraties en beschermde natuurgebieden.

u

P218712.001.004

3 Maximale mogelijkheden plan 3.1

Advies Commissie voor de m.e.r.

De maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan zijn niet volledig beoordeeld in de in het MER beschreven alternatieven. De Commissie ziet vier inconsistenties tussen het bestemmingsplan en de onderzochte

1.

alternatieven:

De alternatieven gaan uit van een door de ondernemer aangeleverde situatieschets van het ontwikkelplan. De bouwvlakken in het bestemmingsplan bieden echter meer ruimte,

waardoor ook een andere invulling van de bouwvlakken (met meer stalruimte) mogelijk is. De alternatieven zijn daarmee geen goede afspiegeling van de maximale ruimtelijke bedrijfsgrootte die het bestemmingsplan mogelijk maakt. 2.

Het bestemmingsplan staat op de locatie ‘intensieve veehouderij’ toe. Dit is in de regels van het bestemmingsplan niet nader gespecificeerd naar een varkenshouderij. Dit betekent dat

op de |ocatie ook andere vormen van intensieve veehouderij (zoals een pluimveehouderij} zijn toegestaan. Het MER beschouwt alleen de milieueffecten van een varkensvermeerderingsbedrijf van een bepaalde omvang. Daarmee zijn de effecten van de

maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan niet volledig in beeld gebracht. Een pluimveebedrijf veroorzaakt in verhouding bijvoorbeeld meer fijnstofemissies en bij realisatie van een geitenhouderij bestaat een grotere kans op zoönosen. 3. _ In de alternatieven is uitgegaan van emissiepunten voor geur en geluid aan de oostkant van de stallen.

Daarmee zijn de emissiepunten op relatief grote afstand gelegen ten opzichte

van de dichtstbijzijnde woningen aan de Karissendijk. Het bestemmingsplan sluit een andere invulling van het plangebied, met emissiepunten dichter bij de woningen echter niet uit. De alternatieven brengen daarmee niet de maximale geur-‚fijnstof- en geluidseffecten voor omwonenden in beeld. Ook zijn in de alternatieven effectbeperkende maatregelen als verticale uitstroomopeningen van luchtwassers opgenomen die niet geborgd zijn in de regels van het bestemmingsplan. 4.

Het bestemmingsplan maakt alle vormen van mestbewerking en -verwerking (inclusief mestvergisting) mogelijk, terwijl het in het MER onderzochte ontwikkelplan enkel uitgaat van mestscheiding. Het MER maakt niet inzichtelijk of een ander type mestbewerking en verwerking dan voorzien in het ontwikkelplan van de ondernemer, leidt tot andere milieueffecten.

12

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN JTONNAER 3.2

P218712.001.004

Beschrijving maximale mogelijkheden van het plan

In het bestemmingsplan (voor vaststelling) worden de volgende extra beperkingen opgenomen in de planregels om de maximale mogelijkheden van het kaderstellende bestemmingsplan te verkleinen ten opzichte van het ontwerp-bestemmingsplan:

° _ Het uitsluitend toestaan van varkenshouderij binnen de aanduiding ‘Intensieve veehouderij’, waardoor het houden van andere diercategorieën planologisch uitgesloten is (met name relevant ten aanzien van pluimvee en geiten vanwege mogelijke gezondheidseffecten).

e _ Het uitsluiten van mestvergisting en co-vergisting. Het bestemmingsplan maakt hierdoor alleen mestscheiding (geen mest van derden) in een gesloten mestverwerkingsloods planologisch mogelijk.

e _ Het uitsluiten van evenementen (dit was in het ontwerp-bestemmingsplan alleen maar toegestaan binnen de bestemming ‘verkeer’, maar wordt nu geheel uitgesloten). Met de kaders die in het ontwerp al waren opgenomen en met voornoemde aanvullende kaders wordt n het bestemmingsplan (voor vaststelling) invulling gegeven aan het advies onder punt 2 en 4 en aan enkele zienswijzen van gelijke strekking op het ontwerp-bestemmingsplan. In deze aanvulling

op het MER worden ook nog aanbevelingen voor de planregels in het bestemmingsplan gedaan om de maximale effecten ten gevolge van met name geur, ammoniak en geluid nog beter te waarborgen. Hierover zal het College van B&W een standpunt gaan innemen, in samenhang met de

beantwoording van de zienswijzen. De maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan zijn (rekening houdend met de voornoemde

extra kaders) het uitgangspunt voor deze aanvulling op het MER en als volgt samen te vatten: 1.

Een varkenshouderij met functioneel ondersteunende bedrijfsactiviteiten (zoals voersilo's, technische ruimtes, laad- en losplaats en kadaveropslag) en erfverharding, binnen een

bouwlakoppervlak / bestemmingsvlak ‘intensieve veehouderij’ van in totaal 5,9 ha Deelgebied 1 en 3 met varkenstallen Het totale ontwikkelplan van de ondernemer ziet toe op een vermeerderingsbedrijf en gaat uit

van een maximale invulling van de planologische mogelijkheden, rekening houdend met voldoende afstand tussen stallen vanwege brandveiligheid en met behoud van de mogelijkheid tot meer staloppervlak per dier als dat nodig is vanwege dierwelzijnseisen of de mogelijkheid tot deelname aan een keurmerk. Omdat het bestemmingsplan kaderstellend is biedt deze ruimte

om het ontwikkelplan op hoofdlijnen verder uit te werken en te optimaliseren, weliswaar binnen de kaders die gesteld worden. Meer dierplaatsen is niet mogelijk vanwege het

stikstofplafond en het niet toestaan van externe saldering. Als de dierbezetting per type varken wordt vastgelegd in de planregels is het geen kaderstellend bestemmingsplan meer, maar wordt het plan vergelijkbaar met een omgevingsvergunning. Dit is

niet wenselijk en ook niet nodig, omdat het kaderstellende bestemmingsplan voldoende waarborgen bevat om nadelige effecten voor de fysieke leefomgeving te voorkomen. Het bestemmingsplan sluit hiermee geen vleesvarkenshouderij uit. Vleesvarkens zorgen voor

meer

stalemissies dan zeugen en biggen en hebben minder staloppervlak nodig dan zeugen.

5

P218712.001.004

De mogelijkheden voor een vleesvarkenshouderij of een volledig gesloten bedrijf met vleesvarkens wordt op dezelfde wijze beperkt als voor een vermeerderingsbedrijf, maar is niet

onderzocht in het MER van 2023. In paragraaf 3.3 worden de milieugevolgen van een vleesvarkenshouderij inzichtelijk gemaakt.

In deelgebied 1 en 2 heeft een klein deel van de percelen de bestemming ‘Agrarisch’ en hier zijn geen gebouwen en ook geen ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’, geen mestsilo's en geen

(buiten)opslag toegestaan, tenzij noodzakelijk voor tijdelijke bedrijfsondersteunende activiteiten. Langs de randen komen groenvoorzieningen conform het landschappelijk inpassingsplan (hiervoor is een specifieke aanduiding opgenomen gekoppeld aan een

voorwaardelijke verplichting). Binnen de agrarische bestemming mag een (extra) waterbergingsvoorziening gerealiseerd worden. De rest van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch’ kan bedrijfsmatig of hobbymatig landbouwkundig gebruikt worden. Het oppervlak is te klein

voor bedrijfsmatige plantaardige teelten. Binnen deze bestemming biedt het bestemmingsplan dus weinig andere mogelijkheden dan landschappelijke inpassing, grasland en/of waterberging, waardoor nadelige effecten voor de fysieke leefomgeving zijn uitgesloten.

Deelgebied 2 met bedrijfswoning, mestverwerking en opslag

In dit deelgebied worden geen stallen toegestaan en bevat een relatief groot oppervlak met de bestemming intensieve veehouderij, waar alleen varkenshouderij en een grondgebonden neventak (akkerbouw) zijn toegestaan. De locatie van de nieuw te bouwen bedrijfswoning is

specifiek aangeduid. Het bouwvlak is van gelijke omvang en mag geheel bebouwd worden. Dit biedt de flexibiliteit om de locaties en de omvang van de loodsen en opslagvoorzieningen verder uit te werken voor de aanvraag om een omgevingsvergunning. Er is de mogelijkheid om voor het bouwvlak in dit deelgebied een maximaal bebouwingspercentage op te nemen, maar gezien de al opgenomen kaders van het bestemmingsplan is het niet mogelijk én niet realistisch dat het hele bouwlak wordt volgebouwd. Aanbevolen wordt om in het bestemmingsplan (voor

vaststelling) een maximale etmaalwaarde van 40 d8 op woningen op te nemen. Dit waarborgt dat, ongeacht de locatie van geluidsbronnen, er geen geluidhinder kan optreden. De omvang van de mestopslagen is gekoppeld aan de omvang van de ‘eigen’ mest en de locatie is gekoppeld

aan de bestaande pijpleidingen. Het is niet aannemelijk dat de mestopslagen op een andere plaats gesitueerd worden dan in de bestaande situatie. Vanwege de pijpleidingen zal de mestverwerkingsloods in de nabijheid van de mestopslagen worden gesitueerd, daarbij er moet

rekening gehouden worden met de belemmeringenzone van de hoogspanningsleiding en de ocatie van de bedrijfswoning. Dan resteert alleen het noordoostelijk deel van het bouwvlak over voor de situering van een mestverwerkingsloods. De omvang van de mestverwerkingsloods

wordt indirect bepaald door de omvang van de eigen mestproductie en de maximale mestverwerkingscapaciteit die wordt toegestaan in het bestemmingsplan.

Omdat er geen stallen en geen mestvergisting/co-vergisting zijn toegestaan, kan aangenomen worden dat de maximale mogelijkheden binnen dit deelgebied overeenkomen

met de

bedrijfsopzet in het ontwikkelplan. Een ondernemer gaat niet investeren n nieuwe of grotere gebouwen en/of opslagvoorzieningen als die niet nodig zijn of niet gebruikt kunnen worden vanwege de kaders binnen de bestemming.

m

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN JTONNAER

P218712.001.004

Er ontstaan geen negatieve effecten voor de fysieke leefomgeving als de functies die mogelijk zijn op een andere plek binnen het bouwvlak gesitueerd worden of als het oppervlakte van een

loods wat groter is dan in het totale ontwikkelplan is ingetekend.

Het MER van 2023 heeft ten

aanzien van dit deelgebied de maximale mogelijkheden en effecten ten gevolge van het

bestemmingsplan onderzocht. 2.

Functioneel ondersteunende activiteiten ten behoeve van de varkenshouderij (zoals

(voer)opslagloods en sleufsilo), een bedrijfswoning met tuin, binnen een bouwvlak en bestemmingsvlak ‘intensieve veehouderij’ van 2,8 ha, waarbinnen dierenverblijven zijn uitgesloten en waarbinnen voor een deel beperkende (bouw]regels gelden vanwege de

hoogspanningsleiding. Zie de uitleg onder 1, bij deelgebied 2. 3.

Een stikstofplafond met als uitgangssituatie de onherroepelijke natuurvergunning van 2020, waarbinnen intern gesaldeerd mag worden. Een toename van stikstofemissie én -depositie is

ten opzichte van deze uitgangssituatie niet toegestaan. Aanvullend op het ontwerpbestemmingsplan en MER is voor de stikstofeffecten op Natura2000-gebieden een passende

beoordeling opgesteld, zie ook hoofdstuk 4. De één op één inpassing van de natuurvergunning van 2020 in het bestemmingsplan wordt onderbouwd in deze passende beoordeling. 4.

Een voorwaardelijke verplichting om het landschappelijk inpassingsplan te realiseren. Hiervoor is

een specifieke aanduiding binnen de bestemming ‘agrarisch’ opgenomen. Het landschappelijk inpassingsplan voorziet in bijna 8.800 m? aan groenelementen en twee poelen die kunnen voorzien in extra waterbergingscapaciteit. Deze aanduiding ligt binnen de bestemming ‘Agrarisch'. Binnen deze bestemming is alleen landschappelijke inpassing, grasland en waterberging mogelijk. Zie de uitleg onder 1, bij deelgebied 1 en 3. 5.

Een belemmeringenstrook aan weerszijden van de hoogspanningsleiding. Hierbinnen mogen geen bouwwerken opgericht worden. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen niet hoger dan 1,5 meter. Om hiervan af te wijken moet er een positief advies van de leidingbeheerder verkregen worden, maar er wordt in ieder geval geen positief advies gegeven voor een

varkensstal of bedrijfsgebouw met vergelijkbare bouwhoogte binnen deze belemmeringenstrook. Daarmee valt een aanzienlijk deel van de (bouw)mogelijkheden binnen deelgebied 2 weg. Zie de uitleg onder 1, bij deelgebied 2.

3.3

Maximale mogelijkheden en effecten vleesvarkenshouderij

In theorie mag binnen deelgebied 1 en 3 ook vleesvarkenshouderij plaatsvinden. Dit heeft invloed op de stalemissies.

De volgende kaders binnen het bestemmingsplan bepalen het maximale aantal

vleesvarkens dat basis van het bestemmingsplan gehouden kan worden:

°

Het stikstofplafond (de natuurvergunning van 2020) ziet toe op een ammoniakemissie van afgerond 7.077 kg NH3/jaar. Intern salderen is mogelijk, maarde stikstofemissie en depositie mag volgens de stikstofplafondregeling niet toenemen

e _ De agrarische bouwvlakken waarbinnen varkensstallen worden toegestaan hebben een oppervlak van afgerond 5,9 ha.

15

P218712.001.004

Uitgaande van de toepassing van een gecombineerde biologische luchtwasser met 85%

ammoniakreductie kunnen theoretisch binnen het in het ontwerp opgenomen stikstofplafond 7.077

kg NH3 : 0,45 kg NH3 = 15.726 vleesvarkens gehouden worden. Uitgaande van minimaal 1 m? hokoppervlak per vleesvarken en circa +10% extra staloppervlak voor loopgangen, technische ruimte en luchtwasser is er circa 2 ha nodig om dit aantal vleesvarkens te huisvesten. Het ontwikkelplan

met zeugen en biggen is ten aanzien van ruimtebeslag de maximale variant. Omdat we uit het MER van 2023 al weten dat het totale ontwikkelplan (maximale variant met

zeugen en biggen) op dit moment niet geheel vergunbaar is ten aanzien van geur, kan uitgegaan worden van de noodzakelijke inzet van een gecombineerde luchtwasser met 45% geurreductie.

Bij

30% geurreductie moet de veebezetting namelijk nog verder verkleind worden dan in het uitvoerbaar scenario indicatiefis berekend.

e

Ammoniak 85%

e

Geur45%:

°

FijnstofPM1080%:

Maximale stalemissies in de variant

15.726 vleesvarkens x 0,45 kg NH3/dier/jaar =

vleesvarkens:

7.077 kg NH3/jaar

15.726 vleesvarkens x 12,7 OU/sec/dier = 199.720 OU/sec

_

15.726 vleesvarkens x 31 gram/dier/jaar = 488 kg/jaar

Tabel 1: Maximale emissies in varianten/scenario's

Maximale variant

Maximalevariant

200.821

199.720

176.924

667

488

601 **

159

140

153

zeugen en biggen Vleesvarkens (totale ontwikkelplan) _ (indicatief) 7.077 7.077

Ammoniak

_ Uitvoerbaar scenario op basis

van de actuele geurregelgeving (indicatief) 7.077

(kg NH3/jaar) Geur

*

(0u/m*)

Fijnstof (kg/jaar) Endotoxinen

risicocontour

**7

(meters) * In het MER van 2023 was dit 152.821 OU uitgaande van de werkelijke ep-diameter.

Uitgaande van een standaard

diameter van 1 m 0.b.v. de gewijzigde invoerinstructie voor V-stacks vergunning is dit 176.924 OU (zie par. 7.2.2.). ** guste en dragende zeugen hebben de hoogste fijnstof emissiefactor per dier: 176.924 Ou:10,3 OU=

17.177 8. en dr. zeugen x 35 g PM10 = 601 k PM10

176.924 Ou : 12,7 OU = 13.931 vleesvarkens x 31 8 PM10 = 432 kg PM10

*** Rekentool bij afstandsgrafiek varkens in het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)"

Uit voorgaande tabel kan geconcludeerd worden dat de maximale variant met biggen en zeugen (het totale ontwikkelplan van de ondernemer) de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan omvat. Met uiteraard de kanttekening dat op basis van de actuele geurregelgeving een kleinere

geuremissie vergunbaar is. In het uitvoerbaar scenario is zowel stikstof als geur beperkend voor de uitbreidingsmogelijkheden en geeft een vermeerderingsbedrijf met zeugen en biggen de maximale fijnstof emissie (zie voetnoot bij voorgaande tabel). Dit betekent dat voor de dierbezetting en type varkens de maximale effecten door het bestemmingsplan in beeld zijn gebracht in het MER van 2023.

Voor het waarborgen van de maximale effecten door ammoniak en geur worden

4.3 en 7.2.6 nog extra aanbevelingen gedaan, zoals hiervoor al is toegelicht.

16

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

in paragraaf

PÂDEROYEN

JTONNAER

P218712.001.008

4 Mogelijke effecten Natura2000 4.1

Advies Commissie voor de m.e.r.

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het

MER te motiveren waarom de geldende Wnb-

vergunning één-op-één toepasbaar is en waarom een nieuwe Passende beoordeling niet tot andere inzichten zou leiden in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten en milieugegevens. Indien op basis hiervan niet uitgesloten kan worden dat het bestemmingsplan toch significante gevolgen

heeft voor Natura 2000-gebieden, moet een nieuwe Passende beoordeling worden opgesteld. De Commissie adviseert daarnaast de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in

beeld te brengen middels een kwalitatieve beschrijving, inclusief kaartmateriaal. Maak met de analyse inzichtelijk op welke (naderend) overbelaste delen van natuurgebieden extra stikstofdepositie plaatsvindt. Beschouw wat de gevolgen hiervan kunnen zijn. Onderzoek daarnaast extra bronmaatregelen als een toename van stikstofdepositie niet uit te sluiten is ten opzichte van het reeds vergunde

project. Gebruik hiervoor de meest recente versie van

AERIUS. Onderbouw ook of en waarom andere milieueffecten niet relevant zijn voor Natura 2000..

4.2

Aanvullende passende beoordeling

Voor het bestemmingsplan is naar aanleiding van het advies alsnog een passende beoordeling opgesteld. Deze is bijgevoegd als bijlage 3. Uit deze passende beoordeling volgt dat de natuurvergunning van 2020 één op één ingepast kan worden in het bestemmingsplan, omdat een nieuwe passende beoordeling niet tot nieuwe inzichten leidt. Uit de actuele Aerius berekeningen, waarin ook de legalisatie-aanvraag van april 2024 voor de bestaande stallen is meegenomen, volgt dat het totale ontwikkelplan op hoofdlijnen van de ondernemer (zoals betrokken in het MER van 2023) ten opzichte van de natuurvergunning van 2020 resulteert in een beperkte toename van

stikstofdepositie op Natura2000 gebieden (inclusief hexagonen met randeffecten), hetgeen niet toegestaan is binnen de stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan. Dit betekent dat de ondernemer het ontwikkelplan op dit punt nog verder moet optimaliseren. Uit controleberekeningen blijkt dat dit mogelijk moet zijn door emissiepunt-parameters aan te passen, zonder het verkleinen van het aantal varkens. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is voor stikstof

niet in het geding. Er is geen twijfel over de technische haalbaarheid van 85% ammoniakreductie door de gecombineerde luchtwassers. In de praktijk blijkt wel dat ondanks alle wettelijke vereisten er storingen of andere problemen kunnen ontstaan waardoor de luchtwasser niet stabiel draait en dat oplossen van storingen en uitvoeren van reparaties en het eventueel bijsturen van het wasproces

niet altijd adequaat genoeg gebeurt. In sommige gevallen is het wettelijk (nog) niet toegestaan om aanpassingen di bijdragen aan een stabiele werking door te voeren.

P218712.001.004

In deze passende beoordeling zijn, op basis van aanbevelingen in een recent onderzoeksrapport van

de WUR, maatregelen beschreven die kunnen zorgen voor de goede en stabiele werking van de luchtwassers en daarmee de 85% ammoniakreductie extra kunnen waarborgen, in aanvulling op alle wettelijk verplichte maatregelen.

Aanbevolen wordt om deze extra maatregelen op te nemen in de voorschriften van de later te verlenen omgevingsvergunningen, aangezien interne saldering binnen de natuurvergunning niet (natuur)vergunningplichtig is. Indien hier niet voor gekozen wordt, dan valt het moeten halen van de

85% ammoniakreductie onder toezicht en handhaving van de provincie Limburg, aangezien die het bevoegd gezag is voor de natuurvergunning.

4.3

Aanbeveling voor het bestemmingsplan

Aanvullend op de stikstofregeling in het ontwerp-bestemmingsplan wordt geadviseerd om in de planregels de actuele ammoniakemissie én stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats van

Natura2000-gebieden van de Wnb-vergunning van 2020 op te nemen als maximum. In de natuurvergunning van 2020 bedraagt de ammoniakemissie

door stallen en verkeer naar boven

afgerond 7.078 kg NH3/jaar (zie de Aerius berekening in bijlage 8). Hiermee wordt een extra waarborg ingebouwd in het bestemmingsplan vanwege de onzekerheid over het behalen van 85% ammoniakreductie, aangezien niet geadviseerd wordt om concrete extra

maatregelen (zoals beschreven in de passende beoordeling) op te nemen in de planregels van een kaderstellend bestemmingsplan. Als blijkt dat de luchtwassers aantoonbaar geen 85% ammoniak reduceren (dit kan ook zonder continue sensor-metingen geconcludeerd worden op basis van

belangrijke parameters zoals de pH-waarde en EC-waarde die met regelmaat of structureel te hoog zijn) en de werkelijke ammoniakemissies zijn hoger dan de maximale toegestane ammoniakemissie, is er sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan en dient de ondernemer maatregelen te treffen op basis waarvan aantoonbaar 85% ammoniakreductie wordt gehaald en de maximale emissie in het bestemmingsplan niet wordt overschreden. Als dit om wat voor reden niet lukt zal de ondernemer genoodzaakt zijn de dierbezetting moeten aanpassen. Dit is ook aan de orde als bij een toekomstige aanvraag omgevingsvergunning het wettelijke reductiepercentage lager is dan de huidige 85%.

18

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN JTONNAER 5

Paas712 00104

Effecten flora en fauna

5.1

Advies Commissie voor de m.e.r.

Voor het MER is een quickscan flora en fauna, inclusief veldbezoek, uitgevoerd in 2019 en in 2023.

De Commissie merkt op dat de rapportages bestaan uit een zeer beknopt briefverslag waaruit niet is op te maken of alle soortgroepen zijn beschouwd.

Daarnaast is alleen gekeken naar het plangebied

zelf, terwijl in de directe omgeving ook landschapselementen aanwezig zijn die mogelijk een functie

verwullen voor beschermde soorten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de leegstaande nertsenfokkerij (in potentie geschikt voor steenmarter en steenuil) en bomenrijen (in potentie geschikt voor vleermuizen). Maar ook aan verstoring van broedvogels tijdens de aanlegfase.

Verder is in het MER

verouderde informatie betrokken 10 (1983 - 2012) die geen actueel beeld schetsen van het voorkomen van beschermde soorten en Rode lijstsoorten.

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de gevolgen voor flora en fauna te splitsen voor wettelijk beschermde soorten en overige soorten. De Commissie adviseert ook om naderte kijken naar het (mogelijk) voorkomen van (beschermde)

soorten n een ruimer gebied dan het plangebied alleen, te onderbouwen welke gevolgen de voorgenomen ontwikkeling kan hebben op deze eventuele leefgebieden en hoe eventuele negatieve effecten voorkomen kunnen worden.

De conclusies mosten navolgbaar in het licht van de Wnb in

beeld gebracht worden, waardoor ook duidelijk is waarom het ontwikkelplan voor dit criterium positief (0/+) scoort.

5.2

Aanvullende beoordeling

Door Aelmans Milieu BV is een aanvullend Flora en fauna onderzoek (bureauonderzoek) uitgevoerd in april 2024. Het rapport is bijgevoegd als bijlage 6. Dit onderzoek heeft tot doel vast te stellen of de

beoogde ingrepen van invloed kunnen zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. De (mogelijke) aanwezigheid van in artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gespecificeerde soorten is onderzocht. Op basis van de resultaten van dit

onderzoek kan worden uitgesloten dat het totale ontwikkelplan een negatieve invloed zal hebben op beschermde soorten vanuit Omgevingswet en het Bal. In het rapport is vermeld op welke manier het plangebied gebruikt wordt door beschermde flora en fauna Geconcludeerd wordt dat bij naleving van het landschapsplan, waarbij de hagen eerst worden aangelegd alvorens de stallen worden gebouwd, en de zorgplicht, er ten aanzien van flora en fauna

(soorten) geen sprake is van een overtreding van de Omgevingswet. In het rapport wordt op alle soorten ingegaan. Navolgend de bevindingen ten aanzien van

vleermuizen, roofvogels en uilen, broedvogels en steenmarter, omdat die specifiek genoemd worden

in het advies van de Commissie

m.e.r.

19

P218712.001.004

Vleermuizen

Het plangebied en omgeving is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Echter is hier door het intensieve gebruik van de landbouwgronden geen sprake van een essentieel foerageergebied. Door het huidige intensieve beheer zijn er minder insecten aanwezig waarop vleermuizen jagen. De

situatie zal na realisatie van de beoogde ontwikkelingen vergelijkbaar zijn met de huidige situatie, maar door de aanplant van inheemse hagen en lanen zal er meer sprake zijn van diversiteit. Dit heeft

een positief effect voor foeragerende vleermuizen. Zodoende is er geen achteruitgang te verwachten, mits er tijdens en na de realisatie geen kunstmatig licht op de hagen, lanen en het Rouwdinksven gericht wordt.

Roofvogels en uilen Het plangebied en omgeving is mogelijk onderdeel van een foerageergebied voor roofvogels en

uilen. Door het beoogde ontwikkelplan zal het oppervlak om te foerageren kleiner worden. Door de aanplant van hagen en lanen zal wel meer diversiteit ontstaan, wat gunstig is voor de prooidieren van roofvogels en uilen. Hierdoor zal de toekomstige beoogde situatie geen significant negatief effect hebben op roofvogels en uilen. Daarbij zijn er voldoende soortgelijke en betere

fourageergebieden aanwezig in de omgeving. Broedvogels

De beek en sloot ten noorden van deellocatie 1 zijn stromende beken. Mogelijk dat de grote gele kwikstaart in de oeverranden of nabij de duikers broedt. Omdat de watergangen niet aangetast

worden zal de beoogde ontwikkeling geen effect hebben op het voorkomen van de grote gele kwikstaart. Voor de overige vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest, zijn binnen de planlocatie geen nestmogelijkheden aanwezig en ook geen oude nesten aangetroffen. In de

gegevens van de NDFF zijn diverse ‘categorie 5 soorten’ opgenomen, onder andere blauwe reiger, boomklever, ekster, mezen, spechten, merel en spreeuw. Gelet op het gebruik van het plangebied

en de omgeving zijn in de bomen en struiken nesten van deze algemene vogelsoorten te verwachten. Dit zijn soorten die vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestiging als de broedplaats verloren is gegaan. Voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk als elders vergelijkbaar habitat beschikbaar is. Dit is hier het geval. Steenmarter

Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat binnen het plangebied en n de omgeving de steenmarter is waargenomen. Rust- en verblijfplaatsen voor steenmarter en andere kleine marterachtigen moeten goed geïsoleerd of beschut zijn om onderkoeling te voorkomen. Bij de keuze voor een locatie als rustplaats is het van belang dat de in- en de uitgang van de rustplaats dekking biedt en in verbinding

vormige groene elementen, zodat de rustplaats veilig kan worden bereikt. De foerageergebieden bestaan vooral uit struwelen, bosranden en groene oevers.

In de aanwezige bebouwing zijn geen potentiële nest- of schuilplaatsen aangetroffen. Ook zijn er geen geschikte steen- of takkenstapels binnen het plangebied en in het Rouwdinksven. Op de onderzoekslocatie zijn wel sporen aangetroffen van een marterachtige. Mogelijk bieden de verlaten

nertsenstallen aan de Karissendijk geschikte verblijfplaatsen. De beoogde ontwikkeling zal waarschijnlijk geen effect hebben op de steenmarteren andere kleine marterachtigen. Gezien de

groene inrichting in de toekomstige situatie zal de beoogde situatie juist leiden tot meer diversiteit en voedselaanbod.

20

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN JTONNAER

P218712.001.004

Belangrijk is dat de volgorde zoals beschreven in de het landschappelijk inpassingsplan wordt

aangehouden. Dit houdt in dat de hagen en lanen eerst worden aangelegd en daarna pas de nieuwe stallen worden gerealiseerd. De hagen en lanen aan de straatzijden kunnen vanuit praktische overwegingen (bouwverkeer en bouwactiviteiten) pas na de realisatie van de stallen worden

aangeplant. Doordat voor het landschappelijk inpassingsplan een voorwaardelijke verplichting is opgenomen is de volgorde van aanleg gewaarborgd in het bestemmingsplan. Voor de beoogde ontwikkeling worden geen bomen gerooid. Bomen kunnen tijdens het broedseizoen niet jaarrond beschermde nesten bevatten, maar deze nesten worden niet verstoord. In enkele bomen zijn gaten of holen aanwezig en deze zijn voor vleermuizen geschikt als verblijfplaats. De bomen maken ook onderdeel uit van een lijnvormig element. Deze gaan door het behoud van de bomen

niet verloren.

In de artikelen 11.6, 11.27 en 11.116 van het Bal staan specifieke zorgplichten waar de ondernemer

zich moet houden. De zorgplicht geldt voor ieder die een activiteit uitvoert waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze nadelige gevolgen kan hebben op in het wild levende dieren, planten

en bomen maar ook natuurgebieden. Volgens de zorgplicht dient men redelijkerwijs nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan maken. Voor alle soorten, inclusiefde minder streng beschermde soorten, geldt in praktijk dat onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden.

De aanwezige vegetaties langs met name de percelen en oeverranden blijven behouden en groenstructuren worden uitgebreid en versterkt op basis van het landschappelijk inpassingsplan, met name langs de perceelranden. Ook worden er natuurlijke poelen aangelegd. De landschappelijke inpassing heeft een positief effect op de ecologische waarde en de biodiversiteit

binnen het plangebied. Hierop is de effectscore van licht positief 0/+ in het MER van 2023 dan ook op gebaseerd, Het aanvullende flora en faunaonderzoek geeft geen aanleiding om deze effectscore te wijzigen.

In het flora en fauna onderzoek wordt de aanbeveling gegeven om bij de concretisering van het bouwplan te denken aan ‘natuurinclusief’ bouwen, waardoor de nieuwe stallen meer natuurwaarde

kunnen bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen, maar ook aan het inzaaien van kruidenmixen rondom de stallen en het aanleggen van takkenrillen of houtstapels.

x

P218712.001.004

6 Stikstofgevoeligheid goudgroene zone 6.1

Advies Commissie voor de m.e.r.

In het MER is aangegeven dat het nabijgelegen natuurreservaat Ophovense Zandberg, onderdeel van

de Goudgroene natuurzone (Natuurnetwerk Nederland), niet gevoelig is voor stikstofdepositie, maar onderbouwt dit niet. De Commissie constateert dat deze informatie onjuist is en dat de relevante milieueffecten voor dit aspect onvolledig in beeld zijn gebracht. De wezenlijke kenmerken en

waarden van dat gebied bestaan uit de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan. Uit de kaarten van het Natuurbeheerplan blijkt dat hier onder andere de

Natuurbeheertypen N14.02 Hoog- en laagveenbos, N06.04 Vochtige heide en N07.01 Droge heide voorkomt. Deze natuurbeheertypen zijn stikstofgevoelig. Extra stikstofneerslag op deze gebieden kan een aanzienlijk milieueffect zijn, zeker als het gebied nu al meer stikstofdepositie kent dan goed

is voor de daar aanwezige natuurwaarden. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER de impact van de ontwikkeling op de

wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone naderte onderbouwen.

6.2

Aanvullende beoordeling

Stikstofdepositie is in het MER berekend op meerdere punten van voormalige Wav-gebieden en van natuurnetwerk. Er is sprake van een depositietoename ten opzichte van de bestaande situatie en de natuurvergunde situatie.

De externe saldering die heeft plaatsgevonden in 2015 ten behoeve van

Natura2000-gebieden zorgt er alleen voor dat er geen verslechtering is voor Natura2000 gebieden. Ingrepen in het Natuurnetwerk Limburg (voorheen was dit de goudgroene natuurzone) zijn in principe niet toegestaan, tenzij wordt voldaan aan een aantal voorwaarden die staan beschreven in de Omgevingsverordening Limburg. Als een ingreep in het Natuurnetwerk Limburg wordt gedaan en deze activiteit tast de natuur- en landschapswaarden aan, dan moet dit gecompenseerd worden. Het kaderstellende bestemmingsplan maakt geen ingrepen in Natuurnetwerk mogelijk, maar heeft wel een externe werking ten aanzien van stikstofdepositie.

Het natuurbeheerplan beschrijft de provinciale doelen op het gebied van natuur- en landschapsbeheer voor het Natuurnetwerk.

Het natuurbeheerplan bevat een: e _ beheertypenkaart: hierop staat de actuele natuursituatie voor het (agrarisch) natuurbeheer. Deze

kaart is de basis voor

beheersubsidies.

e _ ambitiekaart: hierop staat de ambitie van de provincies voor de natuur. De kaart geeft aan welke natuur over ongeveer tien jaar gerealiseerd kan zijn in de natuurgebieden.

2

Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P<ÂDEROYEN c}omuu:k

aam oo

Op de Beheertypenkaart is aangegeven per natuurterrein welke natuurtypen (N01-N17) aanwezig

zijn en waarvan het behoud wordt nagestreefd. Indien er nog geen bestaand beheertype aanwezig is betekent dit dat hier ontwikkeling tot een gewenst beheertype uit de Ambitiekaart nodig is. Voor het bepalen van het dan gewenste beheertype moet in sommige gevallen nog aanvullend

onderzoek plaatsvinden. De beheertypenkaart volgt de ontwikkeling van de natuurbeheertypen die in het veld voorkomen. Het streven is om het beheer in te zetten in de meest kansrijke leefgebieden voor stabiele populaties. Hierbij is de versterking, buffering en/of verbinding van het Natuurnetwerk een belangrijk uitgangspunt. In het Natuurnetwerk waar sprake is van de stikstofdepositietoename zijn de stikstofgevoelige beheertypen N14.02 Hoog- en laagveenbos, N06.04 Vochtige heide en N07.01 Droge heide aanwezig (bestaande vegetatie). e

e

m z}

e

EN

e

E

e

a

>H HS

E

b

e n r

e

p i e

d

I oentig bos vet proactie

Figuur 1: (Streef]beheertypes Natuurbeheerplan 2025 (bron: Atlas Limburg)

Op de volgende pagina is de kwaliteitsbepaling van de stikstofgevoelige beheerstypen N14.02 Hoogen laagveenbos, N06.04 Vochtige heide en NO7.01 Droge heide volgens gegevens van BIJ12 opgenomen.

Aanvaling Pan-MER

estemmingsplan De Horsten

Egchel

3

P218712.001.004

Kwaliteitsbepaling * “Hoog’:indien

minstens 25% van de opperviakte zich voor de GLG en de GVG binnen het bereik voor

“Hoog” ontwikkeid bevindt.

« Midden”:indien ‚en de GVG

*

niet oldaan wordt aan “Hoog” n minstens 5096 van de oppervlakte voor de GLG zich minimasl binnen

het bereik voor “Uidden” ontwikkeld bevindt.

“Laag’:indien aan bovenstaande criteria niet wordt voldaan.

B Bxteme beïnvloeding

N14.02 Hoog- en laagveenbos - Stikstofdepositie *

Hoog Stkstoldepostie

_

wigeen

<12igNha1y-1<850

u

2-5kgNhely

miNha1y1

ì 8501780 molN. na1y1

zSkgN

e

>1780 molN may1

1 van resutten

* Waorde voor Hoogveenbossen (25kg} (Van Dobben & Van Hinsbergen,2008).

b} Exteme benvoeding

NO6.04 Vochtige heide - Stikstofdepositie

E

woor Sttoepeie

<IkgN

miegen eY

WIskgNMsIyt

oh

t

u ISgN

IT

B301280molN

>1260molN

haly1

haly1

wieden

g

1van esataten

N07.01 Droge heide - Flora en fauna

Moog stistokdeposiie

_

<1SKgN a Y-1<1070

15-0kgNDely

mainhsiy1

ì

1070-2130 molN haiy1

O

RAEN

y

1

>2130 molN haiyt

# 1 tot1van } resutsten

* Waarde voor Droge heiden en Jeneverbesstruwelen (Van Dobben en Van Hinsbergen, 2008).

(Bron: www.BI12.nl-natuurinformatie)

x

Aanvaling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

PÂDEROYEN JTONNAER

P218712.001.004

Op betreffende stikstofgevoelige beheertypen is de stikstofdepositie berekend in Aerius Calculator v2023.2. De Aerius berekeningen zijn opgenomen in bijlage 4. Het stikstofplafond in het

bestemmingsplan begrensd de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan ten aanzien van stikstof en wordt gevormd door de natuurvergunning van 2020. Op basis van de

stikstofplafondregeling mag de stikstofemissie niet toenemen ten opzichte van deze natuurvergunning. Tabel 2: Stikstofdeposities bestaande situatie en maximale mogelijkheden bestemmingsplan (Aerius Calculator v2023.2}

Stikstofgevoelig

Heersende

Bestaande

berekende depositie

mol/ha/jaar

Rekenpunt 2 H14.02 Rekenpunt 8 H7.01

3844 1.455

259 1,84

167 103

430 4,46

Rekenpunt 6 H6.04

2.575

0,51

0,32

115

matuurbeheertypeinhet _ achtergrond _ situatie Natuurnetwerk depositie mol/ha/jaar rekenpunt met hoogste rekenjaar 2024

Bestaande

Maximale

planologisch mogelijkheden legalesituatie _ bestemmingsplan mol/ha/jaar (Wnb vergund 2020) mol/ha/jaar

* de bestaande zeugenstal op De Horsten 17 is niet opgericht en in werking overeenkomstig de vigerende omgevingsvergunning (voor afwijken bestemmingsplan} en wordt met het onderhavige bestemmingsplan planologisch gelegaliseerd.

Deze bestaande

zeugenstal vormt daardoor geen onderdeel van de referentie MER.

Voor in ieder geval de stikstofgevoelige beheertypen H14.02 en H6.04 is de kwaliteit vanwege de te

hoge heersende stikstofdepositie te bestempelen als ‘laag’. De stikstofdepositie neemt toe ten gevolge van het bestemmingsplan, maar ook de ruimtelijke condities en de milieu-en watercondities zijn van belang voor deze beheertypen. De toename van de stikstofdepositie is wel een drukfactor

voor stikstofgevoelige vegetaties, waardoor nadelige effecten voor de doelstellingen van deze natuurgebieden niet kunnen worden uitgesloten. Er zijn geen wettelijke belemmeringen voor vaststelling van het bestemmingsplan en de later aan te vragen omgevingsvergunningen als gevolg van de externe werking ten gevolge van de het plan voor deze natuurgebieden. Het bestemmingsplan is ten aanzien van het Natuurnetwerk uitvoerbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=c1de1d91-0d12-4c7b-89a0-512e067c1c08