CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-043 05 Ruimtelijke motivering (geanonimiseerd)

Raad 24 juni 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan 'Poorterweg 101 Koningslust’ (2025-043)11.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.11.1 Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijage A (begrippen) van de Ow. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties n het omgevingsplan, ander cuftureel erigoed als bedoeld in artikel 1. van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artkel 1.2 lid 2 sub g Ow worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl opgenomen, te weten in paragraaf 5.1.5 Bkl (beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed). 6.11.2 Onderzoek

Relevante landschappelijke, stedenbouwkundige gemotiveerd in hoofdstuk 5 van deze motivering.

en cultuurhistorische

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

waarden

zijn reeds

benoemd

en

26

Naast deze waarden is ook het aspect archeologie opgenomen onder de eerder genoemde

Erfgoedwet. De

gemeente Peel en Maas heeft haar archeologiebeleid vastgelegd in de Nota archeologie met bijbehorende beleidskaart. Het archeologiebeleid is doorvertaald naar het vigerende omgevingsplan. Op basis van de lage verwachtingswaarde is in het vigerende omgevingsplan geen archeologische dubbelfunctie opgenomen.

Onderhavig planvoornemen behelst enkel een functiewijziging waarbij bestaande bebouwing gehandhaafd blijft. Het planvoornemen behelst geen realisatie van nieuwe bebouwing. Het aspect archeologie vormt dan ook

geen beperking voor onderhavig initatief. 6.11.3 Te treffen maatregelen Het planvoornemen heeft geen nadelige gevolgen voor cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw. treffen van maatregelen is in deze dan ook niet nodig.

Het

6.11.4 Conclusie

Voor wat betreft het aspect cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.12 Bedrijfsmatige activiteiten Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Besluit activíteiten leefomgeving (Bal), dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrif, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende functies.

Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder zoveel mogelijk voorkomen. Indien gevoelige objecten worden gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Anderzijds dienen bedrijven bij het (doorontwikkelen van het bedrij rekening te houden met omliggende gevoelige objecten. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze bedrijvenlijst geeft richtafstanden waaraan getoetst kan worden. Onderhavig planvooremen ziet toe op het wijzigen van de gebruiksfunctie van een agrarische bedrijfswoning tot burgerwoning, waarbij een bestaand bijgebouw (garage) gehandhaafd blft. Voor een woonfunctie gelden geen richtafstanden ten opzichte van omliggende objecten. Voor wat betreft omliggende bedrijven zijn de dichtstbij gelegen bedrijven: °

Poorterweg 121: Bedrijf — niet agrarisch verwant. afstand 220 meter.

°

Poorterweg 103: Agrarisch-Glastuinbouw, afstand 0 meter.

° e

De Brentjes 39: Agrarisch-Grondgebonden, afstand 430 meter. De Brentjes 81: Agrarisch-Grondgebonden, afstand 370 meter.

In bovenstaande afbeelding is de weergegeven afstand de afstand van de grens van de bedrifsactiviteiten van het genoemde bedijf tot de uiterste vergunningsvrij te realiseren gevel van een gevoelig object op de locatie Poorterweg 101 te Koningslust. De locatie kan het beste beschouwd worden als gelegen in een ‘gemengd gebied' vanwege de ligging aan een gebiedsontsluitingsweg. Voor de bedrijven aan de Poorterweg 121, de Brentjes 39 en 81 kan gesteld worden dat (ruimschoots) voldaan wordt aan alle richtafstanden.

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

27

Voor de locatie Poorterweg 103 is dat niet het geval. Hierbij gelden vanwege de ligging in gemengd gebied de volgende richtafstanden:

Geur:

O meter

Stof:

O meter

Geluid: Gevaar:

10 meter O meter

Voor deze locatie wordt niet voldaan aan de richtafstand van 10 meter, de werkelike afstand bedraagt namelijk 0 meter. Om het bedrif aan de Poorterweg 103 niet in haar bedrijsvoering te beperken is op de verbeelding de gebiedsaanduiding ‘milieuzone — geluid’ opgenomen. Ter plaatse van deze gebiedsaanduiding mag er geen geluidgevoelige bebouwing opgericht worden. Daarmee is de ontwikkeling qua bedrijfsmatige activiteiten in de directe omgeving inpasbaar.

6.13 Toetsing Besluit m.e. In deze paragraaf komt aan de orde of bij de activieit rekening gehouden dientte worden met het Besluit m.e.r. 6.13.1 Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Hiervoor zijn regels opgenomen in paragraaf 16.4.2 Ow (milieueffectrapportage voor projecten) en afdeling 11.2 Ob (milieueffectrapportage voor projecten). 6.13.2 Project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V Ob, in samenhang met artikel 11.6 Ob en artikel 11.8 Ob. Bijlage V Ob heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van een project. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend, in dit geval de omgevingsvergunning.

Of voor een besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt volgt uit kolom 2 en kolom 3. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2 geldt een mer-plicht, anders geldt een mer-beoordelingsplicht (tenzij in kolom 3 ook nog voorwaarden staan). Onder de Omgevingswet wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Het wijzigen van de gebruiksfunctie van een agrarische 2 bedrijfswoning tot burgerwoning komt niet voor in kolom 1 van bijlage V Ob. Onderhavig planvoornemen is dan ook niet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig. 6.13.3 Project mer-beoordeling Indien sprake is van een mer-(beoordelings)plicht, als bedoeld in artikel 18.43 Ow, dient het bevoegd gezag het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten met bijbehorende motivering op te nemen in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artike! 11.11 lid 2 Ob). In de motivering van de beslissing (artikel 11.11 lid 3 Ob) wordt in ieder geval verwezen naar: a. b.

De relevante criteria van bijlage I! bij de mer-richtljn; en Als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:

1.

De kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid Ob, als degene die voonemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en

2.

Het moment waarop die maatregelen moeten zijn uitgevoerd.

Aangezien onderhavig planvoornemen niet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, hoeft ook geen verdere beoordeling plaats te vinden.

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

28

6.13.4 Onderzoek

Aangezien onderhavig planvoornemen niet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, hoeft ook geen verdere beoordeling plaats te vinden. Evengoed kan in deze aangegeven worden dat in onderhavige motivering een beschrijving i gegeven van de plaats en de omvang van het planvoornemen. Verder is ook ingegaan op de eventuele gevolgen van het planvoornemen voor alle relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving. Uit deze toetsing zijn geen beperkingen naar voren gekomen. Wat dat betreft kan gesproken worden van een aanvaardbare ontwikkeling. 6.13.5 Te treffen maatregelen Aangezien onderhavig planvoornemen niet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, hoeft ook geen verdere

beoordeling plaats te vinden. Op basis daarvan is ook het treffen van maatregelen niet nodig. 6.13.6 Conclusie

Voor wat betreft het aspect toetsing Besluit m.e.r. / m.er-beoordeling is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

6.14 Spuitzones 6.14.1 Wettelijk kader Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk i (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). 6.14.2 Onderzoek

Binnen 50 meter van het functievlak Wonen’ ligt één perceel gelegen met een agrarische functie. Dit is een perceel waarop voorheen kassen stonden. Dit perceel ligtop een afstand van 32 meter. Andere percelen liggen op (veel) grotere afstand. In de kassen behorende bij de Poorterweg 103 kunnen ook bestrijdingsmiddelen toegepast worden. Bij toepassing van middelen is het gebruikelijk dat de kassen gesloten zijn en er rond de kassen geen verspreiding van middelen plaatsvindt. De bestaande woningen zijn momenteel ook reeds gevoelige objecten, in de beoogde situatie blft dat zo. Er treed daarmee geen wijziging op in de gevoeligheid en de afstand wijzigt niet. Daarmee zijn er geen negatieve effecten te verwachten.

6.14.3 Conclusie

Het aspect spuitzones vormt geen beperking voor onderhavig initiatief.

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

29

7 Beperkingengebieden In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met aangewezen beperkingengebieden.

7.1 Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt n de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) s aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rjkswegen en vaarwegen. Onderhavig plangebied is gelegen op de locatie Poorterweg 101 te Koningslust. Deze locatie is niet gelegen binnen een aangewezen beperkingengebied van Rijk er'of provincie. De beperkingengebieden vormen dan ook geen beperking voor onderhavig planvoornemen c.q. onderhavig planvoornemen heeft geen nadelige gevolgen voor de aangewezen beperkingengebieden.

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

30

8 Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden economische als ook de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

8.1

Economische

8.1.1

Financieel economische

met zowel de

uitvoerbaarheid haalbaarheid

De realisatie van het planvoomemen geschiedt geheel voor rekening en risico van initiatiefnemer. De gronden waarop het initiatief plaatsvindt zijn in eigendom bij initiatiefnemer. Met onderhavig planvoornemen zijn de gemeentelike financiën niet in het geding. 8.1.2 Kostenverhaal

Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een

kostenverhaalsbeschikking zoals bliijkt uit kostenverhaalplichtige activiteiten, te weten:

artikel

13.18

Omgevingswet.

Kostenverhaal

geldt

voor

e _ Aangewezen bouwactiviteiten; e _ Aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit (Ob) bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal, In artkel 8.13 Ob gaat in op de aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artkel 8.14 Ob gaat in op de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal. Artikel 815 Ob gaat in op de kostensoortenlijsten. De activiteiten waarvan kosten worden verhaald (artikel 8.13 Ob) zijn: a. b. c. d.

e. f

de bouw van een of meer gebouwen met een woontunctie; de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woontunctie; de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2

bruto-vloeropperviakte; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woontunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.

Onderhavig planvoornemen behelst het wijzigen van de gebruiksfunctie van een bestaande agrarische 2° bedrifswoning tot burgerwoning. Hierbijis geen sprake van een van de voornoemde activiteiten. In onderhavig gevalis kostenverhaal dan ook niet aan de orde. 8.1.3 Nadeelcompensatie Indien een omgevingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan schade wordt veroorzaakt, dan is Titel 4.5

(nadeelcompensatie), artikelen 4.126 tot en met 4.131, van de Algemene wet bestuurstecht (Awb) van toepassing. Het bevoegd gezag sluit een overeenkomst met initiatiefnemer tot verhaal van de kosten als gevolg van nadeelcompensatie welke te herleiden zijn tot het omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat de kosten van eventuele nadeelcompensatie niet voor rekening komen van de gemeentelijke financiën.

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

31

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1 Participatie Initiatiefnemer heeft de naaste belanghebbenden 1 op 1 geïnformeerd over onderhavig planvoornemen. Het gaat daarbij om de volgende omwonenden: Poorterweg Poorterweg Poorterweg Poorterweg Poorterweg Poorterweg

99 103 64 66 68 97

Uit de gevoerde gesprekken zijn geen op- en/of aanmerkingen naar voren gekomen.

8.2.2 Advies en instemming In art. 2.2 van de Omgevingswet is een algemene verplichting neergelegd dat bestuursorganen overleg voeren, met elkaars belangen rekening houden en zo nodig onderiing afstemmen. Om die reden is onderhavig TAM-omgevingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg. De Provincie Limburg heeft aangegeven dat zij geen aanleiding zien tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op deze wijze wordt voortgezet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.

8.2.3 Vaststellingsprocedure Voor het wijzigen van een

omgevingsplan

moet

een

gemeente

altijd

de

uniforme

openbare

voorbereidingsprocedure volgen. De procedure is grofweg in te delen in 3 procedurestappen: 1.

2.

Vóór het ontwerp-omgevingsplan: de gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel en milieueffectrapport (MER) op; a. Kennisgeving voornemen wijziging omgevingsplan b. Mileueffectrapport schrijven (indien van toepassing) Ontwerp-omgevingsplan: de gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan en legt het ter inzage. Iedereen kan daarna zienswijzen inbrengen: a. Kennisgeving ontwerpbesluit Mededeling in gemeenteblad Terinzagelegging ontwerpbesluit Aanvuling ter inzage gelegde stukken (indien van toepassing) Zienswijzen (indien van toepassing) Verslag mondelingen zienswijzen (indien van toepassing Vaststellen omgevingsplan: de gemeente stelt het omgevingsplan vast. a. Termijn vaststeling bij MER (indien van toepassing) Vaststeling omgevingsplan c. Termijn tussen vaststeliing en bekendmaking d. Bekendmaking, kennisgeving, terinzagelegging e Mededeling van het besluit f Inwerkingtreding

zoeore

3.

De regels van het omgevingsplan worden tot slot zichtbaar in het Digitaal Stelsel Omgevingswet

(DSO).

Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (de LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het omgevingsplan komen dan automatisch in het Omgevingsloket. Iedereen kan zo op een kaart zien welke regels waar gelden.

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

32

8.2.4 Bezwaar / Beroep Tijdens de ontwerpterinzagelegging van het omgevingsplan kan eenieder zijn of haar zienswijzen kenbaar maken. Het bevoegd gezag moet vervolgens bij de motivering van het definitieve besluit ingaan op de ingediende zienswijzen. Tegen het ontwerpplan zijn geen zienswijzen ingediend.

De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de korte/reguliere procedure voor. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarma kan hoger beroep worden ingesteld biij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRVS). Bij sommige besluiten is er geen beroepsmogelikheid bij de rechtbank, maar moet iemand meteen naar de ABRVS. Deze besluiten staan in bijage 2, artikel 2, van de Awb. Dit geldt onder andere in het geval van een besluit ten aanzien van een omgevingsplan.

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

33

9 Belangenafweging en conclusie 9.1 Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Een wijziging van het omgevingsplan wordt alleen goedgekeurd indien sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Daarnaast gelden de instructieregels n hoofdstuk 5 van

het Bk!.

De algemene vraag i of het initatief leidt tot een situatie waarbij nog steeds of weer (door de voorgenomen wijziging) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover deze betrekking hebben op onderhavig planvoornemen, onderzocht en gemotiveerd (zie de hoofdstukken 4 tot en met 7).

9.2 Conclusie Uit de toetsing aan alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, met betrekking op onderhavig planvoornemen, komen geen belemmeringen cq. beperkingen voor onderhavig planvoornemen naar voren. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat met de ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat dus sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling.

Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=d5a37d4a-90c9-42ee-870c-c9e068407b94