2025-043 05 Ruimtelijke motivering (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Document:
_
Ruimtelijke motivering Poorterweg 101 Koningslust”
Procedure:
_ WOP (TAM-omgevingsplan)
Datum:
25 maart 2025
v
(geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
Initatiefnemer:
Pijnenburg
>
agrarisch advies & onroerend goed
5963 NJ
Horst
T+31(0)77 398 29 21 info@pijnenburgadvies.nl
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE.
1 Aanleiding en doel 1.1 Aanleiding. 1.2 Plangebied 1.3 Het omgevingsplan . 1.4 Leeswijzer 2 Beschrijving h 3 Voorgenomen ontwikkeling 4 Beleid en regelgeving 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels… 4.3 Omgevingswaarden
4.6 Gemeentelijk beleid. 5 Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden 6 Fysieke leefomgeving
16
6.1 Beschermen van de gezondheid.. 6.2 Milieubelastende activiteiten
6.3 Geluid door activiteiten 6.4 Kwalliteit van de buitenlucht.
86.5 Geur. 6.6 Bodemkwaliteit..
6.7 Wegen, verkeer en parkeren … 6.8 Omgevingsveiligheid.… 6.9 Natuur …
6.10 Water en watersystemen . 6.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw 6.12 Bedrijfsmatige activiteiten. 6.13 Toetsing Besluit m.e.r. / m.
“beoordeling
6.14 Spuitzones . 7 Beperkingengebieden.
30
7.1 Beperkingengebieden. 8 Uitvoerbaarheid 8.1
Economische uitvoerbaarheid
8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid. 9 Belangenafweging en conclusie 9. Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties 92 Conclusie..
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
1
Separate bilagen: 1. Landschappelij inpassingsplan 2. Stikstofberekening Aerius
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
1 Aanleiding en doel 1.1 Aanleiding Initiatiefnemers zijn eigenaar van de woning aan de Poorterweg 101 te Koningslust. Voorheen maakte deze woning onderdeel uit van het glastuinbouwbedrijf dat gevestigd is aan de Poorterweg 103 en vormde de 2 bedrifswoning bij het bedrif. Door de verkoop van het glastuinbouwbedrijf aan derden is er in de feitelijke
situatie geen sprake meer van het gebruik als bedrijfswoning omdat initiatiefnemers geen binding meer hebben met het agrarische bedrijf. Aangezien er ter plaatse van de Poorterweg 101 geen agrarische bedrijfsvoering meer aanwezig is, is het wenselijk de functie te wijzigen in “Wonen”. Daartoe dient onderhavig plan.
Afbeeling 1. Ligging woning Poorterweg 101 (rood omcirkeld)
Voor dit planvoornemen i een principeverzoek gedaan bij de gemeente Peel en Maas. Per brief is op 11 maart 2024 aangegeven dat de gemeente in principe bereid is medewerking te verlenen aan het plan. Om medewerking te verlenen dient een wijziging van het omgevingsplan plaats te vinden. Onderhavige motivering maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tot en met 31 december 2025 kan dat op basis van een TAM-imro. Daar wordt in onderhavig geval dan ook gebruik van gemaakt.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
3
1.2 Plangebied De locatie ligt aan de Poorterweg 101 te Koningslust. De locatie is formeel gelegen tegen de bebouwde kom van Koningslust, stedenbouwkundig gezien maaktde locatie onderdeel it van de kern Koningslust. Het perceel Poorterweg 101 is kadastraal bekend als Koningslust, sectie A, nummer 8519 met een oppervlakte van 1.015
1.3 Het omgevingsplan De locatie valt onder de werking van het 'Omgevingsplan gemeente Peel en Maas’, welke vanaf 01-01-2024 in werking is getreden. Het omgevingsplan bevat regels van de gemeente voor de fysieke eefomgeving. ledere gemeente heeft { omgevingsplan onder de Omgevingswet. Alle bestemmingsplannen die op 31 december 2023 bestaan, staan op 1 januari 2024 automatisch in een tjdelijk omgevingsplan. Dit heet een ‘omgevingsplan van rechtswege’. De gemeente gaat dit tijdelijke plan stap-voor-stap veranderen in een omgevingsplan. Dit is uiterlijk in 2032 klaar. Voor de locatie aan de Poorterweg 101 geldt derhalve nu het tijdelijke omgevingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’, zoals vastgesteld op 24-12-2014. De locatie heeft daarin de functie ‘Agrarisch — Glastuinbouw met de
maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 2'. Daarnaast gelden de gebiedsaanduidingen ‘kemrandzone’, ‘reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en ‘wetgevingszone — wijzigingsgebied 2 ko’.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
4
Enieberenming
E
Agarsen:
z
Gastinbouw
Gebiedsaarduang
Gevidsanduidng
Afoeelding 3. Uitsnede plankaart vigerend omgevingsplan.
Verder is op 19-06-2018 het ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas' vastgesteld. Dit plan maakt het mogelijk om bij omgevingsplannen en vergunningaanvragen te toetsen of er voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Het gebruiken van de aanwezige bedrijfswoning, zonder een agrarisch bedrif te exploiteren is op basis van het vigerende omgevingsplan niet rechtstreeks toegestaan. Om medewerking te verlenen dient een wijziging van het omgevingsplan plaats te vinden. Onderhavige motivering maakt onderdeel uit van de aanvraag voor het wijzigen van het omgevingsplan. Tot en met 31 december 2025 kan dt op basis van een TAM-imro. Daar wordt in onderhavig geval dan ook gebruik van gemaakt.
1.4 Leeswijzer Deze motivering is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie binnen het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het beleidskader met
de bijbehorende regelgeving wordt uitgewerkt in hoofdstuk 4. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 een toelichting gegeven ten aanzien van de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 6 wordt getoetst aan alle relevante (milieu)aspecten behorende tot de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de beperkingengebieden en in hoofdstuk 8 op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot vindt in hoofdstuk 9 de belangenafweging plaats en is de algehele conclusie omtrent het planvoornemen uiteengezet.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
5
2 Beschrijving huidige situatie In dt hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving daarvan. Ook wordt er ingegaanop de aanwezige ruimtelik-unctionele structuur van het plangebied en omgeving. Dit alles dient als basís voor de voorgenomen ontwikkeling. De locatie ligt aan de Poorterweg 101 te Koningslust. De locatie is formeel gelegen tegen de bebouwde kom van Koningslust, stedenbouwkundig gezien maakt de locatie onderdeel uit van de kern Koningslust. De bestaande woning vormde de 2° bedrifswoning van het glastuinbouwbedrijf zoals dat op de Poorterweg 103 gevestigd is. Het perceel Poorterweg 101 heeft een oppervlakte van 1.015 m2. Hierop s een vrijstaande woning aanwezig met een bijgebouw (berging/garage). Het restant van het perceel is ingericht als tuin bij de woning. De tuin van de woning sluit in westelike zijde aan op de bestaande kas, in noordelijke richting op het erf van het glastuinbouwbedrif. In oostelijke en zuidelijke richting liggen woningen van derden die onderdeel van de kern Koningslust vormen.
De Poorterweg betreft een weg die in noordoostelijke richting aansluit op de Zandstraat en aan deze zijde een agrarische karakter heeft met nog een enkel agrarisch bedrijf, woningen van particulieren en in hoofdzaak een agrarisch grondgebruik, met plaatselijk ‘snippers’ bosgebied die het mozaïeklandschap kenmerken. Uiteindelijk komt de Poorterweg aan de oostzijde van het dorp uit op de Koningstraat. Het tussenliggende deel vormt het bebouwingslint met burgerwoningen aan beide zijden van de weg en die voor een deel de bebouwde kom vormt.
Afbeelding 4. Luchtfoto perceel Poorterweg 101 (rood omijnd)
en directe omgeving.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
6
3 Voorgenomen ontwikkeling In dt hoofdstuk wordt een (korte) beschrijving gegeven van de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij wordt ook alvast ingegaan op bijzondere aandachtspunten voor zover daar sprake van is. Een eventuele verdere verantwoording van deze bijzondere aandachtspunten is opgenomen in hoofdstukken 4 en 5. Zoals eerder aangegeven maakt de woning geen onderdeel meer uit van het glastuinbouwbedrif, tevens hebben de huidige eigenaren niet de intentie om nog een agrarisch bedrijf te exploiteren op de locatie.
Voornemen is daarom om de gebruiksfunctie te wijzigen in de functie “Wonen”. Op grond van het vigerende omgevingsplan mogen er binnen het bestaande bouwvlak kassen, bedrifsgebouwen, bijbehorende voorzieningen en 2 bedrijfswoningen aanwezig zijn. Door de verkoop van het glastuinbouwbedrijfis er op dit moment 1 woning als bedrijfswoning in gebruik (Poorterweg 103). Met dit plan wordt de functie van de woning Poorterweg 101 gewijzigd naar de functie ‘Wonen'. In dit plan wordt daarom tevens geregeld dat er binnen het glastuinbouwbedrijf slechts 1 bedrijfswoning aanwezig mag zijn, namelijk Poorterweg 103. Dat wordt bereikt door de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ te verwijderen. De verbeelding behorende bij dit plan omvat daarom ook de percelen die onderdeel uitmaken van de locatie Poorterweg 103. LEGENDA
Plangetied
e Bestemmingen
Dubbelbestemmngen eeseges
Gobidssandisngen
T
mteroe 90
n ==
s
í
Funceoondingen
s
ii
_O ondergend
TAMomgevingsplan
"Poortenweg 101°
Gemeente
Maas
Peel n
Afbeelding 5: uitsnede verbeelding beoogde situatie
Om het overblijvende glastuinbouwbedrijf niet in haar ontwikkelmogelijkheden te beperken wordt er over een deel van het perceel Poorterweg 101 de gebiedsaanduiding 'milieuzone — geluid'’ opgenomen. Door middel van deze gebiedsaanduiding is het niet mogelijk om geluidsgevoelige bebouwing te realiseren binnen een zone van 10 meter van het glastuinbouwbedrijf. Als onderdeel van onderhavig plan zal de locatie Poorterweg hoofdstuk 5 wordt daar nader op ingegaan.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
101
landschappelijk
ingepast worden.
In
7
4 Beleid en regelgeving In dt hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling toegelicht en wordt de ontwikkeling hieraan getoetst. Hierbij wordt achtereenvolgens ingegaan op het van toepassing zijnde rijksbeleid, provinciaal beleid, regionaal beleid, beleid van het waterschap en gemeentelijk beleid.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI worden de nationale belangen genoemd die gewaarborgd moeten worden in het beleid voor de fysieke leefomgeving. In zijn totaliteit kent de NOVI 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij
voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten: e _ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; e Duurzaam economisch groeipotentieel: ° _ Sterke en gezonde steden en regio's; ° Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
2.
Kenmerken
en identiteit van een gebied staan centraal;
3.
Afwentelen
wordt voorkomen.
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de afwegingsprincipes benut worden. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar,
herkenbaar
en economisch
sterk Nederland.
Onderhavig planvoornemen omvat het omzetten van een 2° bedrijfswoning naar een burgerwoning. De bestaande bijgebouwen worden gehandhaafd. Het glastuinbouwbedrijf zal verder ongewijzigd voortgezet worden. Gezien het zeer kleinschalige karakter van het planvoornemen worden geen nationale belangen uit de Nationale Omgevingsvisie geschaad. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de Nationale Omgevingsvisie. 4.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)
Tegelijkertjd met het in werking treden van de Omgevingswet (Ow) zijn een aantal Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) in werking getreden. Deze AMvB's bevatten de nadere uitwerking van bepalingen van de Omgevingswet. Het betreft de volgende AMvB's:
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
8
e _ Omgevingsbesluit (Ob): o _ Gerichtop burgers, bedrijven en bestuursorganen. Bevat regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). e _ Besluit kwaliteit leefomgeving (Bk): o Gericht op bestuursorganen. Bevat onder meer de normen en instructieregels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. ° _ Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): o Gericht op burgers, bedrijven en overheden bij hun feitelijk handelen. Bevat algemene, rechtstreeks werkende regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van
bouwwerken.
Daaraast
heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een
bouwwerk.
e _ Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
o
Gericht op burgers, bedrijven en overheden bij hun feitelijk handelen. Bevat algemene, rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Ook worden in dit besluit vergunningplichten aangewezen.
Het Bal en het Bbl bevatten rechtstreeks werkende, altijd geldende, regels. Hier dienen burgers, bedrijven envof overheden zich te allen tijde aan te conformeren. Het Omgevingsbesluit bevat in hoofdzaak de ‘procedurele’ regels. Vanuit deze drie AMvB's komen geen instructieregels naar voren die specifiek voor onderhavig planvoornemen van toepassing zijn. Het Bkl bevat wel relevante onderdelen, ten aanzien van omgevingsplannen is hoofdstuk 5 van het Bkl (Omgevingsplannen) van belang. Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat 3 afdelingen. Afdeling 5.1 bevat Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Deze afdeling is opgedeeld in 8 paragrafen: 1.
nron ”
7. 8.
Paragraaf Paragraaf Paragraaf Paragraaf Paragraaf erfgoed
5.1.1: Algemene bepalingen 5.1.2: Waarborgen van de veiligheid 5.1.3: Beschermen van de waterbelangen 5.1.4: Beschermen van de gezondheid en van het milieu 5.1.5: Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden
en cultureel
Paragraaf 5.1.6: Behoud van ruimte voor toekomstige functies Paragraaf 5.1.7: Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Paragraaf 5.1.8: Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
Afdeling 5.2 bevat Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze gaan onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Afdeling 5.3 bestaat uit een tweetal ontheffingsmogelijkheden. In de hoofdstukken 4, 5 en 6 van onderhavig plan wordt nader gemotiveerd dat aan alle wettelike kaders voldaan wordt. Daarmee mag verondersteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met de instructieregels uit het BkI. 4.1.3 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van het Rijk.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
9
4.2 Provinciaal beleid en provinciale regels 4.2.1 Omgevingsvisie Limburg Per 25 oktober 2021
is de ‘Omgevingsvisie
Limburg'
in werking
getreden.
De
Omgevingsvisie
is een
strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelike economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed.
Daarnaast worden
ook de aspecten
gezondheid,
veiligheid en een
gezonde
leefomgeving
in de
Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma's.
In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: * _ Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; o _ Instedelijk c.q. bebouwd gebied; © _ Inlandelijk gebied; * _ Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); + Klimaatadaptatie en energietransitie. Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘ijdloze' karakteristiek van de ondergrond, de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik in de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende hoofdtypen met bijbehorende categorieën: * +
Landelijke gebieden; o _ Groenblauwe mantel | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) | Buitengebied; Bebouwde gebieden:
=
Infrastructuren;
o _ Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke kern | Werklocaties; o _ (Inter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg | (Inter)nationale waterweg | (Lucht)haven | (Inter)nationale leidingstrook. Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie “landelijke kem’ behorende bij het hoofdtype bebouwde gebieden. Onderhavig planvoornemen sluit aan bij de voornoemde accenten uit de omgevingsvisie. Een bestaande bedrijfswoning wordt in een bebouwd gebied omgevormd naar een ‘Teguliere” woonfunctie. Vanuit de omgevingsvisie bestaan dus geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelik gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, naijende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor intemationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in het ontwerp van
de Omgevingsvisie Limburg (POVI. Deze is per 01-01-2024 in werking getreden.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
10
Onderhavig planvoornemen heeft een relatie met het onderwerp wonen. De regels ten aanzien van wonen zien echter in hoofdzaak toe op het realiseren/toevoegen van nieuwe woningen. Bij onderhavig initiatief is sprake van het wijzigen van de functie van een bestaande (bedrijs)woning en dus niet het toevoegen van een nieuwe woning.
Derhalve zijn de regels van deze nieuwe omgevingsverordening ten aanzien van wonen
niet van
toepassing op onderhavig planvoornemen. Reeds n de voorgaande paragraat is gemotiveerd dat het plan aan de uitgangspunten van de omgevingsvisie voldoet. 4.2.3 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen en het beleid van de provincie Limburg.
4.3 Omgevingswaarden Een omgevingswaarde
is een van de instrumenten om
beleid door te laten werken
vanuit het Riijk en de
provincie, maar ook van gemeenten zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:
e _ De gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; ° De toelaatbare belasting door actviteiten; ° De toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. De gemeente kan omgevingswaarden vaststelen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur en geluid. Op dit moment
is binnen de gemeente
Peel en Maas
nog sprake van een tijdelik omgevingsplan
(van
rechtswege). Hierin zijn geen, concrete, omgevingswaarden opgenomen. Derhalve wordt voor wat betreft de omgevingswaarden nu verwezen naar de toetsing aan de wettelijke kaders in hoofdstuk 6.
4.4 Regionaal beleid Onderhavig planvoornemen omvat het omvormen van een 2 bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf naar een reguliere woonfunctie. Voor een dergelijk initiatief is geen relevant regionaal beleid uitgewerkt. De daarvoor geldende kaders zijn uitgewerkt in provinciaal en gemeentelijk beleid. 441
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstellingen van het regionaal beleid.
4.5 Beleid Waterschap Relevante
beleidsstuk op het gebied van water is het Waterbeheerplan
2022-2027
van
het waterschap
Limburg. Onderhavig planvoornemen omvat het omzetien van de functie van een tweede bedrijfswoning naar een reguliere woning. Met onderhavig initiatief is geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Verder i ook geen sprake van verandering in activiteiten met grondwater, zoals het onttrekken daarvan. In het plangebied zelf is geen sprake van (relevante) oppervlaktewateren en/of waterkeringen.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
1
4.5.1 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de regels uit de Wsv.
4.6 Gemeentelijk beleid 4.6.1 Omgevingsvisie Peel en Maas Op 5 juli 2022 is de Omgevingsvisie Peel en Maas opgesteld. Bestaande structuurvisies worden voorlopig als onderliggend (buitenwettelijk) beleid gehandhaafd. Voor dit planvoornemen is een toets aan de Omgevingsvisie worden uitgevoerd. Hierin is gekeken naar het gebied dat getypeerd wordt als 'kleinschalig halfopen ontginningslandschap'. Voor zover relevant zijn de volgende gebiedskwaliteiten van belang: « _ Kleinschalig landschap met afwisselend weiden, akkers, bos, heideterreintjes en daar doorheen
(onverharde) paden. e _ Koningslust en nabij Grashoek: aantrekkelijke mozaïeklandschappen in combinatie met bos en natuurgebieden.
° _ Halfopen ontginningslandschappen,
kleinschalig door bebouwing
(en noorden van Meijel en
bezoek
verbrede
ten zuiden van Maasbree) De hier te versterken
°
Stimuleer
waarden
betreffen:
agrotoerisme
(0.a.
op
bij
de
boer)
en
landbouw
(0.a.
zorgboerderijen) en extensieve recreatie.
Versterken
van
bosschages
door
de
biodiversiteit te werken
met
door variatie aan
beplanting
en de
divers
houtwallen
en
sortiment,
kwaliteit van
boomsingels
bos
en
en
solitaire
bomen.
Maak ecologische oevers langs sloten en beken, Maak natte plekken in relatief lage gebieden, behoud extensieve (natte) weilanden. Ontwikkel en versterk het wandelpaden- en fietspadennetwerk. Repareer ontbrekende schakels in het netwerk.
Behoud waardevolle doorzichten. Koester hiervoor ook open velden in bosrijk gebied.
De
ingezette
koers
omgevingsvisie.
uit de
bestaande
kaderstellingen
De doelsteliingen zijn samengebracht
en
beleidsdocumenten
komen
samen
in de
in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3
overkoepelend zijn:
| Deze
Zo worden
we duurzamer
Een gezonde en veilige leefomgeving Het versterken van Goed
wonen
natuur en biodiversiteit
voor iedereen
Toekomstgericht ondernemen
Balans in het buitengebied opgaven
moeten
in
samenhang
worden
gezien.
We
zien
met
name
de
eerste
drie
als
overkoepelende leidende principes. Bij elke ontwikkeling moet bekeken worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaven kan worden geleverd.
In onderhavig aanwezige
geval
wordt
een
glastuinbouwbedrijf
2e
bedrijfswoning
omgezet
naar
een
reguliere
woonfunctie.
wordt
ongewijzigd
voortgezet.
Met
deze
wijziging
worden
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
Het
er geen
12
gebiedskwaliteiten
aangepast.
Als
onderdeel
van
dit omgevingsplan
wordt
de
locatie
Poorterweg
landschappelijk ingepast. Dat kan beschouwd worden als een verbetering van de gebiedskwaliteiten. Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling in n met de Omgevingsvisie Peel en Maas. 4.6.2 Kaderstelling Ruimte en Economie
In het coalitieakkoord 2014 is vastgelegd dat het college met de omgevíng in gesprek gaat over de gewenste koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing als richtsnoer heeft. De omzetting van een deel van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie is
passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie. Op basis van uitvoeringsafspraak 1.2 ‘We benutten bestaande
bebouwing
en sturen op hergebruik boven
uitbreiding en nieuwvestiging en daar waar dit niet
mogelijk is wordt er zorg gedragen voor hetgeen achterblijft. In dit geval is de omvang van de bebouwing
passend bij een woonobject, daarmee is geen sprake van overtollige bebouwing. Verder s n de kaderstelling opgenomen dat gezorgd wordt voor verbindingen en balans tussen economische en ruimtelike waarden. Ruimte voor ontwikkeling wordt geboden voor ontwikkeling waarbij rekening wordt gehouden met bestaande ruimtelijke kwaliteiten maar ook aspecten als veiligheid en milieu. In onderhavige
situatie is sprake van een bebouwingsint met meerdere burgerwoningen. Om die reden is het omvormen van een bedrijfsfunctie naar een burgerwoning een passende ontwikkeling. Onderhavig planvoornemen is daarmee passend binnen de kaderstelling Ruimte en Economie. 4.6.3 Kwaliteitskader Buitengebied Het kwaliteitskader biedt een houvast voor ontwikkelingsgericht beleid in het buitengebied. Daarnaast bevat het een uitwerking van de in het structuurplan vastgelegde beleidsuitgangspunten voor wat betreft de
aard en omvang van de te leveren tegenprestatie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen: 1. Basiskwaliteit (B): B is van toepassing bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding daarvan tot de referentiemaat in een agrarisch gebied. B wil zeggen dat nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en het erf komt.
2.
Basiskwaliteit Plus (B+): B+ is van toepassing bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding boven de referentiemaat. Als basis voor de omvang van de landschappelijk inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak.
3.
Aanwullende Kwaliteitsverbetering (AK): Onder andere bij uitbreiding van een solitaire burgerwoning of bedrijfswoning boven 1.000 m is ook AK van toepassing. Bij uitbreiding van solitaire woningen en bedrijfswoningen boven 1.000 m3 gaat het om een fysieke maatregel met een waarde van € 15,- per m3 extra uitbreiding.
Voor de realisatie van een woonfunctie geldt op basis van het kwaliteitskader de categorie B, oftewel Basiskwaliteit. Basiskwaliteit houdt in dat 10% van het bouwvlak ingepast moet worden. Het functiesen bouwvlak heeft een oppervlak van 1.015 m2. Dat leidt tot een inpassingseis van 102 m2. Voor onderhavig plan is een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt (bijlage 1). Dit plan voldoet aan de uitgangspunten van het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
18
Afbeslding 6:impressie landschappelie inpassing
4.6.4 Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de doelstelingen en het beleid van de gemeente Peel en Maas
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
14
5
Landschappelijke,
stedenbouwkundige
en
cultuurhistorische
waarden In dt hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. De locatie ligt aan de Poorterweg 101 te Koningslust. De Poorterweg is een weg die al lang bestaat. Al op topografische kaarten uit 1856 wordt de weg gekarteerd. Destijds was er n de omgeving nauwelijks bebouwing aanwezig. Pas rond 1890 verschijnt er in oostelijke richting bebouwing op de kaarten, die in de jaren 1910 — 1920 toeneemt. Pas eind jaren 30 is er bebouwing terug te vinden op de locatie die nu bekend s als Poorterweg 101-103. In de jaren zestig neemt de bebouwing op de locatie toe door diverse gebouwtjes. Eind jaren zestig zijn voor het eerst kassen terug te vinden op het perceel. Daama heeft het bedrijf zich doorontwikkeld tot het glastuinbouwbedrijf zoals dat nu ter plaatse aanwezig is.
N (\ ò
4
ó
A
“
Afbeelding 7-8. Uitsnede topografische kaarten 1934 (links) en 1978 (rechts). Poorterweg 101 is rood omirkeld.
Zowel de thans aanwezige bedrijfsgebouwen cultuurhistorisch pand/gebouw.
als ook
de
bedrifswoningen
zijn niet aangewezen
als
Onderhavig planvoornemen omvat het omvormen van de 2° bedrijfswoning tot een burgerwoning, door het toekennen van een woonfunctie aan de locatie Poorterweg 101. Hierbij zal geen sprake zijn van aantasting van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische, landschappelijk en/of natuurlijke waarden.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
15
6 Fysieke leefomgeving In dt hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten
sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 (fysieke leefomgeving) Omgevingswet.
6.1 Beschermen van de gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat daarbij enerzijds om het beschermen van de gezondheid, anderzijds om het bevorderen van de gezondheid. 6.1.1 Wettelijk kader
Op basis van artikel 1.3 sub a. van de Omgevingswet is het bereiken en n stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de
Omgevingswet. Ook in een divers aantal andere artikelen van de Omgevingswet komt het aspect gezondheid aan de orde. Het aspect gezondheid speelt binnen de Omgevingswet dan ook een centrale rol. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Deze instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, tilingen, uchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. 6.1.2 Conclusie
Onderhavig planvoornemen omvat het omzetten van een 2° bedrijfswoning naar een burgerwoning. De bestaande gebouwen worden gehandhaafd. Het glastuinbouwbedrijf zal verder ongewijzigd voortgezet worden. Verderop in dit hoofdstuk zal ingegaan worden op andere relevante aspecten als geluid, geur, trilingen, luchtkwaliteit en bodem. Uit deze toetsing blijkt dat voor deze aspecten sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. Op basis daarvan mag verondersteld worden dat met onderhavig planvoornemen vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
6.2 Milieubelastende activiteiten
Op basis van bijlage A bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt een milieubelastende activíteit gedefinieerd als een ‘activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactvitet op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. Alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben betreffen dus milieubelastende activiteiten, behalve de genoemde uitzonderingen. Onderhavig planvooremen omvat het omzetten van een 2° bedrijfswoning naar een burgerwoning. De bestaande gebouwen worden gehandhaafd. Het glastuinbouwbedrijf zal verder ongewijzigd voortgezet worden. Het beoogde gebruik van de Poorterweg 101 wordt op basis van bijlage 1 van het Bbl beschouwd als een woonfunctie. In het Bbl zijn verder allerlei technische eisen uitgewerkt waar bouwwerken, afhankelijk van de gebruiksfunctie, aan moeten voldoen. Daarbij valt te denken aan technische eisen op het gebied van stabiliteit (constructie), rookgasafvoer en brandmeldinstallatie(s). Onderhavig planvoornemen behelst enkel een gebruikswijziging van een bestaand gebouw van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Op basis van bijlage VI van het Bk! dient een gebouw met een woonfunctie als een 'kwetsbaar gebouw beschouwd te worden.
Vanuit het Bkl bestaan verder geen belemmeringen voor wat betreft milieubelastende activiteiten voor onderhavig planvoornemen.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
16
In het Bal zijn geen relevante onderdelen opgenomen ten aanzien van een woonfunctie. Vanuit het Bal bestaan verder geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. Het glastuinbouwbedrijf (Poorterweg
103) wordt voortgezet. Deze activiteiten vallen onder de werking
van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Vanuit het Bbl bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
6.3 Geluid door activiteiten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
63.1 Wettelijk kader In het voorlopige Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijn bepalingen opgenomen die aangeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder, onder andere als gevolg van wegverkeer, industrie, spoorwegen en andere specifieke activiteiten (waaronder windturbines). Een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient hieraan getoetst te worden. In artikel 3.21 (geluidgevoelige gebouwen) van het Bkl worden de geluidgevoelige gebouwen aangewezen. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. b. c.
Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
d.
Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
6.3.2 Onderzoek
Een burgerwoning wordt op basis van artikel 3.21 van het Bkl aangemerkt als geluidgevoelig gebouw. De huidige bedrijfswoning kan ook beschouwd worden als een woonfunctie en is dus reeds in de huidige situatie al aangemerkt als geluidgevoelig gebouw. Onderhavig initiatief ziet enkel toe op een gebruikswijziging van de woning van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. Daarbij mag verondersteld worden dat in de huidige situatie sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie.
Op basis daarvan mag men tevens veronderstellen dat ook in de beoogde situatie sprake zal zijn van een aanvaardbare situatie. Een nader onderzoek naar de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer,
industrie en spoorwegen ter plaatse van deze woning is dan ook niet aan de orde. Om het bedrijf aan de Poorterweg
103 niet te beperken is op de verbeelding bij dit plan de gebiedsaanduiding ‘milieuzone
— geluidzone’ opgenomen. bebouwing op te richten.
Binnen
deze
zone
is het niet toegestaan
om
nieuwe
geluidgevoelige
6.4.3 Te treffen maatregelen Aangezien de woning reeds in de huidige situatie aangemerktis als geluidgevoelig gebouw en ditin de beoogde situatie iet wizigt is het niet nodig om maatregelen te treffen. 6.3.3 Conclusie
Voor wat betreft het aspect geluid door activiteiten is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
17
6.4 Kwaliteit van de buitenlucht In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwalliteit.
6.4.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving
rondom
luchtkwaliteitseisen staan beschreven
in de instructieregels zoals
opgenomen in het Bk!. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect uchtkwaliteit instructieregels opgenomen
in paragraaf 5.1.4.1
Bk! (kwaliteit van de buitenlucht). Volgens deze regels gelden zogeheten
omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: e
eris geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
° _ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit:
e _ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de uchtkwaliteit hoeft niet overal plaats te vinden. Voor een activiteit die niet in betekende
mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, i geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit arikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet n betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 39% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijt:
1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bk!. Als een project binnen de genoemde
2.
categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valtis het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 39%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Hierbij kan onder andere de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier bepalen of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvuling op de NIBM-tool.
6.4.2 Onderzoek
Onderhavig initiatief behelst het wijzigen van de gebruiksfunctie van een bestaande (tweede) agrarische bedrijfswoning tot burgerwoning. In de beoogde situatie is de woonfunctie de hoofdgebruiksfunctie op het perceel.
Op basis van artikel 5.54 van het Bkl worden gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan met één ontsluitingsweg tot ten hoogste 1.500 woningen aangemerkt als ‘standaardgeval NIBM'. Het gaan gebruiken van een bestaande agrarische bedrijfswoning als burgerwoning is een vele
malen kleiner initiatief dan het realiseren van 1.500 woningen. Op basis daarvan mag verondersteld worden dat onderhavig planvoornemen NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het glastuinbouwbedrijf aan de Poorterweg 103 wordt ongewijzigd voortgezet. Met dit plan treden geen wijzigingen in de bedrijfsvoering op. Daarom hoeft hieromtrent ook geen afweging plaats te vinden.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
18
Achtergrondwaarden
In het kader van deze ruimtelijke procedure dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het
RIVM jaarljks in kaart worden gebracht. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.
Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PMzster plaatse 9.1 ug/ms, de concentratie PMio ter plaatse 16.5 ug/ms en de concentratie NO» 12.5 ug/ms. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PMes gesteld op 25 g/ms en voor PMo op 40 ug/ms. Voor NO: is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 g/m®. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 6.4.3 Te treffen maatregelen Aangezien het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging is het niet nodig om maatregelen te treffen.
6.4.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit s sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.5 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.
6.5.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom geur staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geur instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bk! (geur). In artikel 5.91 van het Bkl worden geurgevoelige gebouwen aangewezen. Lid 1 stelt dat een geurgevoelig gebouw in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw is met een: a. b. c. d.
Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; Gezondheidszorgiunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of Bijeenkomstíunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Van belang is dat in lid 4 van artikel 5.91 benoemd staat dat 'Het omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen’. In het voorlopige Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijn vooralsnog geen andere categorieën gebouwen aangewezen als geurgevoelig object anders dan benoemd in artikel 5.91 van 6.5.2
het BK!. Onderzoek
Onderhavig planvoornemen behelst het wijzigen van de gebruiksfunctie van een (tweede) agrarische bedrijfswoning tot burgerwoning. In de beoogde situatie is dus sprake van een woonfunctie welke op basis van artikel 5.91 Bkl, lid 1 als geurgevoelig object aangewezen wordt. Voor wat betreft geurbelasting kan een onderscheid gemaakt worden in voorgrondbelasting en achtergrondbelasting.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
19
Voorgrondbelasting Onderhavige woning is op dit moment al een geurgevoelig object en blift dat in de beoogde situatie ook. Veehouderijen van derden liggen op grote afstand. Aan de Brentjes 35-37 ligt een pluimveebedrij. Het bouwviak van deze pluimveehouderj igt op een afstand van circa 510 meter. Op basis van de VNG brochure bedrijven en milieuzonering geldt voor geur een richtafstand van 200 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
Aan de Brenijes 88 ligt eveneens een pluimveebedrif. Het bouwvlak van deze pluimveshouderij ligt op een afstand van circa 480 meter. Op basis van de VNG brochure bedrijven en milieuzonering geldt voor geur een richtafstand van 200 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
Andere veshouderijen waarmee rekening gehouden dient te worden liggen op nog grotere afstand. De voorgrondbelasting vormt daarmee geen beperking om de functie te wijzigen naar ‘Wonen’. Achtergrondbelasting Op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ uit de monitoring IV Peel en Maas wordt de kwalliteit van de leefomgeving ter plaatse van het plangebied als ‘goed' beoordeeld. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied, in het buitengebied wordt de categorie ‘matig’ nagestreefd. Hieraan wordt voldaan. Wat dat
betreft kan gesteld worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
zeer goed goed
redelijk goed matig
tamelijk slecht slecht zeer slecht
Afbeelding 9. Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur uit “Monttoring IV Peel en Maas. (Poorterweg 101 rood omlind).
6.5.3 Te treffen maatregelen Aangezien sprake is van een aanvaardbare situatie voor achtergrondbelasting is het niet nodig om maatregelen te treffen.
zowel
voorgrondbelasting
als
ook
6.5.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
20
6.6 Bodemkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodemkwaliteit.
6.6.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom bodemkwaliteit staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bk!. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect bodemkwaliteitinstructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl (bodemkwaliteit). In artikel 5.899. lid 1, sub a. wordt een bodemgevoelig gebouw omschreven als ‘een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover
aannemelij is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn’. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het facilteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: e _ De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; e Eenevenwichtige toedeling van functies aan locaties te hanteren, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; e
En
het duurzaam
en
doelmatig
beheren
van
de
resterende
historische
verontreinigingen
en —
aantastingen.
Het is aan de gemeenten zelf om de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast te stellen in het omgevingsplan. Deze waarde mag alleen niet hoger zijn dan het blootstelingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bk!. 6.6.2 Onderzoek
Onderhavig planvoornemen omvat het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie. Op het perceel waarop de woning Poorterweg 101 is gelegen hebben geen bedrifsmatige actviteiten plaatsgevonden, het pand is alleen gebruikt als woonobject. Het gebruik als woonobject wordt vooralsnog voortgezet. In het Bal s bepaald dat niet de beöindiging van de bedrifsvoering bepalend is of er een bodemonderzoek gedaan moet worden, maar het gebruik dat bepaald. Aangezien het gebruik niet wijzigt is er geen nader bodemonderzoek uitgevoerd. 6.6.3 Te treffen maatregelen Aangezien verondersteld mag worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaarbare kwaliteit van de bodem is het treffen van maatregelen niet nodig.
milieuhygiënische
6.6.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect bodemkwaiteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.7 Wegen, verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren.
6.7.1 Wettelijk kader Een toename aan functies kan ook zorgen voor een toename van verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie dient derhalve gekeken te worden naar de effecten op onder andere de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient ook n beeld gebracht te worden of er sprake is van (extra) parkeerbehoefte.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
21
De gemeente is het bevoegd gezag voor het opstellen van het parkeerbeleid met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moet voldoen. De gemeenteraad van Peel en Maas heeft op 16 juni 2018 het Parapluplan Parkeemota Peel en Maas vastgesteld. Het doel van deze Parkeernota is om een kader te scheppen waaraan ruimtelijke ontwikkeling binnen de gehele gemeente Peel en Maas getoetst kunnen worden
ten aanzien van het aspect parkeren. 6.7.2 Onderzoek
Voor een woonhuis buiten de bebouwde komt geldt op basis van de bijlage 2 van de Parkeernota een parkeernorm van 2,00 auto per woning. Reeds in de huidige situatie is sprake van een vrijstaande woning. Dat veranderd niet met het wijzigen van de functie. Daarmee is ook geen sprake van een toename van parkeerbehoefte ten opzichte van de huidige situatie. Ook zal geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied.
Op eigen terrein is ruim voldoende plaats aanwezig voor de benodigde 2 parkeerplaatsen. Voor wat betreft de effecten op de verkeersafwikkeling geldt dat onderhavig planvoornemen zoals hiervoor reeds gemotiveerd niet zal leiden tot een toename van de verkeersbewegingen op de Poorterweg en omliggende wegen. Daarmee
zullen geen negatieve effecten optreden voor wat betreft de verkeersafwikkeling en -veiligheid. 6.7.3 Te treffen maatregelen Op het terrein zijn reeds voldoende parkeerplaatsen (minimaal 2,00) gerealiseerd ten behoeve van de woning. 6.7.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect wegen, verkeer en parkeren is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. 6.8.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in paragraaf 5.1.2 Bkl (waarborgen van de veiligheid). In bijlage VII van het Bk! zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: e _ Activiteiten met gevaarljke stoffen bij bedrijven; « Het basisnet voor vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, het water en het spoor; ° _ Buisleidingen met gevaarljke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit n het Bal; e _ Windturbines die zijn aangewezen als mileubelastende activiteit in het Bal. Daarnaast dient binnen de aandachtsgebieden, zoals vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV), rekening gehouden te worden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door n het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als daarvoor extra maatregelen getroffen worden aan de hand van voorschriftengebieden. In deze gebieden gelden dan vervolgens de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 van het Bbl. 68.2 Onderzoek
Op basis van digitaal raadpleegbare kaarten van het REV, zie afbeelding 11, zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen met een plaatsgebonden risico gelegen. Ook is er geen sprake van een ‘aandachtsgebieden’ waarmee rekening gehouden moet worden.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
22
9ò
25
28
a
Afbeeling 10. Uitsnede kaart 'Exteme veiigheid otaal op www:atlasleefomgeving nl, plangebied i rood omljnd.
6.8.3 Te treffen maatregelen Door wijziging van de functie ter plaatse neemt het aantal personen in het plangebied niet toe. Het plaatsgebonden rísico wijzigt eveneens niet. Tenslotte worden er ook geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd. 6.8.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.9 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. 6.9.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat daarbij in beginsel om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten (waaronder
vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime komt voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen. Dit zijn de Vogelrichtlijn (74/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
23
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Op basis van artikel 2.44 van de Omgevingswet is de Minister voor Natuur en Stikstof verantwoordelijk voor het aanwijzen van de betreffende Natura 2000-gebieden en is daarbij tevens verantwoordelijk voor het stellen van instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Dit gebeurt in zogeheten aanwijzingsbesluiten.
de
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, dat betekent dat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken beoordeeld dienen te worden. In afdeling 8.6 Bkl is het betreffende beoordelingskader voor omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten uitgewerkt. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. Deze bescherming richt zich enerzijds op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en anderzijds op soorten van nationaal belang. Door de strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal wordt bepaald wanneer een vergunning in het kader van de soortenbescherming voor een activiteit nodig is 6.9.2 Onderzoek
Gebiedsbescherming Binnen een straal van 10 kilometer van het plangebied liggen 2 Nederlandse Natura 2000-gebieden, te weten de Deurnsche Peel & Mariapeel op circa 5,3 kilometer en de Groote Peel op circa 9,3 kilometer. Overige gebieden liggen op nog grotere afstand. Deze afstand is dusdanig groot dat directe effecten zoals versnippering en/of doorkruising van Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden. Eventuele effecten van het planvoornemen zullen in hoofdzaak samenhangen met een eventuele toename van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Onderhavig planvoornemen omvat het wijzigen van de gebruiksfunctie van een 2° bedrijfswoning naar een burgerwoning. De wijziging van het gebruik van agrarische bedrifswoning naar burgerwoning za niet leiden tot een toename van emissie{s). Zowel n de huidige situatie als ook in de beoogde situatieis sprake van bewoning door één huishouden.
In dt geval is er geen sprake van een aanlegfase, de bebouwing is reeds op het perceel aanwezig en de bebouwing is aljarenlang in gebruik. Wel s er sprake van een gebruiksfase, waarin de woning bewoond wordt,
verwarmd wordt met een CV installatie en er verkeer van en naar de locatie rjdt. Uitgegaan is van een gangbare emissie van de CV installatie in een oudere vrijstaande woning. Voor het verkeer is uitgegaan van 8 autobewegingen per dag waarvan 50% in westelijke richting en 509 in oostejke richting. Beide richtingen zijn gemodelleerd tot aansluiting op een Provinciale weg. Voor deze gebruiksfase is er een berekening gemaakt
met het programma Aerius. Uit deze berekening (bijlage 2) bljkt dat er ter plaatse van N2000 gebieden geen deposte is van stikstofverbindingen optreden. Daarmee is er ook geen sprake van een vergunningplicht. Soortenbescherming Bij vrjwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving dienen de effecten van de beoogde ontwikkelingen op het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten onderzocht te worden. Het voornemen om de agrarische bedrijfswoning te gaan gebruiken als burgerwoning, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Er vinden geen sloopwerkzaamheden plaats die rust- of broedplaatsen van beschermde soorten kunnen verstoren. Voor het overige blift de bestaande situatie uitgangspunt. Bovendien geldt te allen tijde de algemene zorgplicht.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
24
Concreet betekent dit dat als tijdens de uitvoering van werkzaamheden
toch beschermde soorten worden
aangetroffen, de werkzaamheden moeten worden stilgelegd en de aangetroffen flora en/of fauna de tijd moet krijgen om weg te komen dan wel moeten deze worden weggevangen en naar een geschikte biotoop buiten het plangebied worden verplaatst. Dit betekent onder meer dat gebouwen bij voorkeur gesloopt worden buiten
het broedseizoen (15 maart— 15 augustus), sloopwerkzaamheden zijn in onderhavig geval echter niet aan de orde.
6.9.3 Te treffen maatregelen Op basis van voorgaande motivatie zijn geen nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden en beschermde flora en fauna te verwachten. Het treffen van maatregelen is dan ook niet aan de orde. 6.9.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.10 Water en watersystemen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. 6.10.1 Wettelijk kader
Het wettelijk kader, zie ook paragraaf 4.5, is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelike ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, het Provinciale Omgevingsvisie (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtijn Water. Belangrijkste gezamenlike punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: * _ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); * voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaiteit. Tevens wordt thans gewerkt met de tris, hergebruik-bergen:infitreren-afvoeren. Daamaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.
Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: = _ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; * _ herstelvan de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;
= _ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; + duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, =
zodanig
dat
voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.
De waterkundige waarden zijn in de POVI weergegeven op de kaarten 'Grondwaterbescherming’ en ‘Natuur’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden.
Ruimtelijke motivering “Poorterweg 101 Koningslust”
25
6.10.2 Onderzoek
De bodem in het plangebied is tamelijk vlak, de maaiveldhoogte is gelegen tussen 30,1 en 30,5 m +NAP. De originele bodem bestaat ter plaatse van de woning volgens de bodemkaart uit een gooreerdgrond bestaande uit lemig fijn zand. Ter plaatse van de woning bedraagt de grondwatertrap I. De gemiddeld hoogste
grondwaterstand bevindt zich op ca. 40 centimeter beneden maaiveld. In het plangebied zelf is geen opperviaktewater aanwezig. Voor wat betreft het hemelwater geldt dat onderhavig planvoornemen uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant is. Er is namelijk geen sprake van toename van verhard oppervlak. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in (nieuwe) grondwateronttrekkingen. Verder voorziet onderhavig planvoornemen ook niet in activíteiten die een mogelijk negatief effect op het grondwater zouden kunnen hebben.
Het vuiwater i aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. 6.10.3 Te treffen maatregelen Doordat onderhavig planvoornemen niet voorziet in een toename van verhard oppervlak en enkel toeziet op de functiewijziging van een bestaande woning met bijgebouw is het uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant. Het treffen van maatregelen is dan ook niet nodig. 6.10.4 Conclusie
Voor wat betreft het aspect water en watersystemen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
6.11 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast wordt besproken op welke wijze het planvoornemen landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast.