2024-060 08 Toelichting
Tekst van het document
Het advies voor de gemeente is: - Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. Het aspect externe veiligheid levert geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Op een afstand van 115 meter van het plangebied is een varkenshouderij gevestigd. De richtafstand voor deze varkenshouderij is 200 meter voor het aspect geur. Het plangebied is in deze geurcontour gelegen. In dit geval wordt er een opslagloods bij een bestaand bedrijf gerealiseerd. Dit betreft geen milieugevoelig object. Derhalve hoeft er niet getoetst te worden wat de effecten van omliggende bedrijven zijn voor het plangebied. Omliggende bedrijven worden derhalve niet gehinderd in hun mogelijkheden. Om uit te sluiten dat er in de toekomst activiteiten plaatsvinden die wel als milieugevoelig worden gezien binnen de
31
geurcontour van de varkenshouderij, is een aanduiding opgenomen in de regels en op de verbeelding die het vestigen van milieugevoelige objecten onmogelijk maakt. Ook moet worden getoetst of onderhavige ontwikkeling geen inbreuk doet op het woonen leefklimaat van omliggende woningen. De meest nabij gelegen woningen liggen aan de Bovensteweg 5 en 5a. Deze liggen op een afstand van circa 320 meter van het plangebied. Het bedrijf vormt een functie die volgens de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG valt onder ‘Bedrijfsgebouwen akkerbouw en fruitteelt’. Voor deze functie gelden de volgende richtafstanden: - Geur: 10 m; - Stof: 10 m; - Geluid: 30 m. Aangezien de meest nabij gelegen woningen op meer dan 30 meter van het plangebied liggen, vormt het planvoornemen, ruimtelijk gezien, geen belemmering voor het woonen leefklimaat ter hoogte van de woningen in de omgeving. Er kan worden voldaan aan de richtafstanden tot omliggende functies. Het aspect Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.8
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Uit het bestemmingsplan en de Risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied geen kabels en/of (buis)leidingen aanwezig zijn. Uit de netkaart van het RIVM blijkt dat er tevens geen hoogspanningslijnen in of nabij het plangebied aanwezig zijn. Dit vormt dan ook geen belemmering ten aanzien van het planvoornemen.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
5.2.1
Nieuwe ontwikkelingen Onderhavig plan betreft de realisatie van een nieuwe bedrijfshal. In de huidige situatie is er geen verharding aanwezig op de locatie waar de bedrijfshal is voorzien, wat betekent dat er sprake zal zijn van een toename aan verharding.
32
5.2.2
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap Peel en Maasvallei, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tevens zijn de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Limburg van belang. De bouw van de nieuwe bedrijfshal kan tot een toename van (afvoerend) verhard oppervlak leiden. Hierdoor ontstaat een versnelde afvoer van hemelwater met mogelijk wateroverlast tot gevolg. Vanuit het oogpunt van klimaatveranderingen is het wenselijk dat al het aangesloten verhard oppervlak wordt afgekoppeld en lokaal geïnfiltreerd. Derhalve wordt een wadi binnen het plangebied gerealiseerd die het hemelwater afkomstig van de nieuwe bedrijfshal kan opvangen.
5.2.3
Kenmerken watersysteem beoogde situatie De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied ligt. Oppervlaktewater Het plangebied is in het waterbergend rivierbed van de Maas gelegen. De beoogde bedrijfshal wordt voor een klein deel binnen het waterbergend rivierbed gebouwd. In het kader van het ingediende principeverzoek is het plan voorgelegd aan Rijkswaterstaat. Zij heeft een positief advies afgegeven ten aanzien van de ontwikkeling van een bedrijfshal. Dit zorgt dan ook niet voor belemmeringen van de ontwikkeling. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van het plantgebied zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie wordt de nieuwe bedrijfshal aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater
33
Het Waterschap Limburg en de gemeente Peel en Maas streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt een infiltratie/bergingsnorm van 100 mm in 24 uur. Door de realisatie van een nieuwe bedrijfshal neemt het verhard oppervlak toe, waardoor hemelwater minder mogelijkheden heeft om direct in de grond te infiltreren. Het hemelwater van het dak van de bedrijfshal wordt opgevangen in de bestaande en nieuw aan te leggen wadi. Deze wadi heeft voldoende capaciteit om de hoeveelheid extra regenwater op te vangen. In de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen zal nader moeten worden uitgewerkt hoe het hemelwater wordt opgevangen. Aangezien er voldoende ruimte beschikbaar is op eigen terrein om het hemelwater verwerken vormt dit aspect geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling. Uit bovenstaande gegevens blijkt dat het aspect water geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen natuurgebied behorende bij Natura 2000 betreft de Maasduinen.
Dit natuurgebied is op een afstand van ruim 11 kilometer van het plangebied gelegen. Een eventuele toename van het aantal voertuigbewegingen kan, op het gebied van stikstof, een significant negatief effect hebben op omliggende natuurgebieden. Door middel van een Aerius-berekening is berekend of de ontwikkeling al dan niet een belemmering vormt in het kader van het aspect gebiedsbescherming. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof.
34
Uit de Aerius-berekening (zie bijlage) blijkt dat de toename van het aantal voertuigbewegingen geen uitkomsten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. tot gevolg heeft. Er wordt derhalve geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling geen negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling heeft daarmee geen onevenredig significant effect op het gebied van stikstof. Dit aspect vormt geen belemmering.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Om te bepalen of de ontwikkeling een onevenredige invloed kan hebben op aanwezige flora en fauna is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het onderzoek is als separate bijlage bijgevoegd. Uit de QuickScan blijkt dat de ontwikkeling geen onevenredige nadelige effecten heeft op mogelijk aanwezige flora en fauna. Nader ecologisch onderzoek naar (beschermde) soorten is niet noodzakelijk. Tijdens de werkzaamheden blijft ten alle tijde de zorgplicht van kracht. Tevens wordt aangeraden om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijk plan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Conform het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied voor een groot deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’. Voor gronden binnen deze bestemming geldt dat er niet mag worden gebouwd, met uitzondering van ontwikkelingen waarbij de oppervlakte aan te verstoren bodem kleiner is dan 250 m2 of de bodemverstoring minder diep is dan 40 cm onder maaiveld. Bij de bouw van de nieuwe bedrijfshal worden beide waarden overschreden, waardoor normaliter een verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Ter hoogte van het plangebied bestaat echter het vermoeden dat de grond reeds dieper is verstoord, waardoor de kans op de aanwezigheid van archeologische resten zeer gering is. In opdracht van de gemeente Peel en Maas is door ArchAeO een advies opgesteld over de vraag of een verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Dit advies is als bijlage opgenomen bij deze toelichting.
Uit dit advies blijkt dat de bodem ter hoogte van het plangebied inderdaad tot een diepte van 90 cm is verstoord. Om deze reden wordt een nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Tevens wordt de gemeente Peel en Maas geadviseerd om het
35
plangebied vrij te geven en in te stemmen met de bouw van de bedrijfshal. Daarmee vormt het aspect archeologie geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit In de huidige situatie zijn er reeds verkeersbewegingen afkomstig van de bedrijfsvoering binnen het plangebied. Aangezien de bestaande opslagcapaciteit binnen het plangebied niet toereikend is, wordt er in de huidige situatie gebruik gemaakt van een externe opslaglocatie. Deze externe opslaglocatie heeft een capaciteit van 2.500 pallets. De vervoersketen ziet er als volgt uit: Ontvangst
Extern
Retour
Eind-
Kessel
magazijn
naar
gebruiker
Kessel
Figuur 12: Vervoersketen huidige situatie, iedere pijl staat voor een verkeersbeweging
In de beoogde situatie wordt er een nieuwe opslaglocatie binnen het plangebied gerealiseerd waar 5.000 pallets kunnen worden opgeslagen. De externe opslaglocatie wordt hiermee overbodig. De vervoersketen komt er dan als volgt uit te zien:
Ontvangst
Eind-
Kessel
gebruiker
Figuur 13:Vervoersketen nieuwe situatie, iedere pijl staat voor een verkeersbeweging
Doordat er tussentijds geen extra transport noodzakelijk meer is, wordt het aantal verkeersbewegingen per te vervoeren pallet dus gehalveerd. Dat houdt in dat zodra de nieuwe bedrijfshal de volledige capaciteit heeft bereikt, men evenveel verkeersbewegingen heeft in vergelijking met de referentiesituatie. Zolang de maximale
36
capaciteit van de nieuwe bedrijfshal verkeersbewegingen zelfs dalen.
nog niet
bereikt is,
zal het aantal
Gelet op bovenstaande zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat de bestaande infrastructuur het aantal verkeersbewegingen niet kan verwerken. Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.6.2
Parkeren Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen is de ‘Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018’ gehanteerd. In deze nota is opgenomen dat het aantal parkeerplaatsen voor een arbeidsextensief/bezoekers extensief bedrijf afhankelijk is van het bruto vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing. Met onderhavige ontwikkeling wordt circa 4.400 aan bedrijfsbebouwing toegevoegd. Conform de parkeernota dient er per 100 m2 te worden voorzien in 1,1 parkeerplaats. Dat wil zeggen dat het plan moet voorzien in 48,4 parkeerplaatsen. In dit geval zijn bovenstaande kengetallen niet representatief voor de huidige en toekomstige bedrijfsvoering van het bedrijf. In de bestaande situatie is circa 11.000 m 2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig en zijn er 25 parkeerplaatsen aanwezig. 20 parkeerplaatsen voor personeel en 5 parkeerplaatsen voor bezoekers. Verhoudingsgewijs is er één parkeerplaats aanwezig per 440 m2 aan bedrijfsbebouwing. Dit aantal parkeerplaatsen is ruim voldoende om in de huidige parkeervraag te voorzien. In de beoogde situatie neemt de totale hoeveelheid aan bedrijfsbebouwing toe met circa 4.400 m2. Aangezien de huidige parkeervoorziening ruim voldoende is, kan dezelfde verhouding aan worden gehouden. Dat wil zeggen dat, wanneer de nieuwe bedrijfshal de volledige (opslag)capaciteit bereikt, er 10 extra parkeervoorzieningen dienen te worden gerealiseerd.
Aangezien de nieuwbouw nog niet direct op volledige capaciteit zal functioneren is er geen directe toename van de parkeervraag. Naargelang de groei van het bedrijf doorzet zullen de extra parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Ook wanneer de parkeerbehoefte toch groter blijkt of er (ook) andere activiteiten ter plaatse worden uitgevoerd zal er voldoende parkeercapaciteit op eigen terrein worden gerealiseerd. In dit geval is het kavel voldoende groot om te voorzien in het aantal benodigde parkeerplaatsen. Waardoor wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen van de gemeente. Het aspect parkeren vormt geen belemmering.
37
HOOFDSTUK 6.1
6 Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. Wanneer met ruimtelijke plannen een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is sprake van het (mogelijk maken van) een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro en wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd in de vorm van een anterieure overeenkomt die tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt gesloten. Met het sluiten van de anterieure overeenkomst is het kostenverhaal voldoende gewaarborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer heeft de directe omgeving middels een inloop informatieavond in kennis gesteld van de gewenste ontwikkeling aan Schijfweg-Noord 5. De gehouden omgevingsdialoog heeft niet voor aanpassingen in het plan gezorgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg is onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg en het waterschap Limburg. De provincie Limburg heeft laten weten geen opmerkingen op het plan te hebben. Het waterschap Limburg heeft laten weten dat zij bij nieuwe ontwikkelingen een bergingsnorm van 100 m2 in 24 uur. Daarnaast geven zij aan dat met het oog op de toekomst wordt aangeraden om al het hemelwater af te koppelen. Rijkswaterstaat is ook betrokken bij onderhavig bestemmingsplan. Ten gevolge van deze opmerking van het waterschap is onderhavig plan aangepast. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Tijdens de inzagetermijn zijn geen zienswijzen ingediend.
38