2024-060 08 Toelichting
Tekst van het document
Toelichting Bestemmingsplan ‘Schijfweg-Noord 5 Kessel’ Gemeente Peel en Maas
NL.IMRO.1894.BPL0309-VA01
1
Colofon Toelichting: Schijfweg-Noord 5 Kessel Rapportnummer: 2023.2514 Status: Vastgesteld Datum: 15 februari 2024 Projectlocatie Schijfweg-Noord 5 5995 BM Kessel Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Telefoon 085 043 1949 Email info@reland.nl
© februari 2024 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 5
1.2
Doel ......................................................................................................................................... 5
1.3
Plangebied ............................................................................................................................... 5
1.4
Leeswijzer ................................................................................................................................ 6
HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ............................................................................................. 7 2.1
Inleiding .................................................................................................................................. 7
2.2
Gebiedsprofiel......................................................................................................................... 7
2.3
Projectprofiel, huidige situatie plangebied .............................................................................. 7
2.4
Bestemmingsplan ................................................................................................................... 7
HOOFDSTUK 3 Ontwikkeling.................................................................................................................. 9 3.1
Beoogde situatie ..................................................................................................................... 9
3.2
Landschappelijke inpassing .................................................................................................. 10
HOOFDSTUK 4 Beleidskader ............................................................................................................... 12 4.1
Inleiding ................................................................................................................................ 12
4.2
Rijksbeleid ............................................................................................................................ 12
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .................................................................................... 12
4.2.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................................ 12
4.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 13
4.2.4
Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 14
4.3
Provinciaal beleid.................................................................................................................. 15
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg................................................................................ 15
4.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014 ............................................................................. 16
4.4
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 19
4.4.1
Omgevingsvisie Peel en Maas ......................................................................................... 19
4.4.2
Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas ....................................................................... 21
4.4.3
Structuurplan Buitengebied Peel en Maas ....................................................................... 21
4.4.3
Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas ..................................................................... 22
HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten ................................................................................................... 24 5.1
Milieu .................................................................................................................................... 24
5.1.1
M.e.r. plicht ....................................................................................................................... 24
5.1.2
Bodem .............................................................................................................................. 25
5.1.3
Lucht ................................................................................................................................. 25
5.1.4
Geur .................................................................................................................................. 26
5.1.5
Geluid ............................................................................................................................... 26 3
5.1.6
Externe veiligheid ............................................................................................................. 27
5.1.7
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................................. 31
5.1.8
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ....................................................................... 32
5.2
Water .................................................................................................................................... 32
5.3
Natuur ................................................................................................................................... 34
5.3.1
Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 34
5.3.2
Soortenbescherming......................................................................................................... 35
5.4
Archeologie ........................................................................................................................... 35
5.5
Landschap en cultuurhistorie ................................................................................................ 36
5.6
Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 36
5.6.1
Mobiliteit ............................................................................................................................ 36
5.6.2
Parkeren ........................................................................................................................... 37
HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid........................................................................................................... 38 6.1
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................. 38
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 38
BIJLAGEN Bijlage I
Landschappelijke inpassing
Bijlage II
Berekening voorgrondbelasting (V-stacks)
Bijlage III
Aerius-berekening
Bijlage IV
Quickscan flora en fauna
Bijlage V
Beoordeling archeologische verwachtingswaarde
4
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Aanleiding Aan de Schijfweg-Noord 5 te Kessel is het bedrijf Joordens Zaden (hierna: initiatiefnemer) gelegen. Dit bedrijf is actief in de teelt en verwerking van zaden. Door de groei van het bedrijf is de reeds aanwezige bedrijfsbebouwing aan de SchijfwegNoord 5 niet meer toereikend. Momenteel wordt daarom gebruik gemaakt van een externe opslaglocatie. Aangezien dit logistiek gezien geen optimale situatie is, is het bedrijf voornemens om de bestaande bedrijfslocatie uit te breiden op de locatie aan de Schijfweg-Noord 5. Deze uitbreiding zal worden gebruikt ten behoeve van de opslag van zaden en toebehoren zodat deze kunnen worden verwerkt. Conform het geldende bestemmingsplan is de beoogde uitbreiding op deze locatie echter niet rechtstreeks toegestaan. Om het planvoornemen mogelijk te maken is dan ook een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Op 31 augustus 2022 is het voornemen, in de vorm van een principeverzoek, voorgelegd aan de gemeente Peel en Maas. Op 19 december 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de uitbreiding ter plaatse. In het kader van de herziening van het bestemmingsplan dient onder andere een onderbouwing te worden gegeven dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In deze toelichting wordt het initiatief dan ook nader gemotiveerd.
1.2
Doel Het doel van onderhavig plan is het mogelijk maken van de realisatie van een bedrijfshal op de locatie Schijfweg-Noord 5 te Kessel en deze planologisch-juridisch te borgen.
1.3
Plangebied Het plangebied (figuur 1) ligt in het buitengebied ten noordoosten van de kern Kessel en ten zuiden van de kern Baarlo. Het plangebied heeft een oppervlakte van 54.610 m2. Het perceel dat het plangebied vormt, staat kadastraal bekend als gemeente Kessel, sectie F, nummer 194.
5
Figuur 1: Luchtfoto met plangebied blauw omkaderd
1.4
Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het gebieds- en projectprofiel waarin de huidige situatie van het plangebied en de omgeving worden beschreven. Hoofdstuk 3 gaat nader in op de ontwikkeling. Hierdoor wordt een goed beeld verkregen met betrekking tot de beoogde situatie. Hoofdstuk 4 betreft het beleidskader op Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 5 wordt getoetst of de ontwikkeling al dan niet effect heeft op de omgevingsaspecten. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst.
6
HOOFDSTUK 2.1
2 Gebieds- en projectprofiel
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving waarin het zich bevindt. Het is van belang om te kijken of de beoogde ontwikkeling passend is binnen de functies in de omgeving.
2.2
Gebiedsprofiel Het plangebied ligt in het buitengebied op een afstand van circa 2 kilometer ten noordoosten van het dorp Kessel en op een afstand van circa 1,5 kilometer van het dorp Baarlo. De belangrijkste ontsluitingsweg betreft de N273 (Napoleonsbaan). Ten (zuid)oosten van het plangebied loopt de Maas. Het plangebied ligt op circa 500 meter van de oever van de Maas. Gezien de ligging van het plangebied in het buitengebied, zijn er in de omgeving veel verschillende functies aanwezig. De meest voorkomende functies zijn (agrarische) bedrijven, cultuurgronden, woningen en natuur. Door de menging aan functies kan de omgeving worden gekenmerkt als gemengd gebied.
2.3
Projectprofiel, huidige situatie plangebied Binnen het plangebied is het bedrijf Joordens Zaden gevestigd. Ten behoeve van de bedrijfsvoering zijn meerdere gebouwen binnen het plangebied aanwezig. De bebouwing is bereikbaar via de oprit aan de Schijfweg-Noord. Bij de oprit van het terrein komt men eerst het kantoor tegen. Achter dit kantoor liggen drie bedrijfshallen. De totale oppervlakte van de bebouwing bedraagt circa 11.100 m2. Naast de aanwezige bebouwing is een deel van het plangebied verhard ten behoeve van parkeerdoeleinden. Het resterende deel van het plangebied bestaat uit agrarische landbouwgrond en landschappelijke inpassing in de vorm van volgroeide bomen. Hierdoor zijn de aanwezige bedrijfsgebouwen nauwelijks zichtbaar vanaf de omliggende wegen. Tenslotte is er achter de bedrijfshallen een wadi aanwezig, deze voorziet in de opvang van hemelwater.
2.4
Bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’ zoals vastgesteld op 24 december 2014 door de gemeenteraad van de gemeente Peel en Maas geldend. Conform de het bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Bedrijf-Agrarisch verwant’ (figuur 2). Daarnaast is, op een gedeelte van het plangebied, de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’ van toepassing. Ten slotte gelden de volgende aanduidingen: - Bouwvlak (ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’); - Functieaanduiding: ‘specifieke vorm van agrarisch – zaadveredeling’; - Maatvoering: ‘maximum bebouwd oppervlak: 14600 m2’; - Gebiedsaanduiding: ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’; - Gebiedsaanduiding: ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’; - Gebiedsaanduiding: ‘wro-zone – wijzigingsgebied 1 ob’; 7
-
Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 3bd’.
Figuur 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan met plangebied rood omkaderd
De gewenste bedrijfsuitbreiding is beoogd binnen beide geldende enkelbestemmingen. Dit voornemen is echter niet rechtstreeks toegestaan conform het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet ook niet in een wijzigingsbevoegdheid waarmee het bouwvlak voor een agrarisch verwant bedrijf kan worden vergroot. Om het voornemen mogelijk te maken wordt dan ook een bestemmingsplanprocedure doorlopen.
8
HOOFDSTUK 3.1
3 Ontwikkeling
Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt er binnen het plangebied een nieuwe bedrijfshal opgericht ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande bedrijfsactiviteiten. Deze bedrijfshal heeft een oppervlakte van circa 4.400 m2 en wordt deels buiten de bestaande enkelbestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’, en het bijbehorende bouwvlak, gerealiseerd. Middels dit bestemmingsplan wordt het bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ en bijbehorend bouwvlak vergroot en tevens van vorm veranderd, om de realisatie van de loods mogelijk te maken. Deze vormverandering houdt in dat het bestemmingsvlak in zuidwestelijke richting wordt uitgebreid. Het bestemmingsvlak dat in de huidige situatie achter de bedrijfshallen is gelegen wordt opgeheven, deze grond krijgt de enkelbestemming ‘Agrarisch’. In figuur 3 is de beoogde situatie weergegeven. Hier zijn de bestaande bedrijfsgebouwen in grijs weergegeven. De nieuwe bedrijfshal is in rood/bruin weergegeven. Het nieuwe bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ is in licht bruin weergegeven. Het groene vlak geeft de grond weer waar in de huidige situatie de enkelbestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ op rust, die in de beoogde situatie wordt gewijzigd naar de enkelbestemming ‘Agrarisch’.
Figuur 3: Beoogde situatie
9
Met het oog op de toekomst is tevens een locatie voor een mogelijke latere uitbreiding aangewezen. In de figuren is deze locatie, middels stippellijnen, naast de nieuwe bedrijfshal weergegeven. De totale oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak bedraagt 34.085 m2. Vergeleken met de huidige situatie wordt het bestemmingsvlak uitgebreid met 2.285 m2.
3.2
Landschappelijke inpassing De nieuwe bedrijfshal, en de mogelijk latere uitbreiding, worden landschappelijk ingepast. In figuur 4 is de beoogde situatie weergegeven. In deze paragraaf wordt de landschappelijke inpassing beknopt besproken. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar een separate bijlage. Het ruimtelijk kader voor de landschappelijk inpassing wordt gevormd door de volgende elementen: - De bebouwing en beplanting van de ten zuidwesten gelegen bebouwde erven; - Het bos op de ten noordwesten gelegen Begijnenberg; - De groensingel op de steilrand ten zuidoosten van het plangebied; - De groep laanbomen in de berm van de Bosakkerweg en Oyen. De reeds aanwezige beplanting in het plangebied bestaat uit navolgende elementen: - Gazon en bij de bosrijke context passend siergroen in de tuin; - Na de realisatie van de uitbreiding aan de noordoostkant, aangeplant struweel en bos; - Een uit de tachtiger jaren daterende groensingel aan de zuidwestkant en zuidoostkant; - Een uit de zestiger of zeventiger jaren daterende groensingel op de steilrand aan de zuidoostkant. De aanwezige beplanting sluit goed aan bij de kenmerken van de context wordt goed onderhouden en verkeert in goede conditie. Een deel van de bestaande beplanting zal worden gerooid ten aanzien van de realisatie van onderhavig plan.
De te rooien beplanting wordt gecompenseerd door de aanplant van bomen en struikvormers elders binnen het plangebied. De landschappelijke inpassing bestaat uit: - Aanplanten van struikgewas en bomen in een forse maat bij aanplant als rooicompensatie aan de noordwestkant van de uitbreiding; - Verlagen van het maaiveld in de zone ten zuidwesten van de poel om het verlies van waterbergend winterbed ter hoogte van de uitbreiding van de gebouwen te compenseren; - Omzomen van de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen met groensingels aan de zuidwestkant en zuidoostkant van de bedrijfsgebouwen.
10
Figuur 4: Landschappelijke inpassing
11
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleidskader
Inleiding In dit hoofdstuk wordt het bestemmingsplan getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en de wet- en regelgeving.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Bij ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief.
4.2.2
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien Rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de 12
samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8). Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen deze Nationale Hoofdstructuur gelegen. Hierdoor zijn in dit geval alleen de algemene regels van belang. Met onderhavige ontwikkeling wordt de mogelijkheid geboden voor de uitbreiding van een bestaand bedrijf. Hierbij wordt rekening gehouden met de bestaande omgeving en structuur. Gezien de ontwikkeling slechts kleinschalig van aard is, heeft het initiatief geen nationaal belang en kan er worden gesteld dat de SVIR geen belemmering vormt.
4.2.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Doordat het plangebied gedeeltelijk is gelegen binnen de begrenzing van het rivierbed van de Maas, is het rijksbelang ‘Grote rivieren’ relevant.
In artikel 2.4 van het Barro is de ruimtelijke doorwerking van de Beleidslijn grote rivieren en het Nationaal Waterplan (voor zover het gebieden betreft die daarin worden gereserveerd voor mogelijke toekomstige rivierverruimende maatregelen) geregeld. De artikelen 2.4.1. t/m 2.4.5 Barro stellen algemene eisen aan de inhoud van nieuwe bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden die in het rivierbed zijn gelegen met als doel te voorkomen dat plannen worden ontwikkeld die een bedreiging vormen voor de waterafvoer of die vergroting van de afvoercapaciteit feitelijk kunnen belemmeren. Ter bescherming van de afvoercapaciteit wordt in onderhavig bestemmingsplan (conform het bestaande bestemmingsplan) de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’ opgenomen. Daarnaast is het planvoornemen, dat voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrijf, van dusdanig beperkte schaal dat deze geen negatieve invloed heeft op de waterafvoer of de afvoercapaciteit. In figuur 5 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het rivierbed weergegeven. Het lila gekleurde vlak betreft het deel van het beoogde bestemmingsvlak ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ dat tevens deel uitmaakt van het rivierbed. Dit gebied heeft een oppervlakte van 3.902 m2. Hiervan
13
wordt slechts een deel bebouwd. Door de vormverandering van het bestemmingsvlak krijgt een deel van het plangebied, dat tevens deel uitmaakt van het rivierbed, de bestemming ‘Agrarisch’. Hierdoor wordt het oprichten van (toekomstige) bebouwing, binnen deze zone van circa 9.400 m2 onmogelijk gemaakt. Het Barro is dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Figuur 5: Ligging van het plangebied in het rivierbed
4.2.4
Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.
14
In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. De uitbreiding van een bestaand agrarisch-verwant bedrijf wordt niet gedefinieerd als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast kunnen alle bedrijfsactiviteiten van de opslag van producten tot de verwerking en verzending op één locatie worden uitgevoerd. Er kan dan ook worden gesproken van zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder voor duurzame verstedelijking heeft geen invloed op het initiatief.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld en vervangt het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014). Deze visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes en op andere onderdelen zijn er nieuwe keuzes gemaakt. In de Omgevingsvisie Limburg is de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. De provinciale omgevingsvisie voorziet in verschillende zones. Deze ligging geeft aan in welke richting ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Het plangebied is deels in het buitengebied en deels in de groenblauwe mantel gelegen (figuur 6).
Figuur 6: Uitsnede kaart Limburgse principes met plangebied rood omkaderd
15
In Noord- en Midden-Limburg is in het buitengebied, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen - voorheen de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone - vormen samen de circa 36.000 hectaren grote groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden van Limburg. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar goede combinatiemogelijkheden zijn voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. In de Groenblauwe mantel blijft de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie en is de agrarische sector tevens de belangrijkste beheerder. Er worden mogelijkheden geboden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer die bijdragen aan de instandhouding en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. De uitbreiding vindt in beperkte mate plaats in de groenblauwe zone.
Aangezien er echter een groot gedeelte van het bestaande bouwvlak, dat binnen de groenblauwe mantel ligt, wordt opgegeven, vindt er per saldo geen extra aantasting plaats van de te beschermen waarden in de groenblauwe mantel. Het plan voorziet daarnaast in waterkundige voorzieningen die bijdragen aan het klimaatadaptieve karakter en mogelijk ook de biodiversiteit binnen het plangebied. De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied. Hier is een breed scala aan ontwikkelingen mogelijk. Ook bedrijfsfuncties behoren hier tot de mogelijkheden. Onderhavige ontwikkeling is dan ook naar aard en omvang passend binnen het buitengebied. Naast deze gebiedsindeling bevat de provinciale omgevingsvisie ook thematische visies. In de themavisie ‘economie’ wordt beschreven dat Limburg te maken heeft met mondiale opgaven en transities. Men wil derhalve inzetten op een innovatieve, toekomstgerichte economie. Het faciliteren van de uitbreiding van een zaadveredelingsbedrijf is passend bij deze ambitie. De ontwikkeling is in lijn met het beleid zoals opgenomen in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg.
4.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin zijn regels opgenomen die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Inmiddels is de omgevingsverordening meerdere malen gewijzigd. De verordening is op 16 december 2022 voor het laatst gewijzigd en geconsolideerd. Uit de kaarten van de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied gedeeltelijk is gelegen binnen de ‘Bronsgroene landschapszone’ (figuur 7).
16
Figuur 7: Uitsnede kaart beschermingszones natuur en omgevingsverordening Limburg 2014 met plangebied rood omkaderd
landschap
uit
de
Conform de Omgevingsverordening bevat een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de bronsgroene zone een beschrijving van de kernkwaliteiten van het gebied en hoe deze beschermd, versterkt of gecompenseerd worden. De kernkwaliteiten in de ‘Bronsgroene landschapszone’ zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Volgens het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg is het plangebied grotendeels in het landschapstype Rivierdal gelegen (figuur 8). De bebossing rond de bebouwing is aangewezen als Bos- en dalenlandschap. Daarnaast zijn er randen en breuken aanwezig aan de oostelijke zijde van het plangebied. Het rivierdallandschap wordt in het Landschapskader omschreven als de belangrijkste structuurdrager van het landschap. In feite zijn de Maas en de wind de belangrijkste scheppers van het landschap van Noord- en Midden-Limburg. Het rivierdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als rivierdal. In de praktijk is dit een strook van tussen de nul meter en 6 kilometer breed, direct grenzend aan de Maas en de Roer. Binnen het rivierdal zijn naast de rivierbedding zelf met haar stromende water ook laagtes met oude graslanden en opduikingen met afwisselend oude bouwlanden en zowel oude als nieuwe stads- en dorpskernen en stedelijke ontwikkelingen te vinden.
17
Kenmerkende landschapsaspecten die aanwezig zijn binnen het plangebied zijn de terrasrand en het oude bouwland. De bouwlanden hebben een relatief open karakter. Aan de randen worden zij echter grotendeels omringd door bomen, waardoor een halfopen karakter ontstaat. De ontwikkelvisie van het landschap schrijft voor dat de kenmerkende reliëfvormen behouden, dan wel versterkt moeten worden. Daarnaast moeten oude bouwlanden herkenbaar blijven, dan wel worden gemaakt. Nieuwbouw is mogelijk, de belangenafweging moet lokaal worden gemaakt. Bij nieuwbouw wordt aansluiting gezocht bij bestaande bebouwing.
Figuur 8: Uitsnede Landschapskader Noord- en Midden-Limburg met plangebied rood omkaderd
De uitbreiding wordt gerealiseerd buiten de bronsgroene zone. Bij de realisatie van de bedrijfshal wordt, ook om aansluiting te zoeken bij het reeds bestaande bedrijf, aangesloten bij de bestaande bebouwing. De impact op de omgeving is hierdoor relatief beperkt. Het oostelijke deel van het bestaande bouwvlak, dat wel in de bronsgroene zone ligt, komt te vervallen. Het oprichten van bebouwing in deze zone wordt derhalve beperkt. Het halfopen karakter van het gebied is derhalve niet in het geding. De bestaande bebossing rond de bebouwing wordt deels weggehaald voor de bouw van de nieuwe bedrijfshal. Deze wordt rond de nieuwe bebouwing echter wel opnieuw gerealiseerd. Aangezien de aanwezige landschapskwaliteiten niet in het geding zijn, is er geen nadere compensatie noodzakelijk. Het planvoornemen is dan ook in overeenstemming met het beleid conform de Omgevingsverordening Limburg. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 vervalt de Omgevingsverordening Limburg 2014. Deze wordt vervangen door de 18
Omgevingsverordening Limburg 2021, die het beleid uit de omgevingsvisie Limburg 2021 bestendigt. Aangezien de inwerkingtreding van de Omgevingswet nadert wordt er een doorkijk gemaakt naar de regels uit de nieuwe omgevingsverordening. De bronsgroene natuurzone wordt vervangen door de blauwgroene mantel. Voor de blauwgroene mantel gelden vergelijkbare regels als voor de bronsgroene natuurzone. Daarnaast worden de zones uit de omgevingsvisie Limburg 2021 in deze verordening verankerd. Aangezien de landschapskwaliteiten niet in het geding zijn, en het plan voldoet aan het zoneringsbeleid, vormt de aankomende wijziging van de omgevingsverordening niet voor belemmeringen. In paragraaf 4.3.1 is dat verder onderbouwd.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Omgevingsvisie Peel en Maas De omgevingsvisie Peel en Maas is vastgesteld op 5 juli 2022. In deze visie laat de gemeente zien wat ze belangrijk vinden in de omgeving waar men woont, werkt en recreëert. Het is een visie op hoofdlijnen over de fysieke leefomgeving voor de hele gemeente. In de omgevingsvisie worden waarden en opgaven geïdentificeerd. Bij de waarden gaat het om kenmerkende aspecten voor de gemeente Peel en Maas. Met andere woorden: het DNA van Peel en Maas. Bij de opgaven gaat het om de belangrijkste speerpunten van beleid waar de gemeente aan wil werken. De gemeente wil met deze omgevingsvisie ruimte geven aan ontwikkelingen indien wordt bijgedragen waarden en opgaven. Per landschappelijk deelgebied zijn de waarden van dit gebied beschreven. Conform de waardenkaart ligt het plangebied in het landschapstype ‘oude verdichte bouwlanden’ (figuur 9). Een aantal kenmerkende aspecten van dit gebied zijn ook aanwezig in en rond het plangebied. Hieronder vallen: - openheid met hiermee in contrast staande verdichting langs de linten; - uitwaaierende wegenpatronen vanuit de dorpen naar de omliggende velden. Onderhavige ontwikkeling doet geen inbreuk op bovenstaande waarden.
19
Figuur 9: Uitsnede waardenkaart omgevingsvisie Peel en Maas met plangebied rood omcirkeld
De omgevingsvisie bevat, naast bovenstaande waarden, 6 speerpunten: 1. Zo worden we duurzamer (klimaatadaptatie, energietransitie circulariteit). 2. Een gezonde en veilige leefomgeving 3. Het versterken van natuur en biodiversiteit 4. Goed wonen voor iedereen 5. Een vitaal economisch klimaat: bedrijvigheid en recreatie en toerisme 6. Een nieuwe balans in het buitengebied: kringlooplandbouwen VAB’s
en
Onderhavige ontwikkeling draagt met name bij aan het speerpunt een vitaal economisch klimaat (bedrijvigheid). Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart en draagt bij aan het goede leven in Peel en Maas. Een toekomstbestendige economie kenmerkt zich door een solide economische structuur, met verschillende economische dragers, zoals agrofood, maakindustrie, logistiek, vrijetijds-economie en detailhandel. In dat kader faciliteert de gemeente lokale bedrijven, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het mkb en recreatie en toerisme. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een zaadveredelingsbedrijf dat actief is in de agrofood sector. Derhalve draagt onderhavige ontwikkeling bij aan een toekomstbestendige economie. Deze ontwikkeling is passend binnen de omgevingsvisie van de gemeente Peel en Maas.
20
4.4.2
Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas In de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas zijn een aantal beleidsuitgangspunten opgenomen welke leidend zijn voor het buitengebied van Peel en Maas. Een aantal van deze beleidspunten is van toepassing op onderhavige ontwikkeling. • Ontwikkelingsplanologie De hoofdgedachte van de ontwikkelingsplanologie is, dat niet de regels maar de doelen centraal staan. Ontwikkelingsplanologie biedt de ruimte aan ondernemers en burgers om in te spelen op onvoorziene ontwikkelingen. De gemeente werkt toe naar een toekomstbestendige economie door in te zetten op de ontwikkeling van de agrofoodsector binnen de gemeente. Onderhavig plan, dat voorziet in de uitbreiding van een bedrijf dat actief is in de agrofoodsector, draagt positief bij aan het realiseren van deze toekomstbestendige economie. Aangezien het doel centraal staat biedt dat perspectief voor onderhavige ontwikkeling. • Ruimte om te ontwikkelen met oog voor kwaliteit Ontwikkelingen in het buitengebied dienen gepaard te gaan met kwaliteitsverbetering voor de omgeving. Dit ter compensatie van het door de ontwikkeling optredende verlies aan omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling voorziet in een vormverandering van een bedrijfsbestemming en bijbehorend bouwvlak. Daartegenover staat dat het overbodige bestemmingsvlak een agrarische bestemming krijgt.
Tevens worden hier voorzieningen getroffen ten aanzien van waterkundige voorzieningen. De nieuwe bebouwing wordt, met oog voor de omgeving, ingepast met groen. De bebouwing is hierdoor slechts beperkt zichtbaar voor de omgeving. Hiermee is de compensatie voor het optredende verlies aan omgevingskwaliteit voldoende geborgd. • Het buitengebied is van iedereen De ontwikkeling van economische functies in het buitengebied moet samengaan met het behoud en de ontwikkeling van landschappelijke kwaliteit en een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving. Onderhavige ontwikkeling doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteit en het woon- en leefklimaat voor de omgeving. Onderhavige ontwikkeling is niet in strijd met het beleid conform de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas. Dit vormt dan ook geen belemmering.
4.4.3
Structuurplan Buitengebied Peel en Maas Het doel van het structuurplan buitengebied Peel en Maas is om ruimte voor ontwikkelingen te bieden met oog voor kwaliteit. Het kwaliteitskader bevat een instrumentarium om de ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met gewenste kwaliteitsverbetering van datzelfde buitengebied. De locatie is gelegen in landschapstype ‘Oude, verdichte bouwlanden’. Voor dit landschapstype wordt gestreefd naar versterking van het landschapskarakter, bestaande uit relatief open akkers met verdichte randen en doorzichten. Tevens wil men
21
verdere landschappelijke verdichting door weg- en erfbeplantingen in de clusters en linten. In dit gebied is ruimte voor verschillende economische functies. Naast economische functies is er ruimte voor een verdere menging van functies. Hieronder vallen woon-, werk en landbouwfuncties. Het regionale beleid neemt een positieve grondhouding aan ten opzichte van de vestiging van economische dragers in dit gebied. Onderhavig plan voorziet niet in nieuwvestiging maar in uitbreiding van een bestaand bedrijf. Conform het structuurplan kan uitbreiding plaatsvinden met maximaal 10% van de bedrijfsbestemming. Tevens voorziet het plan in een verdere verdichting van de beplanting rond de bebouwing. Gezien met het voornemen wordt ingezet op het borgen van de kwaliteit en de uitbreiding de bedrijfsbestemming kleiner is dan 10%, is dit in lijn met het Structuurplan Buitengebied Peel en Maas.
4.4.3
Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas In het kwaliteitskader buitengebied worden de kaders voor uitbreiding in het buitengebied geschetst. Het kwaliteitskader geeft ondernemers ruimte voor (nieuwe) ontwikkelingen en dient er tegelijk voor te zorgen dat de ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied versterkt worden. Het planvoornemen voorziet in de uitbreiding van het bestemmings- en bouwvlak ter plaatse van de Schijfweg-Noord 5. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met hoge landschappelijke of historische waarden (figuur 10). Voor onderhavige ontwikkeling is, conform het kwaliteitskader buitengebied, een landschappelijke inpassing en aanvullende kwaliteitsverbetering (Basiskwaliteit Plus en Aanvullende Kwaliteit) noodzakelijk. Dat wil zeggen dat het geheel landschappelijk moet worden ingepast, een oppervlakte van 10% van het bouwvlak landschappelijk moet worden ingevuld en als aanvullende kwaliteitsverbetering nogmaals een oppervlakte van 10% van het bouwvlak groen moet worden ingevuld. In totaal komt dit neer op een benodigde groene invulling van 6.817 m2 (34.085x0.1x2 = 6.817). In totaal wordt er met onderhavige ontwikkeling en de daar bijbehorende landschappelijke inpassing 8.300 m2 aan groen toegevoegd. Ten gevolge van de uitbreiding van de bebouwing en de bestaande wadi wordt er ook groen gerooid.
Bij de wadi wordt voor een oppervlakte van circa 150 m2 aan groen gerooid. Bij de bedrijfshal wordt circa 1.200 m2 aan groen gerooid. De gerooide oppervlakten worden 1 op 1 gecompenseerd, derhalve wordt er van de totaal gerealiseerde groenoppervlakte 1.350 m2 afgetrokken. Dat wil zeggen dat er in totaal 6.950 m2 aan nieuw groen wordt gerealiseerd. Samen met de reeds bestaande groene invulling is straks circa 13.660 m2 aan groen aanwezig. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de voorwaarden uit het kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas. Voor een uitgebreide rapportage van de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage I.
22
Figuur 10: Waardering landschappen met plangebied rood omcirkeld
23
HOOFDSTUK 5.1
5 Omgevingsaspecten
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
5.1.1
M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt een bestaand bedrijf uitgebreid. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”.
Gezien er sprake is van een gebied dat aanzienlijk kleiner is dan 100 ha en het plan aanzienlijk minder dan 200.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte omvat, is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarom betreft de ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject en valt daardoor niet onder de in lijst C of D genoemde ontwikkelingen, waardoor geen m.e.r.-procedure hoeft te worden doorlopen. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Bedrijfsuitbreiding kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het uitbreiden van onderhavige bestaande bedrijfslocatie in het buitengebied, betreft echter geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de bedrijfshal dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
24
5.1.2
Bodem In het kader van de Wro dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventueel bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Beoordeling van dit aspect kan achterwege blijven in een aantal situaties. Bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit minder kritisch gebruik kennen, is beoordeling van dit aspect niet aan de orde. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe bedrijfshal. In de bedrijfshal zullen mensen niet voor lange tijd verblijven. Derhalve wordt geconcludeerd dat de nieuwe bedrijfshal geen gevoelig object betreft voor het aspect bodem. Aangezien onderhavige ontwikkeling geen gevoelig object betreft is verdere beoordeling van het aspect bodem niet aan de orde. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of er ter plaatse en in de omgeving van het plangebied sprake is en blijft van een aanvaardbare situatie op het gebied van de luchtkwaliteit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM geraadpleegd. Fijn stof Voor fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 13,68 µg/m3. Dat betekent dat dit beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt.
Voor fijnstof waarbij de deeltjes kleiner zijn dan 2,5 micrometer doorsnee (PM 2,5) geldt een richtwaarde van 25 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof (PM2,5) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 7,71 µg/m3. Dat betekent dat dit ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wm ligt en op het gebied van fijnstof het woon- en leefklimaat dus aanvaardbaar is.
25
Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide (NO 2) ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 10,41 µg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Initiatief Ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de luchtkwaliteit door onder andere een toename in het aantal verkeersbewegingen. Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen met onderhavige ontwikkeling niet toeneemt. Het initiatief draagt daardoor niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging nabij het plangebied. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
5.1.4
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Er dient te worden bepaald of de geursituatie voor geurgevoelige objecten in de kern acceptabel is. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe bedrijfshal. Aangezien deze niet is bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf, kan de loods niet worden gezien als een geurgevoelig object. Derhalve hoeft niet te worden getoetst aan de normafstanden die zijn opgenomen in de Wgv. Uit de berekening van de voorgrondbelasting ten aanzien van de varkenshouderij aan Schijfweg-Noord 4a blijkt dat de bestaande bebouwing (inclusief het bestaande kantoor/bedrijfswoning) aan Schijfweg-Noord 5 overbelast zijn (zie bijlage II). Tevens zijn deze panden eerstbeperkend. Om te borgen dat de uitbreiding niet verder beperkend werkt voor de varkenshouderij, is op de gehele uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf - Agrarisch verwant’ de aanduiding ‘milieuzone – geurzone’ opgenomen. Binnen deze aanduiding mogen geen nieuwe geurgevoelige objeten worden gerealiseerd. Het aspect geur vormt geen belemmering ten aanzien van onderhavige ontwikkeling.
5.1.5
Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.
26
Aangezien onderhavige ontwikkeling betrekking heeft op de realisatie van een bedrijfsloods, die conform de wet geluidshinder geen geluidsgevoelig object is, hoeft er niet te worden getoetst aan de waarden uit de Wgh. Gelet op het bovenstaande vormt het geluidsaspect geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.1.6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe
27
veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen1.
een
Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer sprake groepsrisico of oriëntatiewaarde.
het de
is
van toename van overschrijding van
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit to vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde de veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de signaleringskaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 11 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer:
1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
28
Figuur 11: Uitsnede signaleringskaart met plangebied blauw omcirkeld
Transport van gevaarlijke stoffen Het transporteren van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over (spoor-)wegen en/of water. Hieronder is nader bekeken of dit een belemmering vormt voor het voornemen. • Wegen In de directe omgeving van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen die deel uitmaken van het Basisnet. Over de N273 kan transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1,25 kilometer van de N273. De N273 heeft een plaatsgebonden risicocontour van 0 meter. Het plangebied ligt buiten deze contour. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën: LF1, LF2, LT1, LT2, GF3 en GT3 (Bron: Externe veiligheid provinciale wegen, Rapport Provincie Limburg d.d. 21 september 2012). Gelet op de gevaarlijke stoffen die over deze weg worden vervoerd heeft deze weg een invloedgebied van 880 meter aan weerszijden. Het plangebied ligt niet binnen het invloedgebied van deze weg. • Spoor In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Dit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. • Water Ten oosten van het plangebied is op een afstand van circa 500 meter de rivier Maas gelegen. Over de Maas vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6/jr reikt niet tot buiten de oever, waardoor het plangebied buiten deze contour is gelegen.
Over deze vaarweg worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën: LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3. (Bron: Regeling Basisnet). Gelet op de gevaarlijke stoffen die over deze vaarweg worden vervoerd heeft deze vaarweg een invloedgebied van 1070 meter aan weerszijden. Het plangebied ligt 29
binnen het invloedgebied van deze vaarweg. Het risicobepalende scenario is het vrijkomen van een toxische plas en een toxische wolk. Gelet op de afstand tussen het plangebied en de Maas kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Buisleidingen Op een afstand van ca.190 meter van het plangebied liggen vier ondergrondse hogedruk aardgasleidingen A-665, A-520 en de A-578. De ondergrondse hogedruk aardgasleiding A-665 heeft een diameter van 1219 mm en een werkdruk van 79,9 bar. De 100% letaliteitsgrens bedraagt 220 meter en de 1% letaliteitsgrens bedraagt 580 meter. De ondergrondse hogedruk aardgasleiding A-520 heeft een diameter van 610 mm en een werkdruk van 66,2 bar. De 100 % letaliteitsgrens bedraagt 140 meter en de 1% letaliteitsgrens bedraagt 310 meter. De ondergrondse hogedruk aardgasleiding A-578 heeft een diameter van 1067 mm en een werkdruk van 66,2 bar. De 100 % letaliteitsgrens bedraagt 190 meter en de 1% letaliteitsgrens bedraagt 490 meter. Enkel de ondergronds hogedruk aardgasleiding A-520 heeft een PR 10-6 contour.
Het plangebied valt niet binnen de PR-contour van de ondergrondse hogedruk aardgasleiding A-520. Het plangebied valt binnen 100% letaalzone en daarmee in de invloedsgebied van de ondergrondse hogedruk aardgasleidingen A-665. Op grond van artikel 12 Besluit externe veiligheid buisleidingen dient het groepsrisico verantwoord te worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan waarbij een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten. Een bedrijfshal ten behoeve van de opslag van zaden en toebehoren is geen (beperkt) kwetsbaar object waarop artikel 12 besluit externe veiligheid buisleidingen dan ook niet van toepassing is. Verantwoording groepsrisico In dit geval is het plangebied binnen het invloedsgebied van een vaarweg (Maas) gelegen. Derhalve dient invulling gegeven te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. De projectlocatie wordt uitsluitend blootgesteld aan de gevolgen van een toxisch scenario van een calamiteit met gevaarlijke stoffen op de Maas; De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft een standaardadvies opgesteld dat bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen gebruikt kan worden indien er alleen sprake is van een toxisch scenario.
Het standaardadvies is uniform toepasbaar op alle situaties die binnen de criteria van het standaardadvies toxisch liggen. Door het advies als basis te 30
gebruiken bij de wettelijk verplichte verantwoording van het groepsrisico, is de weging van de zelfredzaamheid van de aanwezige personen bij de ontwikkeling geborgd. Het doel van de te nemen maatregelen is het bieden van voldoende bescherming aan mensen binnenshuis. Bij onderhavige ontwikkeling is alleen sprake van een toxisch scenario en daarmee valt het onder de criteria voor het toepassen van het standaardadvies. Onderstaand is het standaardadvies weergegeven en dit advies wordt onderschreven. Het advies voor de initiatiefnemer is: - Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. Het advies naar de gebruikers van de gebouwen is: - Maak de gebruikers bewust van de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten. - Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. - Neem het toxisch scenario en handelwijze op in het bedrijfsnoodplan.