2024-059 16 Bijlage 4 bij de toelichting - Quickscan natuurbescherming
Tekst van het document
Eco/nsultancy QUICKSCAN NABIJ TE
DE
WET
NATUURBESCHERMING
MOLENHEG
21
HELDEN
SO Ecologie
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming nabij Molenheg 21 te Helden Opdrachtgever
|
Tuinbouwbedrijf Postbus
Wijnen
7004
5980 AA Panningen
Rapportnummer
|
Versienummer
18772.003
D1
Status
|
Eindrapportage
Datum
|
20 mei 2022
Vestiging
|
Limburg Rijksweg Noord 39 6071
KS
Swalmen
Opsteller Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
otetserg
NGB
Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).
Het NGB
is een vereniging van ecologische advies- en onder-
zoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belan-
gen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk Econsuitancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertiiceerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001 Betrouwbaarheid
Dit onderzoek i op zorgwuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving.
Het onderzoek betreft een momentopname
en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoeks-
locatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten s deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelike be-
slissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen
kan gesteld worden
dat een quickscan geldig s voor een
periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de
ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de auickscan opnieuw te toetsen.
Eco/nsu\canc*y INHOUDSOPGAVE INLEIDING . GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 22
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
ONDERZOEKSMETHODIEK OVERZICHT
VAN
DE
NATIONALE
41 42 43
Zorgplicht.… Soortenbescherming _ Gebiedenbescherming
44
Houtopstanden .
AANGETROFFEN
EN
51
Vogels.
52
Vleermuizen
Overige zoogdieren . _ Reptielen.
55
_ Amfibie:
56
Vissen.
57
Libellen
58
Vlinders.
59
Overige soorten
510
Planten… AAN
NATUURWETGEVING
TE VERWACHTEN
53 54
TOETSING
…
BESCHERMDE
SOORTENBESCHERMING
6.1
Broedvogels.…
6.2
Vleermuizen…
…
SOORTEN
…
.
6.3 Overige zoogdieren . 6.4 _ Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën . 65 Overige soort(groep)en … TOETSING
AAN
GEBIEDENBESCHERMING
7.1
Natura 2000 …
7.2
Natuurnetwerk
8
HOUTOPSTANDEN
9
SAMENVATTING
Bilage 1 Bijlage 2
EN
…
Nederland … CONCLUSIES….
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18772.003
Eco/nsu\tar\c*y 1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Tuinbouwbedrijf Wijnen opdracht gekregen quickscan Wet natuurbescherming nabij de Molenheg 21 te Helden.
voor
het
uitvoeren
van
een
De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000- gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die dee! uitmaken van het Natuumnetwerk
Nederland.
Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgesteide gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina 1 van 25
Eco/nsul(anc* 2
2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie ligt nabij de Molenheg 21 te Helden en omvat de percelen kadastraal bekend
als gemeente Helden, sectie G nummers 7707 ( 1.395 m2) & 7708 (£ 5.274 me). De onderzoekslocatie ligt circa 1,3 km ten zuiden van de kern van Panningen. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 196.650, Y = 369.908. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging vande onderzoekslocatie (gele pijl en rode omkadering). De onderzoekslocatie betreft een parkeerplaats en een weide met daarop een dierenverblijfplaats in de vorm van een stal en verschillende elementen zoals een oude woonwagen en een kippenhok. Het perceel is omheind met een metalen hekwerk, begroeid met een gemengde haag aan de noord-, oost-, en zuidzijde en is grotendeels onverhard, met uitzondering van de zuidkant waar bovengenoemde parkeerplaats zich bevindt. Op de weide bevindt zich een kleine groep bomen, met soorten als wilg en zoete kers. De weide is begroeid met soorten als grote brandnetel, paardenbloem, hondsdraf, kleefkruid en dovenetel. Aan de noordzijde bevindt zich een groenstrook in de vorm van bos die grenst aan de zuidzijde van Panningen. De onderzoekslocatie wordt aan de oost- en westzijde begrensd door glastuinbouw en ligt tevens is een gebied met (glas)tuinbouw en kantoorpanden.
In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 i/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto's die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina 2 van 25
Figuur 3. Glastuinbouw aan de westzij-
Figuur 4. Stal met
de, kijkrichting noord.
dak, kijkrichting noord.
uur 6. Oude woonwagen, kijkrichting
noordoost.
Rappor 18772008 verie DI
Figuur 7.
west.
Houtstapel,
dakpannen
zadel-
Figuur 5. Aanhangwagen op de weide, kijkrichting noordoost.
kijkrichting zuid-
Figuur 8. Overzichtsfoto van weide, kikrichting noordoost
de gras-
Pagina 3 van 25
E Figuur 9. Parkeerplaats aan de zuidzij. de, kijkrichting noordoost.
2.2
Figuur 10. Overzicht enkele aanwezige elementen, kikrichting west.
Figuur 11. Groenstrook aan de noordzijde, kijkrichting noordoost.
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om in het kader van een bestemmingsplanwijziging een bedrijfswoning op te richten op het voorste deel van de desbetreffende percelen.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina 4 van 25
Eco/nsu\canc*y 3
_ ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek
is afgelegd op 21 april 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie,
alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende
het veldbezoek is gelet op de mogelijke aan-
wezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna
(NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina 8 van 25
Eco/nsu\tar\c*y 4
_ OVERZICHT
VAN
DE
NATIONALE
NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:
e « e
geeft enkel
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstelien van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mo-
gelijke gevolgen voor
Natura
voor beschermde
2000-gebieden
(de
dier- en plantensoorten
(de soortenbeschermingsbepalingen)
gebiedenbeschermingsbepalingen).
Alleen
bij ruimtelijke
én
ingrepen
waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blift het Rijk bevoegd gezag. 41
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.
In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 42
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voorplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen
per categorie soorten;
e _ soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); « _ soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); e andere soorten (artikel 3.10). In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina 6 van 25
Eco/nsu\tar\c*y 43
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend 4.3.1
tot het Natuurnetwerk
Natura
Nederland.
2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna
duurzaam
beschermen.
De
staatssecretaris
van
Economische
Zaken
heeft
voor
Nederland
ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken dee! uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Riijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en n een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overieg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschap-
pen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk
Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het
Natuurnetwerk
Nederland
bestaat
uit:
e _ bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; e gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; « landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; « _ ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; e
alle Natura 2000-gebieden.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina 7 van 25
Eco/nsu\canc*y Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dît netwerk
behoren.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 44
Nederland
loopt via
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht.
Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden n het kader van
natuurbeheer
en natuurbehoud.
Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie. De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceels-
gronden. Deze regels hebben onder andere andere grond en de natuurwaarde van de worden van herplantplicht ter plaatse, indien gedragscode die gebruikt mag worden door en een wijze van herplanten.
Rappor 18772008 verie DI
betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen
Pagina 8van 25
Eco/nsu\tar\c*y 5
_AANGETROFFEN
EN
TE
VERWACHTEN
BESCHERMDE
SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 51
511
Vogels
Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In de omgeving van de onderzoekslocatie kunnen dit zijn: boerenzwaluw, bosuil, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, ooievaar, ransuil, steenuil, torenvalk en wespendief. Boerenzwaluw
en huiszwaluw
Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn er in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van boerenzwaluw en huiszwaluw. Boerenzwaluwen nestelen alleen bij de aanwezigheid van vee en broeden meestal in open schuren en onder brede dakoverstekken. Ze metselen hun nesten van klei en leem vaak op randen en richels in veestallen, zowel hoog als laag, maar ook wel onder brede dakoverstekken (bron: Vogelbescherming). Huiszwaluwen metselen ook een nest van klei en zand tegen de (witte) gevel van huizen. Op de onderzoekslocatie werden geen (indicaties of sporen van) nesten van de boerenzwaluw of huiszwaluw aangetroffen. De aanwezigheid van nestlocaties van de boerenzwaluw of huiszwaluw op de onderzoekslocatie kan hiermee worden uitgesloten.
Huismus en gierzwaluw De huismus en de gierzwaluw
zijn typische
binnen als buiten de bebouwde
kom
aanwezig
in de vorm
van
een oude
gebouwbewonende
waargenomen. stal. De
koloniebroeders
Op de onderzoekslocatie
desbetreffende
en worden
zowel
is enkel bebouwing
stal bevat een smalle dakgoot
aan de
voorzijde en een zadeldak met dakpannen. De stal wordt vanwege de ruimte tussen de smalle aanwezige dakgoot en de onderste rij dakpannen marginaal geschikt geacht als potentiele broedlocatie voor de huismus (figuur 12). Daarnaast is er geschikt aanvullend habitat aanwezig rondom de stal in de vorm van dichte struiken en los zand. Desalniettemin zijn op en in de nabije omgeving van de o derzoekslocatie geen huismussen aangetroffen, terwil het veldbezoek uitgevoerd is in het broeds: zoen van de huismus en huismussen in deze periode bij aanwezigheid zeer gemakkelijk waar te nemen zijn. De onderzoekslocatie bevindt zich in een omgeving met weinig geschikte bebouwing voor de huismus en ligt daarmee relatief geïsoleerd van andere huismus kolonies in de verdere omgeving van de onderzoekslocatie. Vanwege de marginale geschiktheid van de onderzoekslocatie voor de huismus, de relatief geïsoleerde ligging van de onderzoekslocatie en de afwezigheid van huismussen op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan het gebruik van de onderzoekslocatie door de huismus op basis van onderhavige quickscan worden uitgesloten. Met betrekking tot de gierzwaluw vormt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat voor de gierzwaluw om tot broeden te komen.
In de stal zijn smalle ruimten tussen het dakoverstek en de kantpannen aanwezig, echter zijn deze te laag gelegen voor de gierzwaluw om hier effectief te kunnen invliegen. Overtredingen van de
Rappor 18772008 verie DI
Pagina 8 van 25
Eco/nsu\tar\c*y Wet natuurbescherming ten aanzien van de gierzwaluw en de huismus kan op basis van onderhavige quickscan worden uitgesloten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van (snel)stromende beken
en
rivieren,
liefst met
loofbos
of loofbomen
omzoomd.
Ze
nestelen
vaak
in een
nis
in een
muur
of onder een brug of bij boomwortels in oevers. Vanwege het ontbreken van stromend water op de onderzoekslocatie, kan de aanwezigheid van grote gele kwikstaart redelijkerwijs worden uitgesloten.
Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien
van de grote gele kwikstaart kan op basis
van onderhavige quickscan worden uitgesloten. Havik
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de havik de afgelopen 10 jaar één maal in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen.
Het leefgebied van de havik bestaat uit een combinatie
van bos met geschikte nestbomen en open land om in te jagen. De havik kan nestelen in de kroon van een hoge loofboom, maar nestelt meestal n een naaldboom. Vanwege de specifieke eisen van deze soort met betrekking tot de nestlocatie, is het onwaarschijnlijk dat een van de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie nestgelegenheid biedt aan de havik. Tevens zijn er geen grote nesten aangetroffen die potentieel zouden kunnen toebehoren aan de havik. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de havik kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Ooievaar
De ooievaar broedt n kunstmatige nestgelegenheden op daken of wagenwielen, of broedt in zelfgemaakte nesten n onder andere bomen, telefoonpalen, schoorstenen of hoogspanningsmasten. Op de onderzoekslocatie zijn geen nesten aangetroffen welke potentieel toebehoren aan ooievaar, waardoor het verstoren van een vaste rust- of verblijfplaats uitgesloten kan worden. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de ooievaar kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Ransuil
De ransuil bewoont verschillende leefgebieden, waaronder open bos, parken, heiden maar soms ook tuinen. De ransuil maakt veelal gebruik van oude kraaien- of eksternesten en broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, vanwege de hoge dekking. Op de onderzoekslocatie zijn geen naaldbomen of geschikte broedgelegenheden als grote nesten aangetroffen. Tevens zijn er op de onderzoekslocatie geen braakballen, krijt- en/of pluksporen aangetroffen waardoor de aanwezigheid van de ransuil op de onderzoekslocatie kan worden uitgesloten. Steenuil
Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF is steenuil n de afgelopen 10 jaar regelmatig waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Steenuil is gebonden aan agrarisch gebied en maakt vaak gebruik van ingebouwde nestkasten en nestkasten in bomen. Tevens kan steenuil gebruik maken van opstallen zoals schuren als verblijfplaats. De stal op de onderzoekslocatie is mogeljk geschikt als roestplek of nestgelegenheid voor de steenuil (fguur 12). Daarnaast zijn er ook sporen aangetroffen in de vorm van krijtsporen, die mogelijk toebehoren aan de steenuil (figuur 13). Tenslotte is er in een van de grote loofbomen op de onderzoekslocatie een steenuilen nestkast aangetroffen die mogelijk dienstdoet als nestgelegenheid voor steenuil (figuur 14). Het kan daarmee niet worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie voor de steenuil een functie vervuld als roestplaats, nestgeIegenheid of essentieel foerageergebied. Aanvullend onderzoek naar steenuil wordt noodzakelijk geacht (hoofdstuk 6).
Rappor 18772008 verie DI
Pagina10 van 25
Figuur 12. Binnenkant van de stal geschikt als roestlocatie voor steenuil
Figuur 13. Krijtsporen die mogelijk toebehoren aan steenuil
Figuur 14. Steenuilenkast in loofboom op onderzoekslocatie.
Torenvalk
Volgens de verspreidingsgegevens van NDFF is de torenvalk de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. De torenvalk komt voor in open en halfopen land met veel woelmuizen, zoals boerenland met veel (kort) grasland, heide, hoogvenen, open duin en duinvalleien, akkers en incidenteel ook in de stad. De torenvalk bouwt zelf geen nest en kan tot broeden komen in een oud kraaiennest of eksternest. Tegenwoordig broedt de torenvalk echter in speciale torenvalkkasten. Wegens het ontbreken van geschikte nestlocaties als oude kraaiennesten en/of torenvalkkasten, is het uit te sluiten dat de onderzoekslocatie
een
essentiële functie vervuld voor de torenvalk. Over-
treding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de torenvalk kan op basis van onderhavige quickscan worden uitgesloten. Wespendief Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de wespendief de afgelopen 10 jaar één maal in de wijde omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. De wespendief broedt in de kruin van hoge loof- en naaldbomen en komt voor in loofbossen en gemengde bossen, met open plekken, heide hoogvenen en graslandjes. Vanwege de specifieke eisen van deze soort met betrekking tot de nestlocatie, is het onwaarschijnlijk dat een van de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie nestgelegenheid biedt aan de wespendief. Daarnaast zijn er op de onderzoekslocatie in de aanwezige bomen ook geen grote nesten waargenomen. Hiermee kan overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de wespendief op basis van onderhavige quickscan worden uitgesloten.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina11 van 25
Eco/nsu\tar\c*y 5.1.2
Categorie 4-soorten
In Limburg wordt onderscheid gemaakt tussen de vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 Um 8), en vogels waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven, de zogenaamde categorie 4-soorten. Deze vogels worden voldoende flexibel geacht om elders een nieuw nest te bouwen. Echter zijn ze wel dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit van hun leefgebied niet in het geding mag komen. In de omgeving van de planlocatie zijn waarnemingen bekend van categorie 4soorten als blauwe reiger, ijsvogel, kramsvogel, buizerd, sperwer, ringmus en spotvogel. Het gaat hierbij om soorten die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van categorie 4 soorten te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
5.1.3
Overige
broedvogels
De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals zwarte kraai, koolmees, roodborst en tftjaf. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig n gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: bosvleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De stal en oude woonwagen op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van dak- en kantpannen die toegang verlenen tot de ruimte onder het dak bij de stal (figuur 15), en vanwege spleten n de wand en ruimtes onder het afdekkende zijl die toegang bieden tot ruimtes tussen de buiten en binnenwand bij de oude woonwagen (figuur 17). Daarnaast is er een relatief open zolderruimte aanwezig met plafondbalk, welke geschikt kan zijn voor gewone- en grijze grootoorvleermuizen. De bebouwing is daarmee geschikt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en
grijze grootoorvleermuis. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijfplaats, kraamverblijfplaats, paarverblijfplaats en mogelijk als (milde) winterverblijplaats (zie hoofdstuk 6).
Rappor 18772008 verie DI
Pagina12 van 25
Eco/nsultanc*y
Figuur 15.
Kantpannen
die toegang
ruimte onder het dak.
verlenen
tot de
Figuur 16. Oude woonwagen
met
invliegmogelijkheden
voor gebouwbewonende vleermuizen.
De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn tevens onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors die mogelijk kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vieermuizen. Dergelijke elementen zijn niet aangetroffen op de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van verblifplaatsen van boombewonende vieermuizen kunnen op basis van onderhavige quickscan worden uitgesloten.
op de onderzoekslocatie
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed
kunnen
ondervinden
van
de werkzaamheden.
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en mogelijk laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis en rosse vleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft nabijgelegen groenvoorzieningen, bomenrijen en bossen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Aan de oost-, zuid- en noordzijde van de onderzoekslocatie is een langwerpige rechtlijnige hoge gemengde haag aanwezig welke mogelijk dienst kan doen als vliegroute voor vleermuizen richting de bebossing ten noorden van de onderzoekslocatie (figuur 17 en 18). Indien de desbetreffende haag verwijderd wordt of blootgesteld wordt aan kunstmatig licht ten behoeve van of ten gevolge van de toekomstige situatie, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van een essentiële vliegroute voor vleermuizen niet uit e sluiten (zie hoofdstuk 6).
Rappor 18772008 verie DI
Pagina18 van 25
Eco/nsultanc*y
Figuur 17. Overzicht gemengde haag, kijkrichting noord.
_
Figuur 18. Luchtfoto gemengde haag (zwarte stippellijn n gele pijl.
53
_ Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, das, eekhoorn, steenmarter en waterspitsmuis. Bever
Volgens de verspreidingsgegevens uit de NDFF van de afgelopen tien jaar is de bever sporadisch waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. De bever komt voor in overgangsgebieden tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. Hierbij heeft de bever een voorkeur voor meren en rivieren die omzoomd zijn door bossen met bomen als wilg en populier. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat aanwezig, vanwege het ontbreken van wateren als moerassen, beken rivieren en meren. De aanwezigheid van bever op de onderzoekslocatie kan hiermee worden uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de bever is niet aan de orde. Steenmarter
Volgens de verspreidingsgegevens uit de NDFF van de afgelopen tien jaar is de steenmarter waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De stal, het oude kippenhok en de oude woonwagen zijn in potentie geschikt als verblijfplaatsen voor de steenmarter (figuur 20). Tevens doen de aanwezige elementen als takken- en houtstapels en struweel mogelijk dienst als verblijfplaats voor de steenmarter (figuur 19). Aanbevolen wordt om binnen de vrijstellingsperiode van de
steenmarter (15 augustus tot en met februari) de geplande werkzaamheden uit de voeren. Indien dit niet mogelijk is, wordt een aanvullend onderzoek naar de steenmarter noodzakelijk geacht (hoofdstuk 6).
Rappor 18772008 verie DI
Pagina 14 van25
Eco/nsultanc*y
Figuur 19. Houtstapel geschikt als verblijfplaats voor
Figuur 20. Inhoud van de woonwagen geschikt als ver-
steenmarter.
blijfplaats voor steenmarter.
Eekhoorn
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen. De aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan op basis van onderhavige quickscan worden uitgesloten. Das
De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en de aansluitende weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Vanwege de afwezigheid van water op of nabij de onderzoekslocatie vormt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat voor de waterspitsmuis. De aanwezigheid van de waterspitsmuis op de onderzoekslocatie kan op basis van onderhavige quickscan worden uitgesloten. Licht beschermde
soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 54
_ Reptielen
Volgens gegevens van de NDFF is er in de afgelopen tien jaar in de wijde omgeving van de onder-
zoekslocatie enkel de streng beschermde reptielensoort Ievendbarende hagedis waargenomen. De levendbarende hagedis leeft in redelijk dicht begroeide gebieden, zoals (vochtige) heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden, maar kan ook in wegbermen,
Rappor 18772008 verie DI
Pagina15 van 25
Eco/nsu\tar\c*y dijktaluds, hagen en houtwallen voorkomen. Daarnaast heeft de soort een duidelijke voorkeur voor vochtige terreinen, met name structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. Aangezien op de onderzoekslocatie enkele bomen en struwelen aanwezig zijn en de onderzoekslocatie ten noorden gelegen is aan een klein stuk bosgebied vormt de onderzoekslocatie marginaal geschikt habitat voor de levendbarende hagedis. De eerste waarneming van de levendbarende hagedis is echter pas op circa 6 kilometer afstand ten opzichte van de onderzoekslocatie, in vochtig bosrijkhabitat nabij de Roggelsche beek. Daarnaast ligt de onderzoekslocatie en het aanliggende kleine stuk bosgebied geïsoleerd en omringt door drukke wegen en verhardingen. Hiermee is de aanwezigheid van de levendbarende hagedis op de onderzoekslocatie zeer onwaarschijnlijk en redelijkerwijs op basis van onderhavige quickscan uit te sluiten. 5.5
Amfibieën
Volgens gegevens van de NDFF
is er in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen tien
jaar enkel de streng beschermde amfibieënsoort Alpenwatersalamander waargenomen. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op en nabij de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën als de Alpenwatersalamander op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt daarnaast enkel marginaal geschikt landhabitat voor amfibieën vanwege het ontbreken van geschikte wateroppervlakten in de directe omgeving. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad op of rond de onderzoekslocatie beschutting vinden tussen de aanwezige beplanting. Voor deze mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt de algemene zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 56
Vissen
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie beschouwing worden gelaten. 5.7
kan deze soortgroep buiten
Libellen
Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
5.8
Vlinders
De onderzoekslocatie is gelegen op een locatie in Nederland waar de kleine ijsvogelvlinder en de teunisbloempijlstaart te verwachten is (bron: NDFF verspreidingsatlas). Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan waardplanten, die soms alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor de kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn niet op de onderzoekslocatie aanwezig. Daarentegen zijn op de onderzoekslocatie enkele geschikte waardplanten (teunisbloem spec.) voor de teunisbloempijlstaart waargenomen. Gezien de afwezigheid van waarnemingen van de teunisbloempijlstaart in de wijde omgeving van de onderzoekslocatie, het geringe aantal waardplanten op de onderzoekslocatie en de verdere marginale geschiktheid van de onderzoekslocatie voor de soort, is het op basis van onderhavige quickscan uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van de teunis-
Rappor 18772008 verie DI
Pagina16 van 25
Eco/nsu\tar\c*y bloempijlstaart. Op basis van gebrek aan geschikt habitat op de onderzoekslocatie kan overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot beschermde vlindersoorten uitgesloten worden. 5.9
Overige soorten
Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
5.10
Planten
Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er geen waaremingen gedaan van beschermde vaatplanten waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie be-
staat uit gras, bestaande uit een vegetatie met verschillende ruigtesoorten. Een deel van het terrein bestaat uit opslag van wilgen. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende plantensoorten waargenomen: grote brandnetel, zachte ooievaarsbek, paardenbloem, paarse en witte dovennetel, hondsdraf, kleefkruid, cipreswolfsmelk en teunisbloem. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daabij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vaatplanten kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina17 van 25
Eco/nsu\tar\c*y 6
_TOETSING
AAN
SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 61
Broedvogels
6.1.1
Jaarrond beschermde broedvogels
Steenuil
De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- of voortplantingsplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen verblijfplaatsen. Dit zijn: e
de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats
e _ de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan
het broeden
is.
Steenuilen gebruiken hun nestplek ook buiten de voortplantingsperiode. Ze hebben daarnaast ook andere plekken op het erf die ze regelmatig gebruiken. Dit ook om parasietinfecties tegen te gaan. Het mannetje gebruikt een verblijfplek in de directe omgeving van het nest als het vrouwtje aan het broeden is. Overdag verblijven de uilen tijdens rustperioden vaak op vaste roestplekken. Dit doen ze in de dekking van beplanting of gebouwen of in de nestholte. Al deze plekken worden niet gerekend tot de vaste rustplaatsen, maar zijn wel onderdelen van de functionele leefomgeving die hoort bij het nest (bron: Kennisdocument Steenuil BIIJ12, versie 2017).
Op de onderzoekslocatie of binnen de invloedssfeer zijn mogelijk 6én of meerdere voorplantingsplaatsen en/of roestplaatsen aanwezig. De oude stal op de onderzoekslocatie heeft mogelijk een functie als roestplaats dan wel voortplantingsplaats. Daarnaast is de steenuilenkast op de onderzoekslocatie tevens mogelijk in gebruik als voorplantingsplaats. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor de steenuil, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor steenuil te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Dit houdt in dat er in de periode februari tot en met april drie veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Indien nestlocaties worden aangetroffen zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats alsnog behouden moeten worden. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring middels een ontheffingsaanvraag.
Rappor 18772008 verie DI
te worden voorgelegd
aan de provincie
Limburg,
Pagina18 van 25
Eco/nsu\tar\c*y 6.1.2
Algemene broedvogels
Indien het aanwezige groen of de bebouwing op de onderzoekslocatie verwijderd dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen ingreep geldt voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten dat, indien het groen of de bebouwing buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het i verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor
het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2
Vleermuizen
De bebouwing en de oude woonwagen op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Daarnaast is de gemengde haag ten noorden, zuiden en oosten van de onderzoekslocatie geschikt als essentiële vliegroute voor vleermuizen. Indien de bebouwing en oude woonwagen ten behoeve van de voorgenomen ingreep gesloopt zouden worden, zou dit, in geval van de aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarnaast zou het verwijderen van (een deel van) de gemende hagen, of het plaatsen van kunstmatige verlichting gericht op de gemengde hagen in het geval van de aanwezigheid van een essentiële vliegroute van vleermuizen kunnen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage I! van de conventie van Bonn. Indien de bebouwing of de woonwagen op de onderzoekslocatie gesloopt dienen te worden, of indien (een deel van) de gemengde haag verwijderd dient te worden zal, gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen.
Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en grijze grootoorvleermuis. Daarnaast dient de functie van de haag als mogelijke essentiële viegroute onderzocht te worden. Een dergelijk aanvullend onderzoek
dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt n dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen of een essentiële vliegroute van vleermuizen is, indien de stal, oude woonwagen of (delen van) de gemengde haag gesloopt/verwijderd dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen ingreep overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of voortplantingsplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina18 van 25
Eco/nsu\tar\c*y Daarnaast dient tjdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie de nachtelijke verlichting tot een minimum te worden beperkt om verstoring van vleermuizen te voorkomen. 6.3
Overige zoogdieren
Steenmarter De
steenmarter
behoort
in Nederland
tot de
nationaal
beschermde
soorten
krachtens
artikel
3.10
van
de Wet natuurbescherming. De stapels materialen op de onderzoekslocatie, de oude woonwagen, het kippenhok en de stal kunnen mogelijk een geschikte vaste rust- en/ of verblijfplaats vormen. Indien ten behoeve van de toekomstige situatie op het perceel een van bovenstaande elementen verwijderd dient te worden, kunnen de geplande werkzaamheden daarom mogelijk leiden tot vernietiging van een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter en leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.
In de provincie Limburg valt de steenmarter onder de soorten waarvoor een periodieke provinciale vrijstelling geldt. Binnen de provincie Limburg geldt deze vrijstelling in de periode half augustus t/m februari. Binnen deze periode mogen eventuele steenmarterverblijfplaatsen verwijderd worden. Hierbij dient wel te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Indien het niet mogelijk is om werkzaamheden waarbij potentiele steenmarterverblijfplaatsen verloren gaan uit te voeren in de vrijstellingsperiode, dient nader onderzoek plaats te vinden om de aanwezigheid van verblijfplaatsen aan te kunnen
tonen
dan
wel uit te kunnen
sluiten.
Voor de steenmarter worden
aanvullende
veldbe-
zoeken in dat geval gecombineerd uitgevoerd met het eveneens uit te voeren vleermuizenonderzoek. 64
_ Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden door graafwerkzaamheden, het verwijderen van groen of door het verwijderen van andere elementen als de oude woonwagen of opgestapelde materialen.
65
_ Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina20 van 25
Eco/nsu\canc*y 7
TOETSING
AAN
GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura
2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Deurnsche Peel &
Mariapeel, bevindt zich op circa 8 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 21).
Figuur 21.
Ligging onderzoekslocatie (gele pijl ten opzichte van Natura 2000 (geel viak).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (+ 8 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen niet te verwachten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000 gebieden wordt niet noodzakelijk geacht. 7.2
Natuurnetwerk
Nederland
In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en
hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor
Rappor 18772008 verie DI
Pagina21 van 25
Eco/nsul(an* natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone wordt wel ondersteund. De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter, de zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel
uit van het Provinciaal Natuurnetwerk.
Figuur 22. viakken).
Ligging onderzoekslocatie (gele pijl en rode markering) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groene
Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 0,8 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslo-
catie. In figuur 22 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Limburg niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht.
Rappor 18772008
verie DI
Pagina 22 van 25
Eco/nsu\tar\c*y 8
_HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden’). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeetelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Indien de bomen op de onderzoekslocatie gekapt dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden vallen deze mogelijk onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf
4.1 van de Wet natuurbescherming. Geadviseerd wordt om navraag te doen bij de gemeente of voor de te vellen houtopstanden een meldingsplicht geldt.
Rappor 18772008 verie DI
Pagina23 van 25
9
SAMENVATTING
EN
CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Tuinbouwbedrijf Wijnen uitgevoerd nabij de Molenheg 21 te Helden.
een quickscan Wet natuurbescherming
De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader een bestemmingsplanwijziging en het realiseren van een bedrijfswoning, en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoeksloca-
tie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een
beschermde
status hebben
en die mogelijk negatieve gevolgen
kunnen
ondervinden
door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel |_
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Soortgroep Broedvogels [algemeen
Vieermuizen
Geschikt | Ingreep | Nader | OnthefingsBijzonderheden / opmerkingen” habitat | verstorend | onderzoek | _ aanvraag a a nee nee het verwijderen van nestgelegenheden buiten hot broedseizoen uitvoeren en rekening houden met de algemene zorgpicht
jaarrond beschermd
a
| verblijfplaatsen
a
mogelijk
ja | afnankelijk onderzoek naar steenuil noodzakemaderonder-van || aanvullend k zoek
mogelik
| “athankelijk | “afhankelik van | “indien stal of oude woonwagen worden vanin-
|
naderonder-
| gesioopt of verwijderd wordt aanvullend onder-
greep
|
zoek(indien
| zoek naar verbifplaatsen van gebouwbewo
nodig)
toerageergebied vliegroutes
a a
_ | nende vleermuizen noodzakelijk geacht
nee nee nee mogelik | *afhankelijk | “afhankelijk van | * ingien de gemengde haag (deels) worct vaningreep
| |
naderonderzoek (indien
nodig)
| verwijderd of belicht wordt met kunstmatige | belichting wordt aanvullend onderzoek naar
_ | essentiële viegroute van leermuizen noodzakelijk geacht
Grondgebon| steenmarter den zoogdie-
a
mogelijk
*nee
“nee
ren
*mits gewerkt wordt in de vrijstelingsperiode
van steenmarter, zijnde 15 augustus tot en met
tebruari, anders zanvullend onderzoek noodzakelijk
tijdens werkzaamheden in voorgenoemde
vristelingsperiode aandacht voor zorgplicht ten aanzien
algemeen
a
a
nee
nee
van steenmarter
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene saorten zoals egel, onijn, vos en verschilende algemeen voorkomende muizensoorten
Amibieën
minimaat | mogelik
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als bruine kikker en gewone pad
Repielen Vissen Libellen en vinders Overige ongewervelden Vaatplanten Rappor 18772008 verie DI
nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee
nee nee nee nee nee
-
Pagina 24 van 25
Eco/nsu\canc*y Gebiedsbescherming Gebies | Ingreep | Nader [ VergunningNatura 2000 Skm nee nee nee Natuumetwerk Nederland 08 km nee nee nee Houtopstanden mogelik | mogelik | mogelik | _ mogelik _ | navraag bij provincie Lmburg * Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uilkomst van het onderzoek. aanwezig
| verstorend | onderzoek |
_
plicht
Conclusie
Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van nestlocaties of verblijfplaatsen van de steenuil. Indien de voorgenomen werkzaamheden vereisen dat de stal of oude woonwagen gesloopt of verwijderd worden, dient tevens aanvullend veldonderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van onderzoekslocatie als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Eventuele nachtelijke verlichting ten behoeve de voorgenomen ingreep in de buurt van de stal of oude woonwagen dient voorkomen te worden. Met betrekking tot het gebruik van de onderzoekslocatie als essentiële vliegroute voor vleermuizen geldt dat geen overtreding van de Wet natuurbescherming optreedt mits de gemengde haag op de onderzoekslocatie behouden blijft en vrij zal blijven van kunstmatig licht. Indien de betreffende gemengde haag niet (volledig) behouden kan blijven, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de mogelijke functie van de onderzoekslocatie als essentiële vliegroute voor vleermuizen.
Voor steenmarter geldt in Limburg een vrijstelling in de periode tussen 15 augustus en februari. Indien binnen deze periode gewerkt wordt is overtreding ten aanzien van de Wet natuurbescherming te vermijden. Wel dient tijdens werkzaamheden in de vrijstellingsperiode te allen tijde de algemene zorgplicht voor steenmarter in acht te worden genomen. Indien niet binnen de genoemde periode gewerkt kan worden en elementen als de stal, oude woonwagen of stapels materialen verwijderd dienen te worden ten behoeve van de realisatie van het pand, dient voorafgaand aan de voorgenomen ingreep duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter op de onderzoekslocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Het wordt geadviseerd om, indien aanwezig, materiaalopslag en snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.