2024-059 15 Bijlage 3 bij de toelichting - Archeologisch onderzoek (geanonimiseerd)
Tekst van het document
hetzij nieuw gesticht, hetzij
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen
(circa 450-1500 n. Chr.)
Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr, is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rappon 18772002 verie 2
Eco/nsu!tanc* meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10° — 11° eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos,
heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie
met een
zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal ge-
weld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen.
Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19° tot het begin van de 20° eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20° eeuw uit in de kunsten.
Rappon 18772002 verie 2
Eco/nsu{tanc* Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erígoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze ín sítu behouden moet worden. Dan dienen de archeologische beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing.
resten
in de grond
Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting. Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek
Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespedificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO)
Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden
(grondsporen
en daarmee
samenhangende
voorwerpen).
Bij het booronderzoek
is
een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase. De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden
van het landschap,
invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden
kansarme
voor zover deze van
zones uitgesloten en kansrijke
zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied
systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rappon 18772002 verie 2
Eco/nsu!tanc* Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven
Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding
Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische
resten te bepalen
en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen
niet
uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan
alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet ín sítu bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rappon 18772002 verie 2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling v
Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk)
Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
v
Bureauonderzoek"
(verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmode!) v
Besluit
(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) v
Inventariserend
veldonderzoek
v
Verkennend
v
vedonderzoek
D""
Door middel van
- terreininspectie
Karterend veldonderzoek
Door middel van:
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.””*
-
‘booronderzoek"*
v
Besluit
(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) v
Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie 7“
Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven””” (variant begeleiding)
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.””*
v
Besluit
(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) v
Opgraven*”* Verwijderen van de archeologische resten door archeo-
v
Beschermen Bescherming van de archeologie door planaanpassing
Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
logen (variant begeleiding) Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PVA aanwezig i. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. * Voorafgaand aan het onderzoek dient een PVE en PVA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. ** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, ndien een PvA en een goedgekeurd PVE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. *** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven ís mogelik, indien een PvA en een goedgekeurd PVE aanwezig ‚en met instemming van de bevoegde overhei
Rappon 18772002 verie 2
Bijlage 7
Rappon 18772002 verie 2
Planontwerp
Eco/nsul Itank
Rappon 18772002 verie 2
e
Bijlage
8
Boorprofielen
Boring 1
Boring2
X V:
x TE r}
1GEZ200 988400
UB
meNaP
364
mP n AP-HORZONT
Zand. matg
um
j. zwak
i.
Genker rsbran,
matig
IC
oo
22 Z. matg B zak i. geel e
dorker
\ tetorsesag 2
Boring3 x
ToE
v
s
447
b
t
CHORZONT
\ gey Zane.ondern matg fjn, metg stg. geet
Boring 4
meNaP
X
Bens1a0
v
s
a
mP
APHORZONT
Zond. matg j. zaek . matig humeus. Gooker gsbrie,
Zand, mati g a
2
x
1SE6B100
x
1SEeE200
aa980e00
v
a
49
mP
o
42 e AP-HORZONT
Zand.
200
matg S.
zwak
i. geel, vrtorde
OOO
mP G
Zand. matgGonkerf zeek 06g Ketmatg humeus. gristran. verseers
E
-
°
zeak
orkerggbnan
Zand a B r g, zek SOz e Weng o
\m
v
S.
e
Zand. matgweiigj. pui.zwak dorter g, maig tumeus, grsbrun. Ket verstoord, Ken Tragrent baksten
sg. Ie
grietrun gevet doh g
m
_\cengey e g CHORZONT
Zand,
12
Rappon 18772002 verie 2
matg f
matg s
gieyhoudens. geet
zeek
ä
ER
Eco/nsultanc*y Boring7 x
oo
v
397000
415
mP
:
_ HRO
Z
aa
e
,
z
e
S
j
z
o
r
5
E
o
10
= a
s
S
a
Zand, matg f matg \genoesene geet
g z
Legenda (contorm NEN 5104)
d a
zandg
oo
zenczands
oo
atertzane
zana
weig
zand
s z g
e
EEEN z a n E
e aen, e
Meig
a_
overig
a
<
enissetsnoogse
2
grontearean
9
Gemiseld oom genawersnd
E D m
Rappon 18772002 verie 2
_
A
oizonderbezandeeet wenseseriend