2024-059 15 Bijlage 3 bij de toelichting - Archeologisch onderzoek (geanonimiseerd)
Tekst van het document
ECO nSUItancy
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND NABIJ TE
BOORONDERZOEK
MOLENHEG
21
HELDEN
GEMEENTE
PEEL
EN
MAAS
©O Archeologie
archeologisch
bureauonderzoek
en verkennend
booronderzoek
nabij Molenheg 21 te Helden Opdrachtgever
|
Tuinbouwbedrijf Postbus
Wijnen
7004
5980 AA
Rapportnummer
|
18772.002
Versienummer!
|
2
Datum
|
24 oktober
Vestiging
|
Limburg
Panningen
2022
Rijksweg Noord 39 6071
KS
Swalmen
Opsteller
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto's en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvioeiend uit de toepassing van de advie-
zen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) ! Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Administratieve gegevens plangebied
Projecteode Toponiem Opdrachtgever Gemeente Plaats Provincie
18772002 nabij Molenheg 21 Tuinbouwbedrif Wijnen Peel en Maas Helden Umourg
Kadastrale gegevens
Gemeente Heiden,
Omvang plangebied
circa 6600 m?
Kaartblad
58B (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X
Bevoegde overheid
Gemeente
196.651/Y:
sectieG perceelsnummers 770 en 7708
369914
Peel en Maas
Wihelminaplein
t
5981 CC Panningen Postbus
7088
5980 AB Panningen
Deskundige namens de bevoegde overheid
ArchAeO
m Rapelenburgiaan 5654
AP
9
Eindhoven
T: B
ARCHIS3
Onderzoeksmeidingsnummer (OM-nr.)
5261033100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swaimen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg
Uivoerders
Coorstaro B
…
scen E
Kwaliteitszorg Econsuitancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsuitancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOIA). De VOIA behartigt de ‘belangen van meer dan 100 bedrijven n alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid
Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zjn. Daar Econsuitancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankeljk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet nstaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Eco/nsu!tanc* SAMENVATTING
Econsultancy heeft in opdracht van Tuinbouwbedrijf Wijnen in mei 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan Molenheg (nabij Molenheg 21) te Helden in de gemeente Peel en Maas.
In het plangebied zal een bedrijfswoning worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden ver-
wacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespeificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespedificeerde archeologische verwachting. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting heeft het plangebied een lage archeologische verwachting voor het (Laat-)Paleolithieum en Mesolithicum en een hoge archeologische verwachting voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting
voor het aan-
treffen van sporen gerelateerd aan agrarisch gebruik en infrastructuur, en een middelhoge verwachting voor het aantreffen van sporen gerelateerd aan bewoning. Resultaten inventariserend
veldonderzoek
Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodem binnen het plangebied is verstoord. Onder een 70-110 centimeter dikke verrommelde Ap-horizont bevindt zich een verstoord pakket, bestaande uit een restant van de C-horizont vermengd met de bovenliggende Ap-horizont. De aanwezigheid van deze laag toont aan dat de oorspronkelijke top van de C-horizont is verstoord. In de boringen werd de C-horizont aangetroffen op 100-140 centimeter onder
het maaiveld.
Conclusie
Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in sítu worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek naar beneden bijgesteld. Advies
Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.
Rappon 18772002 verie 2
Eco/nsu!tar\c* Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Peel en Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erígoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erígoed?).
? Intodesk em N
Rappon 18772002 verie 2
c ‘e 033-4217456.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .
2
BUREAUONDERZOEK… 21
Doelstelling en onderzoeksvragen …
22
Methoden..
23
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
24
Toekomstige situati
25
Aardwetenschappelijke gegevens
26
28
Archeologische waarden . Beschrijving van het historische gebruik Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
28
‘Conclusie
27
3
4
bureauonderzoek..
INVENTARISEREND
VELDONDERZOEK
31
Doelstelling en onderzoeksvragen …
32
Methoden
33
Resultaten.
34
Conclusie
CONCLUSIE
LITERATUUR.... BRONNEN
.
Rappon 18772002 verie 2
EN
veldonderzoek ADVIES
…
Eco/nsu!tanc* LIJST
VAN
Tabell. Tabel |I. Tabel II TabelIV.
TABELLEN
_ Aardwetenschappelijke gegevens plangebied _ Grondwatertrappenindeling _ Geraadpleegd historisch kaartmateriaal _ Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN
AFBEELDINGEN
Figuur1.
_ Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000).
Figuur2. Figuur3.
_ Het plangebied op de topografische kaart (1:2.500). _ Het plangebied op een luchtfoto uit 2020.
Figuur4. _ Figuur5. _ Figuur6. _ Figuur7. _ Figuur8. _ Figuur9. _ Figuur 10. Figuur11. Figuur12.
Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart. Het plangebied op de geomorfologische kaart. Het plangebied op het actueel hoogtebestand. Het plangebied op het actueel hoogtebestand (detail). Het plangebied op de bodemkaart. Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Het plangebied op de Tranchot und v. Müffling kaart (1803-1820). Het plangebied op historische kaarten. Boorpunten geprojecteerd op een luchtfoto uit 2021.
BIJLAGEN
Bijagel Bijage2 Bijlage3 Bijlage 4 Bijlage5 Bijlage6 Bijlage7 Bijlage8
_ Overzicht geologische en archeologische tijdvakken _ AMK-terreinen _ Onderzoeksmeldingen _ Vondstmeldingen _ Bewoningsgeschiedenis van Nederland _ AMZ-cyclus _ Planontwerp _ Boorprofielen
Rappon 18772002 verie 2
Eco/nsu!tanc* 1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Tuinbouwbedrijf Wijnen een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Molenheg (nabij Molenheg 21) te Helden in de gemeente Peel en Maas (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens binnen het plangebied een bedrijfswoning te realiseren.
Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het
plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend
veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4).
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in mei 2022 door N (geanonimiserd) (geanonimiseerd) N (Archeoloog) en N e (geanonimiseerd) e senior KNA Archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door B (geanonimiseerd) (Senior KNA Archeoloog)e
2
_ BUREAUONDERZOEK
21
_ Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappeljke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespedificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 22
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24-05-2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van
het bureauonderzoek
gelden de specificaties LS01,
LS02,
LS03, LS04 en
LS0S. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: + + >
_ _
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04);
3SIKB.
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 1 van 22
Eco/nsu!tanc* 7
opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
440
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK);
4A
literatuur en historisch kaartmateriaal;
23
geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten;
de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000): recente luchtfoto's;
het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN):
Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Peel en Maas; plaatselijke (amateur-Jarcheoloog c.q. heemkundevereniging. _ Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied.+ Het plangebied, circa 6.600 m?, ligt aan de Molenheg, nabij Molenheg 21, ongeveer 1 kilometer ten zuidwesten van de kern van Helden in de gemeente Peel en Maas (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 34,3
meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Helden, sectie G, perceelnummers 770 en 7708. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 58B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 196.651/Y: 369.914.
Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel deels n gebruik als parkeerplaats en deels als grasland met bomen. Het zuidelijke deel van het plangebied is n gebruik als parkeerplaats. Deze parkeerplaats is voorzien van stelconplaten. Het overige deel van het plangebied is in gebruik als grasland. Op dit deel bevinden zich enkele bomen en een kleine stal. Aangrenzend ten westen van het plangebied bevindt zich een kas. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een terrein met installaties voor tuinbouw (zie figuur 3).
* Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 2van 22
Eco/nsu!tanc* Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.
Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas van de gemeente Peel en Maas (vastgesteld 24-12-2014). Volgens dit bestemmingsplan
heeft het plangebied een dubbelbe-
stemming Waarde-Archeologie 4. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m? en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld. 5 Volgens de beleidskaart van de gemeente Peel en Maas (zie Figuur 4) ligt het plangebied in een zone
met een hoge archeologische verwachting. £ Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 18772.001). De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch bureauonderzoek nog niet bekend. Bodemloket
De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven n maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaiteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden
beschouwd.
Volgens het provinciale bodemportaal, waarnaar wordt verwezen door het bodemloket, zijn geen mili
euhygiënische onderzoeken uitgevoerd binnen het plangebied.7 24
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is een bedrijfswoning gepland. Deze zal worden gebouwd in het zuidelijke deel van het plangebied. De huidige parkeerplaats zal worden verplaats naar een terrein ten westen van het
plangebied. Voor de bouw van de woning zal een gebied met een oppervlakte van circa 165 m2 worden bebouwd. Onder de gehele woning zal een kelder worden aangelegd tot een diepte van 1,8 meter onder het maaiveld. De begane vloer van het woonhuis zal worden aangelegd op circa 1 meter boven maaiveld. Tevens zal er ten oosten van de woningen een hellingbaan worden aangelegd als toegang naar de ondergrondse kelder/garage. Deze hellingbaan heeft een oppervlakte van circa 125
m?. In het noordelijke deel van het plangebied blijft de huidige situatie behouden (zie bijlage 7). De * Portaal voor Ruimtelijke Plannen. © Sueur & Van Dijk, 2015
7 Bodemloket; Alas Limburg.
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 3 van 22
Eco/nsu!tanc* geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden
2.5
verstoord.
_ Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen.
De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel |.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geotogie® Geomorlologie® Bodemkunde'® Grondwatertrap
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden: dekzand (B35) Dekzandrug hoge zwarte enkeerdgronden (2EZ23) v
Landschappelijke ontwikkeling" Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan
verschillen dekzandruggen
1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd
en grotere
hoogte-
of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet
tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het
Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa's erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. De dekzandruggen zijn gevormd in het Laat-Glaciaal (12.300-10.200 jaar geleden) doordat koude en minder koude perioden zich afwisselden. Hierdoor vonden er nieuwe zandverstuivingen plaats die voornamelijk in ruggen en duinen werden afgezet. Deze 'Jonge dekzanden’ zijn herkenbaar als goed gesorteerde, weinig gelaagde afzettingen. Mogelijk heeft er n een warmere periode (het Allerad-interstadiaal) bodemvorming plaatsgevonden, die als een grijs tussenlaagje te herkennen is. DINO'?
Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO.
® De Mulder et al., 2003
°Wageningen Environmental Research, 2017. © gtichting voor Bodemkartering, 1972.
11 Mulder et al., 2003; Berendsen, 2008; Verhoeven, Ellenkamp & Janssens, 2009. 2 Dinoloket
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 4 van 22
Eco/nsu!tanc* In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.3 Hieruit blijkt dat de ondergrond binnen het onderzoeksgebied bestaat uit een zandpakket in de fijne en midden categorie, dat te relateren is aan afzettingen van de Formatie van Boxtel. Bij twee van de boringen (B58B0183 en B58B0020) bevindt er zich tussen het zandpakket nog een leemlaag van 60 tot 190 centimeter dik. Deze bevindt zich op diepte van circa 2-2,7 meter onder het maaiveld. Het leem is waarschijnlijk een beekafzetting die eveneens
behoort tot de Formatie van
Boxtel.
Geomortologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer.
Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dekzandrug. Ten zuiden en zuidwesten van het plangebied, respectievelijk circa 500 en 650 meter, gaat deze dekzandrug over n dekzandwelving. Ongeveer 1,2 kilometer ten zuidwesten van het plangebied gaan deze dekzandwelvingen over in een dekzandvlakte. Op de dekzandrug, circa 400 meter ten oosten van het plangebied, bevindt zich een kleinere landduin. Op ongeveer 1 kilometer ten oosten van het plangebied begint een grote gebied met landduinen met bijbehorende vlakten en laagten. Op 1 kilometer ten noorden van het plangebied, binnen een veenkoloniale ontginningsvlakte, ligt een dalvormige laagte. Door deze laagte stroomt tegenwoordig de Kwistbeek (zie figuur 5).
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)'* Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN (zie figuur 6) ligt het plangebied aan de zuidzijde van een dekzandrug. De rug van deze dekzandrug (circa 34,5-35,3 meter +NAP) ligt direct ten noorden van het plangebied en loopt verder richting het noordwesten. Naar het noorden loopt het reliëf af richting een laagte, circa 1 kilometer van het plangebied. Door deze laagte (circa 29-30 meter +NAP) stroomt de Kwistbeek. Ten zuiden van het plangebied loopt het reliëf af richting een vlakte. Deze vlakte begint op circa 900 meter van het plangebied en heeft een gemiddelde maaiveldhoogte van 31 meter +NAP. Het natuurlijk reliëf n de directe omgeving van het plangebied is duidelijk veranderd door de invloed
van de mens. Op de AHN is ten noorden van het plangebied de bewoning van Helden en Panningen, waaronder gebouwen en het stratenpatroon, duidelijk zichtbaar. De percelen direct ten westen, 00Sten en zuiden van het plangebied vertonen een zeer scherpe begrenzing en hebben een zeer rechthoekige vorm. Waarschijnlijk zijn deze percelen geëgaliseerd voor de aanleg van de huidige tuinbouwkassen.
Het plangebied zelf heeft een gemiddelde maaiveldhoogte van 34,3 meter +NAP (zie figuur 7). De zuidelijke helft van het plangebied is zeer uniform en heeft een hoogte van 343 tot 34,4 meter +NAP. Enkel bij de weg ligt het maaiveld iets hoger, op 34,5 meter +NAP. Het noordelijke deel van het plangebied ligt iets lager (circa 34,1-34,2 meter +NAP) en heeft een onregelmatig reliëf. Het is niet duideljk of het hier gaat om een natuurlijk reliëf of om vergravingen.
° DINO boornummers B58B0183 (50 meter ten noorden van het plangebied),
B58B0020 (600 meter ten oosten van het plan-
gebied) en B58B0127 (800 meter ten zuiden van het plangebied). 'AHN.
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 8 van 22
Eco/nsu!tanc* Bodemkunde
Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden (ZEZ23) (zie figuur 8). Enkeerdgronden
zijn oude
bouwlanden,
die vanaf de Late-Middeleeuwen
gronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd
op de Pleistocene zandmet plaggen, die gesto-
ken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen.
Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren '80 van de 20° eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeolo-
gische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9° en de 12° eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden
over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.'s Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfuctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemi deld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de
grondwatertrappen.
De trappen worden vastgesteld op een schaal van | tot VIl van respectievelijk
extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.
Tabel H. Grondwater-
Grondwatertrappenindeling'® |1
r
ur
w
v
M
v
van
< 5080
<0 80120
>40 80120
< >120
4080 >120
>80 >120
>140
trap
SHG (em-mw) |GLG (mm | <50 } ”)
_ Bijdeze grondwatenrappen wort een Grager de onderscheigen Een met een * achter de codeals onderverdeling aangegeven zeerdroog
dee’heef een GHG dieperdan 140 m
beneden masiveld
Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Door de goede ontwatering wordt verwacht dat metalen en organische resten slecht zijn geconserveerd.
' Doesburg et al., 2007. ' Locher & De Bakker, 1990.
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 6 van 22
Eco/nsu{tanc* 26
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).7 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen.
De bekende archeologische waarden
zijn middels kaartmateriaal weergegeven
in figuur 9. Hierop
staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1 kilometer weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd.
Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg'® De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van tevoren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen n het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adeguaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn.
Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied.
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied'® De
Archeologische
Monumentenkaart
(AMK)
bevat een
overzicht van
archeologische
monumen-
ten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaam-
heid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën: terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer
hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen vier AMKterreinen (zie bijlage 2 en figuur 9). Ten zuidwesten en westen van het plangebied, circa 700 meter, liggen de oude dorpskernen van Egchel (AMKterrein 16710) en Egchelhoek (AMK-terrein 16712). Circa 850 meter ten oosten van het plangebied ligt de oude dorpskern van Helden (AMK-terrein 16706) en circa 900 meter ten noorden van het plangebied ligt de oude dorpskern van Panningen (AMK-terrein 16708). De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19° en vroeg 20°-eeuwse kaarten.
Binnen
de
contouren
van
de
AMK-terreinen
kunnen
resten
van
de
laatmiddeleeuwse
en
Nieuwe tijd bewoning van deze dorpen aangetroffen worden. Ook kunnen er in de ondergrond sporen van oudere bewoning aanwezig zijn. 7 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amerstoort. ® Provinciaal Omgevingsplan Limburg. 9 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 7 van 22
Eco/nsu{tanc* In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied2? Binnen het plangebied is niet eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 21 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken en opgravingen (zie bijlage 3 en figuur 9). Met name de onderzoeken aan de Keup, Roggelseweg, Giel Peetershof en Neerseweg zijn voor dit bureauonderzoek van belang. Plangebied Keup (OM-nrs. 2238713100 (34334), 2264877100 (37985) en 2304152100 (43329))
In april 2009 heeft BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Uitgevoerd voor het plangebied Keup te Helden, gelegen op circa 500 meter ten zuidoosten van het huidige plangebied. De bodems binnen het plangebied bestaan voor het grootste deel (3,5 van de 4 ha) een intacte bodem in het aanwezige dekzand. In 80% van de boringen bevindt zich onder een humeus zanddek nog een restant van het oude plaggendek. In dit plaggendek zijn in drie boringen
enkele houtskool spikkels aangetroffen. De overige 0,5 ha van het plangebied bevat verstoorde bodemprofielen. Op basis van de hoge trefkans op het aantreffen van archeologische resten vanaf het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen heeft BAAC geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit de voeren binnen het deel van het plangebied met een hoge verwachting. Voor de overige
0,5 ha werd een vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.2' Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd door BAAC in november 2009. Uit het onderzoek bleek dat er midden op het terrein zich duidelijk afgetekend een dekzandkop bevindt waar onder het esdek bewoningssporen uit de IJzertijd zijn aangetroffen. Het betreft een mogelijke huisplattegrond, een bijgebouw en drie spiekers. Enkele aardewerkscherven wijzen op een preciezere datering van de sporen in de Vroege-IJzertijd. In het gebied rondom de dekzandkop, dat lager gelegen is, zijn nauweljks sporen aangetroffen. Alleen in het noordelijk deel bevonden zich enkele karrensporen uit de Nieuwe tijd. Gezien de waardering van de IJzertijdsporen als behoudenswaardig werd voor het plangebied een nader onderzoek in de vorm van een definitief archeologisch onderzoek aanbevolen, indien behoud in-situ niet mogelijk zou zijn.22 Tijdens de opgraving, uitgevoerd in november 2010, werden op de dekzandkop enkele sporen en vondsten uit het Midden- en/of Late-Neolithicum aangetroffen. De nadruk van bewoning lag echter in de tweede helft van de Midden-IJzertijd. Uit deze periode werd een afgebakende
gelegd,
bestaande
uit ten minste vier huizen,
nauwelijks verstoringen
en sporen
uit andere
61
nederzetting bloot-
spiekers en een klein bijgebouw.
perioden
in het onderzoeksgebied
Omdat
er zich
bevonden,
kon de
vindplaats goed onderzocht worden. Op basis van typologie (type Oss 4A, 4B en 5A), aardewerk en
14G-onderzoek konden alle huisplattegronden in de (tweede helft van de) Midden-IJzertijd gedateerd worden. Vanwege overlapping van huisplattegronden kon vastgesteld worden dat sprake is van een fasering van de nederzetting. Buiten de dekzandkop zijn geen sporen aangetroffen. Hierdoor bestaat het vermoeden dat direct ten oosten van de nederzetting zich het akkerareaal uitstrekte, terwijl zich aan de westzijde de lager gelegen, enigszins natte graslanden bevonden waar het vee kon worden geweid. Aan het eind van de Midden-IJzertijd werd de nederzetting verlaten waarna het gebied niet meer bewoond is geweest. Aan het einde van de Middeleeuwen, maar in ieder geval in de Nieuwe tijd, werd een esdek opgeworpen en werd het gehele plangebied in gebruik genomen als akker-
grond.2
® Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort ? Kalisvaart, 2009. 22 Kimenai & Winter, 2010. ?3 De Winter, 2013.
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 8van 22
Eco/nsu!tanc* Plangebied Roggelseweg 79 (OM-nrs. 2143157100 (20736), 2177089100 (25577) en 2188786100 (27265)) Synthegra bv heeft in januari 2007 een archeologisch bureauonderzoek en karterend booronderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Roggelseweg 79 te Helden, circa 650 meter ten 0osten van het huidige plangebied. Uit het booronderzoek bleek dat de oorspronkelijke bodemopbouw in een deel van de boringen nog grotendeels intact i. Tevens is er in 6én boring in de afgedekte Ehorizont sporen van antropogene houtskool aangetroffen. Deze sporen wijzen op een nederzetting ter
plaatse of in de onmiddellijke omgeving. Op basis van deze resultaten, en de in het bureauonderzoek opgestelde hoge verwachting, werd aanbevolen om aanvullend onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek
uit te voeren.2
Tijdens het proefsleuvenonderzoek, uitgevoerd door Synthegra in december 2007, zijn sporen en vondsten uit de Bronstijd of Vroege-IJzertijd aangetroffen. Het betreft paalsporen die mogelijk tot een grote structuur kunnen
behoren.
Naar aanleiding van het aantreffen van deze sporen
is in mei 2008
een opgraving uitgevoerd. Tijdens de opgraving werd een cluster van 93 sporen aangetroffen, voornamelijk bestaande uit ronde en ovale paalkuilen. Bij nadere analyse werden drie mogelijke structuren geïdentificeerd, namelijk drie meerpalige rechthoekige structuren, vermoedelijk spiekers. Een totaal van 83 fragmenten Late-Bronstijd/IJzertijd aardewerk was afkomstig uit deze sporen. De sporen werden afgedekt door een plaggendek. Aardewerk uit het plaggendek wijst op ontginning van het
plangebied vanaf circa de 12°-13° eeuw.23 Plangebied Giel Peetershof (OM-nrs. 2319698100 (45438), 2319705100 (45439) en 2357249100 (50466)) Voor het plangebied Giel Peetershof, gelegen aan de kruising van de Gielenhofweg en Roggelseweg te Egchel (circa 800 meter ten zuidwesten van het huidige plangebied, heeft Econsultancy in maart 2011 een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van het onderzoek bleek dat de kans op het voorkomen van archeologische resten vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd middelhoog is voor de delen van het plangebied waar een esdek aanwezig is. Voor de delen waar geen esdek maar een laarpodzolgrond aanwezig is, in het zuiden van het plangebied, is de kans op het voorkomen van archeologische resten laag voor alle perioden. Op grond van deze resultaten heeft Econsultancy geadviseerd om de noordelijke helft van het plangebied nader te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek.25 Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau in februari 2012. Tijdens het onderzoek zijn in totaal 212 archeologisch relevante sporen aangetroffen, waaronder
paalkuilen, kuilen, greppels en karrensporen. In totaal konden hieruit vier vindplaatsen geïdentificeerd worden. Het betreft een zone met sporen en vondsten uit de IJzertijd (vindplaats 1), een zone met resten van een landweer uit de Late-Middeleeuwen (vindplaats 2) en off-site fenomenen zoals greppels, kuilen en spitsporen die ten noorden (vindplaats 3) en ten zuiden (vindplaats 4) van de landweer zijn aangetroffen. Op basis van de resultaten werd aanbevolen om de plannen zodanig aan te passen
dat archeologische resten in de bodem behouden kunnen blijven.27 Plangebied Neerseweg (OM-nrs. 3064468100 en 2098316100 (14320)) In juli 2005 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau een bureauonderzoek en karterend booronderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Neerseweg te Helden, circa 950 meter ten oosten van het huidige plangebied. Tijdens het veldwerk is in elke boring een enkeerdgrond aangetroffen met
? Hagens et al, 2007. 2 Van der Linden, 2008. ® Stiekema, 2011
? Resultaten verkregen uit Archis, aangezien het rapport niet beschikbaar was.
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 8 van 22
Eco/nsu{tanc* daaronder restanten van een moderpodzol of humuspodzol. In het oostelijke deel van het plangebied zijn intacte humuspodzolen aangetroffen onder een laag stuifzand. In vijf van de tien boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen, vier daarvan zaten n het esdek en één (een aardewerkscherf) is aangetroffen in de overgang van het esdek naar de ongeroerde ondergrond. Deze indicatoren duiden waarschijnlijk op de aanwezigheid van nederzettingsterreinen van landbouwende gemeenschappen in het plangebied of de directe omgeving daarvan. Op grond van de resultaten werd geadviseerd om de vindplaats te waarderen door middel van een proefsleuvenonderzoek.2 Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd in november 2011 aanwijzingen
opgeleverd
door RAAP.
voor de aanwezigheid van waardevolle
Het onderzoek heeft geen
archeologische
resten in het plan-
gebied. Er is enkel in de diepere ondergrond het restant van een greppel met aangrenzende wal, daterende in het einde van de Late-Middeleeuwen of de Nieuwe tijd. Deze greppel is als niet behoudenswaardig gewaardeerd. Derhalve werd geen vervolgonderzoek aanbevolen.2 Overige onderzoeken en conclusie De overige onderzoeken in de omgeving van het plangebied betreffen voornamelijk (bureau- en) booronderzoeken. Door diepgaande verstoringen binnen de onderzochte terreinen, onder andere door egalisatie of leemwinning, zijn de meeste van deze terreinen vrijgegeven voor verder archeologisch onderzoek. De gravende onderzoeken binnen het onderzoeksgebied laten zien dat er in de omgeving van het plangebied resten uit het Midden-/Late-Neolithicum, Late-Bronstijd/IJzertijd, LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd zijn aangetroffen. Deze resten zijn met name ten oosten van het plangebied aangetroffen. De vondsten aangetroffen in het esdek wijzen erop dat de terreinen in de LateMiddeleeuwen/Nieuwe tijd in gebruik zijn genomen als akkerland.
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied®? In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan dertien vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 9). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activíteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in alle perioden vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De aangetroffen vondsten betreffen fragmenten vuursteen en vuurstenen werktuigen, aardewerk, metalen slakken en metalen voorwerpen, stenen voorwerpen, bouwmateriaal, paalsporen en karrensporen. Deze zijn onder andere aangetroffen bij het onderzoek aan de Keup, Roggelseweg, Giel Peetershof en de Neerseweg (zie hierboven). Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn enkele publicaties geraadpleegd van archeologische onderzoeken die in het verleden binnen het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden (zie hierboven). Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden en er is geen contact opgenomen met het provinciaal depot van Limburg, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. 27
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettings2 Moonen, 2005. ® Smit, 2006.
® Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rappon 18772002 verie 2
Pagina10 van22
Eco/nsu!tanc* vormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20° eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld.
Korte bewoningsgeschiedenis van Helden en Egchel In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven.
Een
algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5.
Het grondgebied van de voormalige gemeente
Helden is al heel vroeg bewoond geweest, getuige de
prehistorische vondsten uit onder meer de Bronstijd en IJzertijd. De eerste vermelding van het kerkdorp Helden stamt uit 1230 (Heldele). Staatkundig behoorde de heerlijkheid Helden tot 1279 bij het graafschap Kessel dt zich uitstrekte van Venray tot aan het dorp Kessel. In dat jaar werd het overgedragen aan graaf Reinald I van Gelre. Hierdoor werd het een Gelders leen en ging het deel uitmaken van het Ambt van Kessel dat het juridische en bestuurlijke district was van het Overkwartier van Gelre. Vanaf 1543 ging het Gelderse Overkwartier, en dus ook de heerlijkheid Helden, toebehoren aan de Spaanse Habsburgers als hertogen van Gelre. Dit werd bekrachtigd middels het Verdrag van Venlo. In de 18° eeuw werd de voormalige gemeente Helden in kaart gebracht om zodoende de koninklijke tiendrechten vast te stellen. Daarnaast werd veel ‘woeste grond’ (veen) ontgonnen, de han-
del en nijverheid werd bevorderd en een tal van nieuwe verordeningen werden gepresenteerd.3! Het gehucht Egchel bestond oorspronkelijk uit een reeks boerderijen op de grens van hoog en laag. Op de boerderijenreeks sluit een opstrekkende verkaveling aan. Aan de noordzijde ligt het gehucht
Egchelse Hoek dat, ook gezien de naam, jonger moet zijn.32 Historisch kaartmateriaal
De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel U.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode _ |Kaartblad _ |Schaal | Omschrijvingplangebied _ | omgeving Bijzonderheden/directe
Tranchotundv.Müffingkaart:
|18031820
|32Helden
_
|1:20.000 | Doorhetzuidenendoorde noordoostelijke hoek van het
Kadastrale minuu*®
1842
_ | Het plangebiedigt op de weg _ | tussen het Eggelschenhock en
plangebied lopen twee wegen.
| Helden,
De rest van hetplangebiedis in gebruik als bouwland.
_ | gebied.
in een agrarisch
Gemeente _ |1:2500 | De molenwegloopt doorhet _ | Het plangebied igt in een Helden, sectie D,bado1
zuiden van het plangebiedin _ | agrarisch gebied, circa 700 eon oost-west oriëntatie. Door | meter ten oosten Eggelsse de noordoostelijke hoekloopt _ | hoek en 1,1 kilometer ten
de Steenweg.
De rest van het
| zuidwesten van Helden.
plangebied i in gebruik als bouwiand.
Miltaie topografische kaan®
1860-1864
|58 Roermond
| 1:50.000
(nettekening}
Circa 30 meter ten gosten van het plangebied, op de kruising tussen de Molenweg en Steenweg, staat een krui.
*! Renes, 1999 Berkmortel e.a, 2014 *? Renes, 1999.
* Beeldbank Vrije Universiteit * Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. * Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel)
Rappon 18772002 verie 2
Pagina11 van22
Miltaire topografische kaart
1899
727Helden
|150000 |-
-
Miltaire topografische kaart
1922
727Helden
|150000 |-
-
Miltaire topografische kaart (veldminuut)
1947
727Helden
|150000
Topografische kaart
1955
588
1:25.000 | Hetplangebied is volledigin _ | De wegen rondom het plange-
(veldminuut)
(veldminuut)
|-
gebruik als bouwland.
bied zin oprieuw aangelegd n een rechthoekig patroon. Direct aangrenzend ten zuiden
van het plangebied igt de huidige molenweg
Topografische kaart Topografische kaart Topografische kaart Topografische kaart
1962 1970 1980 1088
588 588 588 ss8
12500 |1:25.000 12500 |1200 |-
# Het erceel direct ten oosten van het plangebied is in gebruik als weiland.
Nieuwe
woonwijk circa 250 meter ten
noorden van het plangebied.
Topografische kaart
1998
588
1:25.000 | Hetzuidelijke deetannet _ | Ten oosten en westen van het plangebiedisingebruik als
weiland.
_
| plangebied zijn een 9-tal
In het noordelijke deel | kassen gebouwd.
van het plangebied staateen
klein gebouw.
Bewoning
_ | van Helden en Panningen
heeft zich verder ten noorden van het plangebied uitgebreid.
Topografische kaart
2010
ss8
12500 |-
Direct aangrenzend ten westen
van het plangebied bevindt zich een grote kas. Direct ten zuiden, aan de andere kant
van de molenweg. bevinden
zich ook enkele grote kassen.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie figuur 11) blijkt dat het plangebied aan het begin van de 19° eeuw grotendeels in gebruik was als bouwland. Door het plangebied liepen twee wegen, de Molenweg n het zuiden en de Steenweg in de noordoostelijke hoek. De Molenweg verbindt het gehucht Egchelse Hoek (Eggelschenhock, Eggelsse hoek) met het dorp Helden. Egchelse hoek ligt op circa 700 meter ten oosten van het plangebied, Helden op circa 1,1 kilometer ten zuidwesten. Het gebied tussen deze twee plaatsen, en de directe omgeving van het plangebied, is volledig in gebruik als agrarisch gebied met enkele wegen. Deze situatie blijft vrijwel onveranderd gedurende de 19° en het begin van de 20° eeuw. Pas vanaf 1955 zijn er op de historische kaarten veranderingen zichtbaar binnen en rondom het plangebied. De wegen rondom het plangebied zijn opnieuw aangelegd in een rechthoekig patroon. De Molenweg ligt nu direct aangrenzend ten zuiden van het plangebied. Het plangebied is vanaf deze periode volledig in gebruik als bouwland. De jaren erna veranderd er opnieuw weinig in en rondom het plangebied. Pas aan het eind van de 20° eeuw, omstreeks 1999, is er bebouwing zichtbaar binnen het plangebied. Het betreft een kleine
stal, die tegenwoordig ook nog aanwezig is binnen het plangebied. Het zuidelijke deel van het plangebied is vanaf nu in gebruik als weiland. De bebouwing van Helden en Panningen is uitgebreid tot circa 40 meter ten noorden van het plangebied. Ten oosten en westen van het plangebied zijn in deze periode een 9-tal tuinbouwkassen aangelegd. Vanaf 2010 zijn ook op het perceel direct ten westen
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 12van22
van het plangebied en direct ten zuiden, aan de andere kant van de Molenweg, enkele grote kassen gerealiseerd. Ook ten oosten van het plangebied zijn de twee kleinere kassen vervangen door een grotere kas. Met uitzondering van de parkeerplaats in het zuidelijke deel van het plangebied, is deze situatie gelijk aan de huidige situatie.
Bijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten
als een
MIP
monument.
Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Peel en Maas is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Dit heeft geen aanvullende relevante informatie opgeleverd. In het noordelijk deel van het plangebied Voor deze stal waren geen bouwdossiers aanwezig.
staat vanaf circa 1999
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog
een kleine stal.
in het plange-
bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.3 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Aanvullende
informatie
Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Helden (d.d. 10-5-2022), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van de onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
'Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespeificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel W.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
| Gespecificeerde verwachtng
(Laat)Paleolthicum
| Laag
_
_ | Te verwachten complextyperresten
Kampementen,
_ | Relatieve diepte t.0.v. het maaiveld
vuursteenstrooïngen en | Onder het antropogeen eerddek en in
vuurstenen gebruiksvoorwerpen
de top van de dekzandatzetingen
Mesolihicum
Laag
Kampementen, vuursteenstroaïngen en | Onder het antropogeen eerddek en in
Neolthicum
Hoog
Axkeraag enof nederzetingssporen, _ | Onderhet antropogeen eerddek en in
Bronstjd
Hoog
Akkeriaag en'of nederzetiingssporen, _ | Onder het antropogeen eerddek en in
vuurstenen gebruiksvoorwerpen
grafvelden, rituele plaatsen: keine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houiskoolen gebruiksvoorwerpen
grafvelden, rituele plaatsen: keine fagmenten aardewerk, nauursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten,
houtskool,
de top van de dekzandafzetingen
de top van de dekzandafzetingen
de top van de dekzandafzetingen
botresten en
gebriksvoorwerpen
* Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 — 1994 Indicatieve kaart Miltair Erfgoed'VEO Bommenkaar/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg,
Rappon 18772002 verie 2
1990.
Pagina 18 van22
Wzertijd
Hoog
Axkeriaag en'of nederzetingssporen. grafvelden, ituele plaatsen: kleine ragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in
de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Hoog
Axkeriaag en'of nederzetingssporen. grafvelden, ituele plaatsen: kleine ragmenten aardewerk, natuursteen. metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
‘Bewoningssporen van een (boerenerf:
Onder het antropageen eerddek en in
kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, orgarische resten en gebruiksvoorwer-
de top van de dekzandafzettingen
pen Late-Middeleeuwen
Hoog
Middelhoog
Sporen van agrarisch gebruik en infra-
Onder het antropageen eerddek en in
structuur: leine fragmenten aardewerk, orgarische resten, metaalobjecten, gebruiksvoorwerpen
de top van de dekzandafzettingen
Bewoningssporen van een (boerenerf: kleine fragmenten aargewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, orgarische resten en gebruiksvoorwerpen
Nieuwe tijd
Hoog
Middelnoog
Sporen van agrarisch gebruik en infrastructuur: leine fragmenten aardewerk orgarische resten, metaalobjecten, gebruiksvoorwerpen
Onder maalveldin het antropogeen
eerddek en in de top van de dekzandafzetingen
Bewoningssporen van een (boerenerf:
Kleine fragmenten aardewerk. metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, orgarische resten en gebruiksvoorwerpen
Uit de landschappelijke ligging op een dekzandrug, op grote afstand van water, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar vanaf het Neolithieum gunstig voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels.
Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.?7 Het dichtstbijzijnde beekdal ligt op 1 kilometer ten noorden van
het plangebied. Door de grote afstand tot water en de hogere ligging op een dekzandrug vormde het plangebied een ongunstige locatie voor jagers en verzamelaars. Er geldt een lage verwachting voor het (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en 7 Louwe Kooijmans et al., 2005
Rappon 18772002 verie 2
Pagina 14 van22
Eco/nsu!tanc* een goede afwatering van belang.3 Door de ligging op een hogere en drogere dekzandrug vormde het plangebied juist voor landbouwers wel een gunstige locatie, zowel voor het uitvoeren van landbouw als het vestigen van een nederzetting. Voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen geldt een hoge verwachting. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13° eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting.
Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.® Op basis van de historische kaarten blijkt dat het plangebied
in de afgelopen 200 jaar gelegen was in een
agrarisch gebied tussen meerdere dorpen en gehuchten. Vermoedelijk was het ook in voorgaande eeuwen voornamelijk in gebruik als agrarisch gebied. Daarnaast tonen de kaarten aan dat er twee
wegen, de Molenweg en de Steenweg, door het plangebied liepen. Van deze wegen kunnen er nog resten binnen het plangebied verwacht worden. Er geldt een hoge verwachting voor de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd voor het aantreffen van sporen van agrarisch gebruik en sporen van infrastructuur. Omdat het door de gunstige ligging naast een doorgaande weg niet uit te sluiten is dat het plangebied in deze periodes ook is gebruikt voor bewoning, geldt er een middelhoge verwachting voor het aantreffen van sporen van bewoning. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd en laag voor Paleolithieum en Mesolithicum. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 om beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont.
Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventueIe aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vind-
plaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten ín sítu bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als bouwland. Door ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. Daarnaast liepen er tot omstreeks 1955 twee wegen door het plangebied. Bij de aanleg (en afbraak) van deze wegen kunnen mogelijke oudere archeologische waarden ook zijn verstoord. In het noorden van het plangebied staat een kleine stal. Bij de bouw van deze stal kan de bodem mogelijk ook zijn verstoord.
3 Louwe Kooijmans et al., 2005 * Renes, 1999.
Rappon 18772002 verie 2
Pagina15 van22
Eco/nsu!tanc* 29
Conclusie
bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespedificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting voor het (Laat-JPaleolithicum en Mesolithicum en een hoge archeologische verwachting voor alle periodes vanaf het Neolithicum tot en met
de Vroege-Middeleeuwen. Voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting
voor het aantreffen van sporen
gerelateerd aan
agrarisch gebruik en infrastructuur, en
een middelhoge verwachting voor het aantreffen van sporen gerelateerd aan bewoning.
Gezien de n dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden gevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek.
uit-
Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
3.1
INVENTARISEREND
VELDONDERZOEK
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor