2024-059 12 Toelichting
Tekst van het document
Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Dit houdt in dat er in de periode februari tot en met april drie veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Dit is met een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd.
4.10.
Landschappelijke inpassing
Door Ron Janssen Erf- en landschapsverfraaiing is een landschappelijke inpassing opgesteld voor de wijziging van het bestemmingsplan. Deze is als bijlage 1 aan deze toelichting gevoegd.
26
Afbeelding 11. Uitsnede inpassing
Door uitvoering van dit inpassingsplan is de locatie voldoende ingepast. Voor het plandeel ten zuiden van de Molenheg is het navolgende landschapsplan van toepassing.
Door Ron Janssen is een landschappelijke inpassing opgesteld inzake de gaslong. Deze landschappelijke inpassing is als bijlage 7 aan deze toelichting gevoegd.
27
Afbeelding 12. Uitsnede inpassing
Door uitvoering van dit inpassingsplan is de locatie voldoende ingepast
4.11.
Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan.
4.11.1.
Provinciaal waterplan Limburg
Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 201628
2021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Water en ruimtelijke ordening
Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.
4.11.2.
Watertoets
Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1).
Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Beleid van het waterschap is om te proberen 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet mogelijk is kan gekozen worden voor afvoeren. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt er voor verhard oppervlak een nieuwe eis van 100 mm in 24 uur. Bij nieuwe ontwikkelingen is het 29
streven om alles zoveel mogelijk klimaat adaptief aan te leggen. Daarnaast dient aan de voorschriften van het activiteitenbesluit te worden voldaan. Het planvoornemen betreft op locatie een drietal zaken: 1. Het legt de vergunde CO2 opslag buffer voor het kunnen afvangen en opslaan van CO2 afkomstig van de biomassa installatie vast conform de onlangs vergunde omgevingsvergunning; 2. Het maakt een verhoging van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie van 12 meter naar 20 meter mogelijk. Deze heeft als doel een hoger emissiepunt te realiseren, wat leidt tot een verdere verdunning; 3. Het maakt de verplaatsing van een bedrijfswoning aan de Noordzijde van de Molenheg mogelijk. Deze woning zal iets naar het oosten komen en komt dan naast de bestaande kas. De CO2 opslag buffer heeft geen invloed op het verhard oppervlakte, anders dan reeds is vastgelegd in de omgevingsvergunning. Het water dat op de CO2 opslag buffer valt wordt opgevangen aan beide zijdes van de buffer waar een infiltratiebuffer van voldoende capaciteit gerealiseerd wordt. De verhoging van de schoorsteen heeft geen invloed op het verhard oppervlak. Het verplaatsen van de bedrijfswoning aan de Noordzijde van de Molenheg zorgt voor een toename van verharding van ca. 350 m2. De verharding geeft met een bui T= 100 een hoeveelheid regenwater wat afgevoerd moet worden van 35 m3.
Dit zal geleid worden naar de infiltratiepoel, welke gecombineerd wordt met de verdere inrichting van de toekomstige tuin behorende bij het woonhuis. Deze is opgenomen in de landschappelijke inpassing, zie ook bijlage 1. Met de GHG van 1,20 meter onder maaiveld is er meer dan afdoende bufferruimte in de infiltratiepoel om het water kwijt te kunnen.
4.12.
Spuitzones
Hoewel er voor het gebruik en de introductie van bestrijdingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen/fruitteelt en andere gewassen in de open lucht wordt geteeld en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen, verblijfsrecreatie en/of (horeca)terrassen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt meestal een afstand van 50 meter aangehouden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming (c.q. gevoelige objecten). Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel (op basis van constante jurisprudentie). Het is echter een indicatieve afstand. Dat wil zeggen, er kunnen omstandigheden aanwezig zijn op basis waarvan hiervan kan worden afgeweken. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat er een onderzoeksplicht of er sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van voornoemde afstand rechtvaardigen.
De in acht te nemen afstand in verband met de verwaaiing van spuitvloeistof (drift) is onder meer afhankelijk van de toxiciteit (aard en omvang) van het gewasbeschermingsmiddel, de spuittechnieken die door de teler worden toegepast, de hoogte van de bomen/struiken, de feitelijke afstand van de bomen/struiken tot de gevoelige functie, de rijsnelheid bij machinale bespuiting, de windsnelheid en windrichting alsmede de aanwezigheid van een blad houdende beplanting ter afvang van door drift verplaatste stoffen. Op een in acht te nemen richtafstand van 50 meter of minder dan 50 meter van het plangebied is een aardbeien teler aanwezig, die zodanig bespoten worden met gewasbestrijdingsmiddelen, dat hiermee rekening moet worden gehouden bij onderhavige planontwikkeling in het belang van de volksgezondheid voor aanwezigen binnen het plangebied. De voorliggende locatie is gelegen binnen 50 meter van de grens van de naastgelegen aardbeieienteler gevestigd aan Molenheg 23. 30
Aangenomen kan worden dat er geen gezondheidsrisico’s zullen zijn voor bewoners binnen het plangebied. Er is immers sprake van aardbeienteelt op stellingen. Bij stellingenteelt (bijvoorbeeld aardbeien) wordt regulier een werkhoogte van 1,5 meter gehanteerd. Bij een teelt op stellingen hoeven in de regel minder gewasbeschermingsmiddelen toegepast te worden in vergelijking met vollegrondsteelt (minder tot geen onkruidbestrijding, minder vraatschade en minder schimmelvorming). De bespuitingen bij aardbeienteelt op stellingen vindt op een vergelijkbare wijze plaats als bij vollegrondsteelt. Er is een verschil in de toegepaste trekker (smalspoor in plaats van verhoogde as) en er wordt een andere spuitarm toepast. In de aardbeienstellingenteelt wordt door de buurman een spuittechniek met luchtondersteuning gehanteerd (recent wettelijk verplicht om 75% driftreductie te verkrijgen) waardoor de bespuiting zo maximaal mogelijk op het gewas terecht komt. Daarbij staan de aardbeienstellingen haaks op het naastgelegen perceel waarbij aan het eind van de rij de bespuiting wordt gestopt. Er wordt vervolgens gedraaid (op het pad aan de rand van het perceel) en bij het begin van de stellingen wordt weer gestart met de bespuiting. Tevens is (tijdens het teeltseizoen) de bovenzijde van de stellingenteelt voorzien van een folieoverkapping waardoor nog een verdere driftreductie plaats vindt.
De manier van bespuiten is verkregen vanuit een overleg met de teler. Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (door J.C. van der Zande) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden en bezoekers met name liggen bij opname van stoffen door de huid. Uit het onderzoek blijkt dat voor het middel Dimethoaat – het middel met het hoogste risico - het dermale blootstellingseindpunt (=100%) niet wordt overschreden bij bespuiting op bomen met blad op een afstand van 10 m tot de laatste bomenrij. Dit middel mag sinds 2019 niet meer gebruikt worden. het middels is als voorbeeld gesteld en als worst-case aangehouden. Chemische middelen worden langzaam uitgebannen. De meest risicovolle mogen niet meer worden gebruikt. Ook komen steeds meer biologische oplossingen. Tussen de geplande woning en het meest nabijgelegen perceel met aardbeien bevindt zich tevens een permanente laurierhaag van dermate hoogte dat deze alle drift richting de woning buffert. Hierdoor hoeft niet gevreesd te worden voor gezondheidseffecten. In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting tevens van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de zuidwestelijke richting.
Gezien de ligging van de toekomstige woning ten opzichte van het meest nabijgelegen perceel met aardbeien, betekent dat in dit geval dat eventuele drift in hoofdzaak van de woning af zal waaien. Aangetoond moet worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat de bedrijfsvoering van de aardbeienteler niet mag worden belemmerd door het voorliggende planvoornemen en dat ter plaatse van de woning een aanvaardbaar leefklimaat aanwezig dient te zijn. Zoals beschreven in deze paragraaf blijkt dat er geen sprake is van overschrijding van het maximale blootstellingseindpunt bij de toepassing van het meest toxische middel met toepassing van de standaard spuitmethoden. De kweker kan zijn of haar bedrijfsactiviteiten uitvoeren zonder dat hij in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. Tevens is er bij die afstand sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde extra woning. Concluderend kan worden gesteld dat ter hoogte van het planvoornemen een goed woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
4.13.
Mobiliteit en parkeren
Op locatie zal door het planvoornemen sprake zijn van een afname van het aantal vervoersbewegingen. Specifiek een afname van het vrachtverkeer, doordat geen aanvoer van zuivere CO2 meer benodigd is. Voor de verplaatsing van de bedrijfswoning geldt dat
31
het aantal vervoersbewegingen gelijk blijft als in de bestaande situatie. De verhoging van de schoorsteen heeft geen invloed op het aantal vervoersbewegingen. Bij de gemeente is het aantal voertuigen per etmaal dat gebruik maakt van de Molenheg opgevraagd. Onderstaande uitsnede is ontvangen.
Afbeelding 13. Uitsnede uit het verkeersmodel 2030
Uit het verkeersmodel 2030 blijkt dat de Molenheg een capaciteit heeft van 600 vervoersbewegingen per etmaal. Uit het verkeersmodel blijken 533 verkeersbewegingen in 2030 gebruik te maken van de Molenheg. Er zijn echter geen telgegevens beschikbaar. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Er is voldoende ruimte voor parkeerplaatsen op het eigen erf behorende bij de bedrijfswoning.
32
5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1.
Economische haalbaarheid
Bij de voorbereiding van een plan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. In deze procedure wordt uitsluitend het gebruik van een bestaande bedrijfswoning als plattelandswoning mogelijk gemaakt. Voor het overige worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De uitvoering van het plan is in particuliere handen. Het project heeft dan ook geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. In de onderhavige situatie is daarom niet te verwachten dat derden schade leiden door de gevraagde bestemmingsplanwijziging.
Er zal tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst worden gesloten. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Gemeente Peel en Maas heeft hierover nog geen uitspraken gedaan. Er is namelijk een procedure gestart voordat het principeverzoek is beantwoord. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. In paragraaf 5.4 zijn de resultaten van het vooroverleg opgenomen. 5.2.1.Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is er op gericht om in een vroegtijdig stadium (nog voordat het concrete plan vastligt) kennis te nemen van eventuele bezwaren, wensen en belangen van omwonenden zodat deze reacties bij de uitwerking kunnen worden betrokken. De omgeving is daarbij geen vastomlijnd begrip, maar is sterk afhankelijk van de gewenste ontwikkeling en de effecten die daarmee gepaard gaan op de omgeving. Vanuit initiatiefnemer is een omgevingsdialoog gevoerd, welke als bijlage 12 aan deze toelichting gevoegd is.
5.3.
Procedure
Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerp-wijzigingsplan na behandeling door het college van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpwijzigingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpwijzigingsplan ter inzage heeft gelegen wordt het wijzigingsplan vastgesteld. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de 33
vaststelling van een wijzigingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 19 december 2023 tot en met 29 januari 2024 ter inzage gelegen. Er is één zienswijze binnengekomen. De ingediende zienswijze heeft niet geleid tot wijzigingen aan het bestemmingsplan.
5.4.
Vooroverleg en inzage
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een wijzigingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De reactie van de provincie is bijgevoegd als bijlage 9, het advies van het waterschap als bijlage 10. Beide geven aan dat het voorliggende plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
34
6. Juridische toelichting 6.1.
Inleiding
Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het wijzigingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2.
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen het plangebied aangegeven. Binnen deze bestemming zijn nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).
6.3.
Toelichting op de regels
Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied 2009. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Hoofdstuk 2: Wijzigingsregels.; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
35
Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl
Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl
Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl
Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl
36