CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-059 12 Toelichting

Raad 23 april 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen ‘Bestemmingsplan Molenheg 10 Egchel’ (2024-059)11.456 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Molenheg 10 Egchel NL.IMRO.1894.BPL0290.VG01

Opgesteld door

:

Arvalis B.V.

Referentie

:

2024/5639510

Inhoudsopgave 1.

Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 4 1.1.

Aanleiding en doel ..................................................................................... 4

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................ 4

1.3.

Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 5

1.4.

Bijbehorende stukken ................................................................................ 7

1.5.

Leeswijzer ................................................................................................ 8

2.

Planbeschrijving .............................................................................................. 9

3.

Beleidskader ..................................................................................................12 3.1.

Inleiding..................................................................................................12

3.2.

Rijksbeleid ...............................................................................................12

3.2.1.

Nationale omgevingsvisie ....................................................................12

3.2.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .........................................12

3.2.3.

Ladder duurzame verstedelijking ..........................................................13

3.3.

3.3.1.

Provinciale Omgevingsvisie ..................................................................13

3.3.2.

Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” ............................14

3.3.3.

Omgevingsverordening Limburg ...........................................................15

3.4.

4.

Provinciaal beleid .....................................................................................13

Gemeentelijk beleid ..................................................................................15

3.4.1.

Structuurvisie ‘Buitengebied Gemeente Peel en Maas’ .............................15

3.4.2.

Nota ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ ..............................................15

3.4.3.

Bestemmingsplan toetsing...................................................................16

Omgevingsaspecten ........................................................................................17 4.1.

Bodem ....................................................................................................17

4.2.

Bedrijven en milieuzonering .......................................................................17

4.3.

Activiteitenbesluit milieubeheer ..................................................................18

4.4.

Luchtkwaliteit ..........................................................................................19

4.5.

Duurzaamheid .........................................................................................19

4.6.

Geluid .....................................................................................................20

4.7.

Externe veiligheid .....................................................................................21

4.8.

Cultuurhistorie en Archeologie ...................................................................23

4.8.1.

Cultuurhistorie ...................................................................................23

4.8.2.

Archeologie .......................................................................................23

4.9.

Flora en Fauna .........................................................................................24

4.9.1.

Gebiedsbescherming ...........................................................................24

4.9.2.

Soortenbescherming ...........................................................................25

4.10.

Landschappelijke inpassing .....................................................................26

4.11.

Water ..................................................................................................28

4.11.1.

Provinciaal waterplan Limburg ..........................................................28

4.11.2.

5.

6.

Watertoets .....................................................................................29

4.12.

Spuitzones ...........................................................................................30

4.13.

Mobiliteit en parkeren ............................................................................31

Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................33 5.1.

Economische haalbaarheid.........................................................................33

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................33

5.3.

Procedure ................................................................................................33

5.4.

Vooroverleg en inzage ..............................................................................34

Juridische toelichting ......................................................................................35 6.1.

Inleiding..................................................................................................35

6.2.

Toelichting op de verbeelding ....................................................................35

6.3.

Toelichting op de regels ............................................................................35

Bijlage(n) 1. Landschappelijke inpassing vergrote bouwvlak met op gewijzigde locatie het nieuwe woonhuis 2. Verkennend bodemonderzoek 3. Archeologisch onderzoek 4. Quickscan natuurbescherming 5. Situatietekening 6. Bouwtekening 7. Landschapsplan realisatie CO2-opslag 8. Advies RUD LN 9. Advies Provincie 10. Advies Waterschap 11. Technische beschrijving FRv 200 12. Omgevingsdialoog

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemer is voornemens het bestemmingsplan voor zijn locatie te wijzigen. Dit bestemmingsplan maakt drie zaken aanvullend mogelijk: 1. Het maakt een CO2 opslag buffer voor het kunnen afvangen en opslaan van CO2 afkomstig van de biomassa installatie mogelijk; 2. Het maakt een verhoging van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie van 12 meter naar 20 meter mogelijk. Deze heeft als doel een hoger emissiepunt te realiseren, wat leidt tot een verdere verdunning; 3. Het maakt de verplaatsing van een bedrijfswoning aan de Noordzijde van de Molenheg mogelijk. Deze woning zal verder naar het oosten komen en komt dan naast de bestaande kas. De grond waar de bedrijfswoning in eerste instantie was beoogd is nodig als parkeerplaats bij het bedrijf. Betreffende punt 1: Initiatiefnemer is voornemens een CO² opslag buffer te plaatsen voor het kunnen afvangen en opslaan van CO² afkomstig van de biomassa installatie tot het moment dat het in de kassen wordt aangewend. De gewenste locatie van de CO² opslag buffer is ten zuiden van de biomassa installatie. Deze locatie heeft de voorkeur omdat deze dan ook uit het zicht komt te liggen. Het voornemen heeft voor het bedrijf een hoge prioriteit. De CO² opvang betreft op jaarbasis circa 5.000 ton biogene CO².

Dit betekent concreet dat er geen fossiele CO² meer hoeft te worden aangevoerd middels vrachtauto’s. De CO² opslag heeft een afmeting van circa 17,2 meter breed x 91,2 meter diep en hoogte van 8 meter. De exacte maatvoering is terug te vinden op de tekeningen in bijlage 5 en 6. Tevens heeft initiatiefnemer de locatie Gielenhofweg 11 aangekocht. Deze locatie maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan, maar maakt geen verdere ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van het reeds vigerende.

1.2. Ligging en begrenzing Zoals aangegeven is de gewenste locatie gelegen aan de Molenheg in Egchel. Alle gronden waarop de ontwikkelingen betrekking hebben zijn allen in eigendom van initiatiefnemer. Vanwege het groot aantal kadastrale percelen is hiervan geen opsomming opgenomen.

4

Afbeelding 1 Luchtfoto

De locatie is bereikbaar/wordt ontsloten via de Molenheg.

1.3. Vigerend bestemmingsplan In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.6.

Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (1)

5

Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas en heeft hierin de enkelbestemming Verkeer. De verkeersfunctie is vervallen, het stuk grond is in eigendom van initiatiefnemer. Er is geen binnenplanse mogelijkheid om de bestemming aan te passen naar de gewenste situatie. Het bestemmingsplan maakt een CO² opslag buffer voor het kunnen afvangen en opslaan van CO2 afkomstig van de biomassa installatie mogelijk met een afmeting van circa 17,2 meter breed x 91,2 meter lang en hoogte van 8 meter. De CO² opslag buffer is ondergeschikt aan het glastuinbouwbedrijf. Glas domineert binnen het plangebied. De overige bedrijfsgebouwen en bouwwerken zijn qua omvang, impact op de omgeving en gebruiksintensiteit ondergeschikt aan de hoofdfunctie op locatie. Ook is een verhoging van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie van 12 meter naar 20 meter niet binnenplans mogelijk welke eveneens in dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Een gedeelte van het plangebied valt binnen de 1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas en heeft hierin de enkelbestemming Agrarisch – Glastuinbouw.

Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (2)

Binnen dit gedeelte van het bestemmingsplan is de CO2 buffer reeds rechtstreeks mogelijk. Onder artikel 4.2.6 Bouwwerken, geen gebouw zijnde is het onder sub b staat beschreven dat: overige bouwwerken, geen gebouw zijnde en hemelwaterbassins uitgevoerd in de vorm van voorzieningen op of in de grond mogen ook in het bestemmingsvlak worden gebouwd/ geplaatst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Vanwege het gebruik op locatie en in het kader van de duurzaamheid is een dat opslag van CO2 functioneel passend binnen de bestemming glastuinbouw.

6

Afbeelding 4. Uitsnede vigerend bestemmingsplan (3)

Binnen dit gedeelte van het bestemmingsplan zal de verplaatsing van de woning plaatsvinden. Deze grond wordt aanvullend als bouwvlak opgenomen, zodat de woning gerealiseerd kan worden. Middels artikel 3.6.4 is het mogelijk om het bestemmings/bouwvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf te vergroten. Aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan. Tevens heeft initiatiefnemer de locatie Gielenhofweg 11 aangekocht. Deze locatie maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan, maar maakt geen verdere ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van het reeds vigerende. Aangezien niet voor alle wensen een binnenplanse mogelijkheid bestaat om de bestemming aan te passen naar de gewenste situatie, is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.4.

Bijbehorende stukken

Samen met de bijbehorende regels, bijlagen en verbeelding vormt deze toelichting het bestemmingsplan. In artikel 3.1.6 van het Bro is vastgelegd aan welke eisen een goede toelichting dient te voldoen. 1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen; b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van de planologische afwijking zijn betrokken; f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. 2. Voor zover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt 7

opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de toelichting ten minste neergelegd: a. een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; b. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; c. een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.

1.5.

Leeswijzer

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: ▪ ▪ ▪

▪ ▪

8

plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de beoogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling. Zoals reeds beschreven is initiatiefnemer voornemens het bestemmingsplan voor zijn locatie te wijzigen. Deze maakt drie zaken mogelijk: 1. Het maakt een CO2 opslag buffer voor het kunnen afvangen en opslaan van CO2 afkomstig van de biomassa installatie mogelijk; 2. Het maakt een verhoging van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie van 12 meter naar 20 meter mogelijk. Deze heeft als doel een hoger emissiepunt te realiseren, wat leidt tot een verdere verdunning; 3. Het maakt de verplaatsing van een bedrijfswoning aan de Noordzijde van de Molenheg mogelijk. Deze woning zal iets naar het oosten komen en komt dan naast de bestaande kas. Initiatiefnemer heeft deze grond hiervoor vorig jaar aangekocht. In het voorliggend plan wordt deze grond ook in het bouwvlak opgenomen zodat op deze locatie de tweede bedrijfswoning kan worden gerealiseerd. De grond waar de bedrijfswoning in eerste instantie was beoogd is nodig als parkeerplaats bij het bedrijf.

Afbeelding 5. Locatie nieuw bouwvlak inzake verplaatsing bedrijfswoning

9

Afbeelding 6. Locatie CO2 opslag buffer

Door het planvoornemen wordt een modern bedrijf gefaciliteerd waardoor ingespeeld kan worden op de verdere verduurzaming van de bedrijfslocatie. In de beoogde situatie zal initiatiefnemer onder andere een CO² opslag buffer plaatsen voor het kunnen afvangen en opslaan van CO² afkomstig van de biomassa installatie tot het moment dat het in de kassen wordt aangewend. De CO² opslag heeft een afmeting van circa 17,2 meter breed x 91,2 meter lang en hoogte van 8 meter.

Afbeelding 7. Uitsnede situatietekening, zie ook bijlage 5

10

Afbeelding 8. Indicatieve verbeelding van de CO² opslag buffer

De bouwtekening is voor de leesbaarheid als bijlage 6 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Tevens heeft initiatiefnemer de locatie Gielenhofweg 11 aangekocht. Deze locatie maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan, maar maakt geen verdere ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van het reeds vigerende.

11

3. Beleidskader 3.1. Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2. Rijksbeleid 3.2.1.Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.

3.2.2.Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor 12

een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

3.2.3.Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een ruimtelijke onderbouwing dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De onderhavige locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas. Het planvoornemen is van agrarische aard, er is in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het kader van de uitvoerbaarheid dient moet onder andere aandacht worden besteed aan de behoefte van het plan.

Gelet op het feit dat het planvoornemen in hoofdzaak is benodigd voor het eigen bedrijf van initiatiefnemer, welke een verdere groei door wil maken, kan geconcludeerd worden dat er behoefte is voor de voorgenomen ontwikkeling. De CO² opvang betreft op jaarbasis circa 5.000 ton biogene CO². Dit betekent concreet dat er geen fossiele CO² meer hoeft te worden aangevoerd middels vrachtauto’s. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling is daarbij aanwezig.

3.3. Provinciaal beleid 3.3.1.Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst.

13

In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1.

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; b. In landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; Klimaatadaptieve en energietransitie;

2. 3.

De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • •

Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën: • • •

Groenblauwe mantel Natuurnetwerk Limburg (incl. Natura2000 gebieden) Buitengebied

De voorliggende locatie is gelegen in de categorie buitengebied. Het buitengebied betreft onder andere de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het bestemmen van een CO2 opslag buffer, een verhoging van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie van 12 meter naar 20 meter en de verplaatsing van een bedrijfswoning. Dit is noodzakelijk voor een verdere verduurzaming van de bedrijfsvoering. Mede gelet op de gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg.

3.3.2.Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” De Omgevingsverordening Limburg is op 16 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en treedt gelijktijdig met de Omgevingswet in werking. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking 14

naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid. De ontwikkeling is gelegen in het landelijk gebied in de regio Noord-Limburg. Er zijn geen onderdelen uit de provinciale omgevingsverordening van belang voor de gevraagde ontwikkeling.

3.3.3.Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft met ingang van 7 juni de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg ter inzage gelegd. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Ontwerp Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Ontwerp Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening.

3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1.Structuurvisie ‘Buitengebied Gemeente Peel en Maas’ De Structuurvisie ‘Buitengebied Peel en Maas’ is een overkoepelend document waarin aanvullingen en herzieningen ten opzichte van het voorgaande ‘Structuurplan Buitengebied Peel en Maas 2008’ zijn opgenomen. De structuurvisie bestaat tevens uit Streefkwaliteiten Geur - het instrument om de balans te bewaken tussen ontwikkelingen van intensieve veehouderijen en een goed woon- en leefklimaat - en een uitvoeringsparagraaf conform de Grexwet. Het planvoornemen valt binnen de structuurvisie IV en glastuinbouw. De insteek van het IV en glastuinbouw is om ontwikkelingsruimte te geven aan bestaande bedrijven op duurzame locaties op afstand van de kernen. Draagvlak in de samenleving is daarbij een belangrijk aandachtspunt. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het bestemmen van een CO2 opslag buffer, een verhoging van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie van 12 meter naar 20 meter en de verplaatsing van een bedrijfswoning. De uitbreiding met een CO² opslag buffer voor nodig om het kunnen afvangen en opslaan van CO² afkomstig van de biomassa installatie tot het moment dat het in de kassen wordt aangewend. Dit zorgt er concreet voor dat er geen fossiele CO² meer hoeft te worden aangevoerd per vrachtwagen. Dit is noodzakelijk voor een verdere verduurzaming van de bedrijfsvoering.

Het initiatief is duurzaam en gelegen op een duurzame locatie. Van strijdigheid met de structuurvisie kan dan ook geen sprake zijn.

3.4.2.Nota ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ In de gemeente Peel en Maas zijn drie kernwaarden benoemd: zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Deze kernwaarden dragen bij aan ‘het goede leven’ in Peel en Maas en zijn leidend bij alles wat de gemeente Peel en Maas doet. Via een waardenoriëntatie worden in de Nota zogenoemde programma’s voor de thema’s Ruimte en Economie uitgewerkt. Deze programma’s worden, na het beschrijven van een missie, uitgewerkt in programmadoelen met uitvoeringsafspraken. Deze programmadoelen dragen uiteindelijk bij aan ‘het goede leven’ in Peel en Maas en bepalen straks mede de richting van de nog vast te stellen Omgevingsvisie van de gemeente Peel en Maas. De Nota sorteert hiermee voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting 1 januari 2013). Het planvoornemen is besproken aan de intaketafel van de gemeente. Hieruit is gebleken dat vanuit de perspectievennota het bedrijf van initiatiefnemer voldoet aan de 3 15

kernwaarden: Diversiteit, zelfsturing en met name duurzaamheid waarbij innovatie (vernieuwing) steeds wordt opgezocht. Op de onderstaande punten uit de kadernota en genoemde uitvoeringsafspraken voldoet het bedrijf. Een geworteld bedrijf dat steeds opzoek is naar efficiëntie en een manier om duurzaam te telen. Door de omvang heeft het tevens de mogelijkheden om als vooruitloper te experimenteren of innovaties toe te passen. Het streven van initiatiefnemer is om zo minimaal mogelijk gas te gebruiken. Het planvoornemen draagt op zijn eigen manier bij aan de programmadoelen en uitvoeringsafspraken uit de Nota.

3.4.3.Bestemmingsplan toetsing Het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas en heeft hierin gedeeltelijk de enkelbestemming Verkeer en gedeeltelijk de enkelbestemming agrarisch-glastuinbouw. De verkeersfunctie is vervallen, het stuk grond is in eigendom van initiatiefnemer. Er is geen mogelijkheid binnen het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas om het planvoornemen rechtstreeks toe te staan. Ook is er in het bestemmingsplan geen mogelijkheid om de verhoging van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie van 12 meter naar 20 meter mogelijk te maken. Een gedeelte van het plangebied valt binnen de 1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas en heeft hierin de enkelbestemming Agrarisch – Glastuinbouw. Binnen dit gedeelte van het bestemmingsplan is het voorliggende initiatief reeds rechtstreeks mogelijk. Onder artikel 4.2.6 Bouwwerken, geen gebouw zijnde is het onder sub b staat beschreven dat: overige bouwwerken, geen gebouw zijnde en hemelwaterbassins uitgevoerd in de vorm van voorzieningen op of in de grond mogen ook in het bestemmingsvlak worden gebouwd/ geplaatst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Op locatie waar de bedrijfswoning zal worden gerealiseerd geldt de enkelbestemming Agrarisch. Deze grond wordt aan het bouwvlak toegevoegd, zodat de bedrijfswoning gerealiseerd kan worden.

Middels artikel 3.6.4 is het mogelijk om het bestemmings/bouwvlak ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf te vergroten. Aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan. Aangezien niet voor alle wensen een binnenplanse mogelijkheid bestaat om de bestemming aan te passen naar de gewenste situatie, is dit bestemmingsplan opgesteld.

16

4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-) effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.

4.1. Bodem De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 2 aan deze toelichting gevoegd. In het verkennend onderzoek wordt geconcludeerd dat er géén reden is voor een nader onderzoek op locatie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2. Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. De locatie aan de Molenheg wordt ingedeeld in de categorie ‘kassen’. Er wordt in de tabel nog onderscheid gemaakt tussen kassen met- en zonder gasverwarming, echter de richtafstanden zijn identiek. Voor de activiteit worden richtafstanden aangeven van; ▪ ▪ ▪ ▪

Geur 10m Stof 10m Geluid 30m Gevaar 10 m.

De grootste afstand is 30 m. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een 17

matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. Vanwege de ligging in gemend gebied kan is daarmee geen sprake van een grootste afstand van 30 m, maar van 10 m. dit betreft het aspect geluid. Het gehele gebied nabij de Molenheg te Egchel kan worden getypeerd als gemengd gebied. Binnen het gebied de Molenheg liggen naast enkele woonfuncties overwegend grootschalige glastuinbouwbedrijven gelegen. Dit maakt het gebied anders dan een rustige woonwijk. Op basis van het vigerend bestemmingsplan zijn in het besluitgebied glastuinbouwbedrijven toegestaan. Deze hebben een richtafstand van 30 meter, binnen gemengd gebied is dit 10 meter. Gelet op de afstand van meer dan 10 meter van het initiatief tot nabijgelegen bedrijfswoningen wordt volledig voldaan aan de van toepassing zijnde richtafstanden vanuit de VNG richtlijn.

Aan alle zijdes waar aanvullende mogelijkheden ontstaan middels dit bestemmingsplan is sprake van een afstand tot nabijgelegen (bedrijfs)woningen van meer dan 10 meter. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Omgekeerde werking voor de nieuwe bedrijfswoning

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een bedrijfswoning aan de Noordzijde van de Molenheg mogelijk. Deze woning zal verder naar het oosten komen en komt dan naast de bestaande kas. De grond waar de bedrijfswoning in eerste instantie was beoogd is nodig als parkeerplaats bij het bedrijf. De woning is een milieugevoelige functie die beschermd dient te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende (agrarische) bedrijven of instellingen en anderzijds mogen die bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Geconcludeerd kan worden dat niet zondermeer wordt voldaan aan de richtafstanden welke in het kader van de richtlijn bedrijven en milieuzonering gehanteerd moeten worden. Bij besluitvorming omtrent (wijziging van) een ruimtelijk plan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of het plan niet in strijd is met het ruimtelijke ordeningsrecht. Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Het planvoornemen maakt een verplaatsing van een bedrijfswoning mogelijk die de omliggende bedrijven in hun ontwikkelingen kan belemmeren. De woning kan voldoen aan de richtafstanden die gelden.

De tussenliggende bestemming ‘Verkeer’ is circa 6,5 meter breed In de planregels is opgenomen dat bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken uitsluitend tenminste 3,5 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen mogen worden gebouwd. Tezamen is dit de gestelde 10 meter. Tevens is op het bouwblok welke aan de overzijde van de bestemming ‘Verkeer’ is gelegen de eerste zone in gebruik als haag welke niet bedrijfsmatig in gebruik is. Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven en anderzijds is in de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat.

4.3. Activiteitenbesluit milieubeheer In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor bepaalde activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen. Deze voorschriften zijn direct werkend en mogen niet in de omgevingsvergunning worden opgenomen. 18

Het bevoegd gezag kan voor bepaalde in het Activiteitenbesluit genoemde activiteiten aanvullende maatwerkvoorschriften vaststellen voor zover die mogelijkheid in het Activiteitenbesluit wordt geboden. Er worden in dit geval nog geen aanvullende maatwerkvoorschriften vastgesteld voor genoemde activiteiten. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit volstaan voor deze situatie. Na vaststelling van het bestemmingsplan zal intitiatiefnemer een nieuwe activiteitenbesluitmelding doen waarbij ook het plandeel van Gielenhofweg 11 wordt toegevoegd.

4.4. Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechterd. Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt.

Doordat sprake is van een afname van het verkeer met betrekking tot de CO2 opslag buffer kan gesteld worden dat er geen nadelige effecten optreden voor een goed woonen leefklimaat. De verhoging van de schoorsteen en het verplaatsen van een bedrijfswoning hebben geen gevolgen voor wat betreft het verkeer. Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. De verhoging van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie van 12 meter naar 20 meter heeft aanvullend hierop het doel een hoger emissiepunt te realiseren, wat leidt tot een verdere verdunning van de rookgassen.

4.5. Duurzaamheid Juist door het investeren in een CO² opslag buffer voor opslag van biogene CO² kan op een zo duurzamere mogelijke wijze gewerkt worden. Er kan immers volstaan worden met minder aanvoer van CO². Hiermee wordt toegewerkt naar een teelt op een zo duurzaam mogelijke wijze. Het verhogen van de schoorsteen van de bestaande biomassa installatie 19

van 12 meter naar 20 meter heeft als doel om een hoger emissiepunt te realiseren. Een hoger emissiepunt geeft een verdere verdunning van de rookgassen.

4.6. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buiten stedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). In het voorliggende geval wordt een CO² opslag buffer bestemd, een schoorsteen verhoogd en een bedrijfswoning verplaatst. De eerste twee zaken zijn geen geluidsgevoelige functies. Na de realisatie van de CO² opslag buffer en verhoging van de schoorsteen is geen sprake van nieuwe vervoersbewegingen of geluidsbronnen, behoudens van een ventilator. Deze ventilator heeft een bronvermogen qua geluid welke te verwaarlozen is ten opzichte van overige installaties behorende bij het bedrijf. De ventilator kan draaien van 1450 tot 2850 toeren met freqeuntieregelaars word dit geregeld.

Het bronvermogen (geluid) van de toegepaste ventilator is 47 dB(A) bij 1450 toeren en 68 dB(A) bij 2850 toeren. Zie voor de technische beschrijving paragraaf 11. De voorschriften uit het activiteitenbesluit welke reeds van toepassing zijn blijven van toepassing. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Voor wat betreft het verplaatsen van de bedrijfswoning geldt dat wel een nieuw geluidgevoelig object ontstaat. Weg- en verkeerslawaai

Bij het verplaatsen van een woning is sprake van een zogenaamde 'Nieuwe situatie' en in dit geval van vervangende nieuwbouw. Daarmee is sprake van een onderzoeksplicht. De locatie ligt aan een weg welke grotendeels gebruikt wordt door bestemmingsverkeer van het bedrijf van initiatiefnemer. Er is feitelijk sprake van een doorgaande weg, in praktijk komt vrijwel alleen bestemmingsverkeer over de Molenheg. Bij de gemeente is het aantal voertuigen per etmaal dat gebruik maakt van de Molenheg opgevraagd. Onderstaande uitsnede is ontvangen.

20

Afbeelding 9. Uitsnede uit het verkeersmodel 2030

Uit het verkeersmodel 2030 blijkt dat de Molenheg een capaciteit heeft van 600 vervoersbewegingen per etmaal. Uit het verkeersmodel blijken 533 verkeersbewegingen in 2030 gebruik te maken van de Molenheg. Er zijn echter geen telgegevens beschikbaar. Uit de etmaalintensiteit blijkt dat het gebruik van de Molenheg beperkt is. Om deze reden kan aangenomen worden dat de situatie voldoet aan voorkeursgrenswaarde en dat sprake zal zijn van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet nodig. Het aspect geluid legt geen beperkingen op aan de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Verder wordt in het voorliggende geval wordt een CO² opslag buffer gerealiseerd. Er wordt dus andere geluidsgevoelige functie toegevoegd. Na de realisatie van de CO² opslag buffer is geen sprake van nieuwe vervoersbewegingen of geluidsbronnen, behoudens van een ventilator. Deze ventilator heeft een geluidsniveau welke te verwaarlozen is ten opzichte van overige installatie behorende bij het bedrijf. De voorschriften uit het activiteitenbesluit welke reeds van toepassing zijn blijven van toepassing. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Industrie en spoor- en vaarweglawaai

In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven gelegen welke een geluidbelasting op de geplande woning kunnen hebben. De locatie ligt niet binnen de zone van een spoorweg. Verdere beoordeling van railverkeerslawaai is daarom in het kader van de Wgh niet aan de orde. Vaarwegen komen niet voor op enige afstand van de planlocatie. Op een dergelijke afstand zal er geen sprake zijn van een bovenmatige geluidsbelasting. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.7. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in

21

inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • •

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. Er zijn geen buisleidingen nabij de planlocatie gelegen. Derhalve vormt dit geen belemmering voor het onderhavige plan. Risicovolle bedrijvigheid rond het besluitgebied

De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz. Er ligt in de omgeving van het besluitgebied geen risicovol bedrijf. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Het besluitgebied is gelegen aan de Molenheg te Egchel. Het besluitgebied is derhalve niet gelegen binnen de PR10-6 contour van een nabij gelegen weg. Vervoer per spoor

In of in de nabijheid van het besluitgebied zijn geen spoorlijnen gelegen die van invloed zijn op het besluitgebied met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Vervoer over water

In of in de nabijheid van het besluitgebied zijn geen vaarroutes gelegen die van invloed zijn op het besluitgebied met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Advies

22

Door de gemeente Peel en Maas is aan de RUD LN gevraagd om een advies te geven over het aspect externe veiligheid met betrekking tot de ingediende aanvraag om omgevingsvergunning voor de CO2 opslag. In het kader van de beoordeling heeft er op 24 november 2022 een locatiebezoek plaatsgevonden. Aan de hand van het locatiebezoek is het advies uitgebracht om een wand te plaatsen op of direct naast de fundering van de CO2-opslag en een aanrijdbeveiliging te realiseren aan de zijde waar de vrachtwagens komen. Er een nihil risico bestaat dat vrijkomend CO 2 een bedreiging kan vormen voor de nabij gelegen huisvesting voor arbeidsmigranten. Het volledige advies is als bijlage 8 aan deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Initiatiefnemer zal het advies in de realisatie opvolgen, dit is vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting. Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van onderhavig initiatief.

4.8. Cultuurhistorie en Archeologie 4.8.1.Cultuurhistorie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waarop een negatieve invloed uitgeoefend zou kunnen worden met het voorliggende planvoornemen.

4.8.2.Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: •

De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.

•

Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.

De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen.

23

Op het gedeelte van het bestemmingsplan waar de bedrijfswoning gerealiseerd zal worden ligt de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 4’. Dit wil zeggen dat de dat op de aangewezen gronden niet mag worden gebouwd, met uitzondering van het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Door Econsultancy is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op locatie, welke als bijlage 3 aan deze toelichting is gevoegd. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Gelet hierop is voor dit plandeel de archeologische dubbelbestemming komen te vervallen in dit bestemmingsplan. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Archeologie vormt hiermee geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.9. Flora en Fauna 4.9.1.Gebiedsbescherming De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten zuiden van de initiatieflocatie is het Natura2000 gebied Leudal gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 6,5 kilometer.

Afbeelding 10. Natura 2000 bron: (https://natura2000.eea.europa.eu)

24

Beoordeeld moet worden of de wijziging van het bestemmingsplan significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. In het voorliggende planvoornemen is sprake van een afname van het verkeer in de gebruiksfase. Er is geen sprake van andere emissiebronnen welke door deze ontwikkeling in de gebruiksfase ontstaan. Hierdoor is sprake van een lichte afname van emissies en stikstofdepositie. Het bedrijf heeft de beschikking over een bestaande Natuurbeschermingswetvergunning. De ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn hierin reeds zijn opgenomen. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er geen aanvullende vergunningsplicht is voor de betreffende aanvraag.

4.9.2.Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. • Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden.

Bij de totstandkoming van een wijzigingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Econsultancy heeft een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader een bestemmingsplanwijziging en het verplaatsen van een bedrijfswoning, en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De quickscan is als bijlage 4 aan deze toelichting gevoegd. Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van nestlocaties of verblijfplaatsen van de steenuil. Indien de voorgenomen werkzaamheden vereisen dat de stal of oude woonwagen gesloopt of verwijderd worden, dient tevens aanvullend veldonderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van onderzoekslocatie als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en laat-vlieger.

Eventuele nachtelijke verlichting ten behoeve de voorgenomen ingreep in de buurt van de stal of oude woonwagen dient voorkomen te worden.

25

Met betrekking tot het gebruik van de onderzoekslocatie als essentiële vliegroute voor vleermuizen geldt dat geen overtreding van de Wet natuurbescherming optreedt mits de gemengde haag op de onderzoekslocatie behouden blijft en vrij zal blijven van kunstmatig licht. Indien de betreffende gemengde haag niet (volledig) behouden kan blijven, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de mogelijke functie van de onderzoekslocatie als essentiële vliegroute voor vleermuizen. Voor steenmarter geldt in Limburg een vrijstelling in de periode tussen 15 augustus en februari. Indien binnen deze periode gewerkt wordt is overtreding ten aanzien van de Wet natuurbescherming te vermijden. Wel dient tijdens werkzaamheden in de vrijstellingsperiode te allen tijde de algemene zorgplicht voor steenmarter in acht te worden genomen. Indien niet binnen de genoemde periode gewerkt kan worden en elementen als de stal, oude woonwagen of stapels materialen verwijderd dienen te worden ten behoeve van de realisatie van het pand, dient voorafgaand aan de voorgenomen ingreep duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van de steenmarter op de onderzoekslocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen.

Het wordt geadviseerd om, indien aanwezig, materiaalopslag en snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland of zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten. Ten aanzien van houtopstanden wordt geadviseerd om navraag te doen bij provincie Limburg of een meldingsplicht geldt voor de te vellen bomen. Op de onderzoekslocatie of binnen de invloedssfeer zijn mogelijk één of meerdere voortplantings-plaatsen en/of roestplaatsen aanwezig. De oude stal op de onderzoekslocatie heeft mogelijk een functie als roestplaats dan wel voortplantingsplaats. Daarnaast is de steenuilenkast op de onderzoekslocatie tevens mogelijk in gebruik als voorplantingsplaats. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor de steenuil, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor steenuil te kunnen vaststellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=b6d0106a-a4d9-49bc-9ff2-212104d17100