2024-050 03 Toelichting (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Vastgesteld
28
Conclusie
Het onderdeel geur vormt geen beperkende factor voor onderhavig planvoornemen.
5.2 Kabels, leidingen en straalpaden Volgens het vigerende bestemmingsplan of de kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg komen binnen, f in de directe omgeving van, het plangebied geen kabels of leidingen voor, met een dusdanige beschermingszone dat zij de ontwikkeling belemmeren. Andersom betekent het dat de ontwikkeling geen belemmering veroorzaakt voor aanwezige kabels of leidingen.
5.3 Ecologie De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden.
Flora en fauna
Het plangebied is door het IVN onderzochtop het voorkomen van beschermde flora en fauna, zie bijlage 4. Uit het locatiebezoek is gebleken dat er ter plaatse geen soorten voorkomen die beschermd dienen te worden.
Natura2000-gebieden Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde Nederlandse natuurgebied, het Natura 2000-gebied Deurmsche- en Mariapeel ligt op circa 7.2 kilometer van het plangebied. Andere gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000-gebied te boordelen. De afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is te groot om te leiden tot directe negatieve gevolgen in het Natura2000-gebied (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc).
Door de uitspraak van de Raad van State inzake de PAS zijn alle ontwikkelingen die leiden tot een depositie van meer dan 0.00 mol per hectare per jaar vergunningplichtig. Onderhavige ontwikkeling kan gesplitst worden in de aanlegfase en de gebruiksfase. De aanlegfase betreft de fase dat de de nieuwe bebouwing gebouwd wordt en er bouwactiviteiten plaatsvinden. De gebruiksfase houdt in dat het bedrijf volledig in werking is gebruik is. Ten aanzien van de gebruiksfase
is een berekening
gemaakt,
zie bijlage 5, om te beoordelen of er
sprake is van depositie op Natura2000-gebieden. Uit deze berekening gebruiksfase niet meer bedraagt dan 0,00 mol per hectare per jaar.
blijkt dat de depositie in de
Voor de aanlegfase is eveneens een Aerius berekening gemaakt, bijlage 5, gecombineerd met de gebruiksfase. Dit is te beschouwen als een worstcasescenarío. Uit deze berekening blijkt dat er geen sprake is van effecten ter plaatse van N2000 gebieden. Daarmee is er geen sprake van een vergunningplicht. Effecten ter plaatse van Natura2000 gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Er hoeft daarom ook geen vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vastgesteld
29
5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd
is en hoe
rekening
is gehouden
met de (ruimtelijk)
relevante aspecten
van
(duurzaam)
waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap
Limburg.
In het kader van het beleid van zowel de gemeente
Peel en Maas als ook het
waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden.
5.4.1
Beleidskader
Relevante beleidstukken op waterschap, het Provinciaal
het gebied van Omgevingsplan
water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal
Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:
= =
vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: = =
en
het Nationaal
herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en
grondwaterafhankelijk natuur; = _ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwalliteit voor water en sediment; « duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; = een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.
De waterkundige waarden zijn in het POVI weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water en ‘Ondergrond'. Conform de kaart 'Regionaal Water' gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. Conform de kaart ‘Ondergrond’ bijzonderheden.
ligt het plangebied
in een “waterlichaam” zonder verdere
5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De
bodem
in het plangebied
ligt nagenoeg
vlak. De
maaiveldhoogte
varieert tussen
28.40 en 28,55
meter +NAP. De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit gooreerdgronden bestaande uit lemig fijn zand.
Vastgesteld
30
Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag.
blijkt het plangebied
een
redelijke
Ter plaatse van de infitratievoorziening geldt grondwatertrap V dit komt overeen met een redelijk hoog grondwaterregime, waarbij de hoogste grondwaterstand zich bevindt op minder dan 40 cm onder maaiveld en de laagste grondwaterstand zich bevindt op meer dan 120 cm onder maaiveld.
Oppervlaktewater Aan de rand van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig,
het gaat hier om de watergang
Lange
Heide. Dit is een primaire watergang. Atfvalwater / riolering Het vuilwater vanuit zowel de bedrijfswoning als het bestande bedrijfsgebouw is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen
in
een
grondwaterbeschermingsgebied,
de
bestaande
zoals
vastgelegd
in de
Omgevingsverordening Limburg. Hemelwater
Het hemelwater afkomstig oppervlaktewater.
van
bebouwing
en
verhardingen
wordt
geloosd
op
het
5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit plan heeft tot doel om de locatie om te vormen naar een niet agrarisch verwant bedrijf. Het bouwvlak heeft in de beoogde situatie een omvang van 8.000 m2. In totaal maakt het plan de volgende bebouwing
en verhardingen mogelijk: 1.
Nieuwe bedrijfsruimte:
546 m2
2. 3.
Opslagbunkers + verharding: Bijgebouw bij woning + verhardingen:
610 m2 300 m2
4.
Verhardingen buiten bestaand bouwvlak:
1.100 m2
In totaal
zullen
er 2556
m2
hemelwater wordt opgevangen
aan
nieuw
dakoppervlak
en
verhardingen
op eigen terrein (infitratiepoel) en kan
hierop kan vallen, zal geïnfiltreerd worden op eigen perceel.
gerealiseerd
hier infiltreren.
worden.
Dit
Het water dat
Normen:
- Bui T=10 (50 mm): benodigde capaciteit 2556 m2 x 50 mm / 1000 = 128 m? - Bui T=100 (100 mm): benodigde capaciteit 2556 m2 x 100 mm / 1000= 256 m3
Dit betekent dat er een minimum benodigde opvangcapaciteit van 256 m° aanwezig dient te zijn. Als onderdeel van het inpassingsplan zal er op eigen terrein een infitratievoorziening aangelegd worden. Deze zal zodanig diep worden uitgegraven worden dat deze jaarrond water bevat (ca. 1,5 meter) en daarmee ook nog een ecologische waarde heeft. Uitgaande van een GHG van 40 centimeter beneden maaiveld zal de voorziening een oppervlak moeten hebben van 700 m2 (taluds 1:2 tot 1:3). Met het toepassen van deze voorziening wordt voldaan aan de voorwaarden van het Waterschap Limburg. Verder zal bij de bouw van de nieuwe loods geen gebruik gemaakt worden van uitlogende materialen zoals zink en koper. Vanuit het nieuwe bedrijfsgebouw komt geen afvalwater vrij,
Vastgesteld
31
5.5 Archeologie en cultuurhistorie 5.5.1
Cultuurhistorie
De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het
POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, historische landschapselementen.
hoofdlijnen
van
jonge
en
oude
cultuurlandschappen
en
Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te
nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart bevinden er zich in de directe omgeving rondom het plangebied geen cultuurhistorische elementen. 5.5.2 Archeologie De gemeente Peel en Maas heeft n 2011 een archeologisch beleidsplan vastgesteld. In dit beleidsplan is onder andere vastgelegd hoe met gebieden met een bepaalde waardering wordt omgegaan. Volgens de gemeentelijke beleidskaart archeologie ligt het plangebied in een zone van ‘Waarde -Archeologie 4' (hoge archeologische verwachting). De door de gemeente vastgestelde ondergrenzen voor deze zone bedraagt 250 m? en 40 cm (Waarde-Archeologie 4). Tegenda Beleid
B
Waarde aa aeege ie sces
Planologsch egine Oppenkte o
B
aa
oo
r
B
e
h?
opperlakte 210072
D
aa
oo
opentke 002
B
e
oo
opente 202
E
aa
adedges
openitte 20 2
tm bgevenig
Gee voosten r wondipen
B
ontgrong onderzocht
Geen voorzchten
0E Menmenemet 48
Kedepubrrpnee
Afbeelding 11 Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Peel en Maas.
In 2012 is er een verstoringsdiepte-onderzoek uitgevoerd in de gemeente Peel en Maas door Econsultancy. Het plangebied is hierbij ook onderzocht. Hier is ondervonden dat het plangebied bij de teelt van asperges tot zeker 80 cm beneden maaiveld is verstoord. In het onderzoek van Econsultancy is geadviseerd om in dit plangebied een diepte-ondergrens van 60 cm beneden maaiveld te hanteren.
Vastgesteld
32
In het advies van de gemeentelijk archeoloog is geadviseerd om aan te sluiten bij de verstoringsdiepte
van 60 cm. Deze diepte zal dan ook in de planregels worden opgenomen. Onderhavig plan behelst het bouwen van een bedrijfsruimte, het bouwen van een bijgebouw bij de woning, het realiseren van stortbunkers en bijbehorende verhardingen. Het bedrijfsgebouw wordt gefundeerd middels een aantal poeren met daartussen een strookfundering. Dit zal leiden tot een verstoring van 44 m2 dieper dan 60 cm.
Voor de rest van het gebouw vinden er geen verstoringen plaats
dieper dan 60 cm. Voor het bijgebouw bij de woning geldt dat deze ook op poeren en een strookfundering geplaatst wordt. Dit zal Ieiden tot een verstoring van 20 m2, dieper dan 60 cm. Voor de rest van het gebouw vinden er geen verstoringen plaats dieper dan 60 cm. De hemelwaterafvoeren van
beide gebouwen zullen op een diepte van circa 40 cm beneden maaiveld gelegd worden. Deze reiken daarmee niet tot de verstoringsdiepte van 60 cm. Voor de erverhardingen en het plaatsen van de bunkers geldt een verstoringsdiepte van ca. 30 cm, daarmee wordt de verstoringsdiepte van 60 cm niet behaald. In totaal vinden er daarom 64 m2 aan verstoringen plaats dieper dan 60 cm. Daarmee wordt de ondergrens van 250 m2 niet overschreden, In onderhavig plan is de dubbelbestemming
1 op 1 overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan,
waarbij de verstoringsdiepte is gewijzigd naar 60 cm conform het advies van de gemeentelijk archeoloog. Onderhavig plan leidt niet tot aantasting van archeologische waarden. De dubbelbestemming 'Waarde — Archeologie 4 blijft gehandhaafd.
5.6 Verkeer en parkeren Het projectgebied ligt aan de Breetse Peelweg, een ontsluitingsweg in het buitengebied. De locatie is goed ontsloten. Onderhavige bestemmingswijziging zal niet leiden tot een significante toename van het aantal verkeersbewegingen. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is voor onderhavig bedrijf uitgegaan van de norm behorende
bij ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief’ daar het een kleinschalig bedrijf van circa 1122 m? bvo betreft waar bezoek alleen op afspraak plaatsvindt. Op basis van de nota parkeernormen van de gemeente Peel en Maas dienen er dan in totaal afgerond 15 parkeerplaatsen aanwezig te zijn (1,1/ 100
m? bvo en 2 voor de woning). Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren. Parkeren vindt, net zoals in de huidige situatie, plaats binnen de begrenzing van het projectgebied. Het erf beschikt hiervoor meer dan voldoende omvang.
5.7 Milieueffectrapportage Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. In de Wet milieubeheer is opgenomen in welke gevallen het maken van een MER verplicht is. Het wijzigen van een agrarische bedrijfsbestemming naar een bedrijfsbestemming valt daar niet onder. Verder is er geen sprake van het houden van dieren, ook hiervoor is het opstellen van een MER, MERbeoordeling of vormvrije MER niet aan de orde.
Vastgesteld
33
5.8 Spuitzones gewasbescherming In een ruimtelijk plan dient te worden
beoordeeld
of sprake is van een goede
ruimtelijke ordening.
Daarbij
te worden
met
spuitzones
van
introductie
van
gewasbeschermingsmiddelen
dient ook
rekening
gehouden
ten
behoeve
het gebruik
van
gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel
er voor
het
gebruik
en
de
diverse
wetten,
besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke voorschriften inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop (fruit)bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen.
Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening
een afweging
van
alle bij het gebruik van de gronden
betrokken
belangen
dient plaats te
vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden c.q. (fruit)boomgaarden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2018 in zaak nr. 201410309/1/R6). Bij de Breetse Peelweg 2a wordt een bestaande agrarische bedrijfswoning omgezet naar een bedrijfswoning bij een agrarisch verwant bedrijf. Er wordt daarmee geen gevoelige bestemming toegevoegd die meer bescherming behoeft dan in de bestaande situatie. Het terreindeel ten noorden van de bedrijfswoning is in eigendom bij initiatiefnemer. Dit deel van het perceel zal worden gebruikt om de landschappelijke inpassing te realiseren. Deze strook vormt een buffer van tuneminste 50 meter tussen de bedrijfswoningen en percelen landbouwgrond waarop bespuitingen plaatsvinden.
Vastgesteld
34
6. JURIDISCHE
ASPECTEN
In dit hoofdstuk
inzicht gegeven
wordt
in de wijze waarop
de gewenste
ruimtelijke
en functionele
ontwikkeling van het plangebied in dît bestemmingsplan juridisch is vertaald.
De locatie Breetse Peelweg 2a maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Maas'
vastgesteld
op
24
december
2014.
De
locatie
heeft
de
‘Buitengebied Peel en
enkelbestemming
‘Agrarisch
—
Grondgebonden’,
het bouwvlak heeft n de bestaande situatie een oppervlakte van circa 3.500 m2.
Daarnaast
de
geldt
gebiedsaanduidingen
dubbelbestemming
‘Waarde
—
Archeologie
‘reconstructiewetzone — verwevingsgebied,
—
6'.
Tevens
gelden
wro-zone wijzigingsgebied
de
2 ko' en
‘wro-zone wijzigingsgebied 4 go’. In de beoogde situatie wijzigt de bestemming
naar “Bedrijf — Agrarisch verwant”. Het bouwvlak wordt
vergroot tot een oppervlak van 8.000 m2. Ter plaatse wordt een functieaanduiding aangebracht “specifieke vorm van groen- landschappelijke inpassing breetse peelweg 2a". Hiermee wordt geborgd dat de landschappelijke inpassing ook gerealiseerd wordt. Verder wordt er een maatvoering toegevoegd
die regelt dat de bedrijfswoning en bijgebouwen hebben
van
1.600
bij de bedrijfswoning een maximale inhoud mogen
m3.
Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing.
De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bouwvlak. De verbeelding vormt samen
met de regels het bindende onderdeel van
het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing
van het planvoornemen.
6.1 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is het bestemmingsvlak en bouwvlak weergegeven
en de gewijzigde bestemming.
Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan zijn de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing breetse peelweg 2a" en “specifieke vorm van bedrijf — hoveniersbedrijf
aangebracht.
Tevens
is
er
een
maatvoeringsaanduiding
aangebracht
met
een
maximale inhoudsmaat van 1.600 m3 voor de bedrijfswoning inclusief bedrijfsgebouwen. Verder vinden er geen wijzigingen plaats.
6.2 Toelichting op de planregels De planregels zijn overgenomen van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas'. Hierin zijn enkele regels gewijzigd ten aanzien van de toegestane bedrijfsactiviteiten. Tevens zijn de regels op enkele punten geactualiseerd en opnieuw genummerd.
Vastgesteld
35
7. UITVOERBAARHEID, 7.1
Economische
De
bestemmingswijziging
INSPRAAK
EN PROCEDURE
uitvoerbaarheid geschiedt geheel voor rekening van
de initiatiefnemer.
De gemeentelijke
financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden
zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Aangezien er geen sprake is van een bouwplan in het kader van de GREX zal er geen anterieure overeenkomst tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer opgesteld worden. Planschade is geregeld in een tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer afgesloten overeenkomst. Hiermee
wordt
gewaarborgd
dat
eventueel
te
vergoeden
planschade
niet
voor
rekening
van
de
gemeente Peel en Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding
van
een
bestemmingswijziging
moeten
Burgemeester
en
Wethouders
overleg
plegen met het waterschap, andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met betrokken rijks- en provinciale diensten. Van dit vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.
7.2.1 Inspraakprocedure Het voorontwerpplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure.
7.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van
het vooroverleg
is het plan
beoordeeld
door
de
Provincie
Limburg.
De
Provincie
Limburg heeft aangegeven dat indien de gemaakte opmerkingen adeguaat worden verwerkt in het plan er geen aanleiding zal zijn voor het indienen van zienswijzen. Ten eerste wordt aangegeven dat er in het plan wordt verwezen naar de bouwvrijstelling n de paragraaf “Ecologie” en dat deze vrijstelling niet meer van toepassing is. Deze opmerking is correct. De verwijzing is
daarom
uit
het
plan
gehaald.
Aanvullend
daarop
is
er
een
berekening
gemaakt
van
de
stikstofdeposities in de bouwfase met het programma Aerius. Hieruit blijkt dat er in de bouwfase ter plaatse van N2000 gebieden ook geen depositie van stikstofverbindingen optreden. Er is daarmee geen sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.
Ten tweede en laatste wordt opgemerkt dat in het plan voorbij wordt gegaan aan de vergroting van het bouwvlak. In de aangepaste onderbouwing is er daarom meer aandacht besteed aan de vergroting van het bouwvlak.
7.2.3 In gesprek met Peel en Maas
Initiatiefnemer heeft de direct belanghebbenden van de locatie op de hoogte gesteld van de voorgenomen bestemmingswijziging. Een verantwoording van de omgevingsdialoog is aangeleverd bij de gemeente Peel en Maas.
Vastgesteld
36
7.2.4 Zienswijzenprocedure
Het ontwerpplan heeft van 14 december 2023 tot en met 24 januari 2024 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
7.3 Procedure
In het kader van de procedure ex artikel 3.1 Wro dient de procedure genoemd in afdeling 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht gevolgd te worden. De procedure ziet er als volgt u
e _ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ° e
Terinzagelegging van het ontwerp en bijpehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling
zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; e _ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, °
e °
waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, 6 weken na vaststeling: Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vastgesteld
37