2024-050 03 Toelichting (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Pijnenburg
>
agrarisch advies & onroerend goed
BESTEMMINGSPLAN
“Breetse Peelweg 24 Maasbree”
Vastgesteld
Spoorweg 4 |5963 NJ Horst |T +31 (0)77 398 29 21 | F+31 (0}77 398 6800 E info@pijnenburgadvies.nl | www-pijnenburgadvies.nl
Document:
Bestemmingsplan “Breetse Peelweg 2a Maasbree”
IDN:
NL.IMRO.1894.BPL0324-VG01
Status:
Vastgesteld
Datum:
23 april 2024
Auteur:
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
Pijnenburg
>
agrarisch advies & onroerend goed
Spoorweg 4 5963 NJ
Horst
T+31(0)77 398 29 21 F+31 (0)77 398 68 oo
info@pijnenburgadvies.nl
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING..
1.1 Aanleiding en doel … 1.2 Plangebied en begrenzingen …
1.3 Vigerend bestemmingsplan …
2. BESCHRIJVING
VAN
HET
PLANGEBIED …
2.1 Algemeen
2.2 Ruimtelijke structuur … 2.3
Functionele
structuur
8
…
3. PLANBESCHRIJVING...
3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan… 3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten 3.3 Landschappelijke inpassing…
4. BELEIDSKADER
…
4.1 Rijksbeleid 4.2
Provinciaal
beleid.
4.3 Gemeentelijk beleid .
5. RANDVOORWAARDEN 5.1
/ RESULTATEN
ONDERZOEKEN
Milieu.
5.1.1 Milieuzonering … 5.1.2 Geluid 5.1.3
Luchtkwaliteit.
5.1.4 Bodem en grondwaterkwaliteit 5.1.5 Externe veiligheid . 5.1.6 Geur …
5.2 Kabels, leidingen en straalpaden.… 6.3 Eoologie 5.4 Waterhuishouding 5.5 Archeologie en cultuurhistorie … 5.6 Verkeer en parkeren …
Vastgesteld
1
6. JURIDISCHE
ASPECTEN
…
6.1 Toelichting op de verbeelding.
6.2 Toelichting op de planregels…
7. UITVOERBAARHEID, 7.1
Economische
INSPRAAK
uitvoerbaarheid
EN PROCEDURE
.
…
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid … 7.3
Procedure
…
BIJLAGEN
n>on=
Landschappelijk inpassingsplan (Pijnenburg Agrarisch Adviesburo B.V.) Akoestisch onderzoek (HMB B.V.. Historisch bodemonderzoek (HMB B.V.) Flora- en Faunaonderzoek (IVN) Beoordeling stikstofdepositie (Pijnenburg Agrarisch Adviesburo B.V.)
Vastgesteld
2
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel Op de locatie Breetse Peelweg 2a te Maasbree is conform het vigerende bestemmingsplan een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Initiatiefnemer heeft deze locatie jaren geleden ook als zodanig gekocht en geëxploiteerd, n die zin dat er sprake was van een kwekerij in de vollegrond en er
daarnaast hoveniersactiviteiten plaatsvonden. In de loop der jaren is de nadruk steeds meer komen te liggen op de hoveniersactiviteiten en is de teelt afgenomen. Vanuit een eenmansbedrijf heeft het bedrijf ondertussen een groei doorgemaakt en zijn er 5 medewerkers in vaste dienst bij het bedrijf.
De groei van het bedrijf heeft ertoe geleid dat er op dit moment buiten het vigerende bouwvlak opslag plaatsvindt van grondstoffen en materialen. Met dit plan wordt de opslag en stalling binnen een bouwvlak
gesitueerd en daarmee gelegaliseerd. Tevens wordt bedrijfsgebouw te realiseren waarin vooral de machines, kunnen
het daarmee mogelijk om een nieuw werktuigen en voertuigen binnen gestald
worden.
Met het planvoornemen wordt het mogelijk om een aantal ontwikkelingen door te voeren. Het gaat om de volgende zaken:
1.
Bouw van een bedrijfsuimte (22 x 26 mt) om machines, werktuigen en voertuigen binnen te kunnen
2.
stallen.
Plaatsen van enkele bunkers waarin onder andere potgrond, straatzand, houtsnippers en andere producten gestort kunnen worden die in de hoveniersactiviteiten veelvuldig gebruikt worden.
3.
Bouwen van een bijgebouw (garage/berging) bij de woning. Conform het vigerende bestemmingsplan mogen de bedrijfswoning en bijgebouwen een gezamenlijke inhoud hebben van
1000
m3.
De
bestaande
woning
heeft een
inhoudsmaat
bijgebouw heeft een inhoudsmaat van 600 m3. Het inhoudsmaat zoals opgenomen in het bestemmingsplan.
van
bijgebouw
1000
m3.
Het gewenste
overschrijdt
daarom
de
Aangezien er ter plaatse een hoveniersbedrijf wordt geëxploiteerd en geen grondgebonden agrarisch bedrijf, zijn de activiteiten strijdig met het bestemmingsplan. Bij de gemeente Peel en Maas is daarom een principeverzoek gedaan om het bestemmingsplan te wijzigen, waarbij de bestemming wijzigt naar
“Bedrijf — Agrarisch verwant’ en er een functieaanduiding “hoveniersbedrijf wordt aangebracht. Bij brief van 1 augustus 2022 heeft de gemeente laten weten onder voorwaarden mee te willen werken
aan wijziging van het bestemmingsplan. De voorwaarden zijn de volgende: 1. Ermoet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening; 2.
Ereen aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd wordt ten opzichte van de omgeving:
3. 4.
Bestaande rechten in de omgeving gewaarborgd blijven; Ervoldaan wordt aan de Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas.
In het vigerende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming van “Agrarisch grondgebonden” te wijzigen naar “Bedrijf — Agrarisch verwant”. Aan de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van deze bevoegdheid wordt niet voldaan omdat:
1.
Erter plaatse geen sprake is van een “ontwikkelingszone bebouwingslint” of ‘kernrandzone’.
Vastgesteld
3
2.
De bedrijfsactiviteiten zijn onder te brengen
3.
wijzigingsbevoegdheid zijn uitsluitend bedrijven van de categorie 1 en 2 toegestaan. De wijzigingsbevoegdheid geeft niet de ruimte om de inhoudsmaat van de woning
in de categorie 3.1. Bij het toepassen van de met
bijgebouwen te vergroten. 4.
Met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is het niet mogelijk om gelijktijdig het oppervlak van het bouwvlak te vergroten. Daarom is het noodzakelijk om voor het plangebied een nieuw postzegelbestemmingsplan op te stellen.
Afbeelding 1. Ligging plangebied (rood omlijnd)
1.2 Plangebied en begrenzingen De locatie Breetse Peelweg 2a te Maasbree is gelegen in het buitengebied ten westen van de kern Maasbree en maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas. Aan oostelijke zijde is het sportpark van Maasbree gelegen. Verder oostelijk ligt de bebouwde kom van Maasbree. In vogelvlucht ligt de kerk van Maasbree op een afstand van circa 1.600 meter van het plangebied. Rondom
het plangebied liggen burgerwoningen van derden en grondgebonden
agrarische bedrijven
van derden. Het plangebied wordt aan twee zijden begrenst door de openbare weg (Breetse Peelweg en Westeringse Kemp), aan de oostelijke zijde door een woning van derden en het sportpak en in noordoostelijke richting door percelen die landbouwkundig in gebruik zijn. Het plangebied bestaat uit het kadastrale perceel Maasbree, sectie P, nummer 253 (gedeeltelijk).
Vastgesteld
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie Breetse Peelweg 2a maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas' vastgesteld op 24 december 2014. De locatie heeft de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en
‘Agrarisch - Grondgebonden’.
Het bestaande bouwvlak heeft een oppervlakte van 3.420 m?. Daarnaast
geldt de dubbelbestemming
‘Waarde
‘reconstructiewetzone
—
— Archeologie
verwevingsgebied,
— 6'. Tevens
‘wro-zone
gelden
wijzigingsgebied
de gebiedsaanduidingen
2
ko’
en
'wro-zone
wijzigingsgebied 4 go’.
Het voorgenomen gebruik ziet toe op het gebruik van het terrein en gebouwen ten behoeve van een hoveniersbedrijf, dit is op grond van het vigerende bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk. Om
deze
strijdigheid
met
het
bestemmingsplan
op te
heffen
wordt
er voor
de
locatie
een
nieuw
bestemmingsplan opgesteld.
Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan (plangebied rood omlijnd) De paarse stippellijn is het huidige ‘bouwviak.
Vastgesteld
5
2. BESCHRIJVING
VAN
HET
PLANGEBIED
2.1 Algemeen Het plangebied ligt ten westen van de kern Maasbree. Maasbree maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas, gelegen in het noorden van Limburg. Circa 6.900 inwoners bevolken het dorp. Het plangebied bestaat oppervlak van 8.000 m2
uit de kadastrale
perceel
Maasbree,
sectie
P, nummer
253
en heeft een
Afbeelding 3. Luchtfoto plangebied en directe omgeving, plangebied rood omlijnd.
Het plangebied ligt op de locatie Breetse Peelweg 2a te Maasbree. Het bedrijf op de locatie is oorspronkelijk gesticht als een grondgebonden agrarisch bedrijf met daarbij hoveniersactiviteiten als
nevenactiviteit.
In
de
loop
der
jaren
is
de
nadruk
steeds
meer
komen
te
liggen
op
de
hoveniersactiviteiten.
Vastgesteld
6
De omgeving is in de loop der jaren geïntensiveerd door het verplaatsen van het sportpark vanuit het dorp richting plangebied en het bouwen van Ruimte voor Ruimte woningen aan de Westeringse Kemp (noordoostelijke richting). De Provinciale weg (N275) ligt op korte afstand van het plangebied. Daarmee is de locatie goed ontsloten. Aan oostelijke zijde, op een afstand van circa 450 meter liggen is de randbebouwing van de kern van Maasbree
gelegen
aan de Tongerveldweg.
Aan
noordoostelijke zijde grenst het plangebied
aan agrarisch in gebruik zijnde gronden. Ten oosten ligt een woning van derden en het sportpark. Ten zuiden van de Breetse Peelweg ligt eveneens een woning van derden. Ten westen, op de splitsing van de Breetse Peelweg en de Westeringse Kemp ligt een grondgebonden agrarisch bedrijf van derden
Afbeelding 4 en 5. Aanzicht bestaande situatie vanaf de Breetse Peelweg.
Vastgesteld
7
Afbeelding 6. Aanzicht bestaande situatie vanaf de Westeringse Kemp
2.2 Ruimtelijke structuur De Breetse Peelweg vormt een doorgaande weg vanuit Maasbree richting het buitengebied en leidt via het viaduct over de A67 naar Sevenum. Oudere en nieuwe bebouwing wisselen elkaar af en verwijzen
naar verschillende ontwikkelingsperioden.
De afwisseling van vrijstaande woningen afgewisseld met
(agrarische bedrijvigheid), sport/recreatie en cultuurgronden, biedt een landelijke (noord)oostelijke richting heeft de afgelopen jaren een duidelijke verdichting plaatsgevonden. In de overige richtingen is nog sprake van relatieve openheid.
2.3 Functionele
karakteristiek. In van bebouwing
structuur
Van oorsprong betreft de Breetse Peelweg een agrarisch lint vanuit de kern Maasbree in noordwestelijke richting. Het ligt min of meer op de overgang van een grootschalig open landschap in noordwestelijke richting en een kleinschalig halfopen landschap in zuidoostelijke richting. In de directe omgeving van de locatie wisselen burgerwoningen, agrarische bedrijven, sport/recreatie en cultuurgronden elkaar af. De kern van Maasbree ligt op een afstand van ongeveer 1,6 kilometer.
Vastgesteld
8
3. BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid Nationale omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie die s vastgelegd n artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 23 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote
maatschappelijke
opgaven
aan te pakken.
complexe opgaven met betrekking bereikbaarheid en woningbouw.
tot
Bij die opgaven
klimaatverandering,
kan
worden
energietransitie,
gedacht
aan
circulaire
grote en
economie,
Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ° _ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ° _ Duurzaam economisch groeipotentieel; e _ Sterke en gezonde steden en regio's; e Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven:
1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
2.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
3.
Afwentelen
wordt voorkomen.
Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Onderhavig initiatief is op nationaal niveau dusdanig kleinschalig van aard dat het plan geen nadelige gevolgen
heeft voor relevante nationale belangen.
Verder heeft het gestelde n dit bestemmingsplan
betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. De wijziging en de vergroting van de bedrijfsactiviteiten is van een dusdanige beperkte omvang op nationaal schaalniveau dat er vanuit de NOVI geen belemmeringen bestaan.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels
opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rjk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (hans Nationaal Natuurnetwerk), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. In het Barro is de Maas aangewezen als Rivierbed. Onderhavig planvoornemen behelst het omvormen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een agrarisch verwant bedrijf, waarbij het bouwvlak vergroot wordt om de beoogde ontwikkelingen mogelijk te maken.
Op grond van het Barro gelden geen beperkingen voor dit bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Vraaggerichte programmering en realisering van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beiden te bereiken is daarom de kaderstellende ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Gesteld wordt dat sprake dient te zijn van een regionale behoefte, die bij voorkeur binnen het bestaande stedelijk gebied van de regio kan worden voorzien. Dit door bijvoorbeeld benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.
Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onderhavige ontwikkeling beoogt het omvormen van een bestaand grondgebonden bedrijf naar een agrarisch verwant bedrij, waarbij een vergroting van het bouwvlak plaatsvindt om plek te geven aan de groei van het bedrijf in de afgelopen periode. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. De bestemmingswijziging is dan ook niet in strijd met de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Vastgesteld
10
3.2 Provinciaal
beleid
Omgevingsvisie Limburg Per 25 oktober 2021 is de ‘Omgevingsvisie Limburg’ in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed.
Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een
gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma's. In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: = Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; o _ In stedelijk c.q. bebouwd gebied; o _ In landelijk gebied; = Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); «
Klimaatadaptatie en energietransitie.
Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de 'tjdloze’ karakteristiek van de ondergrond, de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik in de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende hoofdtypen met bijbehorende categorieën: e Landelijke gebieden; © Groenblauwe mantel | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) Buitengebied; e Bebouwde gebieden; o Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke kern | Werklocaties; e
|
Infrastructuren;
o
Vastgesteld
(lnter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg waterweg | (Lucht)haven | (Inter)nationale Ieidingstrook.
| (Inter)nationale
11
Afbeelding 6. Uitsnede kaart Omgevingsvisie Limburg (plangebied rood omlijnd).
Ligging in landelijk gebied/buitengebied
Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied’ behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en MiddenLimburg, samen zo'n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in ZuidLimburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Met onderhavig planvoornemen wordt een grondgebonden agrarisch bedrijf omgevormd tot een Agrarisch verwant bedrijf in de vorm van een hoveniersbedrijf. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de bestaande bebouwing. Tevens zal er nieuwe bebouwing gerealiseerd worden. De bestaande bebouwing is al landschappelijk in de omgeving ingepast. Dat zal ook het geval zijn bij de nieuwe bebouwing. Middels het uitvoeren van het landschappelijke inpassingsplan zal het bedrijf verder in de omgeving ingepast worden.
Wat dat betreft kan geconcludeerd worden dat onderhavig initiatief niet strjdig is met de bepalingen zoals in de provinciale omgevingsvisie. Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden. In hoofdstuk 2 van deze verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Tevens is geen sprake van een beeldbepalend gebouw.
Vastgesteld
12
De Omgevingsverordening bevat -naast de regels in het hoofdstuk Ruimte- regels over diverse andere onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden, waaronder de boringsvrije zones Roerdalslenk
en
Venloschol.
Het plangebied is niet gelegen binnen een milieubeschermingsgebied zoals een van de voornoemde boringsvrije zones. Vanuit de omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. De Omgevingsverordening Limburg betreft hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 . In de Omgevingsverordening
Limburg staan
regels op het gebied van milieu, wegen,
water, grond,
landbouw, natuur, wonen en ruimte. De verordening bevat enkele nieuwe of inhoudelijk gewijzigde onderwerpen; het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonneenergie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
De wijzigingen zijn een gevolg van uitspraken in de Omgevingsvisie Limburg. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tot die tijd blijt de huidige Omgevingsverordening van kracht. De wijzigingen in de Omgevingsverordening 2022 werken niet door naar het plangebied. Ook als de Omgevingsverordening 2022 in werking treedt, is er geen strijdigheid. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de Verordening 2021.
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie buitengebied Peel en Maas In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied
door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het
bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas" en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid. Het plangebied is volgens de structuurvisie gelegen op de overgang van een kleinschalig halfopen ontginningslandschappen (zuidzijde) en een grootschalig open ontginningslandschap (noordwestelijke richting). Het plangebied ligt grotendeels in het grootschalig halfopen ontginningslandschap.
Vastgesteld
13
De kleinschalige half open ontginningslandschappen liggen verspreid in het buitengebied van Peel en Maas. Dit zijn de plekken waar individuele boeren zich hebben gevestigd en kleine stukjes land hebben ontgonnen en bebost. Vaak ontbrak het aan middelen om grote eenheden te ontginnen waardoor kleine
percelen van agrarische grond en kleine productie- en/of geriefhoutbosjes zijn ontstaan. Het kleinschalige landschap met een afwisseling van bosjes, landschapselementen, verspreide bebouwing en
kronkelige
wegen
onderscheidt
zich
van
het
landschap
van
de
omliggende
grootschalige
ontginningsgronden. Landbouw, bos en reoreatie zijn de functionele dragers van het landschap. De
grootschalige
ontginningslandschappen
zijn
van
een
later
tijdstip
(vanaf
ca.
1920)
dan
de
kleinschalige ontginningslandschappen doordat de overheid zich vanaf dat moment zich actief met ontginning bezig ging houden. Dat leidde tot open landschappen met een rationele verkaveling en verspreide
boerderijen.
De grootschalige open
ontginningen
zijn divers. De meest
herkenbare
in de
gemeente zijn de Egchelse Heide en de Lange Heide. Dit zijn rationele landschapsstructuren bestaande uit grotendeels parallelle wegen. Andere gebieden zijn minder grootschalig door de kleinere maat van percelen en resterende bosjes. Middels onderhavig plan wordt er een agrarisch grondgebonden bedrijf omgevormd naar een agrarisch verwant bedrijf. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing, maar er zal ook nieuwbouw gepleegd worden. Binnen een verwevingsgebied zijn diverse vormen van (agrarische) bedrijvigheid mogelijk. Een hoveniersbedrijf wordt beschouwd als een agrarisch verwant bedrijf. De gewenste doorontwikkeling van een bestaand, succesvol hoveniersbedrijf kan in het buitengebied van Maasbree, dan ook als passend beschouwd worden op basis van de Structuurvisie buitengebied Peel en Maas.
Omgevingsvisie Peel en Maas Op 5 juli 2022 is de Omgevingsvisie Peel en Maas opgesteld. Bestaande structuurvisies worden voorlopig als onderliggend (buitenwettelijk) beleid gehandhaafd. De locatie is gelegen in een gebied dat getypeerd wordt als 'oude verdichte bouwlanden'. Voor zover relevant zijn de volgende gebiedskwaliteiten van belang:
e
Kleinschalig landschap met afwisselend weiden, akkers, bos, heideterreintjes en daar doorheen (onverharde) paden.
e _ Halfopen ontginningslandschappen, kleinschalig door bebouwing (ten noorden van Meijel en ten zuiden van Maasbree). De
hier te versterken waarden
«
betreffen:
Stimuleer agrotoerisme (0.a. op bezoek bij de boer) en verbrede landbouw (0.a. zorgboerderijen) en extensieve recreatie.
Versterken van de biodiversiteit door variatie aan beplanting en de kwaliteit van bos en bosschages door te werken met divers sortiment, houtwallen en boomsingels en solitaire bomen.
Maak ecologische oevers langs sloten en beken,
Maak natte plekken in relatief lage gebieden, behoud extensieve (natte) weilanden. Ontwikkel en versterk het wandelpaden- en fietspadennetwerk. Repareer ontbrekende schakels
in het netwerk.
Behoud waardevolle doorzichten. Koester hiervoor ook open velden in bosrijk gebied.
De ingezette koers uit de bestaande kaderstellingen en beleidsdocumenten komen samen in de omgevingsvisie. De doelstellingen zijn samengebracht in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn:
Vastgesteld
14
1. Zo worden
we duurzamer
2. Een gezonde en veilige leefomgeving 3. Het versterken
4. Goed
wonen
van
natuur en
biodiversiteit
voor iedereen
5. Toekomstgericht ondernemen 6. Balans in het buitengebied
Deze
opgaven
moeten
in
samenhang
worden
gezien.
We
zien
met
name
overkoepelende leidende principes. Bij elke ontwikkeling moet bekeken worden
de
eerste
drie
als
hoe een bijdrage aan
deze drie opgaven kan worden geleverd. Op onderhavig
initiatief is vooral de opgave
"toekomstgericht ondernemen"
van toepassing.
Binnen
deze opgave wordt de volgende richtinggevende uitspraken gedaan: 1.
We faciliteren lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het MKB (industrie en retail) en recreatie en toerisme. Samen met ondernemers
2.
werken
we
aan de kwalliteit van de werklocaties.
4.
We zetten in op herstructurering boven uitbreiding. Als herstructurering onvoldoende mogelijkheden biedt is uitbreiding van bestaande bedrijfsterreinen mogelijk. We ondersteunen de bedrijven op het gebied van recreatie en toerisme onder andere via promotie en basisvoorzieningen zoals een goed wandel- en fietsnetwerk. Waar nodig bieden we ruimte aan passende uitbreidingen. We bieden mogelijkheden aan hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor
5.
recreatie/toerisme en bedrijvigheid. We zetten ons in onze regio in voor een uitnodigende en bindende strategie voor arbeidsmigranten.
3.
In dit geval gaat het om de ontwikkeling van een lokaal bedrijf dat actief is in de MKB sector en is te beschouwen als een agrarisch verwant bedrijf. De werkzaamheden en klanten bevinden zich in hoofdzaak in een straal van 20 kilometer van het bedrijf. Ook de medewerkers van het bedrijf zijn woonachtig in de directe omgeving. Op de locatie wordt de agrarische bestemming gewijzigd in de bestemming “bedrijf — Agrarisch verwant” en krijgt het bedrijf ruimte om zich verder te ontwikkelen zodat het aan de vraag vanuit de markt kan blijven voldoen. Een dergelijke ontwikkeling is passend te noemen binnen de Omgevingsvisie. Beleidsnotitie ‘nieuwe denkrichting Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) in het buitengebied’. In het buitengebied is een groot aantal voormalige agrarische locaties en woningen waar veel opstallen aanwezig zijn. In het structuurplan buitengebied Peel en Maas, vastgesteld op 17 december 2008, is beleid (VAB beleid) voor deze [ocaties opgenomen. De regeling houdt in dat hergebruik van bestaande agrarische bebouwing voor een (niet) agrarische functie of burgerwoning onder voorwaarden mogelijk is. Om een verdere kwaliteitsverbetering voor deze locaties te stimuleren, is op 22 februari 2011 aanvullend beleid geformuleerd. Dat houdt in dat er, bij sloop van bebouwing”, ook mogelijkheden worden geboden nieuwe gebouwen te bouwen” (sloopbonusregeling).
Het VAB beleid i allen van toepassing op locaties waar ook een bedrijfswoning aanwezig is, ditis in dit geval ook zo. De bewoner van de bedrijfswoning is ook degene die het bedrijf exploiteert.
Vastgesteld
15
Het omzetten van de bestemming
naar “Bedrijf — Agrarisch verwant’ is daarmee op basis van het VAB-
beleid mogelijk. Het door ontwikkelen van het bedrijf is passend kwaliteitskader. In de betreffende alinea's wordt hierop ingegaan. Kaderstelling Ruimte en Economie Om de gemeentelijke programmadoelen uitvoeringsafspraken
gemaakt
concretisering
de
van
tussen
raad
te en
programmadoelen
realiseren
college.
en
De
worden
worden
binnen
de
Structuurvisie
in
de
waardenoriëntatie
uitvoeringsafspraken
in
de
begroting
zijn daarmee
opgenomen.
en
een
Deze
uitvoeringsafspraken worden zoveel mogelijk als doelregels geformuleerd. Relevant in dit kader zijn: e
We
benutten
bestaande
bebouwing
en
sturen
op
hergebruik
boven
uitbreiding
en
nieuwvestiging en daar waar dit niet mogelijk is wordt er zorg gedragen voor hetgeen achterblift. Het betreft de vestiging van een hoveniersbedrijf op een voormalige agrarische bedrijfslocatie, waarbij het bedrijf zich doorontwikkeld door een uitbreiding van de bebouwing. Daarmee wordt
Ieegstand en verloedering in het buitengebied voorkomen.
Door de geplande nieuwbouw en
groenaanplant krijgt de omgeving een kwaliteitsimpuls.
+
.
We stimuleren dialoog over invulling van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Initiatiefnemer heeft omwonenden op de hoogte gebracht van de plannen. Een verslag van de omgevingsdialoog is bij de gemeente ingediend. Het stimuleren van ondernemerschap, zoals bijvoorbeeld door het ondersteunen van initiatieven
van
'Labs'
en
tijdelijke
concepten.
Het
betreft de
vestiging
van
een
groeiend
hoveniersbedrijf op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Initiatiefnemer heeft kwaliteit ‘hoog in het vaandel staan, waarbij het merendeel van de klanten zich binnen een straal van 20 kilometer rond het bedrijf bevindt. Men kan dus spreken van doorontwikkeling van een regionaal
georiënteerd bedrijf.
Kwaliteitskader buitengebied De locatie is, conform de kaarten behorende bij het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas, overwegend gelegen in een grootschalig open ontginningslandschap. Voor de wijziging van de bestemming en de vergroting van het bouwvlak is Basiskwaliteit Plus van toepassing. Dit komt overeen met 10% van het oppervlak van het bouwvlak en daarmee 800 m2 (10% van 8.000 m2).
De aanvullende kwaliteitsbijdrage bij uitbreiding van solitaire bedrijfswoningen boven 1.000 m3 gaat om een fysieke maatregel met een waarde van € 15,- per m extra uitbreiding. Uitgaande van een bijgebouw
met een inhoud van 600 m3 (150 m? x gemiddelde hoogte 4 meter) dient de tegenprestatie € 9.000,- te bedragen. Voor groenaanplant wordt gerekend met een normbedrag van € 6,- per m?. Dat betekent dus dat voor invuling van de Aanvullende Kwaliteitsbijdrage 1.500 m? groen aangeplant dient te worden.
De totaal vereiste inpassing komt dan uit op 800 + 1500 = 2.300 m?. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt. Middels bovenstaande invulling wordt er voldaan aan het gemeentelijke kwaliteitskader. Zie voor een verdere toelichting op het landschappelijk inpassingsplan paragraaf 4.3. Beleidsregel Kruimelgevallen Peel en Maas De gemeente Peel en Maas heeft een beleidsregel vastgesteld voor planologische kruimelgevallen. Doel van de beleidsregel is kruimelgevallen op basis van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht op een eenduidige wijze te beoordelen. Dit voorkomt onzekerheid en onduidelijkheid bij aanvragers. In artikel 3 worden de voorwaarden benoemd voor het uitbreiden van bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning. In de gemeente Peel en Maas mogen woningen inclusief bijbehorende bouwwerken een inhoudsmaat hebben van maximaal 1.000 m3. Met toepassing van de beleidsregel kan dit verhoogd worden naar maximaal 1.600 m3. Voorwaarde is dat het aantal woningen niet mag
Vastgesteld
16
toenemen, dit is niet het geval. Verder dient er op basis van het Kwaliteitskader een kwaliteitsbijdrage
gedaan worden van 10% van het bouwvlak en een aanvullende kwaliteitsbijdrage van € 15,- per m3 uitbreiding. In voorgaande paragraat is hierop reeds ingegaan. De realisatie van een bijgebouw bij de bedrijfswoning is daarmee in overeenstemming
met de Beleidsregel kruimelgevallen.
Bestemmingsplan Buitengebied Peel en maas Zoals hierboven reeds omschreven valt de locatie onder de werkingssfeer van het bestemmingsplan
Buitengebied Peel en Maas. In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming “Agrarisch-Grondgebonden’ te wijzigen naar “Bedrijf-Agrarisch verwant”. Hieraan zijn een aantal voorwaarden gekoppeld. Eén van de voorwaarden is dat de locatie gelegen dient te zijn ter plaatse van de aanduidingen “ontwikkelingszone bebouwingslinten” of “kernrandzone”. Daar is in dit geval geen sprake van. In het VAB beleid van de gemeente is echter opgenomen dat een wijziging van de bestemming “Bedrijf — Agrarisch verwant’ in het hele buitengebied is toegestaan.
Belangrijkste
reden dat geen gebruik gemaakt kan worden van de wijzigingsbevoegdheid is dat deze niet de ruimte geeft om het bouwvlak te vergroten. Met onderhavige procedure kan dat wel.
Vastgesteld
17
4. PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan
is gericht op het wijzigen van de bestemming
‘Agrarisch —
Grondgebonden’ in de bestemming ‘Bedrijf— Agrarisch verwant’ en daarbij het bouwvlak te vergroten (van 3.420 m2 tot 8.000 m2) zodat het bedrijf ruimte heeft om plek te geven aan de groei die het de afgelopen periode heeft doorgemaakt. Door de bouw van een nieuwe bedrijfsruimte en het plaatsen van
extra bunkers in het bouw- c.a. bestemmingsvlak kunnen alle machnies/werktuigen binnen gestald worden en de materialen en grondstoffen in de bunkers opgeslagen worden.
Het bestemmingsvlak en bouwvlak worden daarbij vergroot tot een oppervlak van 8.000 m2. Ter plaatse zal een functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf - hoveniersbedrijf aangebracht worden en een functieaanduiding “specifieke vorm van groen — landschappelijke inpassing breetse peelweg 2a ”. Met
deze
aanduiding
wordt geborgd dat de landschappelijke inpassing ook daadwerkelijk gerealiseerd
wordt.
Tenslotte wordt er een
maatvoeringsaanduiding
bijgebouwen een maximale inhoudsmaat van aanduidingen blijven ongewijzigd.
aangebracht waarmee
1.600 m3 gaat gelden.
voor de bedrijfswoning
en
De overige bestemmingen
en
Afbeelding 7. Schets beoogde situatie, nieuwe bedrijfsgebouw blauw omlijnd, nieuwe bijgebouw geel omlijnd, nieuwe bunkers rood omlijnd. Met de paarse stippellijn s het bestaande bouwvlak weergegeven.
De bestaande bunkers (niet rood omlijnd) en een
deel van de verhardingen worden met dit plan gelegaliseerd.
Vastgesteld
18
Onderhavig
bestemmingsplan
maakt
het naast het gebruik als hoveniersbedrijf mogelijk om
nieuwe
bebouwing op het perceel op te richten. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de beoogde nieuwe gebouwen/bouwwerken. Bedrijfsgebouw: Het nieuwe bedrijfsgebouw zal een afmeting krijgen van 22 x 26 meter. In het gebouw kan het grotere materieel
gestald
worden.
Daarbij
kan
gedacht
worden
aan
een
vrachtwagen,
mobiele
kraan,
minigraver, laadschop etc. Door de groei van het bedrif n de afgelopen jaren is er meer van dît materieel aanwezig. Door de beperkte omvang van de bestaande bebouwing kan dit momenteel niet volledig binnen gestald worden, op lange termijn is dat niet wenselijk.
De goothoogte komt uit op ca. 5 meter,
de bouwhoogte zal uitkomen op ca. 9.30 meter. De goothoogte is benodigd om met groot materiaal (vrachtwagen) in het gebouw te kunnen komen. In de zijgevels zullen daarom een aantal overheaddeuren geplaatst worden. Voornemen
is om het onderste deel van de gevels te voorzien van
metselwerk met daarboven geïsoleerde beplating voorzien van potdekselprofiel. Bunkers:
Binnen het bedrijf zijn op dit moment een aantal stortbunkers aanwezig. Hierin worden onder andere potgrond, straatzand, boomschors, kiezel en dergelijke producten gestort die veel gebruikt worden in de aanleg van tuinen. Deze producten kunnen in volle vrachten aangevoerd worden en vanuit de bedrijfslocatie in de benodigde hoeveelheid meegenomen worden naar de projecten in aanleg. Voornemen is om het aantal bunkers uit te breiden en verder uit elkaar te leggen zodat er makkelijker met vrachtwagens gemanoeuvreerd kan worden. De bunkers bestaan uit betonelementen met een hoogte van 1.5 meter. Deze zullen aan de buitenzijde voorzien worden van beplanting zodat deze in het landschap nauwelijks op zullen vallen. Bijgebouw bij woning: De woning beschikt momenteel niet over een bijgebouw. Voornemen is om tussen het bestaande bedrijfsgebouw en de woning een bijgebouw op te richten. Dit bijgebouw zal deels bestaan uit een overkapping waaronder auto's geparkeerd kunnen worden. Verder zal het gebouw ingericht worden als berging/tuinhuis bij de woning. Het gebouw zal uitgevoerd worden in de vorm van een kapschuur met een
landelijke stil. Het oppervlak
maximaal
van
het gebouw
zal maximaal
150
m2
bedragen
en de inhoud
600 m3.
4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Qua stedenbouwkundige aspecten wordt voor het nieuwe bedrijfsgebouw op het gebied van uitstraling en materiaalkeuze aangesloten bij het bestaande bedrijfsgebouw. Daardoor oogt het straks als één geheel. Door de situering van de nieuwe loods op ruime afstand van de openbare weg is het passend in de omgeving. Door het geheeld landschappelijk in te passen het geheel een verzorgd karakter. Voor een hoveniersbedrijf is de uitstraling van het geheel ook het visitekaartje van het bedrij.
4.3 Landschappelijke inpassing In paragraaf 3.3 is reeds gemotiveerd dat de vereiste landschappelijke inpassing 2.300 m2 bedraagt. Voor de wijziging van de bestemming en de vergroting van het bouwvlak is Basiskwaliteit Plus van toepassing. Dit komt overeen met 10% van het oppervlak van het bouwvlak en daarmee 10% van 8.000 m2.
Vastgesteld
19
De aanvullende kwaliteitsbijdrage bij uitbreiding van solitaire bedrijfswoningen boven 1.000 m3 gaat om een fysieke maatregel met een waarde van € 15,- per m? extra uitbreiding. Uitgaande van een bijgebouw met een inhoud van 600 m3 (150 m?2 x gemiddelde hoogte 4 meter) dient de tegenprestatie € 9.000,- te bedragen. Voor groenaanplant wordt gerekend met een normbedrag van € 6,- per m?. Dat betekent dus dat voor invulling van de Aanvullende Kwaliteitsbijdrage circa 1.500 m? groen aangeplant dient te worden.
De totaal vereiste inpassing komt dan uit op 800 + 1500 = 2.300 m2?. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt. Middels bovenstaande invulling wordt er voldaan aan het gemeentelijke kwaliteitskader. Zie voor een verdere toelichting op het landschappelijk inpassingsplan paragraaf 4.3. In afbeelding 7 zijn de inpassingsmaatregelen schetsmatig weergegeven. Voor een verdere toelichting
‚en motivering wordt verwezen naar bijlage 1.
Afbeslding 7. Schetsmatige weergave landschappslijke inpassing.
Het inpassingsplan omvat in totaal 8.901 m2 aan inpassingsmaatregelen. Hiermee wordt er voldaan aan de inpassingseis van 2300 m2 op basis van het gemeentelijke kwaliteitskader.
Vastgesteld
20
5. RANDVOORWAARDEN
/ RESULTATEN
ONDERZOEKEN
Met de voorgenomen bestemmingswijziging dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe
veiligheid
en
milieuzonering
voor
het
plangebied
wordt
in
de
navolgende
paragrafen
beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1
Milieu
5.1.1 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen
van een
noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen
milieubelastende en
milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een ljst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied.
Milieucategorie
Richtafstand rustige woonwijk
2
30
10
31
50
30
32
100
50
41
200
100
42
300
200
51
500
300
52
700
500
1
53 6
Richtafstand gemengd gebied
10
0
1000 1500
700 1000
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het
achterliggende
idee
is
dat
de
gevoeligheid
van
een
gebied
mede
afhankelijk
is
van
het
omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van
het type gebied
kan
een
correctie worden
toegepast
op de afstanden
die zijn genoemd
in de
standaardljst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied.
Vastgesteld
21
Tabel 1 Milieuzonering t.0.v. omliggende functies
Locatie
Functie
Breetse
‘Sportpark
Peelweg 1
Breetse
Agrarisch
Peelweg 4
Grondgebonden
SBI2008
Geur | Stof | Geluid | Gevaar | Werkelijke afstand
0
0
30
0
70
011,
0
0
10
0
20
016
| 012, 013
In tabel 1 zijn voor de omliggende bedrijfsfuncties de richtafstanden afgezet tegen de werkelijke afstand. Bij het bepalen
van
de werkelijke
afstand
is uitgegaan
van
de
kortste
afstand
gemeten
tussen
de
bouwvlakgrens van het nieuwe bouwvlak van de locatie Breetse Peelweg 2a en de grens van het bouwvlak van omliggende functies. Uit bovenstaande tabel blijkt dat ten aanzien van omliggende functies
overal
voldaan
kan
worden
aan
alle richtafstanden.
Op basis van de VNG brochure dienen er bij een agrarisch verwant bedrijf eveneens richtafstanden aangehouden worden. De bedrijfsvoering bij een hoveniersbedrijf met een omvang van meer dan 500 m2 wordt ondergebracht in categorie 31 (SBI-2008 016). Hierbij gelden de volgende richtafstanden in een gemengd gebied:
Geur:
Stof:
Geluid: Gevaar:
10 meter
0 meter
30 meter O meter
De woning aan de Breetse Peelweg 2 ligt op een afstand van 30 meter (bestemmingsvlakbestemmingsvlak). Hier wordt voldaan aan de richtafstand. Voor de woning Breetse Peelweg 3 geldt dat de bestemmingsvlakken op een afstand van 12 meter van elkaar liggen. Daarmee wordt er niet voldaan aan de richtafstand voor geluid. Aan alle overige richtafstanden wordt wel voldaan. Vanwege het niet voldoen aan de richtafstand is niet zeker dat er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. Daarom is er voor het aspect geluid een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te kunnen bepalen of er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. In paragraaf 5.1.2 wordt hierop nader ingegaan. Conclusie uit het akoestisch onderzoek is dat er voor wat betreft geluid sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. Daarmee kan zowel de conclusie getrokken worden dat er sprake is en blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet in hun mogelijkheden beperkt worden. Het onderdeel milieuzonering vormt daarmee geen beperking voor onderhavig plan. 5.1.2 Geluid
Het wettelijk kader bij ruimtelijke procedures is de Wet geluidhinder. Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet biedt geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, bescherming tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart, op basis van zonering. Onderhayig initiatief behelst het omvormen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een agrarisch verwant bedrijf. Daarbij wordt in de beoogde situatie één nieuw bedrijfsgebouw opgericht, een nieuw bijgebouw bij de woning opgericht en worden er opslagbunkers
geplaatst.
Bedrijfsgebouwen
en
bijgebouwen
betreffen geen geluidgevoelige objecten. Een toetsing aan de Wh
Vastgesteld
bij
de
woning
en
opslagbunkers
is dan ook niet benodigd.
22
Door het wijzigen van de onderliggende bestemming wijzigt dit niet.
Geluid van het eigen bedrijf Geluidemissie vanuit bedrijven wordt veroorzaakt door transportbewegingen, door activiteiten op het buitenterrein en door activiteiten binnen de bedrijfsgebouwen. Zoals in paragraaf 5.1.1. is aangegeven wordt niet voldaan aan de richtafstand voor geluid. Daarom heeft er een akoestisch onderzoek plaatsgevonden
om zodoende te bepalen of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en
leefklimaat.
Uit het onderzoek (bijlage 2) blijkt dat in het kader van de Wet ruimtelijke ordening de beoogde wijziging
vanuit akoestisch oogpunt mogelijk is. Een acceptabel woon- en leefklimaat is voor de toekomst gewaarborgd. In het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt aan alle geldende geluidseisen voldaan in de beoogde bedrijfssituatie. Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.1.3 Luchtkwaliteit
De
regels
inzake
luchtkwaliteit
kennen
het onderscheid
tussen
'kleine'
en
grote'
projecten.
Kleine
projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'In betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt,
staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Op
hoofdlijnen
komt
het erop
neer dat 'grote'
projecten
- die jaarlijks
meer
dan
3 procent van
de
grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
De Regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen' bevat regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid,
onder c van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). De beoogde ontwikkeling leidt mogelijk tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Op basis van de huidige bestemming kan op locatie een grondgebonden agrarisch bedrijf geëxploiteerd worden. Deze bestemming wordt gewijzigd zodat er een agrarisch verwant bedrijf (hoveniersbedrijf) geëxploiteerd kan worden. Het aantal verkeersbewegingen zal op basis van de voorziene bedrijfsvoering circa 60 per etmaal bedragen. Als worstcase is uitgegaan van het totaal aantal bewegingen en niet van de toename van het aantal bewegingen. Via de NIBM-rekentool is een berekening gemaakt waaruit blijkt dat bij een toename van 60 verkeersbewegingen per dag (waarvan 33% zwaar verkeer) nog altijd sprake is van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Vastgesteld
23
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie]
[Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
Maximale bijdrage extra verkeer
Aandeel vrachtverkeer|
NO: in 9/m
__
PM:o in ug/m? |Grens voor "Niet In Betekenende Mate” in ug/m*
33,0%|
0,25] 0,02 1.2|
Conclusie
Afbeelding 8. Uitdraai NIBM tool
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per kmvak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de gemiddelde concentratie fijn stof (PM2s) ter plaatse 8,77. ug/m®, de concentratie fijn stof (PMo) 15,43 ug/ms en de concentratie stikstofdioxide (NO:) 12,34 ug/m. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 25 ug/m®, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PMo 40 jg/m? bedraagt. Voor NO» bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 g/me. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie
Het aspect Iuchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.1.4 Bodem en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt is voor de beoogde planologische regeling en het daarin toegestane gebruik. In het kader van de bestemmingswijziging dient te worden beoordeeld of de bodemkwaliteit uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aan zekere kwaliteitsnormen voldoet. De bodem moet namelijk geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik. Derhalve is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. Uit dit historisch bodemonderzoek blijken geen beperkingen voor het beoogde gebruik. Conclusie
Het aspect bodem en grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Vastgesteld
24
5.1.5 Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te
worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het kader van de bestemmingswijziging om zodoende de bouw van de nieuwe bebouwing mogelijk
te maken moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Beví-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes). Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Volgens de risicokaart (htips:/www-risicokaart.nl) liggen er binnen 500 meter van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Wel bevinden zich in de omgeving een drietal buisleidingen.
s
e
se
vemp
Afbeelding 9. Uitsnede Risicokaart (blauwe marker is plangebied)
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied is gelegen aan de Breetse Peelweg. Over deze weg, alsmede over de omringende wegen binnen 500 meter van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats dat invloed heeft op het plaatsgebonden of het groepsrisico. De Provinciale weg (N275) is gelegen op een afstand van net iets meer dan 900 meter. Deze afstand is dusdanig dat deze geen invloed heeft op het plaatsgebonden of het groepsrisico. Risicovol transport per spoor In de wijde omgeving rond het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van een spoorlijn.
Vastgesteld
25
Risicovol transport over het water
Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over het water die in het kader van externe veiligheid beoordeeld moet worden. Risicovolle buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB sluit aan bij de risiconormering uit het Bevi. Dat betekent dat ook bij leidingen sprake is van een afstand voor
het plaatsgebonden risico en een afstand voor het invloedsgebied van het groepsrisico. Op een afstand van circa 190 meter zijn drie buisleidingen gelegen. Tabel 2 1% letaliteitsgrens buisleidingen A-665, A-578 en A-520
1% letaliteitscontour
Afstand
A-665
Naam
leiding
| Diameter 1219mm
| 16 mm
79,90
bar
580
190
A-578
1067
| 14 mm
66,20
bar
490
190
A-520
610mm
66,20 bar
310
190
Voor het bepalen
mm
van de
| Wanddikte
|7mm
1%
| Max. werkdruk
letaliteitscontour is gebruik gemaakt van tabel 5.1
buisleiding in bestemmingsplannen' van oktober 2016.
uit het ‘Handboek
Uit tabel 2 kan geconcludeerd worden dat voor
alle 3 de leidingen gesteld kan worden dat het nieuw beoogde bouwvlak binnen de 1% letaliteitscontour valt. Derhalve dient voor deze leidingen ook gekeken te worden naar de 100% letaliteitsgrens. Tabel 3 100% Ietaliteitsgrens buisleiding A-855, A-578 en A-520
Naam leiding
| Diameter
A-665 A-578 A-520
| Wanddikte
1219 mm | 16 mm 1067 mm | 14 mm 610mm |7mm
| Max. werkdruk
| 100% letaliteitscontour | Afstand
79,90 bar 66,20 bar 66,20 bar
220 190 140
190 190 190
Voor het bepalen van de 100% letaliteitscontour is gebruik gemaakt van tabel 5.2 uit het ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen' van oktober 2016. Uit bovenstaande tabel blijkt dat het nieuw beoogde bouwvlak buiten de 100% letaliteitsgrens valt van buisleidingen A-520 en A-578 en binnen de
100% letaliteitsgrens van A-665. Normaliter dient, indien een plangebied is gelegen
binnen de invloedsgebieden van de buisleidingen,
invulling gegeven te worden aan de verantwoording van het groepsrisico. In dit specifieke geval kan hiervan worden afgeweken omdat de omvang van het groepsrisico niet veranderd. Ter plaatse is reeds een bedrijf gevestigd waarin mensen werkzaam zijn. Of dat een grondgebonden agrarisch bedrij is, of een agrarisch verwant bedrijf maakt hierin geen verschil. Door de wijziging van de bestemming blijft het groepsrisico lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er veranderd dan ook niets aan de externe veiligheidssituatie.
Ten aanzien van de bestrijdbaarheid mag verondersteld worden dat de buisleidingen goed onderhouden zijn en in de huidige situatie voldoende
gronddekking
hebben.
In dat geval zullen calamiteiten alleen
kunnen optreden als in de directe omgeving van de leiding grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd. De bewoners binnen de 100% letaliteitscontour moeten daarover ten allen tijde geïnformeerd
worden
zodat zij de mogelijke scenario's
kennen
en daarnaar
kunnen
handelen.
Het
plangebied is voor nood- en hulpdiensten vanaf twee zijden te bereiken via de Breetse Peelweg en de Westeringse Kemp. Primair aandachtspunt is het verlenen van hulp aan eventuele slachtoffers. De wegen
en het erf in het plangebied
zijn ruim genoeg
voor hulpverlenende voertuigen
om
te kunnen
keren. Op het erf van initiatiefnemer is tevens een blusvoorziening aanwezig.
Vastgesteld
26
De zelfredzaamheid van aanwezigen binnen het plangebied wordt als goed beoordeeld. Omdatde kans op een calamiteit het grootst is gedurende de dagperiode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd aan of nabij de buisleidingen, zullen aanwezigen naar verwachting voldoende alert zijn om direct te kunnen
handelen.
Door de ruime afstand tussen de afzonderlijke bedrijfsgebouwen
is de kans op het
overslaan van brand, in geval van een calamiteit, zeer beperkt. Vanwege de relatief 'open ligging in het buitengebied zijn voldoende vluchtmogelijkheden voorhanden. Voor personen buiten is het handelingsperspectief vluchten uit zicht van de brand en wordt aanbevolen dekking te zoeken achter
objecten zoals muren. Het voornoemd scenario wordt veelal veroorzaakt door grondroerders. Door de bewoners van tevoren te informeren over de werkzaamheden wordt de zelfredzaamheid verhoogd. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan voor de beoogde gebouwen zijn de volgende punten voor initatiefnemer van belang: 1.
2.
3.
Leg
specifiek
het
incidentscenario
‘Incident
met
hogedrukaardgasleiding”
vast
in
het
bedrijfsnoodplan en beosfen deze met de BHV-organisatie en de bewoners c.q. gebruikers; Erdient een verzamelplaats aanwezig te zijn waar de bewoners en gebruikers bijeenkomen ten tijde van een incident. Deze plaats dient opgenomen te worden in het ontruimingsplan welke deel uitmaakt van het bedrijfsnoodplan; Bij het uitwerken van de bouwtekeningen, behorende bij de omgevingsvergunningaanvraag, dient rekening gehouden te worden met de positie van de vluchtwegen. Het uitgangspunt dient te zijn dat de gebruikers van het bouwwerk zoveel mogelijk van de risicobron af kunnen vluchten. Dit geldt voor zowel binnen als buiten het bouwwerk. Bovendien moet het vluchten in overeenstemming zijn met de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012.
Aan
deze voorwaarden
kan initiatiefnemer zich conformeren.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van dît bestemmingsplan.
5.1.6 Geur
Rondom
veehouderijen speelt geur een belangrijke rol in de milieuwetgeving
met betrekking tot deze
veehouderijen. Om dit aspect te kunnen reguleren bestaat de Wet geurhinder en veehouderij (verder: Wvg). De Wgv dient in het belang van de bescherming van het milieu. De wet biedt binnen gestelde voorwaarden
bescherming
tegen
geurhinder.
De
Wgv
en
de bijbehorende
Regeling
geurhinder
en
veehouderij (verder: Rgv) vormen samen het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. Het aspect geur valt uiteen in twee onderdelen: de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting.
Eigen bedrijvigheid Binnen de inrichting worden
geen
dieren gehouden.
Een berekening van de geurbelasting vanuit het
eigen bedrijf op omliggende geurgevoelige objecten is dan ook niet aan de orde. Geur vanuit andere bedrijven
Binnen de inrichting is een bedrijfswoning aanwezig en bedrijfsbebouwing. Met het plan wordt het mogelijk gemaakt dat er nieuwe bebouwing wordt opgericht. Gezien de beperkte verblijfstijd is deze in beginsel niet geurgevoelig. Omdat niet s uitgesloten dat er zich op enig moment gedurende langere tijd mensen bevinden vindt er toch een nadere beschouwing plaats.
Vastgesteld
27
Voorgrondbelasting
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen. Binnen een
afstand van tenminste 300 meter rond het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen. Wat dat betreft vormt het aspect voorgrondbelasting geen beperking voor onderhavig initiatief. Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting
verstaan
we
veehouderijen
van
geurgevoelig
in
de
omgeving
een
de
geurbelasting object.
als
gevolg
In
afbeelding
van 8
de
veelheid
is
een
aan
uitsnede
weergegeven uit kaart ‘Achtergrondbelasting geur scenario 1 juli 2021' uit de ‘Herijking & Monitoring beleid IV'. Uit deze kaart blijkt dat het leefklimaat ter plaatse van het plangebied ten aanzien van geurhinder beoordeeld wordt aanvaardbare ontwikkeling.
als goed.
Derhalve
kan
gesteld
worden
dat
er sprake
is van
een
GEUR ouE/m3
0.0-30
zeer goed
Ea30-74
T174-13.1 13.1-20.0 [120.0-28.3 [128.3-38.5 IC138.5-50.7 E 50.7+
goed
_
redelijk goed matig tamelijk slecht slecht zeer slecht extreem slecht
Afbeelding 9. Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur scenario 1 juli 2021 uit de 'Herijking & Monitoring beleid IV'. (plangebiedis rood omijnd)