2024-042 04 Toelichting
Tekst van het document
Toelichting
bestemmingsplan
Eelserstraat 25 te Beringe IMRO:
NL.IMRO.1894.BPL0316-VG01
arvalis
Kadastrale gegevens
Gemeente
: Helden
Sectie
Nummer(s)
: 266
Opgesteld door
:
ä
Referentie
arvalis : 2023/708330
Datum
: 6 februari
2024
arvalis
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
Beschrijving
SE
situatie
1.1.
Aanleiding en doel …
1.2.
Ligging en begrenzing….
1.3.
Vigerende bestemmingsplannen…
1.4.
Leeswijzer.
Planbeschrijving 2.1.
Huidige
2.2.
Beoogde situatie …
situatie
Beleidskader.
3.1.
Inleiding.
3.2.
Riijksbeleid.
3.2.1.
Nationale omgevingsvisie…
3.2.2.
Besluit algemene
regels ruimtelijke ordening …
3.2.3.
Ladder duurzame
verstedelijking.
3.3.
Provinciaal
beleid
3.3.1.
Provinciale Omgevingsvisie.
3.3.2.
Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk
3.3.3.
Omgevingsverordening
3.4. 3.5.
ruimte” …
Limburg
Regionaal beleid…
3.4.1.
4.
bestaande
Regionale Woonvisie
Noord-Limburg
2020-2024
17
Gemeentelijk beleid ….
3.5.1.
Omgevingsvisie.
3.5.2.
Kaderstelling
3.5.3.
Structuurvisie Buitengebied
3.5.4.
Beleidsregel woningbouwverzoeken
3.5.5.
Bestemmingsplan
Ruimte en Economie
Peel en Maas en kwaliteitskader Peel en Maas
2018
toetsing
Omgevingsaspecten 41.
Bodem.…
4.2.
Bedrijven en milieuzonering.
4.3.
Geur..
4.4.
Luchtkwaliteit
4.5.
Geluid.….
4.6.
Externe veiligheid…
4.7.
Cultuurhistorie en Archeologie
…
4.7.1.
Cultuurhistorie
4.7.2.
Archeologie …
4.8.
Flora
4.8.1.
en
.24
.29
Fauna…
Gebiedsbescherming
arvalis
4.8.2. 4.9.
Soortenbescherming
Landschappelijke
4.10.
4.10.1.
Europees
4.10.2.
Provinciaal waterplan
4.10.3.
_ Watertoets
4.10.4.
_
4.10.5.
4411. 5.
beleid Limburg
.
…
Hemelwaterinfiltratie
….
Afvalwater…
Mobiliteit en parkeren .
Uitvoerbaarheid en procedure … 5.1.
Economische
5.2.
Maatschappelijke
5.2.1. 5.3.
6.
inpassing
Water….
haalbaarheid…
uitvoerbaarheid.
Omgevingsdialoog
Vooroverleg
en inzage
Juridische planopzet … 6.1.
Inleiding…
6.2.
Toelichting op de verbeelding
6.3.
Toelichting op de regels .
.
Bijlage(n)
onpUN:H
Landschappelijke inpassing Verkennend
bodemonderzoek
(asbest)
Overzicht rekenpunten voorgrond Situatie gewenst Aerius
Verslag omgevingsdialoog
arvalis
1. Beschrijving 1.1.
bestaande
Aanleiding
Het voorliggend
situatie
en doel
bestemmingsplan
is opgesteld
omdat de initiatiefnemers voornemens
zijn om de locatie te wijzigen van “Agrarisch-Grondgebonden” naar “Wonen” en deels van “Agrarisch” naar “Wonen”, waarbij de overige grond wordt omgezet van “AgrarischGrondgebonden” naar “Agrarisch” zonder bouwvlak.
Initiatiefnemers zijn voornemens de bestemming
in overeenstemming te brengen met
het door hun gewenste gebruik. Dit betreft wonen en het hobbymatig houden van paarden. Op 17 april 2023 is het principeverzoek besproken met medewerkers van de
gemeente Peel en Maas. Naar aanleiding van dit gesprek hebben er een aantal aanpassingen op het oorspronkelijke plan plaatsgevonden, waarna de gemeente enkele aanvullende vragen gesteld zijn. Deze zijn meegenomen bestemmingsplanwijziging.
1.2.
Ligging en begrenzing
Het plangebied aan Eelserstraat 25 te Beringe in het buitengebied
en Maas. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente
van de gemeente
1.
Uitsnede kadastralekaart.com
Peel
Helden, sectie N, nummer
266.
Afbeelding
nog
in de voorliggende
met gemarkeerd het betreffende perceel
1.3.
Vigerende
bestemmingsplannen
In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen paragraaf 3.5.
besluit.
Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen
EM ‘
in
1e reparatieherziening
vestemmingsplan buitengebied Peelen
Maas
gemeente
Pel
n
®
Maa:
bestemmingsplan
deel @
e n werking (vastgestel
1003996572017 Enkelbestemming
Dubbelbestemming
DS
Souwak Functieaanduiding
Gebiedsaanduiding
Gebiedsaanduiding
(
overige
zone - ontwikingszon
Gebiedsaanduiding
\ Afbeelding 2. en
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
L
g
Gebidsaandidng
wetgevingzone - wiigingsgebied 1
1e reparatieherziening bestemmingsplan
buitengebied Peel
Maas
arvalis
Buitengebied Peel en Maas
EE oo
n Mass
@ DD
EE EB
0ea972, 3720577 Enkelbestemming
Agrerisen
Dubbelbestemming
waarde
Arheologie-
a
Gebiedsaanduiding
kernrandzor
Gebiedsaanduiding
Gebiedsaanduiding
EB
Afbeelding 3.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Gebiedsaanduiding
wro
zone - wizigingsgebied
ot
Buitengebied Peel en Maas
Het perceel ligt grotendeels in het bestemmingsplan
‘1e reparatieherziening
bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas’ en heeft daarin de enkelbestemming ‘Agrarisch - Grondgebonden’. Een deel van
het plangebied
ligt in het bestemmingsplan
‘Buitengebied Peel en Maas’ en
heeft daarin de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Zie voor de toetsing paragraaf 3.5.5.
arvalis
1.4.
Leeswijzer
Het onderhavige bestemmingsplan planvoornemen,
in de vorm
voorziet in de benodigde motivering van het
van een toelichting. Aan bod komen
de volgende
aspecten:
e
plan- en gebiedsbeschrijving,
e
het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële
e
belemmeringen
e
hoofdstuk 2;
in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten,
ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop
burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het e e
bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk Juridische planopzet, hoofdstuk 6; De bij het plan behorende bijlagen.
5;
arvalis
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de boogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan
beschreven voor de beoogde ontwikkeling.
2.1.
Huidige situatie
Op deze locatie is een woning gelegen, welke met een tussenbouw is verbonden met een voormalig bedrijfsgebouw. Dit geheel is momenteel in gebruik als woonhuis en heeft een inhoud van ca 740 m3, welke ook in de gewenste situatie behouden blijft. Ten zuidwesten van deze woning is een voormalige stal gelegen met een oppervlakte van ca.
200 m2 (8 * 25 m). Ten noordoosten van de woning is een voormalige pluimveestal gelegen met een oppervlakte van ca. 650 m2 (12,25 * 53 m). Dit laatste gebouw was ten tijde van de aankoop van de locatie voorzien van (asbesthoudende) dakplaten. Deze dakplaten hebben initiatiefnemers laten verwijderen. Nadien heeft de tand des tijds vat
gekregen op de resterende onderdelen, waardoor het gebouw verkeert (zie onderstaande luchtfoto).
Afbeelding 4.
in de huidige staat
Luchtfoto huidige situatie plangebied
Het voormalige
bedrijfsgebouw
van ca. 200
m2 heeft een goothoogte
van ca. 2,50
m en
een nokhoogte van ca. 4,80 m, waarmee het gebouw een inhoud heeft van ca. 730 m3. De grote voormalige pluimveestal had een goothoogte van ca 2,40 m en een nokhoogte van 4,50 m, waarmee dit gebouw een inhoud had van ca. 2245 m3.
2.2.
Beoogde situatie
Initiatiefnemers zijn voornemens om de huidige vrijstaande (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen te slopen, zoals onderstaand
aangegeven.
arvalis
Afbeelding 5. Huidig agrarisch bouwblok met de momenteel aanwezige gebouwen
De woning, de tussenbouw en het via deze tussenbouw gekoppelde gebouw,
worden,
net
als nu, gebruikt als woning en blijven behouden. Door gebruik te maken van de sloopbonus regeling uit het vigerende bestemmingsplan buitengebied mag 2/3 van de te
slopen bebouwing worden teruggebouwd met een maximum van 1.500 m3. Met de sloop van 2.975 m3 aan voormalige bedrijfsgebouwen mag 2/3 worden behouden met een maximum
van
1.500
m3.
Er mag met de sloop-bonusregeling maximaal 1.500 m3 aan bijgebouwen behouden blijven. Initiatiefnemers wensen de maximale bouwmogelijkheid in te vullen door één nieuwe loods te bouwen met een afmeting van ca. 12,5 * 28,8 m (350 m2), met een goothoogte van maximaal 3,16 m en een nokhoogte van maximaal 5,42 m, krijgt dit
gebouw een inhoud van ca. 1.500 m3. Daarbij blijft de woning van 740 m3 behouden waardoor
in totaal 2.240 m3 aan
bebouwing
aanwezig
zal zijn.
Het gebouw wordt gebruikt voor de hobbymatige huisvesting van paarden/pony's, met bijbehorende wasplaats, zadelkamer etc. voor de paarden. Deze boxen bieden plaats aan maximaal 3 volwassen paarden en een pony welke allen enkel hobbymatig worden bereden. Er is geen sprake van een bedrijfsmatige uitoefening van een paardenhouderij. Daarnaast wordt in deze ruimte hooi en stro opgeslagen en wordt de/het paardentrailer/vrachtwagentje in deze ruimte gestald, evenals de trekker en werktuigen voor het onderhouden van het eigen land. Tevens bestaat het voornemen om een paardrijbak met een omvang van 20 bij 40 meter te realiseren. Hier wordt een aparte
omgevingsvergunning
voor aangevraagd.
arvalis
Als laatste wordt in deze loods een gedeelte ingericht als werkplaats/hobbyruimte voor de opslag van gereedschappen. Een en ander zoals in onderstaande beoogde gebouw is weergegeven.
Afbeelding
6.
plattegrond van
het
Plattegrond beoogd gebouw
De gewenste situering van het geplande gebouw is op de navolgende uitsnede van de Iuchtfoto aangegeven. Het geplande gebouw is hierbij te bereiken via de oorspronkelijke inrit van
het voormalige
pluimveebedrijf, zie ook de navolgende
uitsnede.
arvalis
Afbeelding 7. Satel
H
£ 5 H ®
S _= ®
R
Afbeelding 8.
Gewenste
omvang
bestemming
“Wonen”
met gewenste
bebouwing
De locatie wordt omgezet van “Agrarisch-Grondgebonden”
naar
en functies
“Wonen”
en deels van
“Agrarisch” naar “Wonen”. De overige grond wordt omgezet van “AgrarischGrondgebonden” naar “Agrarisch” zonder bouwvlak.
arvalis
3. Beleidskader
3.1.
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte
weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.
3.2.
Rijksbeleid 3.2.1.Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVT) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die
voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in
beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven.
Die komen
samen in
vier prioriteiten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving Het
streven
Soms
vanuit
de
zijn er scherpe
NOVI
in Nederland
is combinaties
keuzes nodig
te
is zo groot, dat belangen soms botsen.
maken
en moeten
en
win-win
situaties
te
creëren.
belangen
worden
afgewogen.
Hiertoe
gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: e
Combinaties van functies gaan
voor enkelvoudige functies:
In het verleden
is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; «
Kenmerken
en identiteit van een
gebied staan
centraal:
wat de optimale
balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en e
belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving
zoveel
mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
De voorgenomen
ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het
landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI.
3.2.2.Besluit algemene
regels ruimtelijke ordening
Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011'. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op
30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen.
arvalis
In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur,
de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische
Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) begrenzing en bescherming verordening.
van
de EHS
dient vast te leggen
en
in een provinciale
In Limburg is de EHS vastgelegd in de Goudgroene natuurzone en in de provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) aangeduid als Natuurnetwerk Limburg. In paragraaf 2.6 van de omgevingsverordening Limburg wordt de begrenzing van de Goudgroene
natuurzone bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van
het Barro en de daarin verwoorde ‘Spelregels EHS'.
Onderhavige locatie is niet gelegen in één van de gebieden waar het Barro betrekking op heeft. Het Barro vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
3.2.3.Ladder duurzame
verstedelijking
Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan
dat
een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk
maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden
niet binnen het
uitgevoerd wanneer er sprake is van een
nieuwe stedelijke
ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:
‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale
omvang
vastgelegd.
een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang in relatie tot de omgeving.
Of er sprake is van
van de ontwikkeling
Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van
een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. In het voorliggende
initiatief is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Het initiatief
heeft immers betrekking op de functiewijziging van een voormalig agrarisch bedrijf naar een woonfunctie. Planologisch is er geen toevoeging in aantal woningen. De functiewijziging
is zo beperkt van aard en omvang
dat ook om die reden er geen
sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd er geen sprake is van een nieuwe hoeft te worden uitgevoerd.
stedelijke ontwikkeling,
kan dan ook worden dat
waardoor er geen
laddertoets
arvalis
3.3.
Provinciaal
beleid
3.3.1.Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale
Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050
geschetst. In de provinciale omgevingsvisie onderscheiden, namelijk:
Limburg
zijn een
aantal hoofdopgaven
te
Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; In stedelijk c.q. bebouwd gebied;.
In landelijk gebied;. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame Klimaatadaptieve en energietransitie;
economie;
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: =
Een thematisch
=
ambities en opgaven voor de diverse thema's; Een gebiedsgericht deel waarin de thema's op hoofdlijnen verbonden worden op
deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan
regionale schaal voor de drie regio’s Noord-,
Midden
op de provinciale
en Zuid-Limburg.
De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema's in deze Omgevingsvisie, zullen
verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende
zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld *
Groenblauwe
= =
Natuurnetwerk Buitengebied
Wonen
in 3 categorieën:
mantel
Limburg
(incl. Natura2000 gebieden)
en leefomgeving
De POVI houdt vast aan een dynamisch
en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de
Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de
provincie op dit terrein beperkt. Daarom
opereert de provincie, met betrekking tot dit
thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader, Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak
vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen programma's,
agenda's
en instrumenten
in provinciale, regionale en/of gemeentelijke noodzakelijk.
Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken
naar welke behoeften er zijn. De
grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze
arvalis
woningen
in eerste instantie levensloopbestendig
dienen te worden
gemaakt,
en daarna
ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diversere wordende groep mensen aangewezen op
nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd
gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen - tijdelijke - uitzonderingen worden gemaakt de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning
in
zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op
die manier kloven in de samenleving.
Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische
eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan
dragen daarmee
bij aan de omgevingskwaliteit.
Door middel van onderhavige initiatief wordt het voormalige agrarische bedrijf gesaneerd wat in het algemeen bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de
woonwensen van initiatiefnemers ingewilligd. De bestemmingswijziging voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI.
3.3.2.Provinciale omgevingsverordening
“hoofdstuk
ruimte”
Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de
Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening.
De ruimteverordening
richt zich tot de gemeentebesturen.
De instructies die in dit
hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van
omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid. Het plangebied is niet gelegen in een van de kwetsbare gebieden die middels de verordening worden beschermd. Het initiatief wordt dan ook niet belemmerd door
regelgeving zoals vastgelegd in de verordening. In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad
woningen anders dan op de wijze zoals beschreven
in de Regionale Structuurvisie Wonen
Noord-Limburg. De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Onderhavig initiatief voorziet niet in het toevoegen van een woning maar het omzetten van een bedrijfswoning naar
burgerwoning. Derhalve voldoet het initiatief aan de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Ook voldoet het initiatief aan het beleid van de gemeente Peel en Maas.
3.3.3.Omgevingsverordening
Limburg
De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld op 17 december 2021. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de
kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.
De inhoud van de
Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening. De inwerkingtreding Omgevingswet.
3.4.
een
van dit beleidsstuk is gelijktijdig met de intrede van de
Regionaal
beleid
3.4.1.Regionale Woonvisie
Noord-Limburg
2020-2024
De gemeente Peel en Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas
en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt.
In 2016
resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 2024' vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft
de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024' de status van een intergemeentelijke woonvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend
karakter.
Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van woningen, maar in een functiewijziging van een reeds bestaande voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning.
Volgens de Regionale Woonvisie
is aansluiting op de vraag van de
consument noodzakelijk (de marktvraag). Onderhavige ontwikkeling voorziet in de ‘eigen’ behoefte van de initiatiefnemers c.q. de huidige bewoners. Het initiatief is daarom niet in strijd met de Regionale Woonvisie.
3.5.
Gemeentelijk beleid 3.5.1.Omgevingsvisie
De gemeente Peel en Maas heeft op 5 juli 2022 de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft een visie over de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen voor de gehele gemeente.
De visie gaat over de woon-
en leefomgeving
en
de mensen die daarin samenleven, werken, ondernemen en verblijven. De omgevingsvisie blijft een dynamisch document. Op dit moment is de eerste versie van de omgevingsvisie opgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. De komende jaren werkt de gemeente verder waar dat nodig is en evalueert of aanpassing nodig of
wenselijk is. De gehele gemeente is opgedeeld in deelgebieden met ieder hun eigen waarden kenmerken. Aanvullend aan deze waarden hanteert de gemeente een aantal
en
overkoepelende waarden die niet gebiedsafhankelijk zijn. Dit zijn de waarden die de basis vormen; zelfsturing, diversiteit en duurzaamheid. Conform de waardenkaart is onderhavig plangebied gelegen in ‘oude verdichte bouwlanden’. Binnen de oude bouwlanden liggen de oude woongebieden met hierin de dorpen en bebouwingslinten. De oude bouwlanden worden nu gebruikt voor tal van functies. Doordat de dorpsbebouwing en de landbouw concurreerden om dezelfde
gronden
is de landbouw geïntensiveerd met onder andere glastuinbouw.
landbouwvelden hebben onregelmatig patroon.
een onregelmatige
verkaveling en de wegen
Het versterken van de waarden kan gezocht worden
De
hebben
een
in onder andere:
arvalis
= = = =
het versterken van de (cultuur)historische elementen en identiteit; het werken aan architectonische en stedenbouwkundige samenhang in de verdichte gebieden; het zorgen voor contrast tussen verdichte en open stukken; Behoud en maken van doorzichten vanuit linten naar akkercomplexen;
n de Omgevingsvisie wordt geen nieuwe
koers vastgelegd.
De reeds ingezette koers uit
de kaderstellingen en de beleidsdocumenten wordt samen in één document gevoegd. Dit alles is samengebracht in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn: 1.
Zo worden
we duurzamer;
Het realiseren van een duurzame toekomstig bestendige gemeente, duurzaamheid wordt opgesplitst in de deelonderwerpen: klimaatadaptie, energietransitie en circulariteit. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling en bij nieuwe initiatieven dient
gekeken te worden naar de mogelijke adaptieve maatregelen op het gebied van onder andere hittestress of wateroverlast. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden
voor het (lokaal) opwekken
van
duurzame
energie en het inzetten op
circulariteit.
2.
Een gezonde
en veilige leefomgeving;
De gemeente zet in op gezondheid en veiligheid als belangrijke afwegingsfactoren
bij
ruimtelijke plannen. Het gaat hierbij om aspecten zoals luchtkwaliteit, hittestress, gezondheid maar ook het stimuleren van de bewoners tot meer bewegen en ontmoeten.
3.
Het versterken
van
natuur en
biodiversiteit;
Een groene en gezonde leefomgeving draagt bij aan een positieve gezondheid en het goede leven. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen gerealiseerd te worden met een meerwaarde norm
4.
voor de natuur en de biodiversiteit, waarbij
natuurinclusief bouwen
de
is.
Goed
wonen
voor iedereen;
De gemeente zet in op het in balans brengen van de vraag en het aanbod van woningen ten behoeve van vitale gemeenschappen. De juiste woning op de juiste plek en met de juiste kwaliteit. De gemeente blijft in gesprek met het dorpsoverleg, initiatiefnemers
en
ontwikkelaars
over
het thema
wonen.
Het
doel
is een
leefomgeving te creëren die rekening houdt met het veranderde klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit en veiligheid van de inwoners. Woningen worden in principe toegevoegd in de kernen, bij voorkeur op herstructureringslocaties, alsmede het faciliteren van passende
woonruimte
voor
diverse doelgroepen. 5.
Toekomstgericht ondernemen;
Uitgangspunt is ondersteunen in de transitie naar een circulaire, waarden gedreven economie en kenniscirculatie. en draagt bij het goede leven
Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart in Peel en Maas. Gemeente faciliteert lokale bedrijven,
die geworteld zijn in de samenleving,
met bijzondere aandacht voor de agrarische
sector, het MKB en recreatie en toerisme. Daarnaast wordt ingezet op herstructurering boven uitbreiding en het hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor recreatie/toerisme en bedrijvigheid. 6.
Balans in het buitengebied.
Een van de belangrijkste economische dragers van het buitengebied is de land- en tuinbouw binnen Peel en Maas. De gemeente stimuleert het faciliteren van kringloop- en natuurinclusieve landbouw dat leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit.
Het
arvalis
doorontwikkelingen van grootschalige agrarische bedrijvigheid is toegestaan in gebieden waar dit passend in op basis van een gebiedsgerichte aanpak, uitbreiding gaat gepaard met een tegenprestatie. Ook wordt gestimuleerd op hergebruik c.q. herbestemming van leegstaand/leegkomend agrarisch vastgoed onder voorwaarde dat er sprake is van
kwaliteitswinst in de vorm van een
bijdrage aan de doelen/speerpunten. Via de win-win
regeling zijn er ook beperkte mogelijkheden voor de inzet van woningbouw om leegstand tegen te gaan. Bij hergebruik c.q. herbestemming is de sloop van overtollige gebouwen een belangrijk uitgangspunt. De opgaven dienen in samenhang van elkaar gezien te worden, waarbij met name de eerste drie overkoepelende opgaven als leidende principes gelden. Bij elke ontwikkeling dient bekeken te worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaves geleverd kan worden.
Het voorliggende planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van een nieuwe woning, maar in het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Met het planvoornemen wordt ingespeeld in een bestaande behoefte om te blijven wonen in de bestaande woning. Hiermee wordt een woonmogelijkheden geboden waar vraag naar is,
overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt bijgedragen aan een nieuwe balans in het buitengebied.
De ontwikkeling sluit dan ook aan bij de opgaven zoals vastgesteld in de Omgevingsvisie Peel
en
Maas.
3.5.2.Kaderstelling
Ruimte en Economie
In 2017 is de kaderstelling ruimte en economie vastgesteld door de gemeenteraad van Peel en Maas. De belangrijkste aspecten hebben geleid tot een door de gemeenteraad vastgesteld ontwikkelplan; de aspecten betreffen:
=
het perspectief van het goede leven;
=
de waardenoriëntaties/spanningsbogen;
«
de uitgangspunten van het nieuwe besturen.
Geconstateerd is dat demografische veranderingen oorzaak zijn van de veranderende samenstelling van de bevolking en daarmee de behoefte aan een veranderende
samenstelling van de woningvoorraad.
Dit heeft rechtstreeks gevolgen voor de vitaliteit
en
vitaliteit en
de
leefbaarheid
behouden duurzaam
van
de
kernen.
Om
de
leefbaarheid
in de
kernen
te
is het zaak om samen met de samenleving het woningbestand toekomstgericht in balans te brengen. De gemeente staat voor een duurzaam woningbestand
waarin ze op een voorwaardenscheppende manier kwalitatief zorgt voor een passend woonaanbod voor iedereen om daarmee de leefbaarheid van onze dorpen op peil houden. Kernwoorden hierbij zijn dorps, levensloopbestendig en duurzaam. Met betrekking tot het juiste aantal woningen worden, in samenwerking met de gemeenschappen, vraag en
aanbod
kwantitatief met elkaar in overeenstemming
gebracht.
De gemeente
staat,
samen met de samenleving, voor een duurzaam woningbestand waarin er wordt gezorgd voor een passend woonaanbod voor iedereen. Daarmee wordt de leefbaarheid in onze dorpen op peil gehouden en wordt er ruimte gemaakt voor passende nieuwbouwplannen.
De plancapaciteit zal daarom worden afgestemd op de natuurlijke behoefte voor Peel en Maas, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de vastgestelde Regionale woonvisie. Een en ander met als doel vitale gemeenschappen te behouden. Wonen is slechts een middel
in het belang van de vitaliteit en leefbaarheid van kernen. Iedere kern mag bouwen voor de eigen behoefte binnen de regionaal vastgestelde kaders. Het voorliggende
planvoornemen
voorziet niet in het toevoegen
van
dan ook
een nieuwe
woning,
maar in het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning.
Dit sluit
aan op een toekomstbestendige invulling leegstaand agrarisch vastgoed. In het planvoornemen is sprake van benutting van bestaande bebouwing door hergebruik alsmede sloop van overtollige bebouwing.
arvalis
Met het planvoornemen
wordt ingespeeld in een bestaande
behoefte om te blijven wonen
in de bestaande woning.
arvalis
3.5.3.Structuurvisie Buitengebied
Peel en Maas
en
kwaliteitskader
In december 2015 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad
vastgesteld.
Hierin wordt het beleid dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas samengebracht. Het betreft voor een groot deel bestaand beleid dat deels is aangevuld en deels nader is uitgewerkt. De structuurvisie vormt de grondslag voor
het toepassen van bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanolgie. In de structuurvisie buitengebied Structuurplan
zijn de volgende
plannen
opgenomen:
buitengebied
Structuurvisie IV en glas Streefkwaliteiten
Geur
Kwaliteitskader
Archeologiebeleid In de onderhavige situatie is enkel sprake van het omzetten van een bestaande woning naar een burgerwoning. Voor de omzetting van het agrarisch bedrijfsperceel naar een woonfunctie
geldt dat dit geheel
in lijn is met de trend van reductie van
het aantal
agrarisch bedrijven en de in de directe omgeving gerealiseerde en nog te realiseren burgerwoningen. Van strijdigheid met de structuurvisie kan dan ook geen
sprake zijn. Voor de locatie is
een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De oppervlakte van het Bestemmingsvlak bedraagt 4040 m2. Vandaar is de opdracht vanuit de gemeente dat er 10 % hier aan groen aanwezig/aangeplant dient te worden
vanuit de Basiskwaliteit Plus, dat voldoet aan de kwaliteit landschappelijke beplanting. Dit is dus 404 m2 kwaliteitsgroen dat bijdraagt aan de landschappelijke inpassing geheel en een voorziening ter voorkoming hemelwaterproblematiek. Daarnaast is vanuit de gemeente de eis aangegeven van een aanvullende
kwaliteitsbijdrage met een waarde van € 18.600,-. Dit bedrag wordt ingezet ten behoeve van de sloop van de twee stallen/schuren op locatie met een normbedrag van € 25,- per m2. De oppervlakte sloop bedraagt 850 m2 en vertegenwoordigd een waarde van
€21.250,-, waarmee
de aanvullende kwaliteitsbijdrage geheel is ingezet.
Voor een nadere uitwerking van de groene aanplant wordt verwezen naar paragraaf 4.9, Derhalve wordt er voldaan aan de eisen uit het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas.
3.5.4.Beleidsregel woningbouwverzoeken
Peel en Maas
2018
Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de
woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen De gemeente
Noord-Limburg.
Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor:
1. Zogenaamde win-win situaties; 2. Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale
gemeenschappen; 3. Verzoeken
die die passen
binnen
de Ruimte
voor Ruimteregeling;
arvalis
4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden;
6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Het voorliggende planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van een nieuwe woning, maar in het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. De
beleidsregel woningbouwverzoeken
is niet van toepassing op het voorliggende plan.
3.5.5,Bestemmingsplan
toetsing
Het perceel ligt grotendeels in het bestemmingsplan ‘1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas’ en heeft daarin de enkelbestemming ‘Agrarisch
- Grondgebonden’.
Een deel van het plangebied ligt in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’ en heeft daarin de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Binnen de bestemming ‘Agrarisch Grondgebonden’, waarin de huidige bedrijfswoning is gelegen, is wonen in een
bedrijfswoning toegestaan. Bij een bedrijfswoning moet er sprake zijn van een functionele binding met het agrarische bedrijf, waar de woning bij hoort. Omdat deze link er niet meer is, is er sprake van een strijdige situatie. Binnen de bestemming is wonen niet toegestaan.
‘Agrarisch”
In het bestemmingsplan ‘te reparatieherziening Buitengebied Peel en Maas’ is opgenomen dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de bestemming ‘Agrarisch
—
Grondgebonden’ met een bouwvlak en de bestaande bedrijfswoning te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. Hierbij dient rekening gehouden te worden dat alleen een logisch perceel rond de (voormalige bedrijfs)woning mag worden omgezet naar ‘Wonen’ en het overige de bestemming
‘Agrarisch’ krijgt voor de resterende grond.
Deze bevoegdheid
is
opgenomen in artikel 46.5 van het bestemmingsplan. Aangezien een deel van de planlocatie niet de enkelbestemming ‘Agrarisch - Grondgebonden’ heeft, maar de enkelbestemming ‘Agrarisch’ (bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’), geen gebruik worden gemaakt van deze bevoegdheid en dient er een nieuw
bestemmingsplan
kan er
opgesteld te worden.
arvalis
1e reparatieherziening
bestemmingsplan buitengebied Peel
en Maas
meente
Peelen
Maas
n
@
wer
003995, 372017 Enkelbestemming Agrarisch
-
Grondgebonden
Dubbelbestemming
S
Bouwtak
T
specifieke
vorm va
Gebiedsaanduiding
oB o
Gebiedsaanduiding
oB (
Gebiedsaanduiding
om
'eco
Gebiedsaanduiding
67
Afbeelding 9.
wetgevingzone -
ijigingsgebiea 1
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Sloop-bonus
regeling
Voor de beoogde ontwikkeling van de nieuwe loods kan gebruik worden gemaakt van de sloop-bonus regeling. Van deze regeling kan gebruik worden gemaakt als bestaande bebouwing wordt gesloopt. In het beoogde plan worden een tweetal bouwwerken met een totaal volume van 2.975 m? gesloopt. Door middel van de sloop-bonus regeling is
het mogelijk om een nieuw bouwwerk op te richten met een volume van maximaal
1.500
m3, met dien verstande dat: a.
de ontwikkeling in voldoende
mate moet zijn gericht op verbetering van de
omgevingskwaliteit. Hiertoe dient een landschappelijk inrichtingsplan aangeleverd te worden die als voorwaarde aan de omgevingsvergunning wordt verbonden. In dit plan wordt de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichte kwaliteitsverbeterende maatregelen beschreven en wordt er advies
b.
ingewonnen bij een onafhankelijke, objectie commissie. Er wordt voldaan aan artikel 22 (enkelbestemming ‘Wonen') en dat de afstand tussen de woning
en de bijbehorende
bouwwerken
maximaal
de bestaande
afstand dient te bedragen. Er moet dus sprake zijn van het slopen van bestaande
bebouwing.
Hierbij gaat het om
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde. In het beoogde plan worden een tweetal bouwwerken met een totaal volume van 2.975 m? gesloopt. Door middel van de sloop-bonus regeling is het mogelijk om een nieuw bouwwerk op te richten met een volume van maximaal
1.500 m3.
Het initiatief voldoet aan deze regeling zoals
arvalis
benoemd in artikel 22 van het vigerend bestemmingsplan. De maximale afstand wordt gewaarborgd in de planregels. Ook is er een voorwaardelijke verplichting sloop in de planregels opgenomen.
4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-) effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.
4.1.
Bodem
De Wet bodembescherming
is op 3 juli 1986 inwerking getreden
en bevat het wettelijk
kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk.
Met de voortzetting
van het toenmalige
beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem ’ schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke
dynamiek,
Het doel is zo te komen
tot een effectiever
bodembeleid.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden
of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In onderhavige
situatie is dit het geval. Door HMB
BV is een verkennend
bodemonderzoek
(asbest) uitgevoerd.
Dit onderzoek
is
als bijlage 2 aan deze toelichting gevoegd. In het onderzoek is de slotconclusie getrokken dat de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag
van
een omgevingsvergunning
4.2.
(in dit geval een bestemmingsplan).
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de
milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze
richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:
«
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
=
het
bieden
van
voldoende
zekerheid
aan
de
milieubelastende
(bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. De opgenomen
richtafstanden
betreffen de indicatief aan te houden
activiteiten
en binnen afstand tussen
hinderveroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. Indien de aard van de omgeving
dit rechtvaardigt,
kunnen
gemotiveerd
kortere
richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen
komen
andere
functies voor
arvalis
zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” Het plangebied is te typeren als ‘gemengd gebied’
aangezien de locatie is gelegen in een bebouwingslint in het buitengebied waar agrarische bedrijven worden afgewisseld met burgerwoningen. In dit geval kunnen de afstanden
uit bijlage 1 van de VNG-publicatie, zonder dat dit ten koste gaat van het
woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verkleind. De nieuwe woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. omgeving.
Wel kan de woning milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er
sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende
functies.
In onderstaande afbeelding zijn de milieucategorieën met bijbehorende binnen de voorwaarden van het ‘gemengd gebied’ opgenomen.
Eelserstraat 30
Varkensfokkerij
Eelserstraat 23
.
Akkerbouwbedrijf
| 2
richtafstanden
Geur 100 Stof
10
Geluid
30
Gevaar
O
Geur 0
10m
Stof O
Kaumeshoek 7-7a Eelserstraat 22 Afbeelding
Geluid
10
Gevaar
O
Agrarisch
Grootste
bedrijf
50 meter
grondgebonden
richtafstand:
Varkensfokkerij
41
10. Uitwerking richtafstanden bedrijven
Zoals wordt aangetoond
Geur 100 Stof 10 Geluid
30
Gevaar
0
120 m 152m
en milieuzonering in omgeving plangebied
in afbeelding 8 wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor de
aspecten stof, geur en gevaar.
Het betreft hier de locatie Eelserstraat 30. Betreffende
Eelserstraat 30 is onderzocht of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is één hindercontour die het plangebied overlapt, dit betreft het aspect geur. Voor wat betreft geur is onderzoek gedaan
naar de geurbelasting afkomstig van
deze veehouderij.
Voor
een andere toelichting hiervan word verwezen naar paragraaf 4.3. Betreffende Eelserstraat 23 is in de planregels is opgenomen dat heroprichting van bebouwing met de bestemming Wonen niet is toegestaan. Hierdoor is het niet mogelijk
om binnen deze 10m zone een geluidgevoelig object te realiseren. voldaan
aan
de
Daarmee
wordt
richtafstand.
Met inachtneming van hetgeen geschreven
in paragraaf 4.3 vormt het aspect bedrijven
en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Omliggende bedrijven vormen geen belemmering voor de bestemmingswijziging en er is in de woning sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de omliggende bedrijven
niet belemmerd
daar de voorgenomen
wijziging betrekking heeft op een bestaande
arvalis
woning, waarmee
omliggende bedrijven
reeds rekening moeten
houden
met deze woning
bij eventuele ontwikkelingen. 4.3.
Geur
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen
uit de per 1
januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten
sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen veehouderijen
niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden
worden
de omliggende
beperkt.
Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij.
gemotiveerd
De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door Wgv vastgesteld op 14 0U/m3
(voorgrondbelasting).
Dit betekent dat iedere individuele
veehouder 14 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren doorgaans de intensieve veehouderijen).
worden
gehouden
33
04
400
63
05
64
14
37245 | 105
18
(dit betreffen
Brongegevens:
1
[stas
104489
|
372460
2
[sta7
3
[stais
104462
|
372567
104479
|
3725
4
|Stasen1t
164531
|
|
1440
38
400
14398
40
452
13712
43
397
3662
54
Geur gevoelige locaties:
5
[puntnabi t
19438
|
3r2404|
149
6 _ [ Hoek woning nr26
194409
|
372438|
140
83
7 _
[Hoek bouwak
1950
|
3r2481]
149
15
3 _
[Hoek bouwvak NO
194433
|
372502|
140
187
9 _
[Hoek bouwakN
1387
|
372407|
140
91
10
[Hoek bouwwak NW
194358
|
3724|
149
61
[ Hoek bouwwak ZW
194389
|
372398|
140
59
194416
|
a72ae1|
140
127
194433
|
ar2401]
140
137
_
11 12
13
[Hoekbouwwakw=cont
_
Afbeelding
[Mgen contour
[
114
11: Voorgrondbelasting geur
In bijlage 3 bij deze toelichting zijn de rekenpunten
van de berekening
weergegeven.
deze berekening blijkt dat de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. Daarmee is de voorgrondbelasting maatgevend
Uit
voor de
hinder.
Bij de berekende voorgrondbelasting kan de milieukwaliteit als “matig” worden omschreven. De ten hoogste toegestane geurbelasting in een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom (zoals in onderhavige situatie) bedraagt, gelet op artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), 14 Ou/m3. Aan deze
geurbelasting kan met uitzondering van de Hoek bouwvlak NO worden voldaan. Naast geurbelasting
speelt ook de afstand van de bestemming
‘Wonen’ tot het
dierenverblijf een rol. Uit artikel 5 van de Wgh volt dat de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object buiten de bebouwde
arvalis
kom tenminste 25 meter dient te bedragen.
Binnen een afstand van
25 meter is geen
bouwvlak van een agrarisch bedrijf aanwezig. Door het toevoegen
van de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ op de NO hoek van het
bouwvlak wordt uitgesloten dat ter plaatse geurgevoelige objecten dan wel geurgevoelige functies gerealiseerd kunnen worden. Door het toevoegen
van deze specifieke aanduiding
vormt
het aspect geur geen
belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.4. Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de 'Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet
is veranderd.
Omdat
titel
2 handelt
over
luchtkwaliteit
staat
als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007
de
nieuwe
titel
2 bekend
(Stb. 2007, 434) in werking
getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: +
negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken.
+
mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte
aanpak van de
luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze
mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Een
project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt
overeen
met 1,2 microgram/m3
Als de 3 %
voor zowel PM10 als NO2.
grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden,
dan hoeft geen
verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de
concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde Hierdoor draagt het plan naar verwachting verslechtering van de luchtkwaliteit.
niet in betekenende
NIBM).
mate bij aan de
Er is in dit geval geen sprake van een toename van PM10 of NO2, aangezien er sprake is van een bestaande bedrijfswoning waarvan alleen het soort bewoning wijzigt naar burgerwoning. Deze bestemmingswijziging valt daarom onder de 3% grens voor PM10
NO2.
De bestemmingswijziging
draagt dan ook ‘niet in betekende mate' (NIBM)
of
bij aan
de luchtverontreiniging.
4.5.
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) beschermt de volgende geluidsgevoelige objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen); geluidsgevoelige terreinen (onder
meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh
vloeit voort dat in principe alle wegen
met uitzondering van wegen wegen
waarvoor een
voorzien zijn van een geluidzone,
die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of
maximum
snelheid van 30 km/uur geldt.
De zonebreedte
is
arvalis
afhankelijk van het gebied
(stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen
de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh).
en terreinen
bedraagt in die zone
Echter niet alle ruimtelijke ontwikkelingen behoeven op grond van de Wgh onderzocht te worden. Op basis van art, 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de
grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een bestaande agrarische bedrijfswoning in een niet-agrarische bedrijfswoning. Deze situatie doet zich in dit plan voor. Nader akoestische onderzoek
4.6.
is niet noodzakelijk.
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen
optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede
de ruimtelijke mogelijkheden.
Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd
door diverse besluiten en
circulaires:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Reví); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende
regeling
(Revb);
Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene (Rarro).
regels ruimtelijke ordening
(Barro) en bijbehorende
regeling
De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen;
en (ondergrondse)
buisleidingen.
arvalis
Gekozenkaaren
°
aanen
x
B
Aleoarten aarvut
B
ranspongevaarijkestoften. Susleidingen
B
Trensportgeva wegen.spoor
B
water
Kwesbare opjecen
>
Achtergrondkaarten Wegenkoartgris-
> PDOK 2022
Wegenkaart
keur-PDOK 2022
Waterkaart-
PDOK
2022
© tochttotop0
Geen achtergrondkaart
Afbeelding
12. Uitsnede risicokaart, bron www.atasleefomgeving.nl
Inrichtingen. In de omgeving van het plangebied komen verder geen objecten voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Buisleidingen.
In of in de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waarop het Bevb en de Revb van toepassing zijn. Vervoer over de weg.
Het plangebied is gelegen nabij de provinciale weg N275 (Noorderbaan) op een afstand van circa 250 meter. Volgens de Revt is dit geen basisnetroute. Volgens de provinciale Risicokaart is dit echter wel een transportroute, niet zijnde een basisnetroute, Blijkens de risicokaart bedraagt de risicocontour O meter. Het plangebied is derhalve niet gelegen
binnen de risicocontour van deze weg. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen
belemmeringen
voor de beoogde
ontwikkeling.
4.7.
Cultuurhistorie en Archeologie 4.7.1.Cultuurhistorie
Als gevolg van de Wet Modernisering
Monumentenzorg
dient binnen een
bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient jebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt,
arvalis
maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij
voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden
dienen
te worden
beschermd.
Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart
Limburg’ zijn in de directe
omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waarop het initiatief een negatieve invloed op kan hebben.
4.7.2.Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten
archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in spelen een belangrijke rol in het
archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen
houdt de
gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven.
In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in
ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: =
De archeologische waarden
dienen zoveel
mogelijk in de bodem
te worden
bewaard.
=
Erdient vroeg
in het proces van
ruimtelijke ordening
al rekening te worden
gehouden met het aspect ‘archeologie’. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ toegekend. Een klein gedeelte, aan de
zuidwestzijde van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming Archeologie
‘Waarde
-
3'
Archeologie
3
In de archeologische dubbelbestemming zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 100 m2? oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm
geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden verstoren oppervlakte meer dan 100 m? bedraagt. Archeologie
indien het te
4
In de archeologische
dubbelbestemming
zijn de volgende ondergrenzen
gesteld wanneer
archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 250 m? oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm
geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden verstoren oppervlakte
indien het te
meer dan 250 m? bedraagt.
Conclusie
Initiatiefnemers wensen nieuwe loods te bouwen
binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4' één met een afmeting van ca. 12,5 * 28,8 m (350 m2). De
arvalis
oppervlakte van de verstoring zal echter kleiner zijn dan 250 m2,
immers gaat enkel de
fundering dieper de grond in dan 40 cm diepte. Bij de vergunningsaanvraag voor de bouw van de loods zal dit aangetoond dienen te worden. bouwtekening van deze loods beschikbaar.
4.8.
Flora
en
Op dat moment
is de
Fauna
4.8.1.Gebiedsbescherming De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op
de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect.
(artikel
Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Het
meest dichtbij gelegen Natura2000 gebied betreft Deurnsche Peel & Mariapeel, gelegen op een afstand van ongeveer 5 kilometer tot het plangebied. Het planvoornemen heeft geen