CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-034 04 Toelichting (geanonimiseerd)

Raad 23 april 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Breetse Peelweg 11 Maasbree’ (2024-034)9.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Pijnenburg

>

agrarisch advies & onroerend goed

BESTEMMINGSPLAN

“Breetse Peelweg 11 Maasbree”

Ontwerp

Spoorweg 4 |5963 NJ Horst |T +31 (0)77 398 29 21 | F+31 (0}77 398 6800 E info@pijnenburgadvies.nl | www-pijnenburgadvies.nl

Document:

Bestemmingsplan “Breetse Peelweg 11 Maasbree”

IDN:

NL.IMRO.1894.BPL0310-ON01

Status:

Ontwerp

Datum:

27 september 2023

Auteur:

(geanonimiseerd)

Pijnenburg

>

agrarisch advies & onroerend goed

Spoorweg 4 5963 NJ Horst

T+31(0)77 398 29 21 F+31 (0)77 398 68 oo

info@pijnenburgadvies.nl

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE.

1. INLEIDING..

1.1 Aanleiding en doel … 1.2 Plangebied en begrenzingen … 1.3 Vigerend bestemmingsplan …

2. BESCHRIJVING

BESTAANDE

SITUATIE....

2.1 Algemeen… 2.2 Ruimtelijke structuur . 2.3 Functionele

structuur …

3. PLANBESCHRIJVING …

3.1 Uitgangspunten en doelsteliingen van het plan. 3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten … 3.3 Landschappelijke inpassing…

4. BELEIDSKADER

….

4.1 Rijksbeleid… 4.2

Provinciaal

beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid …

5. RANDVOORWAARDEN 5.1

/ RESULTATEN

Milieu….

5.1.1 Bedrijven en milieuzonering … 5.1.2 Milieueffectrapportage. 5.1.3

Geluid …

5.1.4 Luchtkwaliteit…

5.1.5 Bodem en grondwaterkwalliteit… 5.1.6 Externe veiligheid … 5.1.7 Geurhinder en veehouderijen. 5.2 Kabels, leidingen en straalpaden.… 63

Natuur 5.3.1

…

Flora

en fauna …

5.3.2 Natura2000..

ONDERZOEKEN

GzO “oo

5.4 Waterhuishouding 5.4.1

Beleidskader..

5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) 5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) … 5.5 Archeologie en cultuurhistorie …

26

5.6 Verkeer en parkeren

27

6. JURIDISCHE

ASPECTEN

.

6.1 Toelichting op de verbeelding…

6.2 Toelichting op de planregels .

7. UITVOERBAARHEID, 7.1

Economische

INSPRAAK

uitvoerbaarheid

EN PROCEDURE …

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid . 7.3

Procedure

…

BIJLAGEN

1 2

Landschappelijk inpassingsplan (Jeroen Hamers Landschapsarchitectuur) Historisch bodemonderzoek (HMB B.V.)

3

Quickscan flora en fauna (IVN)

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel Initiatiefneemster is eigenaar van de locatie Breetse Peelweg 11 te Maasbree. Op deze locatie is van oorsprong een agrarisch bedrijf in de vorm van een varkenshouderij gevestigd. Na verwerving van de locatie door initiatiefneemster, medio 2007, is het bedrijf omgeschakeld van een varkenshouderij naar

een paardenhouderij. In de beginfase is ook daadwerkelijk sprake geweest van het bedrijfsmatig houden van paarden op deze locatie.

Inde loop der tijd is het bedrijfsmatig houden van paarden steeds verder afgebouwd. Momenteel is enkel nog sprake van het hobbymatig houden van enkele paarden. De voormalige stalruimtes zijn momenteel deels in gebruik als paardenstal. Het voornaamste gedeelte van de voormalige bedrijfsgebouwen is in gebruik ten behoeve van stallingsactiviteiten voor derden, waaronder stalling van caravans en verhuurde opslagruimten.

Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (rood omeirkeld)

Aangezien

thans

feitelijk

geen

agrarische

strijdigheid met het bestemmingsplan.

bedrijfsactiviteiten

meer

plaatsvinden

is

sprake

van

Initiatiefneemster wenst daarom om de vigerende agrarische

bedrijfsbestemming te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’ zodat zij voorlopig nog op locatie kan blijven wonen. Daarbij zal de bestaande bebouwing behouden blijven en voorzien worden van de functieaanduidingen

‘caravanstalling’ en ‘statische opslag voor derden’. Daarmee wordt planologisch-

juridisch geborgd bestemmingsplan.

dat

het

huidige

gebruik

van

de

gebouwen

weer

passend

is

binnen

het

Voor voornoemd planvoornemen is op 13 juni 2022 een principeverzoek ingediend bij de gemeente Peel en Maas. Op 23 januari 2023 is door de gemeente aangegeven dat zij, onder voorwaarden, in

principe

medewerking

willen verlenen

aan

het planvoornemen.

uitwerken van een postzegelbestemmingsplan. postzegelbestemmingsplan.

Medewerking

Onderhavige

toelichting

is mogelijk middels

het

is

dat

onderdeel

van

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: = De bestemming ‘Agrarisch — Grondgebonden' wordt omgezet in de bestemming ‘Wonen' waarbij het bouwvlak onveranderd blijft. Het gedeelte van het bestemmingsvlak dat feitelijk in gebruik is als

=

cultuurgrond krijgt de bestemming ‘Agrarisch’. De gebouwen waarin de stallings- en opslagactiviteiten plaatsvinden krijgen de functieaanduidingen ‘caravanstalling’ en/of 'statische opslag voor derden'’

=

Overige dubbelbestemmingen, gebiedsaanduidingen en blijven conform het vigerende bestemmingsplan in stand.

maatvoeringen

binnen

het

plangebied

1.2 Plangebied en begrenzingen De locatie ligt aan de Breetse Peelweg 11 in het buitengebied van Maasbree. De locatie is kadastraal bekend als Maasbree X 204 en 205. Het vigerende bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 4.200 m? en is thans volledig bestemd als 'Agrarisch — Grondgebonden’. De Breetse Peelweg betreft een buitenweg, gelegen ten noordwesten van de kern Maasbree. De omgeving kenmerkt zich door de afwisseling van diverse soorten agrarische bedrijven met daartussen gelegen burgerwoningen. Ten zuidoosten van het plangebied, op enige afstand, is verder ook nog camping De Flierenhof gelegen, die momenteel dienst doet voor tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Het plangebied is thans bebouwd met een woning met tuinhuis, twee voormalig varkensstallen welke in gebruik zijn voor stalling en opslag en een paardenstal.

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van de beheersverordening ‘buitengebied Klavertje 4’ zoals vastgesteld op 25 juni 2013 door de gemeente Peel en Maas. Het plangebied is daarin bestemd als 'Agrarisch —

Grondgebonden'

met een bouwvlak van circa 4.200 m?. De overige gronden binnen het plangebied,

maar buiten het bouwvlak, zijn bestemd als ‘Agrarisch - Grondgebonden'. Verder gelden de volgende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen: -

Dubbelbestemming: Waarde — Archeologie - 4

-

Gebiedsaanduiding: agrarisch landschap Gebiedsaanduiding: bebouwingsconcentratie

Initiatiefneemster is voornemens om de agrarische bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen’. Hieraan kan invulling gegeven worden middels een zogenaamd postzegelbestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Op 23 januari 2023 is door de gemeente aangegeven dat zij, onder voorwaarden, in principe medewerking willen verlenen aan onderhavig planvoornemen.

buitengebied Klavertje ‚emeente

Peel en Maa

dening

PLEKINFO

<B

_

DOCUMENTEN

@ o

_

KENMERKEN

sss

Waarde - Archeologie 4

bebouwingsconcentratie

agrarisch landschap

Agrarisch - Grondgebonden

bouwiak

Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding beheersverordening “buitengebied Klavertje 4”, plangebied rood omlijnd.

2. BESCHRIJVING

BESTAANDE

SITUATIE

2.1 Algemeen De locatie ligt aan de Breetse Peelweg 11 in het buitengebied van Maasbree. De locatie is kadastraal bekend als Maasbree X 204 en 205. Het vigerende bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 4.200 m? ‚en is thans volledig bestemd als ‘Agrarisch — Grondgebonden’.

Afbeelding 3. Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en omgeving

2.2 Ruimtelijke structuur Op basis van kaarten behorende bij het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg is het plangebied gelegen in een droge heideontginning. De heideontginningen zijn de jongste ontginningen op de zandgronden en vormen het grootste oppervlak landbouwgrond. Binnen de jonge ontginningen zijn gebieden te vinden waar nog zoveel (lineaire) landschapselementen te vinden zijn dat hierdoor een halfopen landschap ontstaat. Onderhavig plangebied is gelegen tussen de bosgebieden ‘Regelshorst en ‘Asbroek’. Daardoor is ter plaatse sprake van een halfopen landschap waarbij bebouwing, landschapselementen en landbouwgronden elkaar afwisselen. Rondom het plangebied bevinden zich op relatief korte afstand vier burgerwoningen en één akker-/tuinbouwbedrijf.

2.3 Functionele

structuur

Doordat het plangebied gelegen is tussen twee bosgebieden is sprake van een halfopen landschap. De omgeving kenmerkt zich door de afwisseling van diverse soorten agrarische bedrijven met daartussen

gelegen burgerwoningen. De meeste bebouwing is relatief kort op elkaar gelegen. Ten zuidoosten van het plangebied, op enige afstand, is verder ook nog camping De Flierenhof gelegen, waar momenteel tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten plaatsvindt. De dorpsrand van Maasbree ligt op een afstand

van ongeveer 2,0 kilometer in vogelvlucht.

3. PLANBESCHRIJVING Onderhavig planvoornemen behelst het omschakelen van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Daarbij worden de

agrarisch agrarische

grondgebonden activiteiten, met

uitzondering van het hobbymatig houden van wat paarden, op locatie definitief beëindigd. De voormalige stallen zijn reeds in gebruik als stallingsruimte voor caravans en opslagruimten ten behoeve van statische opslag voor derden. Binnen het plangebied zijn een viertal gebouwen te onderscheiden. Hierna zal van elk van de gebouwen de huidige en toekomstige functie toegelicht worden.

Afbeelding 4. Luchtfoto met daarin weergegeven de te onderscheiden bebouwing.

Gebouw 1/1a betreft de huidige bedrijfswoning met garage (1) en tuinhuis (1a). Deze bedrijfswoning met garage en tuinhuis zal onveranderd in stand gehouden worden. De bedrijfswoning wordt bewoond door initiatiefneemster.

Gebouw 2 betreft een paardenstal. Deze wordt thans en ook in de beoogde situatie nog gebruikt als

schuilgelegenheid en nachtverblijf voor de hobbymatig gehouden paarden. Het houden van de paarden kost netto geld en de paarden worden gehouden zonder winstoogmerk. Verder is er ook geen sprake van professionele voorzieningen zoals een rijbak en stapmolen. Gezien vorenstaande en de omvang

van het aantal te houden

paarden (maximaal 5) kan derhalve in deze gesproken worden van een

hobbymatige omvang. Het afdak aan de achterzijde van dit gebouw zal gesloopt worden, de rest van het gebouw wordt onveranderd in stand gehouden.

Gebouw

3 betreft

een

voormalig

varkensstal,

welke

thans

in gebruik

is als

caravanstaling

en

opslagruimte. Het gebouw wordt onveranderd in stand gehouden. Daartoe wordt in de beoogde situatie de functieaanduiding ‘caravanstalling’ en ‘statische opslag voor derden’ aan dit gebouw toegekend. Gebouw 4 betreft een voormalig varkensstal, welke thans in gebruik is als opslagruimte voor derden. Gebouw wordt onveranderd in stand gehouden. Daartoe wordt in de beoogde situatie de functieaanduiding 'statische opslag voor derden’ aan dit gebouw toegekend.

Met de nieuwe functies, caravanstalling en statische opslag voor derden, is sprake van een minder intensief gebruik dan bij de agrarische bestemming.

Verder zijn deze twee functies weinig dynamisch.

Een caravan wordt slecht een paar keer per jaar gehaald en weer gebracht. Ook de opslagruimten worden slechts enkel keren per jaar bezocht om spullen te brengen en/of halen. Verder omvatten deze functies gezamenlijk een relatief beperkt oppervlak. De caravanstalling en statische opslag voor derden

zijn daarmee ondergeschikt aan de woonbestemming.

3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij het uitwerken van onderhavig bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: = De bestemming ‘Agrarisch — Grondgebonden’ wordt omgezet in de bestemming ‘Wonen’ waarbij het bouwvlak onveranderd blijft. Het gedeelte van het bestemmingsvlak dat feitelijk in gebruik is als cultuurgrond krijgt de bestemming 'Agrarisch’ = De gebouwen waarin de stallings- en opslagactiviteiten plaatsvinden krijgen de functieaanduidingen ‘caravanstalling’ en/of ‘statische opslag voor derden’. « «

Overige dubbelbestemmingen, gebiedsaanduidingen en maatvoeringen binnen het plangebied blijven conform het vigerende bestemmingsplan in stand. Hetbestemmingsplan dient een voorwaardelijke bepaling te bevatten dat de nieuwe activiteiten pas zijn toegestaan wanneer de compenserende landschappelijke maatregelen worden aangelegd en in stand worden gehouden. LEGENDA Pangetied

Cm Gesemingen .

i Debeteseregen

e

m

e

Aendidagen G aanisingen

EE e peng 1 aa

[ESE] weetene o oo zeen z

Afbeelding 5: Uitsnede verbeelding beoogde situatie Breetse Peelweg 11 Maasbree

opeog w sesen

Onderhavig bestemmingsplan

biedt het juridisch kader waar men zich aan dient te conformeren.

De

uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied is voorzien van de bestemming ‘Wonen' met een bouwvlak. Ook een deel waar geen bouwvlak gelegen is krijgt de bestemming

'Wonen'

aangezien

dit deel van

het plangebied

in gebruik is als tuin bij de woning.

Het

gedeelte van het bestemmingsvlak dat feitelijk in gebruik is als cultuurgrond krijgt de bestemming ‘Agrarisch'. Vanwege het ontbreken van een bouwvlak ter plaatse is er geen mogelijkheid tot bouwen op die gronden. Een voorwaardelijke bepaling legt de aanleg en instandhouding van de landschappelijke

inpassing vast.

3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Het

definitief staken

van

het

agrarische

bedrijf ter

plaatse

zal

in ieder

geval

leiden

tot een

een

milieutechnische kwaliteitswinst, omdat de vergunning voor het houden van de dieren wordt ingetrokken. De enigszins verouderde, maar nog functionele, stallen krijgen een nieuwe functie waardoor verloedering en leegstand in het buitengebied voorkomen wordt. Met onderhavig planvoornemen is geen sprake van het slopen van oude bebouwing (behoudens een klein afdak aan de achterzijde van de paardenstal) of het oprichten van nieuwe bebouwing. Verder is en blift sprake van een korte afstand tussen de bebouwing percelen van derden.

op het eigen perceel en de bebouwing op omliggende

Door de ligging en door de landschappelijke inpassing van de locatie leidt het plan niet tot negatieve ruimtelijke, stedenbouwkundige of landschappelijke effecten op de omgeving.

3.3 Landschappelijke inpassing Het beleid ten aanzien van de landschappelijke inpassing heeft de gemeente Peel en Maas vastgelegd in het 'Kwaliteitskader buitengebied Peel & Maas'. Het kwaliteitskader bevat geen nieuw beleid. Het is een uitwerking van vaststaand beleid uit het structuurplan buitengebied Peel en Maas. Net als in het provinciaal beleid wordt kwaliteitsverbeteringen: 1.

2.

3.

er

bij

kwaliteitsverbeteringen

onderscheid

gemaakt

in

3

soorten

Basiskwaliteit (B): B is van toepassing bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding daarvan tot de referentiemaat in een agrarisch gebied. B wil zeggen dat nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en het erí komt. Basiskwaliteit Plus (B+): B+ is van toepassing bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding boven de referentiemaat. Als basis voor de omvang van de landschappelijke inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak.

Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK): AK dient te bestaan uit fysieke maatregelen die bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het landschap waarbinnen de maatregelen genomen worden. Per gebiedstype zijn er andere landschapskwaliteiten typerend en van belang.

Onderhavig initiatief behelst het herbestemmen van de locatie Breetse Peelweg 11 te Maasbree van ‘Agrarisch — Grondgebonden’ naar ‘Wonen'. Daarbij wordt het bestaande bouwviak niet uitgebreid. Op basis van het Kwaliteitskader, tevens ook aangegeven n het principestandpunt van 11 januari 2021, is

er dan sprake van B. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van 4.200 m?. De inpassingseis op basis van

10

Bbedraagt 10% x 4.200 m? = 420 m2. Op basis van het landschappelijk inpassingsplan wordt de omvang van de bestaande en te versterken beplantingselementen geraamd op 1.123 m?, zie bijlage 1. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de uitgangspunten zoals genoemd in het Kwalliteitskader.

Afbeelding 6: impressie landschappelijke inpassing Breetse Peelweg 11 Maasbree

11

4. BELEIDSKADER

4.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld.

Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie die

i vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet

heeft dit document de

status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro.

Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote

maatschappelijke

opgaven

aan te pakken.

complexe opgaven met betrekking bereikbaarheid en woningbouw.

tot

Bij die opgaven

klimaatverandering,

kan worden

gedacht

energietransitie,

aan

circulaire

grote en

economie,

Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: + ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; * duurzaam economisch groeipotentieel; + sterke en gezonde steden en regio's;

+ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven:

1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen

wordt voorkomen.

Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Onderhavig initatief is op nationaal niveau dusdanig kleinschalig van aard dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor relevante nationale belangen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken

ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak

met de Tweede en

12

Eerste

Kamer der Staten-Generaal

is gemaakt,

bij besluitvorming

over bestemmingsplannen

wordt

gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rjk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012

is het besluit aangevuld

met de

ruimtevraag

voor de onderwerpen

veiligheid

op

rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische

hoofdstructuur (hans Nationaal Natuurnetwerk), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Op dit bestemmingsplan zijn geen van deze belangen van toepassing. Ladder duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking

ondersteunt

gemeenten

en

provincies

in vraaggerichte

programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat

een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Bij onderhavig planvoornemen is geen sprake van duurzame verstedelijking is dan ook niet aan de orde.

een

stedelijke

ontwikkeling.

De

Ladder

voor

13

4.2 Provinciaal

beleid

Omgevingsvisie Limburg Per

25 oktober

2021

is de

‘Omgevingsvisie

Limburg’

in werking

getreden.

De

Omgevingsvisie

is een

strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, andschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwalliteit en cultureel erfgoed.

Daamaast worden

ook de aspecten

gezondheid, veiligheid en een gezonde

leefomgeving

in de

Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activíteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma's.

In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: =

= =

Eenaantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; o _ Instedelijk c.q. bebouwd gebied; © _ Inlandelijk gebied; Eentoekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de 'jdloze’ karakteristiek van de ondergrond, de geomoríologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik n de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende hoofdtypen met bijbehorende categorieën: = =

Landelijke gebieden; © Groenblauwe mante! | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) | Buitengebied; Bebouwde gebieden; © _ Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke kern | Werklocaties:

= ° Infrastructuren;

o

(Inter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg | (Inter)nationale waterweg | (Lucht)haven | (Internationale leidingstrook.

Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied' behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Het buitengebied betreft de landelke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zon 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en MiddenLimburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves.

Onderhavig planvoornemen sluit dus goed aan bij de voornoemde accenten uit de omgevingsvisie. De milieubelasting zal, door het staken van de agrarische activiteiten en het omvormen naar een woonbestemming, fors verlagen. Verder wordt door de bestemmingswijziging een kwaliteitsslag gerealiseerd doordat leegstand en verpaupering van gebouwen in het buitengebied voorkomen wordt. Vanuit de omgevingsvisie bestaan dus geen belemmeringen voor onderhavig inîtiatief.

14

Omgevingsverordening Limburg 2014 Tezamen met het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg Omgevingsverordening is het hoofdstuk Ruimte opgenomen.

2014 in werking getreden.

In de

Het hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. In artikel 2.2 van het hoofdstuk Ruimte is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in

artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ladder

voor duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing. De Omgevingsverordening bevat -naast de regels in het hoofdstuk Ruimte- regels over diverse andere onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden, waaronder de boringsvrije zones Roerdalslenk en Venloschol. Het plangebied is niet gelegen binnen een milieubeschermingsgebied zoals een van de voornoemde boringsvrije zones. Vanuit de omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan dan ook geen belemmeringen voor onderhavig initatief. Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonneenergie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in het ontwerp van de Omgevingsvisie Limburg (POVI). Deze treedt in werking zodra de nieuwe Omgevingswet van kracht is. Onderhavig planvoomemen heeft een relatie met het onderwerp wonen.

De regels ten aanzien van wonen zien echter in hoofdzaak toe op het realiseren/toevoegen van nieuwe woningen. Bij onderhavig initiatief is sprake van herbestemming van een bestaande woning en du niet het toevoegen van een nieuwe woning. Derhalve zullen de regels van deze nieuwe omgevingsverordening nagenoeg volledig (beleidsneutrale omzetting) overeenkomen met de huidige regels uit de omgevingsverordening. Reeds in de voorgaande paragraaf is gemotiveerd dat het plan aan deze regels voldoet.

15

4.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Klavertje 4 De locatie Breetse Peelweg 11 te Maasbree is gelegen binnen de intergemeentelijke Structuurvisie Klaverije Vier. Daarbij ligt de locatie binnen het ‘Verwevingsgebied V3'. Verwevingszones zijn overgangsgebieden in het landschap. Dit agrarische gebied kenmerkt zich door de grote verscheidenheid aan functies (wonen, agrarische bedrijven, groen, verblijfsrecreatie, bedrijvenaan-huis etcetera). De visie zet in op het beperkt uitbouwen van de gemengde functie in de verwevingszones, bij voorkeur in vrijkomende (agrarische) bebouwing.

Het omzetten van de bedrijfswoning naar reguliere woning past binnen de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische

bedrijven.

Daarbij wordt bestaande

bebouwing

hergebruikt en overtollige bebouwing

gesloopt. Het planvoornemen past daarom binnen de doelstellingen van de Structuurvisie Klavertje Vier.

Vernewingszone werkiandschap « Hort / Sevenum

|

A

verwewngszone

17 Worsterweg

—\ x \ N

N

_ W \\\\I\/ D e

Úpten Tongerlo

Afbeelding 7: Impressie diverse verwevingszones binnen Structuurvisie Klavertje Vier

Omgevingsvisie Peel en Maas De omgevingsvisie is een visie over de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen voor de hele gemeente Peel en Maas. Met de omgevingsvisie wil de gemeente Peel en Maas bereiken dat Peel en Maas aantrekkelijk blijft en nog aantrekkelijker wordt ofwel ‘het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving’. Daarbij zijn de 3 kernwaarden Zelfsturing, Diversiteit en Duurzaamheid leidend. Daarnaast is de gemeente in de omgevingsvisie onderverdeeld in 7 landschappelijke deelgebieden. Onderhavige locatie is daarbij gelegen in een ‘kleinschalige half open ontginning’. Dit gebied betreft een kleinschalig landschap met afwisselend weiden, akkers, bos, heideterreintjes en daar doorheen

16

(onverharde) paden. Als basis voor wat wenselijk is in de betreffende deelgebieden blijft voorlopig het

bestaande beleid het uitgangspunt. Voor onderhavige locatie is dat dus de Structuurvisie Klavertje 4. Reeds in de voorgaande paragraaf is gemotiveerd dat het initiatief passend is binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie Klavertje 4. Kaderstelling Ruimte en Economie In het coalitieakkoord 2014

is vastgelegd

dat het college

met de omgeving

in gesprek gaat over de

gewenste koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing als richtsnoer heeft. De omzetting van een agrarisch bedrijf naar een woonbestemming is passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie. Op basis van uitvoeringsafspraak 1.2 ‘We benutten bestaande bebouwing en sturen op hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging en daar waar dit niet mogelijk is wordt er zorg gedragen voor hetgeen achterblijft. In dit geval wordt bestaande

bebouwing

hergebruikt voor een vorm

van stalling en opslag die niet per

definitie op het bedrijventerrein thuishoort. De gebouwen zijn volledig in gebruik voor de beoogde functies zoals opgenomen in dat plan, daarmee is geen sprake van overtollige bebouwing. Ook is in de kaderstelling de uitvoeringsafspraak ‘we hebben oog voor transitie in het landelijk gebied” opgenomen. Als gevolg van schaalvergroting stoppen veel andere (kleinere) agrarische bedrijven. Dat is in dit geval ook aan de orde. Een agrarisch bedrijf stopt in het buitengebied en met de nieuwe functie krijgt deze voormalige agrarische bedrijfsbebouwing een passende vervolgfunctie. Onderhavig planvoornemen is daarmee passend binnen de kaderstelling Ruimte en Economie. Kwaliteitskader Buitengebied Het kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas is strikt gezien niet van toepassing binnen de beheersverordening ‘Buitengebied Klavertje 4’. Voor deze beheersverordening is geen specifiek kwaliteitskader opgesteld of van toepassing. Daarom wordt het kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas gebruikt als richtlijn. Het kwaliteitskader

bevat geen

nieuw

beleid.

Het

is een

uitwerking

van

vaststaand

beleid

uit het

structuurplan buitengebied Peel en Maas. Net als in het provinciaal beleid wordt er bij kwaliteitsverbeteringen onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen. Voor een verdere toetsing aan het Kwaliteitskader wordt verwezen naar paragraaf 3.3 van deze toelichting. Beheersverordening buitengebied klavertje 4 De locatie maakt onderdeel uit van de beheersverordening ‘buitengebied Klavertje 4’ zoals vastgesteld op 25 juni 2013 door de gemeente Peel en Maas. Het plangebied is daarin bestemd als ‘Agrarisch —

Grondgebonden’ met een bouwvlak van circa 4.200 m?. De overige gronden binnen het plangebied, maar buiten het bouwvlak, zijn bestemd als ‘Agrarisch - Grondgebonden’. Verder gelden de volgende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen: -

Dubbelbestemming: Waarde — Archeologie - 4

-

Gebiedsaanduiding: agrarisch landschap Gebiedsaanduiding: bebouwingsconcentratie

Initiatiefneemster is voornemens om de agrarische bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. Hieraan kan invulling gegeven worden middels een zogenaamd postzegelbestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Op 23 januari 2023 is door de gemeente aangegeven dat zij, onder voorwaarden, in principe medewerking willen verlenen aan onderhavig planvoornemen.

17

5. RANDVOORWAARDEN

/ RESULTATEN

ONDERZOEKEN

Bij de herbestemming van het bestemmings- en bouwvak van een agrarisch bedrijf dient rekening gehouden te worden met (miieu-Jaspecten vanuit de omgeving en met (milieu-Jaspecten op de omgeving. Het onderzoek

naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding en

verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieu

5.1.1 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenljsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zjn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. De omgeving van onderhavige planlocatie kan het beste gedefinieerd worden als een rustige woonwijk. De milieuruimte van bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied is geïnventariseerd aan de hand van SBlcode en grootste bijpehorende VNG-afstand voor stof, geur, geluid en gevaar. De dichtstbijzjnde omliggende bedrijven betreffen de bedrijven aan de Breetse Peelweg 10, 12 en 14-16. Alle 3 deze bedrijven hebben de bestemming ‘Agrarisch — Grondgebonden’.

Binnen de plansystematiek uit de beheersverordening is binnen deze bestemming het exploteren van de volgende soorten grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan:

- _ Akkerbouwbedrijf, grootste richtafstand 30 meter (SBI 011, 012, 013) - _ Boomkwekeri grootste richtafstand 30 meter (SBI 011, 012, 013) - _ Melkveehouderij, grootste richtafstand 100 meter (SBI 0141, 0142) -

Productiegebonden paardenhouderij, grootste richtafstand 50 meter (SBI 0143)

Op de locatie Breetse Peelweg 14-16 is tevens de aanduiding ‘agrarisch loonbedrijf van toepassing. Voor een dergelijk bedrijf geldt een grootste richtafstand van 50 meter (SB 016). De werkelijke afstand, de gemeten kortste afstand van inrichtingsgrens tot uiterste vergunningsvrij e realiseren gevel, tot de locaties Breetse Peelweg 10 en 14-16 bedraagt respectievelijk 125 en 170 meter. Daarmee is voor wat betreft deze locaties sprake van een aanvaardbare ontwikkeling. De werkelijke afstand, de gemeten kortste afstand van inrichtingsgrens tot uiterste vergunningsvrij te realiseren gevel, tot de locatie Breetse Peelweg 12 bedraagt circa 16 meter. Hierbij is dus wel sprake van een overschrjding van de richtafstand. Dit betreft echter een reeds bestaande situatie. Reeds in de huidige situatie betreft de aanwezige woning een gevoelig object waarmee het bedrijf aan de Breetse Peelweg 12 rekening dientte houden. Door de functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning wijzigt ook niets in de wijze van toetsing aan deze woning bij een eventuele doorontwikkeling van het bedrijf. Met onderhavige ontwikkeling

18

worden verder geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd'toegestaan. Daarmee wordt het bedrijf aan de

Breetse Peelweg 12 dan ook niet verder in haar ontwikkelmogelijkheden beperkt dan nu reeds het geval is. Voor wat dat betreft kan dus gesproken worden van een aanvaardbare situatie. De caravanstalling en de verhuur van opslagruimten voor derden is kleinschalig van aard te noemen. Op basis van de VNG brochure is voor de categorie opslaggebouwen (verhuur opslagruimtes) een richtafstand van 30 meter voor geluid opgenomen en 10 meter voor gevaar. Deze functies mogen alleen plaatsvinden binnen de

daarvoor opgenomen aanduiding in het bestemmingsplan. Binnen 30 meter van deze aanduiding ligt geen bouwvlak c.q. bebouwing van derden. In de bestaande situatie is er sprake van een grondgebonden bedrijf waarvoor een grootste richtafstand geldt van 100 meter voor geur (bij het houden van rundvee). Er vindt dus

door onderhavig plan tevens een verkleining van de richtafstand plaats (van 100 meter naar 30 meter). Ter plaatse van omliggende woningen (0.a. Hulsingbroek 4 en Breetse Peeiweg 13) zal dan ook altijd sprake zijn van een verbetering van het woon- en leefklimaat ten opzichte van de huidige situatie.

Er kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering de andere bedrijven geen beperkingen opleveren voor onderhavig planvoornemen. Anderzijds worden door de bestemmingswijziging deze andere bedrijven en nabijgelegen woningen niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt. 5.1.2 Milieueffectrapportage Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden zijn opgenomen n de bijlage van het Besluit m.e.r.. In dit geval s de activíteit niet m.e.r.-plichtig. Het omschakelen van een agrarisch grondgebonden bedrijf naar de bestemming 'Wonen’ is niet opgenomen op de C-Iijst of D-ljst van het Besluit. 5.1.3 Geluid

Wet geluidhinder In de Wet geluidhinder

(Wgh)

is vastgesteld

dat, indien

geluidsgevoelige

objecten

(zoals

bijvoorbeeld

woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van een weg (wegverkeer), spoor (railverkeer) of gezoneerd

industrieterrein (industielawaai gezoneerd) akoestisch voorgenomen ontwikkeling behelst de herbestemming

onderzoek uitgevoerd dient te worden. De van een voormalig agrarisch bedrif. Met dit

planvoornemen worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Het aantal woningen binnen het

plangebied neemt door onderhavig initiatief niet toe, de reeds aanwezige bedrijfswoning blift behouden. Reeds bij de bouw van de woning dient gemotiveerdte worden dat sprake is van een acceptabele akoestische situatie. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet benodigd. Onderhavige locatie is verder niet gelegen binnen het invloedsgebied van een (gezoneerd) industrieterrein en/of een spoorweg. Een onderzoek naar geluidbelasting in het kader van industrielawaai of spoorweglawaai is dan ook niet aan de orde.

Milieuzonering In het

kader

van

een

goede

ruimtelijke

ordening

vindt afstemming

van

een

nieuwe

functie

in de

omgeving plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG. Bij deze richtafstanden wordt rekening

gehouden

met

milieuaspecten

als geur-,

stof en gevaarhinder,

maar

ook voor wat betreft

19

geluidhinder.

In paragraaf

5.1.1

is de toetsing

aan

alle richtafstanden

beschreven.

Hieruit blijkt dat

sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. Conclusie

Het aspect geluid vormt derhalve geen beperking voor onderhavig initiatief. 5.1.4

Luchtkwaliteit

Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaiteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die 'Niet in betekende mate' (NIBM) en 'In betekende

mate' (IBM)

bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit n beeld te brengen. De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2

infrastructuur

3.

kantoorlocaties

4

woningbouwlocaties

Onderhavig initatief behelst het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een woonbestemming. In bijlage 3A van de Regeling NIBM zijn gevallen genoemd die in ieder geval NIBM zijn. Hieronder valt onder andere een woningbouwlocatie van 1.500 of minder woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Onderhavig planvoornemen is vele malen kleiner dan een woningbouwiocatie van 1.500 woningen. Derhalve mag verondersteld worden dat onderhavig planvoornemen NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaiteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van Iuchtverontreinigende stoffen (uilaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarljks n kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fjn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland gesft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2.5 ter plaatse 8,8 ug/m®, de concentratie PM10 ter plaatse 15,5 ug/ms en de concentratie NO2 12,6 ug/ms.

In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 ug/m en voor PM10 op 40 g/ms. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 ug/ms. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat.

20

5.1.5 Bodem en grondwaterkwaliteit

In het kader van een wijziging van de bestemming van het bestemmings- en bouwvlak dient in het geval er in de boogde situatie sprake is van een meer milieugevoelige situatie te worden beoordeeld of de uiteindelijke

bodemkwaliteit

binnen

het plangebied

uit oogpunt

van

volksgezondheid

en

milieu

aan

zekere kwaliteitsnormen voldoet om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gewerkt. In dit geval wordt de bestemming omgezet van “Agrarisch - Grondgebonden" naar “Wonen’. Ter plaatse is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Gezien de resultaten uit het vooronderzoek mag worden verondersteld dat het niet waarschijnlijk is dat er verontreiniging heeft plaatsgevonden op de onderzoekslocatie.

Het aspect bodem vormt daarmee geen beperkende factor voor onderhavig plan. 5.1.6 Externe

veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarljke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als ook op het transport van gevaarlijke stoffen. De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revì) zijn voorts regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De normen voor het risico dat burgers mogen lopen als gevolg van een ongeval met transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowe! wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet.

Het transport van gevaarijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik i gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. Zoals al aangegeven is, wordt getoetst aan een plaatsgebonden- en een groepsrisiconorm die bepalen wat de maximale kans op dodelijke slachtoffers mag zijn in geval van een incident. Deze normen hebben het karakter van grenswaarden (zijnde het maximaal toelaatbaar risico) en richtwaarden in het milieubeleid. Voor ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het invloedsgebied van de risicovolle activiteit geldt een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico.

Deze verantwoordingsplicht geldt ongeacht of normen worden

overschreden.

21

Uitgangspunt voor het beleid is dat burgers voor de veiigheid in hun woonomgeving mogen rekenen op een

minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico): er mogen zich dus geen kwetsbare bestemmingen bevinden binnen de zone van het maximaal toelaatbaar risico. De kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers (groepsrisico) moet expliciet worden afgewogen en verantwoord.

Binnen een straal van 500 meter rondom het bedri zijn, aan de westzijde, drie buisleidingen gelegen op een afstand van circa 170 meter. Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden

risiconorm van de

buisleiding. Wat dat betreft vormt het aspect plaatsgebonden rísico geen beperking voor onderhavig iniiatief. Op basis van Artikel 12 van het Bevb geldt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, tevens het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord dient te worden. In onderhavig geval is echter geen sprake van de aanleg van een buisleiding en ook geen sprake van de

aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Reeds in de huidige situatie is namelijk sprake van een woning, welke door een gezin bewoond mag worden. Dat veranderd in de beoogde situatie niet. Het maakt daarbij niet uit of sprake is van bewoning van een agrarische bedrijfswoning of bewoning van een burgerwoning. Een verantwoording en/of berekening van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde. Het aspect externe veiligheid i derhalve geen beperking voor onderhavig initiatief. 5.1.7 Geurhinder en veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het exclusieve toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd). Individueel effect

Een individuele berekening van de effecten van geur op omliggende woningen

is niet aan de orde.

In

de beoogde situatie worden geen dieren in bedrijfsmatige omvang meer geurbelasting ter plaatse van omliggende woningen berekend dient te worden.

gehouden

de

waarbij

Voorgrondbelasting Een berekening ten aanzien van de voorgrondbelasting is voor onderhavig initiatief niet aan de orde. Op basis van de Wgv geldt voor een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, een vaste afstand van ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Deze afstand geldt ook reeds in de huidige situatie. Daarmee worden omliggende bedrijven dan ook niet verder in hun bedrijfsvoering beperkt dan

nu reeds het geval is. Zie ook de toetsing in paragraaf 5.1.1. Daarmee is de ontwikkeling op basis van de voorgrondbelasting van geur aanvaardbaar. Cumulatieve

Onder

de

effecten

achtergrondbelasting de

omgeving

verstaan

we

van

geurgevoelig

een

de

geurbelasting object.

als

gevolg

van

In

afbeelding

8

de

veelheid

is

een

aan

veehouderijen

in

weergegeven

uit kaart ‘Achtergrondbelasting geur scenario 1 juli 2021° uit de ‘Herijking & Monitoring

uitsnede

beleid IV'.

Uit deze kaart blijkt dat het leefklimaat ter plaatse van het plangebied ten aanzien van geurhinder beoordeeld wordt als ‘goed'. Daarbij is nog rekening gehouden met de geuremissie van de intensieve veehouderij aan de Breetse Peelweg 14-16. De vergunning voor het houden van dieren op deze locatie

is inmiddels ingetrokken, waarmee ook de geuremissie van die locatie is komen te vervallen. Op basis

22

daarvan lijkt deze naar de categorie 'zeer goed' te gaan. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is

van een aanvaardbare ontwikkeling.

0.0-3.0

zeer goed

E 30-7.4 goed []7.4-13.1 _ redelijk goed [113.1-20.0 matig 20.0-28.3 [ 128.3-38.5 [138.5-50.7 E 50.7+

E Afbeelding 8. Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting

geur scenario 1 juli 2021

tamelijk slecht slecht zeer slecht extreem slecht

uit de ‘Herijking & Monitoring

beleid IV*

Conclusie

Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat er zowel individueel als cumulatief sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die voldoet aan de geurregelgeving.

5.2 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrifszekerheid en de veiligheid van desbetreffende leiding gewaarborgd. Een dergelijke dubbelbestemming ontbreekt in de omgeving van het plangebied in de vigerende bestemmingsplannen. Bljkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) Ieidingen behoudens voor zover reeds gemotiveerd in paragraaf 5.1.6. Eveneens zijn er geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.3 Natuur De

Europese

uitgewerkt

natuurwetgeving

in de

Wet

is in Nederland,

natuurbescherming.

Deze

op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, wet

heeft

tot doel

alle

in

Nederland

in het wild

voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1

Flora en

fauna

De Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten.

23

Voor alle soorten geldt een

zorgplicht. Dat betekent dat 0.a. opzettelijke verstoring

niet is toegestaan.

Bij

uimtelijke ontwikkelingen moet naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten. Komen soorten van de beschermingsregimes voor dan is de eerste vraag of de voorgenomen actviteit effecten heeftop deze beschermde soorten. Treden er effecten op dan dient er gekeken

te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantingsen/of vaste rust- en verblifplaats te garanderen. Onderhavig initatief behelst het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een woonbestemming. Daarbij vindt geen sloop van bebouwing plaats, behoudens een afdak aan de achterzijde van de paardenstal, en wordt ook geen nieuwe bebouwing opgericht. Het valt dan ook niet

te verwachten dat (verblijfsplaatsen van) beschermde dier- en/of plantensoorten verloren gaan. Om eventuele gevolgen voor beschermde dier- en/of plantensoorten inzichtelijk te maken is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 3. Deze quickscan

is uitgevoerd door het IVN uit Helden.

Deze

partij voert regelmatig quickscans uit binnen de gemeente Peel en Maas en heeft geen verdere relatie met initiatiefnemer. Derhalve wordt deze partij onafhankelijk en ter zake deskundig geacht. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er geen bijzonderheden aangetroffen zijn. Daarmee zal een overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen niet aan de orde zijn. 5.3.2 Natura2000

De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet regelt aanwijzing, beheer en

bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura2000-gebied. Binnen een straal van 10 kilometer rondom het plangebied is één Natura2000-gebied gelegen te weten de Deumsche Peel & Mariapeel op circa 5,8 kilometer afstand.

Op

27-09-2007

milieubeheer

is voor deze

gedaan

voor

het

locatie een houden

Melding van

49

in het kader van paarden

K.1.100.

het Besluit Na

landbouwbedrijven

vaststeliing

van

onderhavig

bestemmingsplan zal voor deze locatie een nieuwe Melding in het kader van het Activiteitenbesluit ingediend worden waarbij het aantal te houden paarden teruggebracht zal worden naar 5 paarden. Tevens worden in deze melding de stalling- en opslagactiviteiten gemeld. Per saldo zal daarmee sprake

zijn van een afname van NHs emissie vanuit het plangebied doordat significant minder dieren gehouden kunnen worden. Verder maken activiteiten met landbouwmachines, zoals tractors, plaats voor activiteiten ten behoeve van de stalling- en opslagactiviteiten. Deze zullen qua aard en omvang van de activiteiten

echter

tot

minder

emissie

van

NO,

leiden

doordat

dit

met

veel

kleinere

machines

en

voertuigen zal gebeuren (hoofdzakelijk met auto, in plaats van tractor en vrachtwagen). Bij het enkel hobbymatig houden van wat paarden en de stalling- en opslagactiviteiten in plaats van de agrarische bedrijfsactiviteiten zal de emissie van NH3 en NOx vanuit de planlocatie aanzienlijk dalen. Derhalve

kan

gesteld

worden

dat

er

in de

nieuw

beoogde

situatie

geen

negatieve

effecten

op

Natura2000-gebieden te verwachten zijn. De belasting in de vorm van stikstofdepositie op Natura2000gebieden is in de huidige situatie significant groter dan deze in de nieuw beoogde situatie zal zijn. Het aspect Natura2000-gebieden vormt dan ook geen beperking voor onderhavig iniiatief.

5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven

opgebouwd

is en

hoe

rekening

op welke wijze het waterhuishoudkundig

is gehouden

met

de

(ruimteljk)

relevante

systeem

in het plangebied

aspecten

van

(duurzaam)

24

waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht

geven in het functioneren van dt systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1

Beleidskader

Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap,

het Provinciale Omgevingsvisie (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan

voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: « vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); « _ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren.

Daamaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtljn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen:

=

herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden;

= _ herstelvan de natte natuur: hetbereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;

= _ schoon water: het bereiken van een goede chermische kwaliteit voor water en sediment; =

duurzame

=

voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; eenveilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

watervoorziening:

het

beschermen

van

water

voor

menseike

consumptie,

zodanig

dat

De waterkundige waarden zijn in de POVI weergegeven op de kaarten ‘Grondwaterbescherming’ en ‘Natuur’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. 5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater De bodem

in het plangebied

boven NAP. De gooreerdgronden, grondwatertrap

is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte

varieert tussen

originele bodem bestaat volgens de digitale bodemkaart welke hoofdzakelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. Villo

en

VIlid.

Bij

beide

grondwatertrappen

bevindt

de

30,0 en 30,5 meter

van Ter

Nederland uit plaatse geldt

gemiddeld

hoogste

grondwaterstand zich op meer dan 140 centimeter beneden maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand bevindt zich op 120 tot 180 centimeter beneden maaiveld (VIIlo) of op meer dan 180 centimeter beneden maaiveld (VIlld). Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook in de directe nabijheid van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater / riolering Het huishoudelijk afvalwater is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem.

25

Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een Omgevingsverordening Limburg 2014/2021.

grondwaterbeschermingsgebied,

zoals

5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig planvoornemen wordt een bestaand agrarisch grondgebonden naar een woonbestemming.

Daarbij wordt de bestaande bebouwing

vastgelegd

in

de

bedrijf omgeschakeld

nagenoeg volledig gehandhaafd.

Eris geen sprake van het oprichten van nieuwe bebouwing, waardoor het plan uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant is. De daken van de bedrijfsgebouwen en het tuinhuis zijn niet voorzien van een dakgoot, waardoor het water dat valt op deze daken automatisch uitloopt op omliggende (in eigendom zijnde) tuin en landbouwgrond.

De woning is wel voorzien van dakgoten,

het water daarvan wordt afgevoerd naar de

tuin alwaar het kan infiltreren. Het hemelwater wordt in geen geval afgewenteld op de omgeving. Vanuit

de

bedrijfsgebouwen

is geen

sprake

aanwezig). Het enige afvalwater dat geloosd afvalwater afkomstig van de woning.

van

afvalwater

wordt

op

(geen

wasboxen,

het gemeentelijk

wc's

en

dergelijke

riool is het huishoudelijk

Waterkwaliteit

Ten aanzien van de waterkwaliteit zijn er een aantal aspecten om in acht te nemen: = _ afte koppelen dakoppervlakken mogen niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen.

=

afte koppelen verhardingen (wegen, parkeervoorzieningen en stoepen) kunnen verontreinigingen bevatten. Door tussenkomst van olie- / slibafscheidende kolken, of een voldoende brede bermpassage dient de kwaliteit van het afgevoerde hemelwater te worden gewaarborgd.

=

Aanvrager draagt er zorg voor dat het erf wordt schoongehouden zodat er geen afvalstoffen in het water terecht kunnen komen.

Concluderend kan gesteld worden dat grondgebruik en de waterhuishouding.

door

de

ontwikkeling

geen

knelpunten

ontstaan

tussen

5.5 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=5fb81362-1b9e-4976-9e9a-de180e06f3f3