2024-023 03 Toelichting (geanonimiseerd)
Tekst van het document
de nieuwe woning is dan ook een akoestisch onderzoek! uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt: = _ dat voor alle omliggende wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde;
=
dat de nieuw beoogde bedrijven/inrichtingen;
woonbestemming
geen
inbreuk
doet
op
de
geluidruimte
van
omliggende
(geanonimiseerd) ce B (geanonimiseerd) 14 ebrvari 2023 kenmerk: 23202602N < HB B.V, Akoestisch onderzoek, NNN
Vastgesteld
23
=
dateen goed woon- en leefkdimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen gewaarborgd s
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde herbestemming. 5.1.4
Luchtkwaliteit
Sinds
15 november
2007
is de Wet
luchtkwaliteit in werking en staan
de hoofdlijnen voor
regelgeving rondom
luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als erissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uidaatgassen
van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zin er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten.
De grootschalige concentratiekaart
Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel
de concentratie fijn stof (PM:s) ter plaatse
10,2 ug/m’, de
concentratie fijn stof (PM) 17,4 ug/m? en de concentratie stikstofdioxide (NO:) |6 pg/m>. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM; 25 yg/m>, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 40 Hg/m? bedraagt. Voor NO: bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 Hg/m? Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake i van een goed woonen leefklimaat.
Effect op luchtkwalteit De AMvB 'NIBM legt vast, wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de
concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een ontwikkeling altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwalieit. Voor woningen en kantoren gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
_
Woningen; maximaal 1500
= _ Kantoren;
maximaal 100.000 m? bvo
Het initiatief omvat de ontwikkeling van één woning. Dit aantal is ruim beneden het aantal van 1.500 woningen, de grens voor NIBM. Het ontwikkelen van de Ruimte voor Ruimtewoning draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit 515
Geur
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen
aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblif. De gebouwen voor huisvesting betreffen derhalve geurgevoelige objecten.
Vastgesteld
4
Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: L.
Isenblijft er sprake van een goed woon- en leefkdimaat binnen het plangebied?
2
Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijsvoering?
Goed woon en leefklimaat
De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de Wgy vastgesteld op 14 OU/m? (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele vechouder 14 OU/m? mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve vechouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste
onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De te ontwikkelen woning binnen het plangebied kan wel geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de
omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich de volgende (intensieve) veehouderijen: straat
=
Een paardenhouderij aan de Heihorst |, afstand tot het plangebied 195 meter;
= _ Een nertsenhouderij aan de Steenkampseweg 12, afstand tot het plangebied 290 meter;
= _ Een varkenshouderij aan de Langstraat 2°, afstand tot het plangebied 340 meter. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (paarden en nertsen), tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt
ruimschoots voldaan.
Bij de varkenshouderij worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze veehouderij is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bjlage |). Daarbij s alle vergunde geuremissie
binnen het betreffende agrarische bouwviak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen hoek van het beoogde bouwviak.
Nummer
X-coördinaat
Y-coördinaat 371639
43
Hoek2
189730
371 613
42
Hoek 3 Hoek 4
189770 189752
371 628 371 654
37 38
Middelpunt
189744
371 636
39
Hoek
|
189721
Langstraat 2
De hoogste voorgrondbekasting bedraagt 43 OU/m’. Op basis van de Wy s ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m’. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft
voorgrondbelasting. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen
beoordelen of er sprake s van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen (zie bilage 3). In onderstaande tabel zjn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven.
3 Dit adres staat in het KR
Vastgesteld
Limburg geregistreerd onder het adres Simonshoeksesteeg 12
25
Nummer Hoek |
X-coördinaat 189721
Y-coördinaat 371 639
Berekende waarde 69
Hoek 4
189 752
37
654
66
Middelpunt
189 744
371 636
67
Hoek 2 Hoek 3
189 730 189 770
371 613 371 628
6865
De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 6,5 en 6,9 OU/m;. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgy geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de W
geen omschrijving van wat onder een goed of
aanvaardbaar woon- en leefkimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv (welke gaat over de beoordeling van ruimelike plannen, aanvullng23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling | mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke
plannen Aan de hand van het gestelde n voornoemde handreiking s er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt
weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwalieit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van de verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten
weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is.
Milieukwaliteit
Geur gehinderden
Voorgrondbelasting | Achtergrondbelasting | 98 percentiel OU/m’ _ | 98 percentiel OU/m>
Zeer goed
<5%
<1,5
<3l
Goed
5-10%
1,5-38
3,1-7,4
Redelijk
Matig Tamelijk slecht Slecht
goed
10-15%
15-20% 20-25% 25-30%
3,8-6,6
7,4-13,1
Zeer slecht
30-35%
192-253
385-50,7
Extreem slecht
Concluderend
66-10 10-142 142-192
35-40%
13,1-20 20283 783385
253:328
kan derhalve het volgende gesteld worden.
>507
In het kader van een goede
ruimtelijke ordening moet
aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vinde
toetsing plaats aan de wettelijke norm van 14 OU/m? voor buiten de bebouwde kom. De norm voor buiten de bebouwde kom val in de milieukwaliteisklasse “tamelik slecht” (0,0 tot 14,2 OU/m’). Op grond hiervan wordt afgeleid dat buiten de
bebouwde
kom
een
milieukwaliteit
“tamelijk
slech”
aanvaardbaar
is. Als
deze
wettelijke
normen
worden
doorgetrokken naar de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat buiten de bebouwde kom bij een norm gelegen in
de klsse 20- 283 OU/m? (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht””) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 6,9 OU/m’. Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een milieukwaliteitsklasse “goed”, waardoor gesteld kan worden da de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten
hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Effect voor veehouderijen in de omgeving
Hierboven
is gemotiveerd
grondgebonden
veehouderij
dat, om
een acceptabel woon-
en een
geurgevoelig
object
en leefkimaat te garanderen, minimaal
50
meter
dient
te
de afstand tussen een bedragen
(afstand
tussen
emissiepunten veehouderij en een geurgevoelig object).
Vastgesteld
26
Indien geurgevoelige objecten dichter dan 50 meter bij een veehouderij worden opgericht zullen deze geurgevoelige objecten de bedrijsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden binnen een agrarisch bouwvlak van betreffende veehouderij
belemmeren. Het is dan namelijk niet toegestaan voor betreffende veehouderij emissiepunten te realiseren. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de W
voor wa betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots
voldaan.
Daarnaast geldt da bestaande geurgevoelige objecten welke n de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn
gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De nieuwe woning, welke verder van de intensieve veehouderijen wordt gepositioneerd dan bestaande woningen, heeft derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen. 5.1.6
Externe
veiligheid
Bij ruimtelijke onowikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor
externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de
aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: = Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi =
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb):
= _ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel
beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.
Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: linen
die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 106 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen
kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10 contour niet als grenswaarde, maar als een
richtwaarde.
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke onowrichting. Het GR wordt bepaald binnen
het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd zezag
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met
het
invullen
van
de
verantwoordingsplicht
wordt
antwoord
gegeven
op
de
vraag
in
hoeverre
externe
veiligheidsrisicos in het projectgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht
is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de
gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten
wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschilende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Vastgesteld
27
Bron Inrichtingen (Bevi}
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Alijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen
Buisleidingen (Bevb) Spoor,
(Bevt)
Rijks-
en
Alijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen waterwegen | Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de
oriëntatiewaarde
Indien de verantwoordingsplicht nietjuist i uitgewerkt terwil it wel verplicht is, an dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de
verantwoordelijheid voor het ‘restrisico’ dat overblijt nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen
Afbeelding 10. Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied rood omcirkeld}
Imventarisatie risicobronnen
Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart ligt circa 165 meter ten westen de N279. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Transport gevaarlijke stoffen Risicovol transport kan plaatsvinden over de N279, welke circa 165 meter ten westen van het plangebied ligt. Op basis van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van de N279 zich bevindt op de weg zelf
en dat de overschrijdingsfactor van het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van de N279 vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde onowikkeling Condusie
Binnen het plangebied worden geen verminderd/beperkt zelfredzame personen gehuisvest. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, wegen of leidingen. Het aspect externe veiligheid vormt
derhalve geen belemmering in het kader van onderhavig bestemmingsplan.
Vastgesteld
28
5.1.7
M.e.r.-beoordeling
Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben,
een mileueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordr invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De vormvrije m.e-r-beoordeling is aljd nodig als een besluit wordt voorbereid over activieiten die voorkomen op de D-Ijst en die onder de drempelwaarden liggen. Voor de vormvrije m.e.r-beoordeling gelden twee voorwaarden:
© _ het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-jst van het Besluit m.err. © _ de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten over activiteiten die niet op de DI
staan is de vormvrije m.e.r-beoordeling dus niet nodig In dit geval is er
sprake van de bouw van | woning, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling (die wel op de D-lijst is
benoemd). Een vormvrije m.e.r-beoordeling is daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig. Desondanks is er geen sprake van negatieve milieugevolgen op het moment dat dit plan wordt gerealiseerd. Dit i aangetoond door middel van dt bestemmingsplan en de uitgevoerde onderzoeken.
5.2
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.3
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet
natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeff tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna
Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de sloop van de bestaande schuur
en de realisatie van de nieuwe woning hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie‘ uitgevoerd. Vleermuizen: mogelijke verstoring viegroutes en foerageergebied De laanbomen aan de weg Heihorst fungeren mogelijk
als vaste vliegroute en/of foerageergebied van veermuizen. Deze
bomen blijven behouden maar om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen
alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden
geplaatst; van de bomen
af omlaag gerichte
straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrij led
armaturen (Zoogdiervereniging, 201 |) of rood licht (Spoelstra et al, 2017).
(geanonimiseerd) «e B (geanonimiseerd) 19 iancari 2023 * Faunaconsul, Flora= en auna-inspecie N
Vastgesteld
29
Om te voorkomen dat de vleermuisvloerroute en/of foerageergebied word verstoord s een voorwaardelike verplichting opgenomen. In de voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat binnen een straal van 10 meter vanaf de laanbomen aan
de Heihorst alleen leermuisvriendelijke buitenverlichting mag worden geplaatst. Tevens wordt een bebouwingsvrije zone gecreëerd tussen de nieuwe woning en de weg en daarmee de bomenrij doordat het bouwvlak van de woning op enige afstand van de weg af is gesitueerd. Algemeen
voorkomende
grondgebonden zoogdieren en amfibieën
In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd.
Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vristelling geldt in geval van ruimtelijke onewikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.I
Wnb); deze houdt in dat
nadelige gevolgen voor dieren en planten alijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaast. Natura2000
Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Groote Peel,ligt op 27 kilometer afstand
van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle actvíteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden
een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 2,7 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een iniiatief op een Natura2000-gebied en kan
een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NO, of NH:), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwalieit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.
Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend.
Met onderhavig initiatief wordt een Ruimte voor Ruimte woning gerealiseerd aan de Heihorst. In het kader van het initiatief wordt een bestaande schuur gesloopt en ter plaatse wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De exacte effecten van de sloop-, bouw: en gebruiksfase op de Natura2000- gebieden is berekend middels AERIUS Calculator. Sloopfase In het kader van het initatief wordt een bestaande schuur gesloopt. Bij de sloop van de schuur wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden van en naar de locatie verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een erissie van stikstof. Deze emissie is berekend.
Voor de inzet van (mobiele) werkeuigen s uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van
een (bijgebouwen (abel 3. Er is uitgegaan van een worst-case scenario waarbij de sloop van de schuur 2 werkdagen van 8 uur in besag neemt. De overige werkzaamheden worden uitgevoerd door elektrisch aangedreven machines, zoals een elektrische hoogwerker. Elektrisch aangedreven machines hebben geen uitstoot NOx.
Vastgesteld
30
Tabel . Te gebruiken mobiele werkwigen voor de sloop
»
E5 :
Graafnachine Laadschop Buldbzer Total
ä
-
c
$É
ÈESR
5
5ë
zor1 zor1 zor1
b
Diesel Diesel Diesel
S
z
_
ä3 e
ë3 z e &ä
E
200 200 200
@ 88 8
i
c
5
OE 3L IE LS IE
=
S
H
ii
5$
g
&
£
äj r
694 502 76 SO 76 247
’* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO
Ten tijde van de sloopfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dageljks zal personeel (bouwakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Er is
uitgegaan van 2 bedrijfsbusjes per eumaal, dit betreft middelzwaar verkeer. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto's voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 2 vrachtwagens aanwezig zijn. ToE
SE
PE
Afbeelding I. Uitsnede berekening AERIUS Calculator sloopfase
Tijdens de sloopfase is sprake van een toename van 26,5 kg NO,. Dit eidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een
toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar cq. negatief effect voor wat betreft stikstofdeposiie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief (zie bilage 2: AERIUSberekening sloopfase). Bouwfase
Het voornemen bestaat om aan de Heihorst een nieuwe Ruimte voor Ruimte woning te realiseren. Bij de realisatie van
de woningen en de inrichting van het perceel wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof, deze emmissie is berekend.
Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen (tabel 4).
Vastgesteld
31
Tabel 4. Mobiele werkwigen
)3
e3
3!
Ë“ £
3
ü
U)
>
j° a
Betonpomp
2014
Diesel
200
50
5
Mobiele hijskraan Graafmachine Laadschop
Totaal
2015 2014 2014
xe
i&
Diesel Diesel Diesel
100 200 200
35
BÏjszjf
a
a
D
7
50 60 60
8 E 8
3!o
SS 194
63 0
12 1.324 265
0 92 0
64
17 16 88
18,5
’* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO
Ten tijde van de verbouwing vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dageljks
zal personeel
(bouwvakkers)
de bouwlocatie
bezoeken
om
bouwwerkzaamheden
aldaar te verrichten.
Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 4 bedrijsbusjes per etmaal. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto's voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de
druste da 6 vrachtwagens aanwezig zijn. Renen
STE
RTT
T
Afbeelding 12. Uitsnede berekening AERIUS Calculator bouwfase
Tijdens de bouwfase is sprake van een toename van 23,3 kg NO,. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een
toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar cq. negatief effect voor wat betreft stikstofdeposiie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief (zie bilage 3: AERIUSberekening bouwfase). Gebruiksfase
Als gevolg van onderhavig intiatief kan de emissie van stikstof vanuit het plangebied toenemen vanwege het gebruik van
de woning en de toename van verkeer van en naar de locatie. Sinds | juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer, derhalve vindt de uitstoot van stikstof in het geval van de nieuwe woning uitsluitend plaats door verkeer van en naar de locatie.
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie parkeren; van parkeercijfers naar parkeerormen’.
381
‘Toekomstbestendig
Er is uitgegaan van de functie ‘koop, huis, vristzand en van het
gebiedstype buitengebied in matig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8.6 verkeersbewegingen.
Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initatief dageliks 8,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 43 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen).
Vastgesteld
32
Vanwege het karakter van het i
iatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lchte voertuigen
betreffen (personenauto's). 7
m
PT
ventsoe n
T
oo g t
o no
Afbeelding 13. Uitsnede berekening AERIUS Calculator
Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NO, met 0,3 kg/jaar toeneemt vanuit
de locatie. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden (zie bijage 4: AERIUS-berekening gebruiksfase).
5.4
Waterhuishouding
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en
hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied igt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg, In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeer gerealiseerd te worden.
541
Beleidskader
Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POV|), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese
Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden.
De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: = _ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); = _ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infitreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met
het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen:
=
Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden;
=
Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur:
=
Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;
=
Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is;
Vastgesteld
33
=
Een vellige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.
Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te
worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfitreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt
afgewenteld op de omgeving. 5.4.2
Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie)
Bodemgesteldheid en grondwater
Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als laarpodzolgronden bestaande uit lemig fjn zand. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Oppentaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Op ruime afstand (circa 380 meter), ten noordwesten van het plangebied, bevindt zich de Donklossing. Dit betreft een primaire
watergang van het waterschap. De Keur van het waterschap is op al deze watergang van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van
het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevind zich ruimschoots buiten deze zone. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd.
Afvalwater ! riolering Het afvalwater van de nieuwe Ruimte voor Ruimtewoning zal worden aangesloten op het gemeentelik rioleringsstelsel. Grondwaterbescherming Het plangebied maakt onderdeel uit van een boringsvrije zone. Binnen deze boringsvrije zone is het niet toegestaan om een boorput of bodemenergiesysteem
te maken (of te hebben) die dieper zijn dan de bovenkant van de Bovenste
Brunssumklei. Daarnaast is het niet toegestaan om werken op of in de bodem uit te voeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Met het initiatief wordt geen boorpur of bodemenergiesysteem gerealiseerd. Daarnaast zijn er geen werken op of in de
bodem beoogd die de Bovenste Brunssumklei aantasten. 5.4.3
Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie)
De gemeente Peel en Maas streeft naar het afkoppelen van hemelwater. Nieuwbouwwoningen in de gemeente worden
standaard niet meer op het riool aangesloten voor de afvoer van hemelwater.
Bij de nieuwe woning zal het hemelwater dan ook op eigen terrein worden opgevangen. De opperviakte van ca. 250 m?
verharding geeft met een bui T= 100 een hoeveelheid regenwater wat afgevoerd moet worden van 25 m’. Dit zal geleid worden naar de infitratiewadi, op de aangegeven plek op aangrenzende perceel, daar erf vrij beperkt is. Als “zaksloot” aan de rand van het weitje past dit hier mooi. Hier kan het regenwater infitreren. Met de GHG van 1,20 meter onder
maaiveld is er meer dan afdoende bufferruimte om het water kwijt te kunnen. Waterschap Limburg heeft middels een vooroverleg reactie aangegeven positief in te kunnen stemmen met de wijze waarop het hemelwater wordt opgevangen en de kans krijg om te infitreren.
Vastgesteld
34
Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Sinds I september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wetis een raamwet
die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.
Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.
Afbeelding 4. Uitsnede archeologische waardenkaart
De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart i het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemrming ‘Waarde — Archeologie — 2' toegekend. In de archeologische dubbelbestemming zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 100 m? opperviakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van te voren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 100 m? bedraagt
De archeologische dubbelbestemrming blift gehandhaafd. Als de gestelde ondergrenzen worden overschreden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorie
Metde komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie
mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en strueturen. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benuting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.
Vastgesteld
35
In de nabijheid van het plangebied is een woning gelegen die is opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MP van de provincie Limburg. Dit betreft de boerderij Heihorst |4. De uit 1880 stammende boerderij s daarin beschreven
als een project in de bouwstil traditionalisme dat van belang i omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft. Het oprichten van een nieuwe woning ten zuiden van deze woning heeft geen nadelige gevolgen op de (belevings-) waarde
van dit pand. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig iniiatief.
5.6
Verkeer en parkeren
Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen.
Het is
daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het
parkeren. Verkeer
De nieuwe woning zal worden ontsloten via de Heihorst. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Gekeken wordt naar het buitengebied in een matig stedelijk gebied. De nieuwe woning zal op basis daarvan 7,8 — 8,6 motorvoertuigen per etmaal genereren.
Gezien het profiel van de weg zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen door slechts één nieuwe woning goed kunnen verwerken. Parkeren
Het parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein. Gezien de omvang van het plangebied kan worden voorzien n minimaal 'twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.
5.7
Volksgezondheid
Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar
mensen
ziek van kunnen worden
zoals Q-koorts
of Salmonell.
Daarnaast
kunnen
fijnstof en endotoxinen
(celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In Noord-Limburg wonen veel mensen in de buurt van een of meerdere vechouderijen. Sommige mensen vragen zich af ofhet ongezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen. Daarom is een grootschalig onderzoek gedaan naar de gezondheid van omwonenden bij veehouderijen.
In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden onderzoek
is gekeken
naar de gezondheidseffecten
bij omwonenden
(VGO). In dit
van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging
afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden — aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resutaten nog eens extra bevestigd te krijgen.
Endotoxine (pluimwee- en varkenshouderijen) Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom vechouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fn)stof emissie
afkomstig van veehouderijen.
Vastgesteld
36
In de omgeving van het plangebied is een intensieve vechouderij gelegen op een afstand van circa 340 meter. Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en de intensieve vechouderij voldoende is om een goed woon- en eefklimaat
te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. Geïtenhouderien in de omgeving
Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico's lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geïtenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de
GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelik te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geïtenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geïtenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet.
Het plangebied ligt buiten deze richtafstand rondom geïtenhouderijen. Er i derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Vastgesteld
37
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Het voorliggende bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toeliching gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels.
Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas”.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven
met een gekleurd vlak met de leters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing, Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk
gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge
verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is volledig bestemd tot Wonen’ en aan het plangebied is een bouwvlak toegekend. Het hoofdgebouw
(zijnde de woning) en bijgebouwen dienen binnen dit bouwviak te worden opgericht. Tevens is aan het plangebied de functieaanduiding 'specifieke vorm van groen — landschappelike inpassing Helhorst ongenummerd Meijel’ toegekend zodat wordt geborgd dat het gebruik van de locatie voor woondoeleinden pas is toegestaan indien de landschappelijke inpassing
is opgesteld, uitgevoerd en n stand wordt gehouden. Daarnaast is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen — voorwaardelijke verplichting’ opgenomen waarmee wordt gewaarborgd dat binnen 10 meter van de laanbomen aan de Heihorst vleermuisvriendelijke verlichting wordt gebruikt.
Voor het plangebied zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone — grondwaterbeschermingsgebied roerdalslenk zone 3 ‘kernrandzone’,
‘ontwikkelingszone
bebouwingslinten’,
‘reconstructiewetzone
— verwevingsgebied’
en wro-zone
—
wijzigingsgebied | ob' en de dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie - 2' opgenomen zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval s.
6.2
Toelichting op de planregels
Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” van de gemeente Peel en Maas.
De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:
=
Hoofdstuk |: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;
=
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld;
=
Hoofdstuk 3: Algemene
regels, waaronder zijn opgenomen
de anti-dubbeltelregel en algemene
afwijkings- en
wijzigingsregels: =
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
Vastgesteld
38
Het belangrijkste doel van de regels is om de bouw- en gebruiksregels van de nieuwe bestemrmingen aan te geven. 6.2.1
Inleidende regels
Begrippen (arükel 1) In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en
waarbij verschilln in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelik zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP2012. Wijze van meten (arikel 2) Hierin word aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en opperviakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.
6.2.2
Bestemmingsregels
Ter verkrijging van een logische opbouw wordt de navolgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden voor de opgenomen bestemmingen:
snwnr-
Bestemmingsomschrijving Bouwregels Spedifieke gebruiksregels (indien noodzakelijk)
Afwijken van de gebruiksregels (indien noodzakelijk) Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden (indien noodzakelijk) Wijzigingsbevoegdheid (indien noodzakelijk)
In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in woningen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de
toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichteliker is. In de specifieke gebruiksregels staat aangegeven welke gebruik in ieder geval strijdig is met de bestemmingsomschrijving:
Van de gebruiksregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning voor meer gebruiksmogelijkheden (afwijken van de gebruiksregels). In de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen onder welke voorwaarden een bestemming omgezet kan worden naar een andere bestemming.
In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij wordt, conform SVBP2012, een alfabetische volgorde aangehouden. Anikel
3 Wonen
Ten behoeve van de geprojecteerde woning is een woonbestemming opgenomen. Binnen het bouwvlak is één woning inclusief aan huis gebonden beroep toegestaan. Het hoofdgebouw (de woning) dient binnen het bouwvlak opgericht te
worden. De maximale goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 respectievelijk 9 meter. De inhoud van de woning en bijgebouwen mag maximaal 1.000 m? zijn. Er mogen bijbehorende bouwwerken worden opgericht met een maximale goothoogte van 3,3 meter en met een maximale bouwhoogte van 6 meter. Burgemeester en wethouders
kunnen, onder voorwaarden, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan voor het aan huis uitoefenen van een Bed en Brealast en voor mantelzorg.
Vastgesteld
39
Arikel 4 Waarde — Archeologie — 2 Voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde is een dubbelbestemming Waarde — Archeologie - 2'
opgenomen ten behoeve van de instandhouding daarvan. Dit volgt uit het gemeentelijk archeologiebeleid, als opgenomen in de Structuurvisie buitengebied. Voor gebieden aangewezen met deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod, met uitzondering van het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken met een bodemverstoringsopperviakte van minder dan
100 m? of die minder diep reikt dan 40 cm onder maaiveld, voor bouwwerken ten behoeve van archeologisch onderzoek en bouwwerken waarvoor reeds een vergunning is verleend. Onder voorwaarden is het mogelijk om af te wijken van de bouwregels. In het betreffende gebied is tevens een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen voor wat betreft het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden, waarvoor de genoemde ondergrenzen bodemverstoring van toepassing zin.
6.2.3
Algemene regels
In artikel 5, de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dt grond die eenmaal n aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering s gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen
buiten beschouwing blijft Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander
bouwwerk.
In artikel 6 zijn algemene bouwregels opgenomen, met daarin regels voor ondergrondse bouwwerken en ondergeschikte bouwdelen. In artikel 7 zijn de algemene gebruiksregels opgenomen met daarin een algemeen gebruiksverbod en wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. In artikel 8 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen met de regels omtrent
de aanduidingen ‘milieuzone — grondwaterbeschermingsgebied roerdalslenk zone 3' ‘overige zone — kernrandzone', ‘overige zone — ontwikkelingszone bebouwingslinten', ‘reconstructiewetzone — verwevingsgebied' en ‘wetgevingszone — wijzigingsgebied | ob’. Deze regels zijn overgenomen uit het moederplan. In artikel 9 zijn de algemene afwijkingsregels
opgenomen en in artikel 10 de algemene wijzigingsregels. Deze verschaffen Burgemeester en Wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn In artikel |1 zijn de overige regels opgenomen, met een verwijzing naar de wertelijke regelingen.
6.2.4
Overgangs- en slotregels
In de bepaling Overgangsrecht (artikel |2) is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.
In de Slotregel (artikel 13) is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Vastgesteld
40
7.
HANDHAVING
Het handhavingstoezicht ten aanzien van bestemmingsplannen wordt uitgevoerd door medewerkers van de gemeente Peel & Maas. Met betrekking tot dit handhavingstoezicht wordt gestreefd naar samenwerking tussen de gemeentelijke afdelingen en diensten die een controlerende functie hebben zoals de inspecteurs omgevingsvergunningen
en naar
samenwerking met niet-gemeentelijke instanties, ©. de politie. Deze samenwerking komt tot uiting in het periodieke handhavingsoverleg waaraan verschillende gemeentelijke afdelingen
en de politie deelnemen. De samenwerking moet uiteindelij leiden tot een integraal handhavingsbeleid.
Vastgesteld
4
8.
UITVOERBAARHEID
8.1
Economische
EN
PROCEDURE
uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd
De gemeente ontwikkelt zelf deze Ruimte voor Ruimtewoning, de betreffende gronden zijn dan ook in eigendom van de
gemeente.
Kosten worden terugverdient door uitgifte van de bouwrijpe grond.
Kostenverhaal s hiermee anderszins
verzekerd.
Voor de planlocatie is een grondexploitatie opgesteld, waarin de kosten en baten tegen elkaar zijn afgezet. Uit de grondexploitatie blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar i.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap,
met andere gemeenten van wie de belangen i het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. De
ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning in het buitengebied
is niet opgenomen
op de provinciale
uizonderingenlist. Vooroverleg met de provincie is dan ook noodzakelijk.
Vooroverleg met Waterschap Limburg is niet noodzakelijk, omdat er geen belangen van het waterschap in het geding zijn en er slechts een
beperkte
hoeveclheid
nieuw
verhard
oppervlak
wordt gerealiseerd (beduidend
minder
dan de
ondergrens van 2.000 m?). 8.2.1
Inspraakprocedure
Het bestemmingsplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure.
8.2.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artkel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties.
De
ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimtewoning in het buitengebied
is niet opgenomen
op de provinciale
uitzonderingenljst. Vooroverleg met de provincie is dan ook noodzakelijk
De provincie Limburg heeft in de mail van 23 mei 2023 het volgende aangegeven: “Het plan s beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u dit plan op deze wijze voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen”. Het bestemmingsplan is daarnaast nog voorgelegd aan waterschap Limburg. Waterschap Limburg geeft in de mail van 25 april 2023 het volgende aan: “Plan ziet er goed uit, al het hemelwater infitreert binnen het plangebied”.
Vastgesteld
4
8.2.3
In gesprek met Peel en Maas
De toekomstige bewoners van de Ruimte voor Ruimte woning (zijnde de bewoners van de woning Heihorst 14) hebben
gesproken met de bewoners van de Heihorst 7a, |2 en |6. De toekomstige bewoners van de Ruimte voor Ruimte woning hebben met de omwonenden gesproken over het initiatief. De toekomstige bewoners hebben aangegeven dt zij bezig zijn met een bestemmingsplan wijziging zodat ten zuiden van hun woning een nieuwe woning kan worden gerealiseerd. De bewoners van de Helhorst 16 vinden het een mooie kans voor de initiatiefnemers en zijn benieuwd naar de definitieve ontwerpen iv.m. de privacy. De bewoners van de Heïhorst 16 hopen dan ook dat zij kunnen worden meegenomen in
het proces en dat rekening met hun privacy wordt gehouden. De bewoners van de Heihorst 12 vinden het een leuk plan en een mooi vooruitzicht. De bewoners geven aan dat zij geen overlast zullen vormen aangezien er genoeg ruimte i.
De bewoners van de Heihorst a geven aan dat zij het een goed initiatief vinden en vinden het goed dat op eigen terrein gebouwd kan worden en hebben geen problemen met de bouwplannen. Een verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen als bijlage 5 behorende bij onderhavig bestemmingsplan.
8.2.4
Zienswijzenprocedure
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 20 oktober 2023 U/m I december 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het onowerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend
8.3
Procedure
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van | juli 2008. De wettelike procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan.
De procedure ziet er als volgt uit =
Vooroverleg met betrokken instanties;
=
Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan:
=
Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;
=
Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden
ingebracht; = _ Vaststelling van het bestemmingsplan doo de gemeenteraad binnen 2 weken: =
Algemene
bekendmaking
van
het bestemmingsplan
door
terinzagelegging met
voorafgaande
kennisgeving
en
toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;
= _ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; =
Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, enzij binnen deze
termijn een verzoek om een voorlopige bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vastgesteld
voorziening
is ingediend
bij
de
Voorzitter
van
de
Afdeling
43
Gegenereerd op:
19-01-2023
berekend met : V-Stacks Vergunning 2020
Release juli 2020
{C) DNV GL
Page
Naam van de berekening: Voorgrondbelasting Heihorst 14 M
Gemaaktop: Rekentijd:
2023-01-19
14:01:23
0:00:31
Naam van het bedrif: Heihorst ongenummerd Meijel Berekende
ruwheid: 0,252 m
Brongegeven:
sono
Langstraat 2 stal 1
189354
371
404
35
05
400
16606
60
Langstraat 2 stal 2
189380
371427
35
05
400
4738
60
Langstraat 2 stalS
189385
371414
35
19
051
2576
60
Langstraat 2 stal 4
189388
371
402
35
19
057
2898
60
Langstraat 2 stal 5
189390
371391
35
19
0,36
1803
60
Langstraat 2 stal 5
189373
371463
35
13
057
11592
60
Geur gevoelige Io
7
1
189 721
371639
140
43
8
2
189730
371613
14,0
42
9
3
189 770
371
628
14,0
37
10
4
189 752
371
654
140
38
1
5
189 744
371
636
14,0
39
1
Gegenereerdop:
371850
19-01-2023
_ berekend met : V-Stacks Vergunning 2020
Release juli2020
(c) DNV GL
Page
2
-
Heihorst ongenummerd Meijel
371750
+
10
371650 /
371550
+
371450
+
371350
189300
9
+
+
+
+
1
189400
189500
189600
189700
189800
a AERIUS
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen
stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort,
of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
=
Overzicht
=
Samenvatting situaties
=
Resultaten
=
Detailgegevens per emissiebron
Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer, Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
a AERIUS
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Bureau Leefomgeving schoolstraat7, 596LEE Horst
Activiteit Omschrijving
Toelichting
Heihorstongenummerd Meijel Ssloop schuur
Berekening AERIUS
kenmerk
Datum berekening
Rekenconfiguratie
Rblno6Vm7xCS
16 juni 2023, 10:29 Wnb-rekengrid
Sloopfase-Beoogd
Rekenjaar 2023
Resultaten
Hoogstebijdrage
Totale emissie
Sloopfase-
_
EmisieNHs 60,3g/j
26,3kg/j
Hexagon
Gebied
Emissie
NO+
Beoogd
Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste
toename
Grootste afname
Rb1n06VmTxCS (16 juni 2023}
2/6
[+]
Projectberekening
AERIUS
Sloopfase (Beoogd), rekenjaar 2023
Emissiebronnen Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | slooplocatie
&
Rb1n06VmTxCS (16 juni 2023}
Verkeersnetwerk
Emissie NH3
Emissie NO,
1228/j
24,7kg/j
48,1g/j
1,7 kg/j
3/6
n
Projectberekening
a AERIUS
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
& ,
á
W
&
é
,
o
x
#
*
7
s mo„s“
#
oo
>
ë
Ste
IS
3 &&
&
%, M e
9
&& &
3
o
4$& s
*
<
D7 Ússe, e
,
K
e
%
5 8
w27s n
siee
®
s
&
f
o
,
a o
ë
5 £ &
ESë
Katsber
Katsberg
4
x E
500m
ë E
Roggelse Dijk
T Hatitatrichtijn D vos: Ù [D] Vogetrichtlijn, Habitatrichtlijn E Niet bepaald Vogelrichtlijn
@ Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) © ® Hoogste totaal (achtergrond + ‚
‚
projectberekening)
De letters bij de bronlabelsop de kaart geven bij welke type situatiesde bronnen horen:
beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). Rb1n06VmTxCS (16 juni 2023)
416
[+]
Projectberekening
AERIUS
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Sloopfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend(ha
_
gekarteerd)
_
Hoogstetotale
Mettoename
depositie(mol
(hagekarteerd)
_
N/hajjr) Totaal
Rb1n06VmTxCS (16 juni 2023}
-
Grootste
Metafname(ha
toename(mol
gekarteerd)
N/hajjr) -
-
Grootste __
afname (mol N/hajj)
-
-
5/6
[+]
Projectberekening
AERIUS
Sloopfase,
Rekenjaar 2023
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie
slooplocatie X:189744,34
NO, NH3
24,7kgij 122g/j
Y:371633,99
Oppervlakte
9,l1ha
Naam
Stageklasse
Brandstof.
Draaiuren AdBlue
verbruik
Graafmachine
Stage-llIB,2011-2013,75-560kWdiesel, SCR:nee
_ 624l/j
stof Emissie
verbruik
16 u/j
NO, NH:
Laadschop
Stage-IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, diesel,
502 l/j
16u/j
NOx
T6
NH3
kgij 3,8g/j
SCR:nee Bulldozer
_
Stage-llIB,2011-2013,75-560kWdiesel, SCR:nee
_ 502l/j
16 u/j
94 kg/j 478/j
NO, NHs
7,6 kg/j 3,8g/j
Wegverkeer | Weg Naam Locatie
sloopverkeer x:189691,99 Y:371849,58
Typescherm
Links e
Lengte
453,39 m
Hoogte
e
Tunnelfactor
1
Wegtype Rijrichting Typehoogteligging Weghoogte Verkeer
Buitenweg Beiderichtingen Normaal om Max, snelheid
Lichtverkeer
Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Afstand tot de weg
Voorgeschreven factoren
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Rechts
e
NO. NO:
L7kgij 0,4kg/j
N#
481
Voertuigbewegingen
Infile
0,0p/etmaal
0,0%
2,02,0 p/etmaal p/etmaal 0,0p/etmaal
0,0% 0,0% 0,0%
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen
aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie
2022.1_20230606_5eladbf5a8
Database versie
2022.1_5eladbf5a8
Voor meer informatie over de gebruikte methodieken data zie: https://www.aerius.nl/
Rb1n06VmTxCS (16 juni 2023)
6/6
a AERIUS
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen
stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort,
of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
=
Overzicht
=
Samenvatting situaties
=
Resultaten
=
Detailgegevens per emissiebron
Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer, Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers