2024-021 03 BP Toelichting (geanonimiseerd)
Tekst van het document
op de locatie Molenbaan
13 te Meijel, zowel binnen als buiten de woningen rondom
de inrichting als
redelijk betiteld kan worden. Er dient wel rekening gehouden te worden met het volgende:
e
De zijkanten van de buitenrennen vóór het 2e kennelgebouw (gebouwnr. 7 dienen afgezet te worden met gesloten schermen (hoogte 2 meter). Zie hiervoor bijlage 2.
°
Buitenom de buitenkennels tegen de oostzijde van het 2e kennelgebouw (gebouwnr. 7) dient een gesloten afscherming gerealiseerd te worden met een hoogte van 2 meter. * _ Deze afschermingen dienen ges/oten te zijn en een minimale massa te hebben van 10 kg/m2
24
Schiettrainingen Het
schietgeluid
met
het
testpistool
is
afzonderlijk
beoordeeld,
conform
de
Circulaire
Schietlawaai.
De
richtwaarden van zowel Lknal als Lr worden overschreden. De testen met de pistoolschoten zijn noodzakelijk bij de opleiding
van de betreffende
honden.
Er dient te worden
beoordeeld of deze piekgeluiden
een mogelijk
negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat. Bronmaatregelen zijn niet wenselijk, omdat dan aan het doel van de schoten voorbij wordt gegaan. De honden worden immers gebruikt in tal van (bedreigende) situaties waarin het gebruik van pistolen mogelijk Ís. Maatregelen in de vorm van schermen zijn uit praktisch oogpunt niet realistisch, aangezien er dan zeer hoge schermen geplaatst zouden moeten worden in het oefenterrein (> 8 meter hoog). Samen met de initiatiefnemers is de bedrijfsvoering doorgelicht en bekeken op welke manier deze piekgeluiden in aantal en tiijd kunnen worden beperkt, waardoor een acceptabel woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het is mogelijk om het aantal momenten en de tijd dat de schiettrainingen plaatsvinden verder te beperken. In overleg met de gemeente Peel en Maas is dan ook besloten om in de regels van het bestemmingsplan venstertijden op te nemen die de schiettrainingen in aantal en tiijd beperken. Door het opnemen van de venstertijden ontstaat er een duidelijk begrensd kader waarbinnen de schiettrainingen en de hogere piekgeluiden mogelijk zijn. In combinatie met een zorgvuldige informatievoorziening kan ondanks de hogere piekgeluiden toch een acceptabel woon- en leefklimaat voor omwonenden
worden gegarandeerd.
4.2.3. Conclusie
Het aspect
'geluid’ vormt
met
in acht name
van
bovenstaande
maatregelen
geen
belemmering
voor
het
‘Agrarisch
Intensieve
planvoornemen. 4.3. Het
Bodemkwaliteit
planvoornemen
voorziet
in
het
wijziging
van
de
bestaande
bestemmingen
—
veehouderij en ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Bedrijf”. Indien een bestemmingsplan een gevoeligere functie mogelijk
maakt,
dus
bijvoorbeeld
een
burgerwoning,
kan
een
bodemonderzoek
noodzakelijk
zijn.
De
voorgenomen wijziging betreft geen wijziging naar een functie die in het kader van het aspect ‘bodemkwaliteit’ gevoeliger is dan de bestaande functie.
Ook vindt als gevolg van het planvoornemen geen sloop van opstallen
plaats.
Een bodemonderzoek is in het kader van dit planvoornemen dan ook niet noodzakelijk. 4.3.1.
Conclusie
Het aspect ‘bodemkwaliteit’ geen belemmering is voor het planvoornemen. 4.4.
Luchtkwaliteit
Als primair kader voor onderzoek en beoordeling van de luchtkwaliteit geldt de Wet luchtkwaliteit (WIk 2007). Deze wet vormt een onderdeel van de Wet milieubeheer en is een vertaling van Europese regelgeving ten aanzien van luchtkwaliteit in de Nederlandse wetgeving. In de Wik 2007 worden regels en richtlijnen
aangegeven
betreffende
hoe
met
concentraties
van luchtverontreinigende
stoffen,
De stoffen
die worden
gereguleerd
zijn stikstofdioxiden,
stikstofoxiden,
zwaveldioxide,
deeltjes
(PM10), lood, benzeen en koolmonoxide. opgenomen. betekende
Verder mate’
is een AMvB
om
te gaan
In de WIk 2007 zijn grenswaarden,
opgesteld,
waarin
wordt gesteld
plandrempels en
dat indien een
bijdraagt aan de luchtkwaliteit, deze niet wordt belemmerd
zwevende
nieuwe
alarmdrempels situatie
niet ‘n
door de wetgeving. Ten eerste
25
worden er voor alle voorgenoemde parametersgrenswaarden gesteld.
Grenswaarden geven een
buitenluchtkwaliteit aan dat op een gegeven moment moet zijn bereikt of in stand dient In de WLK 2007 zijn verschillende grenswaarden opgenomen met daarbij een termijn
niveau van de
te worden gehouden.
waarop de luchtkwaliteit
uiterlijk aan de grenswaarden dientte voldoen. 4.4.1.
Een
project
NIBM
is NIBM
van maximaal
3%.
wanneer
De
3%
grens
concentratie fijnstof (PM10) PM10als
NO2.
Het
NSL
het
aannemelijk
wordt
is dat
gedefinieerd
als
of stikstofdioxide (NO2).
is vanaf
augustus
2009
het
een
3%
van
toename de
kracht,
de
concentratie
grenswaarde
Dit komt overeen van
van
zodat
voor
veroorzaakt
de jaargemiddelde
met 1,2 microgram/m3 voor zowel de 3%
grens
aangehouden
dient te
worden.
Een project is NIBM op het moment fijnstof of stikstofdioxide overschrijd. ontsluitingsweg juridische
wordt
regeling
aangemerkt voor
medewerkers en het atelier.
het
dat het project in zijn geheel de grens van Ter vergelijking, een project van 1.500 als
bestaande
NIBM.
Het
planvoornemen
voorziet
hondenopleidingscentrum,
in een
3% concentratie woningen met nieuwe
hondenpension,
van één
planologisch-
huisvesting
van
Alle bedrijfsactiviteiten hebben verkeersbewegingen tot gevolg. In paragraaf 4.12
wordt inhoudelijk ingegaan op het aspect ‘verkeer en parkeren’. In totaal hebben de verschillende bedrijfsactiviteiten jaarlijks 7641 verkeersbewegingen tot gevolg. Met 236 vrachtbewegingen is het percentage vrachtverkeer ca. 3%.
Aan de hand van de NIBM-tool (versie 31-08-2020) is een NIBM-berekening uitgevoerd. In deze NIBM-berekening zijn 21 verkeersbewegingen als weekdaggemiddelde ingevoerd en is gerekend met een percentage van 3% vrachtverkeer. De berekening toont aan dat het planvoornemen NIBM bijdraagt aan de concentratie fijnstof in de lucht. Op basis van de uitgevoerde NIBM-berekening blijkt dat het project NIBM biijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate"
vachtverkeer
NO; in ug/m? PMo in ug/m? in ug/m?
0,02 0,00 1,2
Conclusie
Figuur 8: NIBM-tool, versie 31 augustus 2020 (www.infomil.nl)
4.4.2. Conclusie
Het aspect fijnstof’ s geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
26
4.5. Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen A vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 4.5.1. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
EN l
\D
E @ consmertenwwee
6P zone 1 viegve l
B
)'\<
zonec
@ zoen
Figuur 9: Uitsnede risicokaart (www.risicokaart.nl}
Het groepsrisico
beschrijft de kans
ten gevolge
een
van
maatschappelijke
ongeval
ontwrichting
met
dat een
groep
gevaarlijke
in geval
van
een
van
10 of meer
stoffen. ramp.
Het Het
personen
groepsrisico
groepsrisico
gelijktijdig komt te overlijden geeft
wordt
een
indicatie
uitgedrukt
in een
van
de
grafiek,
waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van een huisvestingsvoorziening voor stagiaires. Hiermee neemt het aantal personen binnen het plangebied toe ten opzichte van de huidige situatie. Omdat het plangebied niet binnen een bestaande risicocontour valt en op het bedrijf geen risicovolle objecten aanwezig zijn heeft dit geen gevolgen voor het groepsrisico.
27
Het plaatsgebonden
risico neemt als gevolg van het planvoornemen ook niet toe. Het planvoornemen voorziet
niet in de toevoeging van risicovolle objecten. 4.5.2. Besluit Er moet
Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI)
getoetst
worden
aan
een ontwikkeling
(beperkt)
kwetsbare
woningen,
scholen,
erin
de
of in
bedrijven en
het
ziekenhuizen,
nabijheid
van
transportroutes),
In de directe omgeving
het
Beví
en de richtlijnen
objecten
worden
voor
hotels,
restaurants. In het
plan
sprake
of dat
risicovolle
is van
vervoer van
toegestaan.
kader van
risicovolle
activiteiten
gevaarlijke
(Beperkt) het
plan
activiteiten
worden
stoffen
kwetsbare moet
(zoals
wanneer
objecten bekeken
bij
zijn 0.a.
worden
Bevi-bedrijven,
of
BRZO-
toegestaan.
liggen geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een toetsing aan
het Bevi is niet noodzakelijk. 4.5.3.
Conclus
Het aspect ‘externe veil
heid’ is geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6. Milieueffectrapportage Een
ruimtelijke ontwikkeling
kan
leiden
tot een
m.e.r.(beoordelings)-plicht.
beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden Besluit, of de drempelwaarden worden
Om
te bepalen
of de ontwikkeling voorkomt
of een
m.e.r.{-
in lijst C of lijst D van het
overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er
belangrijke milieugevolgen zijn. Het planvoornemen voorziet enkel in het planologisch-juridisch vastleggen van de activiteiten van het hondentrainingscentrum. Deze activiteiten komen niet voor n lijst C of D, waardoor geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden. De ontwikkeling is hierdoor niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. 4.6.1.
Conclusie
Het Besluit MER is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.7. Geur
4.7.1. Wev
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wgv heeft uitsluitend betrekking op veehouderijen waar landbouwhuisdieren worden gehouden. Honden en katten worden overeenkomstig de Wgv niet gezien als landbouwhuisdieren, de paarden die binnen de grenzen van de inrichting worden gehouden zijn dat wel. Voor paarden zijn in de Regeling geurhinder een veehouderij geen geuremissiefactoren vastgesteld, het betreft dus een diersoort waarvoor vaste afstanden van toepassing zijn. In de Wgv is bepaald dat voor een dierenverblijf waarin dieren worden gehouden waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, een minimale afstand geldt van 100 meter tot een geurgevoelig object binnen
de bebouwde kom en 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De kortste afstand van een dierenverblijf tot het dichtstbij liggende gevoelig object op Molenbaan 16 bedraagt
ca. 89 meter. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstandsnorm van 100 meter voor gevoelige objecten binnen de bebouwde kom. Deze woning ligt buiten de bebouwde kom. Alle andere gevoelige objecten liggen op grotere afstand de dierenverblijven. 4.7.2.
Conclusie
Het aspect ‘geur is geen belemmering voor het planvoornemen.
28
4.8. Wet natuurbescherming 4.8.1. Algemeen De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van
soorten
in een
Natura
2000-gebied
kunnen
verslechteren
kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen
of een
significant verstorend
effect
(artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van
stikstof zijn een belangrijk aspect. Vanaf 2008 is de vergunningverlening moeizaam verlopen. Weliswaar daalt de stikstofdepositie
op
aangetoond
deze
dat
landelijk geen
niveau
nog
significante
steeds,
maar
negatieve
voor
individuele
gevolgen
hebben
gevallen voor
de
kan
vaak
natuur.
In
niet
worden
2015
is
de
Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) inwerking getreden om de vergunningverlening in het kader van de Wet Natuurbescherming weer op gang te brengen. Op
29
mei
2019
heeft
de
Afdeling
bestuursrechtspraak
van
de
Raad
van
State
(ECLI:NL:RVS:2019:1603)
geconcludeerd dat het PAS niet als toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt ‘vooruitlopend’ op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor gebieden.
natuurgebieden,
De toebedeling van
toekomstige ‘ontwikkelingsruimte’ aan nieuwe projecten is vanaf dat moment niet meer toegestaan.
4.8.2. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 (ECL:RVS:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:RVS:NL:RVS:2019:1604) heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRVS) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna te noemen
“PAS")
niet als basis gebruikt
mag
worden
om
toestemming
te verlenen
voor activiteiten die een
stikstoftoename op stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000-gebieden tot gevolg hebben. 4.8.3. Vervallen bouwvrijstelling Op
2 november
2022
is de algemene
bouwvrijstelling door een
uitspraak van de Raad
van State komen
te
vervallen. Door de bouwvrijstelling was het niet noodzakelijk om in de sloop-, bouw- en/of aanlegfase de effecten op natura2000-gebieden
in beeld te brengen en een natuurvergunning aan te vragen. De Raad van State heeft
echter geoordeeld dat het niet uit t sluiten is dat de natuur in de sloop-, bouw: en/of aanlegfase schade oploopt. Daarmee voldoet de bouwvrijstelling niet aan het Europees natuurbeschermingsrecht. Door het vervallen van de
bouwvrijstelling dient voor elk plan een voortoets (Aerius-berekening) en indien noodzakelijk een passende beoordeling te worden
uitgevoerd
om
aan te tonen
of mogelijke
schade
aan de natuur optreed.
Ook
voor
onderhavig planvoornemen is middels een Aerius-berekening in beeld gebracht of sprake i van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden.
4.8.4. Verschilberekening In bijlage 3 van deze toelichting zijn de Aerius-berekeningen, inclusief een onderbouwing van de invoergegevens,
opgenomen. Het planvoornemen voorziet niet in sloop- en/of bouwactiviteiten. Voor het planvoornemen is dan ook enkel de gebruiksfase n beeld gebracht met behulp van de Aerius-calculator versie 2022. In de uitgevoerde verschilberekeningen is de gewenste situatie afgezet tegen de referentiesituatie. Feitelijk hebben p het bedrijf geen veranderingen plaatsgevonden die leiden tot een andere beoogde situatie dan de referentiesituatie. Alle verkeersbewegingen, mobiele bronnen en cv-ketels waren immers ook al tijdens referentiesituatie aanwezig op het bedrijf. Deze relevante bronnen zijn destijds echter, conform de gehanteerde systematiek voor Wnb-vergunningaanvragen, niet opgenomen in de Wnb-vergunning. Uit
de
berekeningen
bliijkt
dat
de
toekomstige
bedrijfsactiviteiten
niet
leiden
tot
een
toename
van
stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Tegelijkertijd met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt
29
een verzoek tot intrekking van de vleeskalveren op de milieuvergunning ingediend.
Op deze wijze is verzekerd
dat de berekende interne saldering ook daadwerkelijk plaatsvindt. Uit de uitgevoerde Aerius-berekeningen
blijkt dat het planvoornemen geen stikstofdepositie tot gevolg heeft.
Het planvoornemen heeft dan ook geen significant negatieve effecten op Natura2000-gebieden Conclusie
Het planvoornemen heeft geen significant negatieve effecten op natura2000-gebieden. 4.8.5. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is in de Wet natuurbescherming (Wnb) geregeld. Deze bescherming wordt
op
verschillende
manieren
uitgevoerd.
Zo
is er een
verbod
om
beschermde
planten
te plukken
of
beschermde dieren te doden of te vangen. Ook andere handelingen die dier- en plantensoorten kunnen bedreigen zijn verboden of slechts onder voorwaarden toegestaan. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in het wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora
en fauna, achterwege moeten blijven. Op grond van artikel 1.11 van de wet (die de algemene zorgplicht regelt) moet schade aan soorten zoveel mogelijk worden voorkomen of worden beperkt. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd. Het planvoornemen voorziet niet in een groter ruimtebeslag of het slopen van opstallen of verhardingen. In die zin is dan ook geen negatieve invloed op mogelijke waardevolle flora en fauna te verwachten. De huidige bedrijfactiviteiten worden al vele jaren uitgevoerd. De directe omgeving is dan ook gewend aan alle activiteiten die op het bedrijf plaatsvinden. Deze activiteiten zouden als ‘nieuwe’ activiteit mogelijk gevolgen kunnen hebben voor waardevolle fauna n de omgeving. Denk hierbij aan de schiettrainingen, het geblaf van honden en het gebruik van de trainings- en paardenweides. Het zijn juist deze activiteiten die jaarrond in dezelfde frequentie plaatsvinden. Door het jarenlange constante uitoefenen van dezelfde activiteiten is de omgeving, inclusief fauna n de omgeving, gewend geraakt aan deze bedrijfsactiviteiten. Daarnaast vinden op ca. 100 meter ten westen van het planvoornemen dagelijks verschillende bedrijfsmatige activiteiten plaats die geluiduitstraling en andere effecten op flora en fauna in de omgeving tot gevolg hebben. De trainings- en paardenweides worden
dagelijks intensief gebruikt voor het trainen van honden
en paarden.
Daarnaast worden deze weides enkele keren per jaar met machines bewerkt. Het betreft hier onder andere
het
maaien van de weides. Omdat de gronden intensief gebruikt worden zijn deze niet geschikt als fourageer-, nestelof schuilplaats voor dieren.
Ook als vestigingsgebied voor planten zijn de weides, vanwege het intensieve gebruik,
niet geschikt. Een landschappelijk inpassingsplan is onderdeel van dit planvoornemen.
De landschappelijke inpassing zorgt daar
waar mogelijk voor een versterking van de groen- en landschapsstructuren in de omgeving.
Dit kan de directe
omgeving op termijn ook beter geschikt maken als fourageer-, nestel- of schuilgelegenheid voor dieren. Conclusie
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen geen significant negatieve effecten heeft op de gunstige instandhouding van (waardevolle) flora en fauna binnen het plangebied. Het aspect ‘soortenbescherming’is geen belemmering voor het planvoornemen. 4.8.6. Conclusie
De Wet natuurbescherming is geen belemmering voor het planvoornemen.
30
Bij
4.9.
Water
het
4.9.1. Algemeen opstellen van een
bestemmingsplan
De
hiervoor
worden.
‘watertoets’
van waterproblemen, principe
is
zoals
van Hydrologisch
blijven
aan
moeten
worden, zodat
het
wateroverlast Neutraal
de oorspronkelijke het
dienen
en
verdroging.
Ontwikkelen,
situatie.
waarbij
Dit betekent
oppervlaktewatersysteem
belast dan voordien. Hiermee
waterhuishoudkundige
toetsinstrument.
wordt het functioneren
Het
doel
de
belangen
meegewogen
watertoets
is
plannen
dienen
te
voldoen
hydrologische
situatie
minimaal
Nieuwe de
van
dat voldoende
compenserende
na realisatie
van
de verharding
van het watersysteem
het
aan
gelijk
maatregelen
het moet
genomen
niet zwaarder
als geheel gediend
te
voorkomen
wordt
(grondwater
en oppervlaktewater). 4.9.2.
Hemelwater
Het planvoornemen voorziet enkel in het opnemen van de huidige bedrijfsactiviteiten en het mogelijk maken van de huisvesting van stagiaires in een planologisch-juridische regeling. Het planvoornemen ziet dan ook niet
direct toe op de bouw van nieuwe gebouwen en/of bouwwerken of het aanleggen van nieuwe verhardingen. De huidige bebouwing en verhardingen op het bedrijf worden gebruikt ten behoeve van de bedrijfsvoering. Omdat geen toename van bebouwing of verharding plaatsvindt is de realisatie van nieuwe infiltratievoorzieningen niet noodzakelijk. In de huidige situatie is er geen overlast voor omliggende percelen bij extreme regenbuien (T-100 bui van 100 mm in 24 uur). Mocht de huisvestingsvoorziening voor de stagiaires gerealiseerd gaan worden in een nieuw gebouw dan zal voor dit nieuwe gebouw het hemelwater worden afgekoppeld in een daarvoor nog nieuw te realiseren infiltratievoorziening. 4.9.3.
Conclusie
Het planvoornemen heeft geen negatieve invloed op de waterkwaliteit en/of -kwantiteit in de directe omgeving.
4.10. 4.10.1.
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie
In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De bescherming van mogelijke archeologische waarden in de bodem is vastgelegd in het archeologisch beleid van de gemeente. Daarnaast zijn ter bescherming van deze waarden dubbelbestemmingen ‘Waarde Archeologie' opgenomen in het vigerend bestemmingsplan. Binnen het plangebied liggen de dubbelbestemmingen
‘Waarde
— Archeologie 3' ‘Waarde — Archeologie 4' en ‘Waarde
— Archeologie 5’. Het
planvoornemen ziet niet toe op de bouw van nieuwe gebouwen en/of bouwwerken of andere activiteiten die het roeren van de bodem
binnen
het plangebied tot gevolg kunnen
negatieve gevolgen voor mogelijke archeologische waarden
hebben. Het planvoornemen
in de bodem.
heeft geen
Het uitvoeren van een archeologisch
onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. 4.10.2.
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied liggen geen cultuurhistorisch waardevolle objecten. Het planvoornemen heeft daarnaast geen
negatieve
ruimtelijke impact op mogelijke cultuurhistorisch
aspect ‘cultuurhistorie’
waardevolle objecten
in de omgeving.
Het
is geen belemmering voor het planvoornemen.
31
Conclusie
Het aspect ‘cultuurhistorie’ is geen belemmering voor het planvoornemen. 4.10.3.
Conclusie
De aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
4.11. 4.11.1.
Verkeerskundige aspecten Verkeer
De verschillende bedrijfsactiviteiten hebben een verkeersaantrekkende werking. Het merendeel van deze bewegingen bestaat uit de dagelijkse bewegingen van personeel. Van maandag tot en met zaterdag zijn op het bedrijf 8 auto’s (8 bewegingen in de morgen en 8 einde middag) van personeel aanwezig. Op de zondagen betreffen dit 4 auto's (4 bewegingen in de morgen en 4 halverwege de middag). Daarnaast zijn er dagelijks 16 privé-bewegingen. Bezoekers van het bedrijf zorgen voor 8 bewegingen per week, de dierenarts voor 8 bewegingen per week en het halen en brengen van honden van het hondenpension zorgt voor 2 bewegingen per week. De inkoop van honden zorgt voor 4 bewegingen per week, de verkoop zorgt voor 2 bewegingen per maand, tijdens testdagen van US Army zorgt voor 72 bewegingen per jaar en het halen van voer met eigen vervoer zorgt voor 2 bewegingen per maand. De vrachtbewegingen bestaan uit het brengen van voer (2 bewegingen per maand), het brengen van zaagsel (2 bewegingen per maand), de afvoer van mest van de paarden (8 bewegingen per jaar), de afvoer van uitwerpselen van de honden
(8 bewegingen
per jaar) en het bewerken
van enkele gronden
met tractoren (168 bewegingen
per jaar). In tabel 4 is een overzicht van het totaal aantal verkeersbewegingen opgenomen. In totaal vinden van en naar het bedrijf
in het ‘worst-case scenario’ maximaal 21 bewegingen
(personenauto's
en vrachtauto's) naar het bedrijf plaats. Het percentage vrachtverkeer betreft ca. 3%. De huidige infrastructuur en ontsluiting van het bedrijf is goed genoeg om deze verkeersaantallen op efficiënte wijze af te kunnen wikkelen. Het bedrijf ligt net bedrijventerrein.
buiten
het bedrijventerrein.
De Molenbaan
De infrastructuur van het bedrijventerrein
is aangesloten
op de infrastructuur van
het
is ingericht op een goede afwikkeling van hogere
aantallen verkeer en hogere percentages vrachtverkeer. De bedrijfsactiviteiten worden al jaren uitgevoerd op de ocatie en ten opzichte van de huidige situatie vindt dan ook geen stijging van het aantal verkeersbewegingen
plaats. Tot op heden zijn n de ontsluiting van de directe
omgeving en het aangrenzende bedrijventerrein geen knelpunten of belemmeringen geconstateerd. Het aantal verkeersbewegingen
leidt dan
ook
niet tot problemen
met de verkeersafwikkeling
of verkeersveiligheid
ter
plaatse. Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de verkeersafwikkeling of de verkeersveiligheid in de directe omgeving. Tabel : Overzicht verkeersbewegingen
Personenauto's Personeel/stagiaires Dierenarts Voer halen (eigen vervoer) Transport honden (inkoop) Transport honden (verkoop) Testdagen US Army Hondenpension (brengen/halen) Atelier
Bezoekers hondenopleidingscentrum
Type Perjaar Auto 5408 Auto 416 Bestelbus 26 Bestelbus 208 Bestelbus 26 Bestelbus 73 Auto 104 Auto
Auto
104
208
Per Per Per dag 450 52 15 35 8 <1 2 <1 <1 18 4 <1 2 <1 <1 69 22 <1<1
maand
week
9
18
2
4
<1
<1 32
Privé-bewegingen
Auto
Totaal
832
69
16
1
7405
617
142
20
Vrachtauto
<1
<1<1
<1
<1<1
<1
(honden)
Vrachtauto Tractoren
26
Afvoer uitwerpselen (paarden) Bewerken eigen percelen
Tractoren Tractoren
8 168
<1 14
<1 3
<1 <1
Vrachtbewegingen/Tractoren Levering voer
Zaagsel
Afvoer uitwerpselen
Totaal
4.11.2.
268 236
20
5
<1<1 <1
Parkeren
Op het bedrijf zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig voor personenauto's en bestelbussen om te parkeren. Ook gedurende de testdagen kunnen personenauto's en bestelbussen voor langere tijd op het bedrijf geparkeerd worden. Het laden en lossen van vrachtwagens, alsmede het manoeuvreren kan ook op eigen terrein plaatsvinden waardoor geen verkeersonveilige situaties ontstaan of de doorstroming van het verkeer belemmerd
kan worden.
4.11.3.
Conclusie
De verkeerskundige aspecten vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
4.12.
(Hoogspan
gs)Leidingen en infrastructuur
Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn in het bestemmingsplan geen dubbelbestemmingen
en/of beschermingszones opgenomen ten behoeve (ondergrondse) kabels of leidingen. Het aspect ‘kabels en leidingen’ is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.13.
Duurzaamheid
Het planvoornemen voorziet in het vastleggen van de huidige bedrijfssituatie in een planologisch-juridische regeling. Enkel de huisvesting voor de stagiaires zal op termijn nieuw worden gebouwd. Bij eventuele nieuwbouw
van gebouwen en/of bouwwerken wordt gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitlogende materialen om vervuiling van schoon komende
hemel- en grondwater te voorkomen.
Daar waar mogelijk worden
op het bedrijf de
jaren verdere investeringen gedaan om het energieverbruikte beperken.
33
5. Haalbaarheid 5.1. Economische
uitvoerbaarheid
De kosten voor het te realiseren planvoornemen zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemers. Ook voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid.
Het plan betreft geen bouwplan
in het
kader van de GREX. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk. De landschappelijke inpassing en aanvullende kwaliteitsbijdrage zijn geborgd in een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst tussen de initiatiefnemers en de gemeente. Kostenverhaal vindt plaats via leges. De initiatiefnemer, die eigenaar van de betreffende gronden is, fungeert als financiële drager van het onderhavige project en hebben voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk. Met de gemeente worden een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst gesloten.
5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onderhavig
planvoornemen
hondenopleidingscentrum,
voorziet
in
het
het hondenpension,
planologischjuridisch
het bestemmingsplan
maken
van
het
de huisvesting voor stagiaires en het atelier. Alle activiteiten
betreffen bestaande activiteiten di al vele jaren worden herziening van
mogelijk
uitgevoerde
uitgevoerd op deze locatie. De in het kader van deze
beoordelingen
van
de verschillende
milieuaspecten
tonen
daarbij aan dat milieukundig geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het planvoornemen. Ook omliggende
functies worden door het planvoornemen niet onevenredig belemmerd in het dagelijkse bedrijfsvoering en/of toekomstige
ontwikkelingsmogelijkheden.
Een
landschappelijk
inpassingsplan
is
onderdeel
van
het
planvoornemen en zorgt ervoor dat de locatie wordt ingepast in de directe omgeving.
Op basis van de in deze toelichting uitgevoerde toetsing blijkt dat het planvoornemen voldoet aan alle relevante (milieu-) wet- en regelgeving en beleidsregels. Alle ontwikkelingen worden volledig op ofin eigendom(men) van
de
initiatiefnemers
gerealiseerd
en
hebben
geen
nadelige
gevolgen
voor
de
exploitatie
en/of
ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies.
Het gewenst planvoornemen heeft geen negatieve effecten op omliggende bedrijven en/of woningen. Derhalve mag worden aangenomen dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan. Conform de gebruikelijke procedure wordt dit plan zes weken in ontwerp ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren waardoor de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen gegarandeerd
is.
5.3. Omgevingsdialoog De initiatiefnemers hebben
de direct omwonenden
adressen,
de
met
in
het
kort
reactie
op
het
geïnformeerd over het initiatief. Het betreft de volgende
plan.
Uit de
omgevingsdialoog
is gebleken
dat
tegen
het
planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan vanuit de directe omgeving. 34
6. Juridische planopzet 6.1. Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan
bestaat uit een verbeelding,
de regels betreffende
de bestemmingen
en
voorliggende toelichting.
6.2. Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Tevens s voor de bestemmingen binnen het plangebied aangesloten op de systematiek die de gemeente Peel en Maas hanteert in het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas”.
6.3. Toelichting op de regels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
e _ Inleidende regels. e _ Bestemmingsregels. e _ Algemene regels.
e Voor
Overgangs- en slotregels. het vormgeven
van
de
regels
is aansluiting
gezocht
bij de vigerende
bestemmingsplanregels
van
het
bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” van de gemeente Peel en Maas. Waar mogelijk zijn de regels uit
dit plan ongewijzigd overgenomen. 6.3.1. Inleidende regels In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. Daar waar
begrippen
zijn gedefinieerd
in het Bro of de SVBP2012
zijn deze overgenomen.
De
begripsbepalingen
(artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc. 6.3.2. Bestemmingsregels Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Bedrijf — Niet agrarisch verwant’ en ‘Natuur’. De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene gebruikt
bewoordingen
mogen
aangegeven
worden.
onder
welke
wordt aangegeven Deze
waarvoor
bestemmingsomschrijving
voorwaarden
bebouwing
van
de gronden, waaraan
de bestemming
is toegekend,
wordt
gevolgd
door
de
waarin
deze
gronden
is toegestaan.
bouwregels,
Afhankelijk
staat
van
de
bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, specifieke gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning), omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken (voormalige sloopvergunning) en wijzigingsbevoegdheden. Ook kunnen afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik zijn opgenomen (voormalige ontheffingsbepalingen). In de beschrijving van de beoogde situatie in paragraaf 2.3 is de achtergrond van de wijze van bestemmen nader toegelicht, evenals de wijziging ten opzichte van de huidige juridisch-planologische regeling.
35
6.3.3. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 4: Anti-dubbeltelregel De
anti-dubbeltelbepaling
moet
op
grond
van
het
Besluit
ruimtelijke
ordening
worden
opgenomen
om
ijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 5: Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt aangegeven welk gebruik voor het gehele plangebied in elk geval als strijdig gebruik wordt beschouwd.
Artikel 6: Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de regels en voorwaarden die gelden binnen de algemene aanduidingen, zoals op de verbeelding weergegeven, opgenomen. Het betreft in dit wijzigingsplan enkel de aanduiding ‘Voorwaardelijke verplichting — landschappelijke inpassing’ waarmee het landschappelijk inpassingsplan als voorwaardelijke verplichting is geborgd in de regels van dit wijzigingsplan. Artikel 7: Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van een aantal in het plan gestelde maten, afmetingen, grenzen en (neven-)functies, voor zover het ondergeschikte aanpassingen betreft. Ook biedt dit artikel de mogelijkheid om
met afwijking kleine openbare gebouwtjes, zoals nutsgebouwtjes
en
wachthuisjes toe te staan en beperkte verhogingen van gebouwen binnen het plangebied. Artikel 8: Algemene wijzigingsregels In deze regels zijn de algemene wijzigingsregels opgenomen waarvan dit wijzigingsplan
betreft
het enkel
een
bevoegdheid
van
het
het bevoegd gezag gebruik kan maken. In
bevoegd
gezag
om
de
inhoudsmaat
van
de
bedrijfswoning uit te breiden boven de bestaande maximale maat. 6.3.4. Overgangs- en slotregels In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd
in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is
voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.
36
7. Inspraak, overleg en procedure 7.1. Vooroverleg De ontwerp herziening van het bestemmingsplan ‘Molenbaan 13, Meijel’ wordt overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betrokken overheidsdiensten en instanties. De
provincie Limburg wordt in elk geval pro-actief verzocht het plan te beoordelen en hun eventuele vooroverlegreactie kenbaarte maken. Het pro-actief betrekken van het Waterschap Limburg is in het kader van dit planvoornemen niet noodzakelijk omdat het planvoornemen geen gevolgen heeft voor de waterkwaliteit of -kwantiteit en niet voorziet in een uitbreiding van de verharding.
7.2. Zienswijzen Na de inspraak en het vooroverleg doorloopt de herziening de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. De reacties en resultaten worden te zijner tijd in de toelichting van het bestemmingsplan vermeld. Mochten
zienswijzen hiertoe aanleiding geven, dan wordt de herziening van het bestemmingsplan
aangepast.
De raad steltde herziening van het bestemmingsplan vast. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt vervolgens nog zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Tijdens deze ter inzage termijn hebben
belanghebbenden
de
mogelijkheid hun bezwaren tegen eventueel gewijzigde planonderdelen kenbaarte maken middels een beroep bij de Raad van State. Tegen ongewijzigde onderdelen ten opzichte van het ontwerpplan staat uitsluitend beroep open
voor
diegenen
die
daaromtrent
eerder
een
zienswijze
hebben
ingediend,
dan
wel
aantoonbaar
verschoonbaar zijn.
37
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Molenbaan 13, Meijel
38
Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Molenbaan 13, Meijel
39
Bijlage 3: Aerius-berekeningen Molenbaan 13, Meijel
40
Bijlage 4: Verslag omgevingsdialoog
41