CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-021 03 BP Toelichting (geanonimiseerd)

Raad 19 maart 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen herziening bestemmingsplan "Molenbaan 13 te Meijel" (2024-021)14.151 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Molenbaan 13, Meijel Toelichting

MAES RUIMTELIJKE

ONTWIKKELING

ND MAES RUIMTELIJKE

ONTWIKKELING

Bestemmingsplan Molenbaan 13, Meijel

Toelichting

Locatie:

Molenbaan 13, Meijel

Opgesteld door:

(geanonimiseerd) |

Datum:

17 augustus 2023

IMRO-code:

NL.IMRO.1894.BPL0266-ONO1

Inhoudsopgave 1

Inleiding

21.

Huidige situatie

ouwuwu

22.

Planvoornemen

10

23.

Landschappelijke

11.

Aanleiding

12.

Ligging & plangebied

1.3.

Leeswijzer Planvoornemen

2.

3.

en kwaliteitsbijdrage

Beleid

10

12

31.

Rijksbeleid

3.2.

Provinciaal

3.3.

Gemeentelijk

12

beleid

beleid

Randvoorwaarden

4

14

15

20

4.1.

Bedrijven en milieuzonering (BMZ)

20

42.

Geluid

24

4.3.

Bodemkwaliteit

25

44.

Luchtkwaliteit

25

4.5.

Externe veiligheid

27

4.6.

Milieueffectrapportage

28

4.7.

Geur

28

4.8.

Wet natuurbescherming

29

4.9.

Water

31

4.10.

Archeologie en cultuurhistorie

31

4.11.

Verkeerskundige aspecten

32

4.12.

(Hoogspannings)Leidingen en infrastructuur

33

4.13.

Duurzaamheid

33

5.

Haalbaarheid

34

51.

Economische

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

34

5.3.

Omgevingsdialoog

34

Juridische planopzet

35

6.

7.

inpassing

uitvoerbaarheid

34

6.1.

Planstukken

35

6.2.

Toelichting op de verbeelding

35

6.3.

Toelichting op de regels

35

Inspraak, overleg en procedure

37

7.1.

Vooroverleg

37

7.2.

Zienswijzen

37

Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Molenbaan 13, Meijel

38

Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Molenbaan 13, Meijel

39

Bijlage 3: Aerius-berekeningen Molenbaan 13, Meijel

40

Bijlage 4: Verslag omgevingsdialoog

41

1. Inleiding 1.1. Aanleiding Op de Molenbaan

13 in Meijel wordt door

hondenopleidingscentrum

geëxploiteerd.

Dogcentre Op

het

Holland

bedrijf

B.V., hierna te noemen

worden

werkhonden

‘initiatiefnemer’, een

van

verschillende

rassen

(Mechelse, Duitse en Hollandse herders, kruisingen van deze herders, jachthonden en retrievers e.d.) en verschillende kruisingen getraind en opgeleid voor verschillende doeleinden. De honden worden door intensieve trainingen opgeleid tot speur-, dienst-, detectie- en patrouillehonden of een combinatie van deze types. Op de locatie, waar eerst een rundveebedrijf was gevestigd, zijn in de loop der jaren vele faciliteiten ten behoeve van het hondenopleidingscentrum. Zo zijn in de bestaande opstallen kennels en verschillende trainingsruimtes ingericht voor de training van de honden. Het bedrijf beschikt daarnaast over een wasruimte, enkele afzonderingsruimtes, en trainingsweides waar enkele keren per jaar schiettrainingen worden gehouden. Het trainen van de honden is een arbeidsintensief proces. In de bedrijfsvoering wordt veel gebruik gemaakt van stagiaires die gedurende periodes van enkele weken tot verschillende maanden op het bedrijf werkzaam zijn. De initiatiefnemer wenst deze stagiaires op een kwalitatief goede wijze te huisvesten. Gezien de huidige krapte op de woningmarkt blijkt het vinden van geschikte tijdelijke woonruimte vaak astig. De initiatiefnemer wil dan ook eigen huisvesting voor stagiaires ontwikkelen op de locatie om kwalitatieve huisvesting te kunnen bieden aan haar eigen medewerkers. Daarnaast worden

op de locatie door de initiatiefnemers sinds enkele jaren ook enkele kennels verhuurd

als

hondenpension. In deze kennels kunnen alle hondenrassen tijdens vakanties worden opgevangen. Naast de bedrijfsactiviteiten ten behoeve van het hondenopleidingscentrum en de hondenkennel wordt door de initiatiefnemer nog een atelier geëxploiteerd. In de huidige langgevelboerderij, waarin ook de bedrijfswoning is gesitueerd, worden door de initiatiefneemster beelden van brons en keramiek gemaakt. Het bedrijf heeft in het vigerend bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch — Intensieve veehouderij’. Binnen deze bestemming zijn de bovenstaande activiteiten niet direct toegestaan. Op 3 september 2019 is namens de initiatiefnemer

een

principeverzoek

ingediend.

In

dit

principeverzoek

is

verzocht

om

voor

het

hondenopleidingscentrum, het pension, de huisvesting van stagiaires en het atelier een passende planologisch-

juridische regeling op te stellen. Op 22 april 2020 heeft u n uw principebesluit aangegeven met toepassing van artikel 3.1 van de Wro, medewerking te willen verlenen aan de onderstaande punten: . Legalisatie van het hondenopleidingscentrum; . De vestiging van een hondenkennel (ondergeschikt aan de hoofdfunctie); . Een huisvestingsvoorziening voor stagiaires; . De vestiging van een atelier als zijnde beroep of bedrijf aan huis tot een maximum oppervlakte van 50 m2.

Deze toelichting vormt een van de onderdelen van het bestemmingsplan voor deze locatie.

1.2. Ligging & plangebied Het plangebied ligt op circa 220 meter ten noorden van de kern Meijel. Aan

de westzijde

van

het

de

directe

buitengebied.

In

Vieruitersten,

voormalige

bedrijf ligt het omgeving

agrarische

bedrijventerrein liggen

bedrijven,

van

verschillende

Beide worden geschieden door een bos.

Meijel,

aan

agrarische

burgerwoningen

en

de

noord-

bedrijven

niet-agrarische

en

aan

oostzijde de

ligt het

Molenpeel

bedrijven.

De

en

directe

omgeving vormt de overgangszone tussen het bebouwd gebied dat wordt gevormd door de kern Meijel en het bedrijventerrein en het buitengebied. Het plangebied s kadastraal bekend als gemeente Meijel, sectie F, nummers 1774, 2273 en 2274

ë : |

E

Ë $

Gem.oeume

|

m

{&

\

……/ P

>

S6

5

\\

N e

Figuur

1:

v 4

“

D

4Â

G

f

#

\

\ W

)

e s

Î

S

f RK

Uitsnede Opentopo topografische kaart (www.pdok.nl}

Figuur 2: Plangebied (www.pdok.nl}

%°’I‚‚

7

s

,

$ 5

&

\Nd

Molenbaan &

1-

, e

K

#

EE

Verienten | :

1.3. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het de huidige en toekomstige situatie binnen het plangebied en van het planvoornemen. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevante Rijks-, provinciale-, regionale en gemeentelijke beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de verschillende milieuaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische en maatschappelijke haalbaarheid, hoofdstuk 6 op de juridische planopzet en hoofdstuk 7 gaat als laatste in op de aspecten inspraak, overleg en de procedure.

Door de initiatiefnemer wordt een hondenopleidingscentrum geëxploiteerd. Het bedrijf wordt sinds 6 jaar, na het overlijden van haar man, geëxploiteerd door de initiatiefnemer, een dochteren zoon. De zoon is voornemens het bedrijf in de toekomst

over te nemen.

Het bedri

. In de

meest

brede zin

van het woord worden op het bedrijf werkhonden van verschillende rassen (Mechelse, Duitse en Hollandse Herders, kruisingen van deze herders, jachthonden en retrievers e.d.) en kruisingen getraind en opgeleid. Op het bedrijf worden de honden opgeleidtot speur-, dienst-, detectie- en patrouillehonden of een combinatie van deze types.

figuur 3: Huidige situatie (topotijdreis.nl)

De training van de honden op het bedrijf begint als ze tussen 8 en 15 maanden oud zijn. De honden worden voor een deel uit OostEuropa gehaald. Enkele vaste leveranciers kopen de aangeboden honden veelal bij particulieren in Oost-Europa. Het betreft in veel gevallen honden die door hun eigenaar worden weg gedaan vanwege hun karakter en/of werklust. Enkele keren per jaar komen deze leveranciers met kleinere aantallen honden

naar Nederland. Enkele aangeboden

honden

worden

direct gekocht, andere honden

consignatie’ genomen. Naast honden die uit het buitenland worden gehaald worden

worden

eerst ‘In

ook honden in Nederland

aangekocht. Dit zijn bijvoorbeeld honden die hun training tot beveiligings- of politiehond niet hebben gehaald, honden die door dierenartsen worden aangedragen of door hun eigenaar door hun karakter of werklust worden weg

gedaan.

In

steeds

meer

gevallen

wordt

het

bedrijf

door

dierenartsen

benaderd

om

voormalige

gezinshonden, waarvoor hun eigenaren vaak geen andere oplossing meer zien dan ze te laten euthanaseren, op te vangen en te trainen. Veel van deze honden worden door een intensieve training uiteindelijk geschikt om te dienen

als werkhond.

Enkele keren per jaar worden

puppy's van 13 weken, als ze uit Nederland

komen, en 16 weken, als ze uit het

buitenland komen, aangekocht. Deze puppy’s worden tot een leeftijd van 8 maanden door medewerkers van het bedrijf thuis opgevoed

en gesocialiseerd

gedrag van de honden al op zeer jonge

alvorens verder te worden

getraind.

Een groot voordeel

is dat het

leeftijd kan worden getraind. Slechts 20% van alle puppy's van één nest

is echter geschikt om uiteindelijk als werkhond te worden opgeleid. Vergunningen

Op 7 december 2015 is een omgevingsvergunning voor het onderdeel ‘milieu’ verleend voor het houden van 108 honden, 328 vleeskalveren en 4 paarden. Op 29 december 2016 is tevens een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend voor het houden van 108 honden, 248 veeskalveren en 4 paarden. De best werkbare situatie ontstaat als op het bedrijf40 tot 60 honden tegelijk worden getraind. In de piekperiodes kan het echter voorkomen dat het maximale aantal van 108 honden op het bedrijf verblift. Dit betreft hoofdzakelijk de periodes dat net nieuwe honden zijn aangekocht en honden die hun opleiding volledig hebben afgerond nog niet zijn verkocht. Deze piekperiodes doen zich enkele keren per jaar voor en zijn meestal van korte duur. Training en socialisatie De training duurt, afhankelijk van de hond, tussen de 1 en 3 maanden. In deze periode hebben de meeste honden hun

basistrainingen

voltooid.

De

opleiding

transporttraining, het leren omgaan en het leren omgaan

bestaat

onder

andere

uit zoekwerk

met verschillende omgevingsaspecten

met andere dieren zoals paarden. De trainingen worden

toepassen van spelelementen. Voor de honden

en speuren,

bijttrainingen,

(vloeren, ruimtes), schiettrainingen uitgevoerd doormiddel van het

is het werk dan ook niet meer dan een spel. Een bijtmouw die

wordt gebruikt bij de bijttrainingen is in dit kader niets anders dan een beloning voor de hond. Begonnen wordt met een beloning in de vorm van een klein bijtrolletje. Dit bijtrolletje groeit uiteindelijk tijdens de trainingen uit tot een ‘bijtpak’ dat de honden als beloning zien. Internationaal netwerk

Na

een

intensieve

training

worden

de

honden

verkocht

aan

een

groeiend

netwerk

van

nationale

en

internationale afnemers. De honden worden verkocht aan politiekorpsen, douane-organisaties en verschillende defensieonderdelen

uit

de

Verenigde

Staten,

Groot-Brittannië,

Singapore,

Hongkong,

Macau,

Duitsland,

Frankrijk, China en Egypte. Het bedrijf wordt door de enkele afnemers (waaronder United States Army en British Army) enkele keren per jaar bezocht.

De honden worden tijdens deze bezoeken door de kopers in verschillende

nagebootste situaties getest. Geschikte honden worden vervolgens door de afnemers gekocht. Naast deze vaste afnemers worden ook honden verkocht aan Nederlandse bedrijven en particulieren die op zoek zijn naar werkhonden. Het betreft hier onder andere beveiligingsbedrijven in de particuliere sector. In het gehele opleidingstraject, van het aannemen tot het leveren van de honden, speelt de 50%-regel een belangrijke rol. Zo wordt ca. 50% van de aangeboden honden door het bedrijf daadwerkelijk gekocht om op te leiden Van deze honden wordt vervolgens ca. 50% binnen een periode van 3 maanden verkocht aan afnemers. Het behalen van deze 50%-score betekent voor de initiatiefnemers een bevestiging van een goede selectieprocedure en een kwalitatief hoogwaardig opleidingsprogramma. Faciliteiten

De dagelijkse bedrijfsvoering bestaat uit veel verschillende bedrijfsactiviteiten. Op het voormalige rundvee- en varkensbedrijf zijn in de voormalige veestallen alle hiervoor noodzakelijke activiteiten gerealiseerd. Zo zijn in twee voormalige varkensstallen in totaal 98 hondenkennels, met de daarbij behorende voorzieningen, aanwezig. De honden worden gehouden in ruime kennels die door het personeel elke dag volledig schoon worden gemaakt. Zeer regelmatig worden de hondenkennels daarbij ook nog extra ontsmet met behulp van een hogedrukreiniger en desinfectiemiddelen om voeropslag

ingericht.

de ziektedruk tot een

Het voer wordt

kwaliteit van het voer te garanderen

minimum

geconditioneerd

te beperken.

opgeslagen

in een

In een van deze stallen is ook een volledig afgesloten

koelcel om

de

en de verspreiding van ongedierte tegen te gaan. Naast de voeropslag

beschikt het bedrijf tevens over een volledig eigen drinkwatervoorziening.

Het drinkwater voor de honden wordt

direct uit het grondwater gehaald. In de bedrijfsgebouwen zijn tevens enkele sanitaire voorzieningen voor het personeel aanwezig. In twee voormalige stallen zijn diverse trainingsruimtes ingericht. In de gebouwen zijn kamers van verschillende

groottes, vloeren, inrichtingen, materialen en met of zonder verdieping aanwezig. In deze ruimtes worden de honden opgeleid onder verschillende omstandigheden. In de voormalige open-front stal staan trailers ten behoeve van de transporttrainingen. In de voormalige gesloten rundveestal zijn tevens enkele afzonderingskennels geplaatst voor honden die niet goed in grotere groepen functioneren.

Rond de bedrijfsgebouwen liggen enkele weides. Een deel van de weides wordt gebruikt voor de beweiding van de eigen paarden. De honden worden tijdens hun opleiding meerdere keren in combinatie met deze paarden getraind om ze te laten wennen aan deze situatie. Andere weides worden gebruikt als trainingsweides voor de honden. In deze weides worden de honden op verschillende situaties getraind. Ook vinden in deze trainingsweides, tijdens het bezoek van afnemers, verschillende tests plaats. Een van deze noodzakelijke tests zijn de schiettrainingen en =tests. Schiettrainingen Een belangrijk onderdeel worden

de honden

in de opleiding van veel werkhonden

vormen

de schiettrainingen.

ingezet onder gevaarlijke of bedreigende omstandigheden.

In veel gevallen

Het is dan in veel gevallen ook

cruciaal dan honden niet reageren op schoten in de directe omgeving. De honden worden tijdens hun opleiding enkele keren in groepstrainingen getest en getraind in hun reacties op schoten met wapens. De schiettrainingen vinden buiten in de trainingsweides plaats. 15 tot maximaal

20 weken

dagperiode.

schiettrainingen

De

in één jaar schiettrainingen vormen

daarbij

dagelijkse trainingen of de testdagen dat honden succesvol kunnen voltooien dan worden

de

In totaal vinden gedurende

plaats. Alle schiettrainingen vinden

laatste training die wordt

uitgevoerd.

plaats tijdens de Blijkt tijdens

de

niet voldoen aan andere vereisten of andere trainingen niet

hier ook geen schiettrainingen mee uitgevoerd. Dit om te voorkomen

dat onnodige schiettrainingen worden uitgevoerd.

Hiermee wordt geluiduitstraling naar de directe omgeving tot

een minimum beperkt.

In totaal worden op de locatie gedurende maximaal 40 dagen per jaar schiettrainingen verricht. De buurtbewoners worden voordat deze schiettrainingen en testdagen plaatsvinden hierover overigens al enkele jaren schriftelijk ingelicht door de initiatiefnemers. Personeel

Op dit moment zijn op het bedrijf 5 vaste medewerkers in dienst, waaronderde initiatiefnemer zelf. Het overige vaste personeel bestaat uit 4 personen die al lange tijd op het bedrijf werkzaam zijn. Naast deze vaste medewerkers heeft het bedrijf 4 parttimers (waaronder de dochter en de zoon) en 6 mensen op met een ‘nuluren’ contract in dienst. Op het bedrij zijn het gehele jaar ook meerdere stagiaires werkzaam. De stagiaires lopen stage voor een

periodes tussen de 2 en 10 weken.

De stagiaires komen

uit zowel

binnen- en buitenland en

verblijven om deze reden in de meest gevallen op het bedrijf zelf. Hiervoor hebben de initiatiefnemers op dit moment

een woonunit beschikbaar dit is geplaatst in een van de bestaande bedrijfsgebouwen,

Huisvesting stagiaires De stagiaires komen

uit zowel

binnen-

en buitenland

en de stages

hebben

een

kort en intensief karakter.

Daarnaast hebben de honden op het bedrijf gedurende de dag- en nachtperiode intensieve verzorging, controle en begeleiding nodig. Voor de initiatiefnemers is het dus een pré dat de stagiaires op de locatie zelf kunnen verblijven.

De stagiaires zijn nog studenten

woonruimte ter beschikking hebben.

die vanwege

hun

korte verblijfsduur

in veel gevallen

Dit geldt zeker voor de buitenlandse stagiaires. Gedurende

zelf geen

het hele jaar

verblijven op het bedrijf meerdere

stagiaires.

In een van de bedrijfsgebouwen

is voor de huisvesting van

stagiaires een woonunit geplaatst.

Legenda: 1. Bedrijfswoning, kantoor, atelier 2. Paardenstal privé 3. Bedrijfsgebouw: Schuur voor opslag 4. Open front-stal Trainingsfaciliteit, overkapte buitenkennels, transporttraining 5. Bedrijfsgebouw: Overdekte trainingsruimtes 6

50 binnenkennels

7

48 binnenkennels, voeropslag, drinkwatervoorziening, we personeel

8

2 Interne trainingsruimtes met verdieping, woonunitin gebouw voor stagiaires, kantine voor personeel 3 kennels voor honden personeel, werkplaats, opslag Paardenweide

Trainingsweide

figuur 4: Functies bedrijfsgebouwen en weides (uww.cyclomedia.nl) Pension

Naast het trainen van honden worden sinds enkele jaren ook enkele kennels verhuurd als hondenpension. In deze kennels kunnen alle hondenrassen tijdens vakanties worden opgevangen. Veel honden vereisen een eigen, unieke en duidelijke aanpak die in veel hondenpensions niet kan worden geboden. In het hondenpension mogen de honden gewoon ‘hond’ zijn door actief het contact met andere honden

te stimuleren tijdens het verblijf van

de honden. Door leegstaande kennels aan te bieden voor vakantieopvang wordt ingespeeld op een vraag vanuit hondenbezitters. In veel gevallen betreft dit hondenbezitters die vanwege hun werk of hobby bekend zijn met het bedrijf. De medewerkers en stagiaires zijn vanwege hun dagelijkse werkzaamheden getraind in de dagelijkse

verzorging van deze type honden. Het opvangen van de pensionhonden gebeurt op kleine schaal en zal te allen tijde een ondergeschikte activiteit van het hondenopleidingscentrum.

Atelier

Naast het hondenopleidingscentrum heeft de initiatiefnemer ook nog een atelier. In dit atelier worden door de initiatiefneemster beelden van brons en keramiek gemaakt. Het atelier is gesitueerd in de achterzijde van de bedrijfswoning. Rundvee

Op de locatie werd tot op heden nog enkele keren per jaar vleesvee gehouden. Het houden van vleesvee is p basis van de vigerende bestemming, de omgevingsvergunning ‘milieu’ en de Natuurbeschermingswetvergunning toegestaan.

2.2. Planvoornemen

De initiatiefnemer is voornemens de huidige situatie zoals beschreven in paragraaf 21 van deze toelichting op te nemen in een planologisch-juridische regeling om zo het gebruik op lange termijn te kunnen garanderen. De vigerend

planologisch-juridische

exploitatie van

de verschillende

regeling

in het

bestemmingsplan

“Buitengebied

Peel

en

Maas”

maakt

de

bedrijfsactiviteiten op dit moment

niet mogelijk.

De planologisch-juridische

regeling bestaat uit de volgende onderdelen: 1.

Hondenopleidingscentrum; In het bestemmingsplan wordt een specifieke regeling opgenomen

die het hondenopleidingscentrum

en alle daaraan gekoppelde activiteiten op het bedrijf mogelijk maakt. Het betreft hier het verblijf, het trainen,

verzorgen

en

opvangen

van

honden.

Ook

de

schiettrainingen

die enkele

keren

per jaar

plaatsvinden zijn in dit bestemmingsplan opgenomen. 2.

Hondenpension;

In het bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om hondenopleidingscentrum een hondenpension te kunnen exploiteren; 3.

als

nevenactiviteit

bij

het

Huisvesting stagiaires;

Het bestemmingsplan bevat een regeling die het mogelijk maakt om een huisvestingsvoorziening/verblijfsvoorziening te creëren voor stagiaires die op het bedrijf werkzaam zijn. Deze voorzieningen voldoen minimaal aan de SNF-normen die ook voor de huisvesting van arbeidsmigranten gelden. 4.

Het

Atelier; Het atelier wordt als beroep aan huis mogelijk gemaakt in de bestaande langgevelboerderij.

bestemmingsplan

voorziet

in dit geval

n een

specifieke

regeling

die alle voorkomende

activiteiten

in

planologisch-juridische zin mogelijk maakt. In het verlengde van de herziening van het bestemmingsplan wordt voor deze locatie ook een melding Activiteitenbesluit ingediend om de activiteiten ook in milieukundige zin mogelijkte maken. Door het wijzigen van de enkelbestemming en het wijzigen van de omgevingsvergunning voor het onderdeel ‘milieu' is het op termijn niet meer mogelijk om op de locatie nog rundvee te houden.

2.3. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsbijdrage Ten behoeve van het planvoornemen is op basis van het Kwaliteitskader een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit verplicht. Afhankelijk van het planvoornemen en het gebied waarin het planvoornemen ligt is Basiskwaliteit en/of een Aanvullende Kwaliteitsbijdrage verplicht.

10

Op basis van het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas is voor de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf op een VAB-locatie een investering in Basiskwaliteit + en een Aanvullende Kwaliteitsbijdrage verplicht. Ten behoeve van het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarin zowel de Basiskwaliteit +als de Aanvullende Kwaliteitsbijdrage zijn verwerkt. Het landschappelijk inpassingsplan en de kwaliteitsbijdrage zijn uitgebreid beschreven in het LIP dat als bijlage 1 is bijgevoegd aan deze toelichting en tevens onderdeel uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan. In onderstaande afbeelding is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven.

Figuur 5: Landschappelijke inpassing en Kwaliteitsbijdrage

11

3. Beleid 3.1. Rijksbeleid 3.1.1. Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) voorgelegd aan de Tweede Kamer. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de vastgestelde omgevingswet volgt de verplichting dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. De NOVI heeft betrekking op het strategisch beleid voor de fysieke leefomgeving, omdat deze een visie is en hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). De NOVI is in de plaats gekomen van gebiedsdekkende structuurvisies, de relevante delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoersplannen, strategische gedeelten van nationale en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen. Het Nationaal Milieubeleidsplan en de Riijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel vervallen en het NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Belangrijke beleidsbeslissingen, beleidskeuzes en -Uitgangspunten staan niet alleen in de NOVI, maar soms ook nog

in bestaande

strategische

beleidsdocumenten.

beleid opgenomen.

In het

NOVI

staan

in veel

De concretisering of uitwerking

gevallen daarvan

alleen

hoofdlijnen

staat nog steeds

van

bestaand

in het bestaande

beleidsdocument.

De nationale belangen die eerder waren geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn overgenomen

in de NOVI. Op ruimtelijke vlak is er beleidsmatig door de NOVI dan ook weinig veranderd. Het

planvoornemen

i van een dusdanig geringe omvang dat deze geen negatieve invloed heeft op de realisatie van

nationale belangen. De NOV4 is geen belemmering voor het planvoornemen. 3.1.2. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma

is op 18 maart 2022 vastgesteld.

In het Nationaal Water Programma

(NWP)

2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en — vaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Nederland heeft te maken worden.

Dit

komt

door

met grote wateropgaven die bovendien een

aantal

samenhangende

in de toekomst steeds groter en complexer

uitdagingen:

klimaatverandering,

bodemdaling,

milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde

infrastructuur

zoals

bruggen

en

sluizen

in stand

te houden

en waar

nodig te vervangen

of te

De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van het NWP:

en de

renoveren.

e _ Een veilige en klimaatbestendige delta; e _ Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; e _ Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven

in de fysieke leefomgeving,

zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Het bodemen

watersysteem

stelt

randvoorwaarden

aan

ruimtelijke

ontwikkelingen.

Om

deze

randvoorwaarden

ook

12

juridisch te laten doorwerken

zijn inhoudelijke kaders nodig voor de inrichting en gebruik van wateren alsook

voor ruimtelijke inrichting, landgebruik en de wijze van bouwen. Het NWP beschrijf de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. ‘Nationaal’ wil zeggen dat het Rijk met het NWP richting wil geven aan het waterbeleid voor Nederland als geheel, dus niet alleen voor het hoofdwatersysteem.

Het programma is voor het waterbeleid een uitwerking van de nationale belangen en strategische hoofdkeuzes in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Het NWP beschrijft verder de raakvlakken van het nationale waterbeleid met het beleid voor een aantal andere onderwerpen in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie en de landbouw. Ook bevat dit NWP het rijksbeleid dat voortkomt uit de eerste 6-jaarlijkse herijking van de deltabeslissingen en regionale voorkeursstrategieën uit 2015. Daarnaast bevat het NWP een beschrijving van het beheer, de functies en de maatregelen en voorzieningen voor de ontwikkeling, werking en bescherming van de rijkswateren en de rijksvaarwegen. Het NWP richt zich specifiek op de periode 2022-2027 met een doorkijk naar 2050.

Het plangebied

van

het NWP

bestaat

uit het volledige

Europese

deel van

het Nederlandse

grondgebied,

waaronder de territoriale zee en de Nederlandse Exclusieve Economische Zone (EEZ) van de Noordzee (zie Kaart 1). Caribisch Nederland valt buiten de scope van dit NWP. Het beheer en de uitvoering van het waterbeleid door Rijkswaterstaat heeft betrekking op de rijkswateren en de rijksvaarwegen.

De

riijkswateren

omvatten

de

grote

rivieren,

grote

kanalen,

het

IJsselmeergebied,

de

Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de Waddenzee, EemsDollard en de Noordzee, met inbegrip van het daaronder

gelegen

grondwater.

De

riijksvaarwegen

omvatten

de

toegangen

tot

de

zeehavens,

het

hoofdvaarwegennet en de overige vaarwegen in de rijkswateren.

Voor de rijkswateren zijn in dit plan gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen (zie deel C: Gebieden). Voor de overige delen van Nederland wordt de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen

in andere

programma's, in de eerste plaats in de Omgevingsagenda's onder de NOVI (zie Relatie met andere plannen en beleidstrajecten) Het

plangebied

ligt niet

binnen

de grenzen

van

het

NWP.

Daarnaast

voorziet

het

planvoornemen

niet in

activiteiten die (negatieve) invloed op de hoofdambities van het NWP. Geconcludeerd wordt dat het NWP geen belemmering is voor het planvoornemen 3.1.3.

Naast

de

Barro

Structuurvisie

ruimtelijke ordening

kent

de

Riijksoverheid

(Barro, Rarro),

ook

het

‘Besluit

en

2011' . De eerste tranche van

ministeriële

regeling

het Besluit algemene

algemene

regels

regels ruimtelijke

ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan

bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat

hierbij om het beschermen van de nationale belangen. Aangezien bij onderhavige planvorming geen nationaal belang is gemoeid, zijn er geen regels uit het Barro en dus ook uit het Rarro van toepassing. Het planvoornemen ligt niet in een van de in het Barro aangewezen gebieden en is dan ook niet in strijd met nationale belangen. 3.1.4. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in artikel 3.1.6 de Ladder voor duurzame verstedelijking, hierna te

noemen ‘de ladder' opgenomen. De ladder is van toepassing op ieder bouwplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doel van de ladder is om ongewenste leegstand te voorkomen en zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik te stimuleren. Voldoet een planvoornemen aan de definitie van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ dan moet getoetst worden aan de ladder. Dit is de zogeheten ‘laddertoets’.

13

Alleen plannen die onder de definitie van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ vallen hoeven te worden getoetst. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is een ontwikkeling die een

nieuw

beslag op de ruimte legt. Met andere

woorden de nieuwe ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van de bebouwing ten opzichte van de vigerende situatie.

Plannen

die voorzien

in een

afname

van

de bebouwing

worden

niet gezien

als ‘nieuwe

stedelijke

ontwikkelingen’. De ladder is in die zin ook van toepassing voor woningbouwplannen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), dat bepaalt of een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel is, geen ondergrens opgenomen voor woningbouwplannen. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf twaalf woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling, die ladderplichtig is en als een nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Het planvoornemen maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk. Een laddertoets is dan ook niet noodzakelijk voor het planvoornemen. De ladder duurzame verstedelijking is daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 3.2. Provinciaal

beleid

3.2.1. Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 15 december 2020 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. lange termijn visie van de provincie Limburg beschreven.

In de omgevingsvisie Limburg is de

In de visie staat beschreven hoe de provincie richting

wil geven aan toekomstbestendige ontwikkelingen en hoe daarbij steeds de balans wordt gezocht tussen beschermen

het

én benutten van de fysieke leefomgeving. De provincie geeft met deze visie een doorkijk voor de

periode 2021 tot 2030 - 2050. De omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is in een interactief proces met overheden, semi-overheden, belangenvertegenwoordigers, andere partnerorganisaties en inwoners opgesteld. De visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes. Op andere onderdelen zijn nieuwe keuzes gemaakt. In de omgevingsvisie staan drie hoofdopgaven centraal: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; 3. in stedelijk c.q. bebouwd gebied b. in landelijk gebied 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouw-transitie; 3. Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven spelen Limburg-breed, maar de accenten verschillen per gebied en per sector.

Per sector is in de

omgevingsvisie aangegeven wat de opgave is voor de sector, welke ambitie de provincie heeft met deze sector en welke keuzes worden gemaakt per sector. Ook voor de sector ‘landbouw’ is op deze manier

beschreven welke

richting de provincie de komende jaren op wil. Landbouw

De agribusiness is een belangrijke economische

en innovatieve motor en beheerder van het landelijk gebied.

Daarnaast draagt de sector bij aan de ontwikkeling van andere economische sectoren in de regio, met name op

het gebied van logistiek, (maak)industrie en hightech. Agrariërs staan voor de uitdaging hun bedrijf en de internationale concurrentiekracht toekomstbestendig te houden. De Nederlandse agrariërs staan wereldwijd bekend om hun efficiënte gebruik van water en andere grondstoffen, hun kennis en innovatiekracht. In de toekomst zal de afzet meer en meer gericht zijn op het slim vermarkten van hoogwaardig geproduceerde biogrondstoffen, voedsel en daarmee samenhangende technologische en circulaire concepten.

14

Een groot aantal agrarische bedrijven zal, mede door het ontbreken van opvolging, stoppen. Er is sprake van een toename

aan vrijkomende

diezelfde

VAB's

zeer

agrarische

beperkt

bebouwing

zijn.

Dit

verschijningsvorm van de bebouwing

komt

(VAB) door

waarbij het

de mogelijkheden

gebrek

aan

voor

kansrijke

herbestemming

functies,

de

omvang

van en

en de ligging. Hierdoor ontstaat meer risico op criminele activiteiten en

verval en kan de landschappelijke kwaliteit en leefbaarheid van een gebied achteruitgaan. De ambitie van de provincie Limburg voor de landbouw en het buitengebied ligt in het ontwikkelen, stimuleren en uitbouwen van de positie als toonaangevende agrarische regio en een sector die duurzame oplossingen voor maatschappelijke opgaven biedt. In dit licht bezien hoort ook het saneren van agrarische bedrijven op locaties waar deze om verschillende redenen geen toekomst meer hebben tot deze ambitie. Onderdeel van het planvoornemen is het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch — Intensieve veehouderij’ naar de bestemming ‘Bedrijf - Hondenopleidingscentrum’. Hiermee wordt het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie mogelijk gemaakt. Hergebruik, herbestemming en/of sanering van voormalige agrarische bedrijfslocaties is een van de doelstellingen de in de Omgevingsvisie geformuleerd zijn. Wonen en leefomgeving De provincie wil een voortreffelijke woon- en leefomgeving realiseren. Dit wordt enerzijds gedaan door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. Anderzijds heeft een voortreffelijke woon-

en leefomgeving ook betrekking op een verdere

beperking

als

van

planvoornemen

mogelijke

overlast

veroorzakende

factoren

geur-,

fijnstof-

en

ammoniakbelasting.

Het

voorziet in de herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie. In het verlengde

van dit bestemmingsplan wordt de vigerende omgevingsvergunning voor het onderdeel ‘milieu’ zo gewijzigd dat het houden van het rundvee op het bedrijf niet meer mogelijk is. Als gevolg hiervan vindt een daling van de geur‚ fijnstof‚- en ammoniakemissie in de directe omgeving plaats. Het planvoornemen

past in de ambities

en keuzes die provincie Limburg geformuleerd

heeft in de ontwerp

Provinciale Omgevingsvisie Limburg. 3.2.2. Omgevingsverordening Limburg 2014 In de Omgevingsverordening

Limburg

2014

staan de regels die nodig zijn om

POL2014

te geven.

De

Omgevingsverordening

juridische

milieuverordening,

binding de

Omgevingsverordening

Wegenverordening, Limburg

2014

de

is een

Waterverordening

is uitgebreid

met een

en

het omgevingsbeleid

samenvoeging de

van

de

van

Ontgrondingenverordening.

nieuw hoofdstuk Ruimte.

het

Provinciale

Dat hoofdstuk

De

Ruimte

bevalt een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Uit de kaart met milieubeschermingsgebieden, behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014, blijkt dat het

plangebied

niet in één

Omgevingsverordening

van

Limburg

de 2014

milieubeschermingsgebieden in het geding.

ligt. Er zijn dan

ook geen

De in de Omgevingsverordening

belangen

opgenomen

uit de

belangen

worden niet onevenredig geschaad door onderhavig planvoornemen.

3.3. Gemeentelijk beleid 3.3.1.

Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas

In de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas wordt het beleid met betrekking tot het buitengebied van de gemeente Peel en Maas gebundeld. Een groot gedeelte van het beleid is al vastgesteld. Door middel van deze Structuurvisie Buitengebied worden zaken in een integrale context geplaatst. Dit beleid vormt de basis voor het bestemmingsplan Buitengebied waarin het beleid juridisch wordt vastgelegd. Het doel van de Structuurvisie Buitengebied is: 1.

Beleidskader voor het Buitengebied

15

De structuurvisie is de bundeling van het beleid dat als basis dient voor de juridische vertaling in het Bestemmingsplan Buitengebied. 2.

Instrument om kostenverhaal mogelijk te maken

De Structuurvisie vormt de grondslag voor het toepassen van bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. In de Structuurvisie Buitengebied zijn onder andere het Structuurplan Buitengebied Peel en Maas 2008, de Structuurvisie Intensieve Veehouderij en Glastuinbouw en het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas gebundeld. In de Structuurvisie zijn de volgende beleidsuitgangspunten leidend voor het buitengebied van Peel en Maas.

e _ Ontwikkelingsplanologie; e _ Ruimte om te ontwikkelen met oog voor kwaliteit; e _ Ontwikkelkansen te geven aan de economische dragers, zoals recreatie en toerisme en landbouw,

van het buitengebied om leefbaarheid te waarborgen; e _ Het buitengebied is van iedereen; e _ Het beleid is dynamisch. Het Structuurplan Buitengebied Peel en Maas 2008 en het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas zijn n de volgende paragrafen verder uitgewerkt. Het planvoornemen voldoet aan de beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas. 3.3.2. Structuurplan Buitengebied Peel en Maas In het Structuurplan Buitengebied Peel en Maas wordt het gemeentelijk ruimtelijk beleid verwoord. Gebiedstypologie De gemeente

wil in dit Structuurplan

Peel en Maas

een ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie opstellen.

Hierbij s de intentie om de aanwezige diversiteit en identiteit van het landschap te versterken. Voor wat betreft de indeling in gebiedstypen

in het Structuurplan

Peel

en Maas

wordt

uitgegaan

van de rapportage van de

provincie Limburg (Landschapskader Noord-en Midden Limburg, 16 mei 2006) en van het Structuurplan Helden. In het structuurplan Peel en Maas wordt uitgegaan van de volgende 6 gebiedstypen: 1.

ausun

Oude, verdichte bouwlanden; Kleinschalige half open ontginningslandschappen; Beekdalen / Rivierdal; Grootschalige open ontginningslandschappen; Grootschalige open veenontginningslandschappen;

Bos- en natuurgebieden.

Een belangrijk uitgangspunt van het ruimtelijk beleid van de gemeente in het algemeen en van het structuurplan in het bijzonder is om de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied te verbeteren of te herstellen.

Vrijkomende Agrarische Bedrijfsbebouwing (VAB's) Het hergebruik van VAB's wordt in het nieuw op te stellen bestemmingsplan mogelijk gemaakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid. De in het Structuurplan opgenomen voorwaarden zijn als voorwaarde van deze wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Dit planvoornemen maakt echter geen gebruik van deze wijzigingsbevoegdheid maar van een herziening van het bestemmingsplan. De ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van niet-agrarisch verwante bedrijfsdoeleinden. Binnen de gebiedsaanduiding ‘Ontwikkelingszone bebouwingslinten is hergebruik voor een niet-agrarisch verwante functie

16

toegestaan

mits wordt voldaan

aan

onderstaande

voorwaarden.

Cursief is aangegeven

op welke

wijze het

planvoornemen voldoet aan deze voorwaarden: 1.

_ Hergebruik vindt plaats binnen de bestaande bebouwingsmassa;

Het hergebruik behoeve

van

vindt volledig plaats

binnen

de bestaande

het hondenopleidingscentrum,

bebouwingsmasso.

het hondenpension

Alle activiteiten

en het atelier vinden

plaats

ten in de

voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde. 2.

Eris geen sprake van onevenredige verkeersaantrekkende werking;

In paragraaf 4.12 van deze toelichting is uitgebreid onderbouwd wat de verkeersaantrekkende werking van de verschillende bedrijfsactiviteiten i. Op basis van deze paragraaf wordt geconcludeerd dat geen sprake is van onevenredige verkeersaantrekkende werking. Het planvoornemen voldoet aan deze voorwaarde.

3. _ mits dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; Alle bestaande bebouwing wordt hergebruikt

ten

behoeve

van

de

niet-agrorisch

verwante

bedrijfsactiviteiten. Er vindt dan ook geen sloop van bebouwing plaats. Het planvoornemen voldoet aan deze

voorwaarde.

4. _ mits sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door middel van het leveren van een aanvullende tegenprestatie, Een

landschappelijk

inpassingsplan

vormt

onderdeel

van

het planvoornemen.

Dit LIP bestaat

uit

Basiskwaliteit + en aanvullende kwaliteit. Er is dan ook sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door middel van het leveren van een aanvullende tegenprestatie. Het planvoornemen voldoet aan

deze

voorwaarde.

Niet-agrarische bedrijven (Bestaande niet-agrarische bedrijven) Het

beleidsuitgangspunt

ten

aanzien

Bestaande en legale niet-agrarische

van

bestaande

bedrijven

dienen

niet-agrarische

bedrijven

in het bestemmingsplan

is als

volgt

geformuleerd:

positief bestemd

te worden.

Afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijfen het type gebied waar het bedrijf gelegen is, bedraagt de maximale uitbreiding 10% ten opzichte van de geldende rechten. Met behulp van een vrijstellingsbepaling kan

ieder bedrijf met maximaal 10% van het huidige bedrijfsvloeroppervlak uitbreiden. Voor verdere uitbreidingen zal maatwerk verricht moeten worden. Bij uitbreiding van het bestemmingsvlak zal wel een tegenprestatie gevraagd worden.

Het bedrijf heeft een legale bedrijfsvoering blijkende uit de vigerende omgevingsvergunning voor het onderdeel ‘milieu' en de vigerende Natuurbeschermingswetvergunning. Het bestemmingsplan voorziet in het positief bestemmen van de verschillende legaal aanwezige bedrijfsactiviteiten. Er vindt geen uitbreiding van de bebouwing plaats als gevolg van het planvoornemen. Wel is in de regels van het bestemmingsplan een regeling opgenomen die uitbreiding van de bedrijfsvloeropperviakte met maximaal 10% mogelijk maakt. Het planvoornemen voldoet daarmee aan de beleidsuitgangspunten zoals geformuleerd in het Structuurplan.

3.3.3. Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas Om invulling te geven aan het structuurplan Peel en Maas, is het kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas opgesteld. Het kwaliteitskader geeft invulling aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteiten van het buitengebied bij nieuwe ontwikkelingen. Deze invulling wordt bepaald aan de hand van de indeling van het initiatief in &&n van de 9 gebiedstypen die samen de variatie aan gebieden weergeven. Het initiatief op de locatie is gelegen in het gebiedstype “Kleinschalige halfopen ontginningslandschappen”. Kleinschalige halfopen ontginningslandschappen De kleinschalige halfopen ontginningslandschappen zijn ontstaat op gronden die van oudsher natter en minder gunstig waren dan de hoge akkers. Er was door ontginning en bosaanplant in de tweede helft van de 19de eeuw een kleinschalig landschap ontstaan met veel bos, heideterreintjes, velden en daar doorheen veel paden. Cruciaal voor al deze gebieden

is dat de ontginning in de 20ste eeuw

minder grootschalig is geweest dan

in de grote

heideontginningen zoals de Egchelse en Lange Heide. Als gevolg daarvan zijn er nog veel onverharde wegen en

17

bospaden. Het patroon van de wegen is afwisselend recht en gebogen. Er zijn afwisselend weilanden en akkers. En er is nog veel bos. Maar ook hierin zijn er verschillen. Het belangrijkste kleinschalige gebied is het gebied ten noorden

en ten

westen

van

Koningslust

en ten

noorden

en

westen

van

Grashoek.

Dit zijn

aantrekkelijk

mozaïeklandschappen, in combinatie met bos en natuurgebieden. Er zijn ook halfopen ontginningslandschappen waar de kleinschaligheid momenteel

meer een gevolg is van bebouwing dan van beplanting. Voorbeelden

zijn

de gebieden ten noorden van Meijel en ten zuiden van Maasbree (veel kassen in Leeuwerik). De halfopen ontginningslandschappen liggen ten noorden van de lijn Meijel, Helden en Baarlo. Ten zuiden van deze lijn zijn de contrasten tussen zeer open en dichte gebieden groter. Net als in het provinciaal beleid (het Limburgs Kwaliteitsmenu) wordt er bij kwaliteitsverbeteringen in het gemeentelijk kwaliteitskader onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit, Basiskwaliteit Plus en Aanvullende kwaliteitsverbeteringen. Het planvoornemen betreft de 'vestiging van een niet-agrarisch verwant bedrijf in VAB binnen de zone ‘Ontwikkeling bebouwingslinten’. Voor deze initiatieven de Basiskwaliteit + en de Aanvullende Kwaliteitsverbetering noodzakelijk. Ten behoeve van het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarin zowel de Basiskwaliteit + als de Aanvullende Kwaliteit zijn verwerkt. In paragraaf 2.3 van deze toelichting is een beschrijving van de landschappelijke inpassing opgenomen. 3.3.4. Beleidsnotitie ‘nieuwe denkrichting Vrijkomende (Agrarische) Bebouwing (VAB) in het buitengebied” Op 22 februari 2011 s de beleidsnotitie ‘nieuwe denkrichting Vrijkomende (Agrarische) Bebouwing (VAB) in het buitengebied’ vastgesteld.

In deze regeling is vastgelegd onder welke voorwaarden hergebruik van bestaande agrarische bebouwing voor een (niet) agrarische functie of burgerwoning mogelijk i. Tevens is beschreven op welke wijze kwaliteitsverbetering op deze locaties dient plaats te vinden.

Dit houdt ook in dat mogelijkheden

worden geboden om na sloop van gebouwen een nieuw gebouw te bouwen. In het nieuwe beleid is het mogelijk om zowel bestaande gebouwen voor een nieuwe functie gebruiken als een nieuw

gebouw

op

te

richten,

De

voorwaarden

voor

hergebruik

binnen

bestaande

bebouwing

zijn

in het

structuurplan buitengebied Peel en Maas opgenomen. Een toevoeging is dat hergebruik door een niet agrarisch verwant

bedrijf

in de

zone

ontwikkeling

bebouwingslinten

en

in de

zone

in de

nabijheid

van

de

kernen

(kernrandzone) is toegelaten (flankerend beleid). De locatie ligt in de zone bebouwingslinten. Daarnaast voorziet het planvoornemen

in de realisatie van een nieuw gebouw voor de huisvesting van stagiaires die op het bedrijf

werkzaam zijn. De realisatie van dit nieuwe gebouw is passend binnen de beleidsnotitie. De beleidsnotitie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 3.3.5. Bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” De vigerende

planologisch-juridische

regeling is opgenomen

in het bestemmingsplan

“Buitengebied

Peel en

Maas” dat op 5 november 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad. In dit bestemmingsplan liggen binnen het plangebied de enkelbestemmingen plangebied

de aanduiding

intensieve veehouderij

‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch — Intensieve veehouderij’. Tevens ligt binnen

‘bouwvlak'

mogelijk

maakt.

die het

bouwen

van gebouwen

en

bouwwerken

Deze aanduiding ligt op de enkelbestemming

ten

behoeve

van

het de

‘Agrarisch — Intensieve

veehouderij’. Binnen het plangebied liggen tevens de volgende dubbelbestemmingen en/of aanduidingen: e _ Dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie 2'; e _ Dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie 4 Dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie 5; Gebiedsaanduiding 'Ontwikkelingszone bebouwingslinten’;

Gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone — Verwevingsgebied’; Gebiedsaanduiding 'Wro-zone — Wijzigingsgebied 2 ko’.

18

In onderstaande figuur is een uitsnede van het vigerend bestemmingsplan opgenomen. veeie

@

e

e

1131979 Enkelbestemming Agrarisch.

Intensieve veehouderij

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie-

LS

ED

2

onmtsk Gebiedsaanduiding

ontwikelingszone bebouwingsinten|

Gebiedsaanduiding verwevingsgebied

Gebiedsaanduiding wro-zone - wijigingsgebied 2 o

Figuur 6: Uitsnede vigerend bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" (www.ruimtelijkeplannen.nl}

In het vigerend bestemmingsplan is het binnen de bestaande enkelbestemmingen 'Agrarisch’ en ‘Agrarisch — Intensieve veehouderij de exploitatie van het hondenopleidingscentrum en de verschillende andere bedrijfsmatige activiteiten niet direct toegestaan. Binnen de bestemming ‘Agrarisch — Intensieve veehouderij’ i enkel de exploitatie van een intensieve veehouderij mogelijk. De huidige bedrijfsactiviteiten betreffen geen van allen bedrijfsactiviteiten behorende tot een intensieve veehouderij. Voor

het

planvoornemen

is

in

het

bestemmingsplan

geen

bestaande

planologisch-juridisch

dekkende

bestemming of aanduidingen opgenomen. Om het planvoornemen mogelijk te maken is dan ook een specifieke planologisch-juridische regeling noodzakelijk. In dit bestemmingsplan

is deze specifieke planologisch-juridische

regeling opgenomen.

19

4. Randvoorwaarden Bij de realisatie van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de mogelijke (milieu-Jeffecten van het beoogde planvoornemen op de omgeving en vanuit de omgeving. In dit hoofdstuk komen alle voor het planvoornemen relevante milieuaspecten aan bod. Voor dit planvoornemen betreft het in ieder geval de aspecten geluid, bodem en grondwaterkwaliteit, gebiedsbescherming Natura2000-gebieden en soortenbescherming, woon- en leefklimaat en de milieu-invloed van bedrijvigheid. Eveneens is beoordeeld welke gevolgen het planvoornemen

heeft voor onder andere de aspecten kabels en

leidingen, ecologie, externe veiligheid, waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie en verkeer en parkeren. In het kader dit planvoornemen zullen de aangevraagde veranderingen indien noodzakelijk milieukundig worden aangevraagd.

4.1. Bedrijven en milieuzonering (BMZ) 4.1.1. Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het zoveel mogelijk voorkómen van hinder en gevaar en waar mogelijk

in een acceptabel ‘woon- en leefklimaat’. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen, zorginstellingen en scholen) kan dit gerealiseerd worden. Daar waar mogelijk dient zoveel mogelijk te worden voorkomen dat hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat. Aan de andere kant dient ook aan bedrijven voldoende zekerheidte worden geboden dat zij niet onevenredig in hun activiteiten en ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Om

te kunnen

beoordelen

of sprake

is van voldoende

gevoelige functies wordt gebruik gemaakt ‘Bedrijven

en

aspecten

zoals

Milieuzonering’ stof,

geur,

(BMZ).

geluid

en

afstand

tussen

hinderveroorzakende

van het toetsingskader dat is opgenomen

In deze

publicatie

gevaar.

Deze

zijn

richtafstanden

richtafstanden

worden

activiteiten

en

in de VNG-publicatie

opgenomen

voor

verschillende

gemeten

de

grens

van

van

de

bestemming die de hinderveroorzakende activiteit toelaat tot de uiterste gevel van de gevoelige functie. Indien niet direct kan worden

voldaan

kan gemotiveerd

worden

afgeweken

van deze

richtafstanden

door voor die

aspecten waarvoor de richtafstanden niet worden gehaald op een andere manier aan te tonen dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op basis van deze toetsing is het mogelijk om te beoordelen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.1.2.

BMZ

Gebiedstype Het plangebied ligt in een gebied met een hoge mate van functiemenging. In BMZ wordt voor de toetsing gebruik gemaakt van twee soorten gebieden. Voor beide gebieden gelden andere aan te houden richtafstanden tussen hinderveroorzakende en gevoelige functies. Het eerste gebied betreft een omgeving waarin sprake is van een zeer beperkte mate van functiemenging en worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied'. Het tweede gebied betreft gebieden met een relatief hoge mate van functiemenging waarin gevoelige functies afgewisseld

worden

met

bedrijfsfuncties, horeca,

maatschappelijke

voorzieningen

e.d.

De directe omgeving

kenmerkt zich door een hoge mate van functiemenging door de aanwezigheid van burgerwoningen, agrarische

20

bedrijven

en verschillende

vormen

van

bedrijvigheid.

Er is in het

kader van

BMZ

dan

ook

sprake

van

een

bedrijven

op

‘gemengd gebied’. n de directe omgeving van het plangebied

liggen verscheidene functies. Het betreft agrarische

Vieruitersten

bedrijven

en Molenpeel,

niet-agrarische

en burgerwoningen.

Op 62 meter ten oosten van het

plangebied ligt een burgerwoning op de Molenbaan 16, op een afstand van 130 meter ten oosten de burgerwoning op de Molenbaan 17, op een afstand van 120 meter ten zuidwesten de burgerwoning op de Bosrand 3, op een afstand van 26 meter ten westen het dichtstbij liggende bedrijf op de Bosrand 13, op een afstand van 21 meter van de trainingsweide ligt een bedrijfswoning op Bosrand 16 en op een afstand van ca. 51 meter ligt een bedrijfswoning op Bosrand 9. Alle afstanden betreffen in dit geval de kortste afstanden van bouwvlak tot bouwvlak.

À

AT

Figuur 7: Afstanden plangebied tot omliggende woningen (www.pdok.nl} De opgenomen richtafstanden betreffen indicatief de aan te houden afstand tussen een hinderveroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt kan hiervan afgeweken worden. De richtafstanden zijn in tabel 2 weergegeven. Vervolgens is beoordeeld of voldaan

wordt aan deze richtafstanden.

21

Op het bedrijfis sprake van verschillende bedrijfsactiviteiten. De verschillende bedrijfsactiviteiten op het bedrijf vallen in de volgende categorieën: Tabel 1: Bedrijfsactiviteit en bijbehorende VNG-categorie

Bedrijfsactiviteit

VNG-categorie

Hondenopleidingscentrum Hondenpension Atelier

Hondendressuurterreinen Dierenasiels en -pensions Bibliotheken, musea, ateliers, e.d.

De schiettrainingen die plaatsvinden betreffen incidentele activiteiten die slechts gedurende maximaal 40 dagen per jaar gedurende enkele uren per dag plaatsvinden. Omdat het een incidentele bedrijfssituatie betreft i voor deze activiteiten geen aparte VNG-categorie opgenomen. Tabel 2: Richtafstanden tot milieugevoelige functies Afstanden

in meters

Indices

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Cat.

Verkeer

Visueel

Hondendressuurterreinen

0

0

50

0

31

1P

1

Dierenasiels en -pensions

30

0

100

0

32

1P

1

Atelier

0

IJ

10

0

1

2P

1

De gevoelige objecten op Molenbaan 16 en 17 liggen in een gebied dat in het kader van bedrijven en milieuzonering is aangemerkt als ‘rustig buitengebied'. De overige gevoelige objecten op Bosrand 3 en 13 en 16 liggen vanwege hun ligging op een bedrijventerrein met gemengde functies in ‘gemengd gebied’. Voor de bedrijfsactiviteiten is het aspect ‘geluid’ met een richtafstand van 100 meter (rustig buitengebied) en 50 meter (gemengd gebied) bepalend. Het betreft in dit geval de aan te houden richtafstand voor de activíteiten die betrekking

hebben

op

het

hondenpension.

Deze

activiteit

is

met

enkele

weken

per

jaar

echter

een

ondergeschikte activiteit aan de activiteiten die betrekking hebben op het hondenopleidingscentrum. Voor de activiteiten die betrekking hebben

op het hondenopleidingscentrum

is de richtafstand van 50 meter voor het

aspect ‘geluid’ ook maatgevend. De afstand van de trainingsweide tot de bedrijfswoning op Bosrand 16 bedraagt slechts 21 meter. Voor het aspect geluid wordt niet voldaan aan de opgenomen richtafstanden. Ook ten opzichte van de woning en het bedrijfop Molenbaan 16 en Bosrand 13 wordt niet voldaan aan de richtafstand. De afstand tot de bedrijfswoning op Bosrand 9 bedraagt 51 meter. Op deze woning wordt wel voldaan aan de richtafstanden. In paragraaf 4.3 is de beoordeling van het aspect ‘geluid’ opgenomen.

Voor het planvoornemen

is tevens een

akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen wat de geluidsbelasting op verschillende gevoelige objecten in de directe omgeving van het plangebied is. Voor een uitgebreide beoordeling van het aspect ‘geluid’ wordt

verwezen naar paragraaf 4.3. Op basis van deze uitgebreide beoordeling en het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering is voor het woon- en leefklimaat in de directe omgeving. Er wordt niet voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-lijst. Op basis van de uitgebreide akoestische beoordeling die heeft plaatsgevonden wordt geconcludeerd dat de geluidsbelasting incidenteel is en

22

enkel gedurende 40 dagen per jaar gedurende enkele uren plaatsvindt. De bedrijfsactiviteiten hebben daarmee geen structurele belasting op omliggende gevoelige objecten tot gevolg.

Het woon- en leefklimaat n de directe

omgeving wordt dan ook niet onevenredig negatief beïnvloed door de bestaande bedrijfsactiviteiten.

(4) Verkeer: ook de verkeersaantrekkende werking kan van belang zijn voor de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten op een bepaalde locatie. Dit aspect kan niet worden vertaald naar afstanden, maar is weergegeven met een kwalitatieve index die loopt van 1 tot en met 3, met de volgende betekenis. otentieel geringe verkeersaantrekkende werking; otentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking; otentieel zeer grote verkeersaantrekkende werking. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen goederenvervoer (G) en personenvervoer (P). De nieuwe bedrijfsactiviteiten zijn ingedeeld in categorie 2, met name personenvervoer. Er wordt een potentieel gemiddelde verkeersaantrekkende werking verwacht. Volgens de VNG publicatie heeft met name het atelier een relatief hoge verkeersaantrekkende werking. In de VNG-publicatie wordt echter uit gegaan van ateliers die qua omvang en bezoekersaantallen vergelijkbaar zijn met musea. Dat is in onderhavig planvoornemen absoluut niet het geval. Het betreft in dit geval een atelier dat als nevenactiviteit en beroep/bedrijf aan huis wordt uitgevoerd. De bezoekersaantallen beperken zich tot maximaal 3 bezoekers per week n het worst-case scenario. Van een potentieel gemiddelde verkeersaantrekkende

werking is n onderhavig geval dan

ook geen sprake. Voor een

uitgebreide beoordeling van het aspect ‘verkeer en parkeren’ wordt verwezen naar paragraaf 4.12. (5) Visueel:

de index voor

Onderhavig

initiatief is ingedeeld

visuele

hinder

is een

in categorie

indicator voor

1. Er wordt

de (visuele)

derhalve

geen

inpasbaarheid

visuele hinder

van

activiteiten.

verwacht

door

de

uitbreiding. Daarnaast is er ook een landschappelijk inpassingsplan en plan voor de kwaliteitsbijdrage gemaakt

om de nieuwe situatie landschappelijk optimaal in te passen (bijlage 1 bij de regels van dit wijzigingsplan). 4.1.3.

Conclusie

Ten opzichte van Bosrand 16 wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor het aspect ‘geluid’. In paragraaf 4.2 wordt uitgebreid ingegaan op het aspect ‘geluid’. Op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering is voor onderhavig planvoornemen. Ondanks de hogere geluidsbelasting op de Bosrand 16 wordt nog steeds een acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd. Voor alle overige aspecten wordt

voldaan

aan

de

richtafstanden

die voor

de

verschillende

bedrijfsactiviteiten

zijn

opgenomen.

Het

planvoornemen heeft dan ook geen onevenredige negatieve effecten op het woon- en leefklimaat van gevoelige objecten in de directe omgeving. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

23

4.2. Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en raïlverkeer maar ook aan industriële activiteiten. Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan of wijzigingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd indien het plan mogelijkheden biedt voor: e _ De toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidgevoelige functie binnen de zone van een weg; e _ De aanleg van een nieuwe e

weg;

De reconstructie van een bestaande weg.

De breedte van de zone van de weg is afhankelijk van het aantal rijkstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidsbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is dB en mag n principe niet worden overschreven. Onder bepaalde voorwaarden als maatregelen onvoldoende zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. 4.2.1. Wegverkeerslawaai

Het planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van een nieuwe burgerwoning of ander gevoelig object op de locatie. Voor de bestaande bedrijfswoning is geen nieuwe toetsing noodzakelijk. Een toets in het kader van ‘wegverkeerslawaai! is niet noodzakelijk. 4.2.2. Industrielawaai

Een toets in het kader van het aspect ‘industrielawaaï’ is noodzakelijk indien sprake is van een ‘gezoneerd industrieterrein’. waarvan de bestemming in zijn geheel of voor een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van ‘grote lawaaimakers’. Het planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van een gezoneerd industrieterrein. De bedrijfsmatige activiteiten hebben akoestisch gezien wel impact op de omgeving en zijn in een akoestisch onderzoek (rapportnummer: Mae.Mei.23.AO M-01), dat is uitgevoerd door M-tech, nader onderzocht. De conclusies uit dit onderzoek zijn hieronder uit elkaar gezet. Voor het volledige akoestisch onderzoek wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek dat als bijlage 2 is bijgevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Eindconclusie Akoestisch onderzoek

Op basis van de resultaten van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) en maximale geluidniveaus (Lamax), kunnen wij concluderen, dat er aan de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden voldaan.

Uit oogpunt van de ruimtelijke ordening kan het akoestisch klimaat ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten met honden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=10d6e460-4618-41b6-9349-82cb8f77df70