CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-014 06 Toelichting

Raad 6 februari 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan en grondexploitatie ‘Kuukven 3-4-5 Baarlo’ (2024-014)19.069 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

20

een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het woningtekort. Daarnaast wordt met het realiseren van de woningen enerzijds doorstroming gefaciliteerd binnen de kern en anderzijds wordt de leefbaarheid van de kern aanzienlijk versterkt.

4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken van het nieuwe woningbouwplan “Kuukven 3-4-5 Baarlo”. Woningbouwontwikkeling Kuukven fase 3, 4 en 5 voorziet in de ontwikkeling van 117 woningen, direct aangrenzend aan de kern Baarlo. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate, maar ook flexibele regeling te bevatten voor de realisatie van de nieuwe Woningen; ▪ Er dienen maximaal 117 woningen mogelijk gemaakt te worden binnen het plangebied; ▪ De woningbouwontwikkeling heeft een groen karakter met robuuste ruimte voor duurzame groenontwikkeling en kansen voor biodiversiteit. Dit groene karakter zoals vastgelegd in het stedenbouwkundig plan, alsmede de landschappelijke elementen, dienen geborgd te worden in het bestemmingsplan; ▪ De opwaardering van de Raayerveldlaan – Heierhof en aansluiting op de Napoleonsbaan Zuid is onderdeel van de woningbouwontwikkeling; ▪ De beschermingszone ten behoeve van de hoogspanningsleiding dient behouden en onbebouwd te blijven; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Peel en Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij bestemmingsplan “Kern Baarlo”, zoals thans voor de kern Baarlo geldt.

De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied is bestemd voor ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Verkeer’. Ter plaatse van te realiseren woningen zijn bouwvlakken toegekend met bouwaanduidingen welk type woningen zijn toegestaan (rijwoningen, vrijstaand, tweekappers of gestapeld), alsmede de gevellijnen waarin de woningen gebouwd dienen te worden. Ter plaatse van het appartementencomplex zijn tevens twee specifieke bouwaanduidingen opgenomen ten behoeve van de verdeling in bouwlagen. Ter plaatse van de parkeervakken in het groen is een specifieke aanduiding opgenomen. Tevens is in het kader het voorzorgsbeleid van het Rijk de ‘veiligheidszone - magneetveldzone’ opgenomen ter plaatse van de magneetveldzone In de bestemming ‘Wonen’ waarbinnen bebouwing zal plaatsvinden is een koppeling opgenomen met de beeldkwaliteitseisen uit het stedenbouwkundig plan. Voor het gehele plangebied is een koppeling opgenomen met de landschappelijke en inrichtingseisen uit het stedenbouwkundig plan. Het stedenbouwkundig plan is dan ook als bijlage aan de planregels verbonden. De overige reeds geldende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen komen te vervallen, met uitzondering van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’, deze blijft behouden en wordt opnieuw toegekend.

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

21

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Bij het oprichten van de woningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Vanwege de bestemmingswijziging is derhalve een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek worden ten behoeve van het verkennend onderzoek (asbest) een viertal deellocaties onderscheiden, te weten: ▪ Voormalige agrarische bedrijfslocatie (Heierhof 29 en 29a); ▪ Bodemverontreiniging minerale olie (Heierhof 29a); ▪ Tijdelijke woonunits Heierhof 23b; ▪ Landbouwgronden. Voormalige agrarische bedrijfslocatie Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ stand houdt. In de bovengrond is een lichte verontreiniging met PCB en in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is een sterke verontreiniging met nikkel, een matige verontreiniging met kobalt en lichte verontreinigingen met barium, cadmium en zink aangetoond. Er zijn geen asbesthoudende materialen waargenomen/aangetoond.

De lichte verontreiniging met PCB in de bovengrond kan mogelijk gerelateerd worden aan de voormalige bedrijfsactiviteiten. Voor de lichte tot sterke verontreinigingen met zware metalen in het grondwater zijn geen duidelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen. Gelet op de afwezigheid van verontreinigen met zware metalen in de grond en de aangetoonde gehalten in het grondwater op het overige deel van de onderzoekslocatie, mag worden aangenomen dat de verhoogde gehalten niet zijn te relateren aan de (bedrijfs)activiteiten ter plekke van het voormalige agrarische bedrijfsterrein. Het aantreffen van verhoogde gehalten zware metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in deze regio, derhalve kan gesteld worden dat de verontreinigingen waarschijnlijk verhoogd achtergrondgehalten betreffen. Bodemverontreiniging minerale olie De in 1999 aangetoonde (sterke) verontreiniging met minerale olie wordt door de resultaten van voorliggend bodemonderzoek niet bevestigd. In zowel de grond als het grondwater zijn geen verontreinigingen met minerale olie, vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEX) en/of naftaleen aangetoond.

Mogelijk is de bodemverontreiniging met minerale olie wel gesaneerd ondanks dat er geen gegevens over bekend zijn of is de verontreiniging als gevolg van de (sloop)activiteiten op het terrein vermengd met de (omliggende) grond en daardoor dusdanig ‘verdund’ dat deze niet meer aantoonbaar is. Daarnaast kan, gelet op de beperkte omvang van de verontreiniging en het ontbreken van

1 Verkennend bodemonderzoek, HMB Groep (d.d. 3 februari 2023, kenmerk:

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

22274801A)

22

referentiepunten en inmeetgegevens, niet worden uitgesloten dat de boringen naast de bodemverontreiniging met minerale olie zijn verricht. Tijdelijke woonunits Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' formeel gezien geen stand houdt. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In de ondergrond zijn een lichte verontreiniging met arseen en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium, cadmium en zink aangetoond. Voor de lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken en bronnen aan het licht gekomen. Het voorkomen van arseen in de grond en zware metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in deze regio, derhalve kan gesteld worden dat de verontreinigingen waarschijnlijk verhoogd achtergrondgehalten betreffen. Landbouwgronden Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' formeel gezien geen stand houdt. In de bovengrond zijn een lichte verontreiniging met lood, in de ondergrond een lichte verontreiniging met kobalt en in het grondwater lichte tot sterke verontreinigingen met zware metalen zijn aangetoond. Voor de lichte verontreinigingen in de grond en de lichte tot sterke verontreinigingen met zware metalen in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken en bronnen aan het licht gekomen. Aangenomen mag worden dat de verontreinigingen verhoogde achtergrondgehalten betreffen.

De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen direct belemmering of beperking voor de voorgenomen ontwikkeling van het gebeid. Wel dient rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen ten aanzien van freatisch grondwater. De aanwezigheid van (sterk) verhoogde gehalte zware metalen in het (freatisch) grondwater maakt het water minder geschikt om op te pompen en te gebruiken voor het besproeien van consumptiegewassen of voor het drenken van vee danwel voor menselijke consumptie. Het is dan ook aan te bevelen het (freatisch) grondwater niet zelf op te pompen en voor een van de genoemde of daarop gelijkende doelen te gebruiken. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2.

Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd.

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

23

Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De locatie is weliswaar gelegen in het buitengebied nabij de provinciale weg, maar grenst direct aan de bebouwde kom waar overwegend woningen zijn gelegen. De nieuwe woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van de plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving (straal van 250 meter) is geïnventariseerd aan de hand van de toegestane milieucategorie en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Bedrijf

Adres

SBI2008 41, 42, 43 .3

Dakdekkersbedrijf

Scheresweg 5

Autosloper/autodealer

Napoleonsbaan Zuid 22

451, 452, 453

Chateau de Raay

Raayerveldlaan 6

5510

Bedrijf tot cat. 2

Napoleonsbaan Zuid 27c

-

Scouting / blokhut

Koeberg 1

553, 552

Supermarkt

Diepenbroeklaan 1-3

471

Kantoor

Napoleonsbaan Zuid 28

-

Paardenhouderij

Borchtlaan 2

0143, 0145

Aan te houden afstanden Geur 0 meter Stof 10 meter Geluid 30 meter Gevaar 10 meter Geur 10 meter Stof 0 meter Geluid 30 meter Gevaar 10 meter Geur 10 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 10 meter Grootste richtafstand: 30 meter Geur 30 meter Stof 0 meter Geluid 50 meter Gevaar 30 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 10 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 50 meter Stof 30 meter Geluid 30 meter Gevaar 0 meter

Afstand tot plangebied 25 meter

75 meter

150 meter

170 meter 175 meter

190 meter

230 meter

380 meter

Onderzocht is of de hindercontouren de locatie overlappen. Er is één hindercontour die de locatie overlapt. De hindercontour voor geluid afkomstig van het dakdekkersbedrijf aan de Scheresweg. De woningen zij hier niet direct aan de rand van het plangebied beoogd, deze gronden zullen ingericht worden met groen. De feitelijke afstand tussen het bedrijf en de dichtst bijgelegen woningen bedraagt 100 meter. Derhalve wordt voldaan aan de richtafstand. Omliggende functies vormen derhalve geen belemmering voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. 5.1.3 Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

24

een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wgh is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie tabel 2), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer

Breedte van de geluidszone (m) Stedelijk 200 350 350

Buitenstedelijk 250 400 600

De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen, niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 63 dB). Rondom het plangebied zijn diverse wegen gelegen waar een maximumsnelheid geldt van meer dan 30 km/u. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai2 uitgevoerd. Hogere waarde Een hogere waarde is nodig omdat niet alle berekende geluidsniveaus komend van de gezoneerde wegen en de omgeving onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB liggen. Maatregelen worden niet doelmatig geacht, het verlenen van een hogere waarde blijkt mogelijk. Bouwbesluit en woon- en leefklimaat De gecumuleerde geluidbelasting in het plangebied bedraagt ten hoogste 56 dB ter plaatse van toetspunt tp_150_C op een hoogte van 4,5 meter aan het meest noordwestelijke gebouw van het plangebied. De karakteristieke gevelwering bedraagt dan 56 – 33 = 23 dB (eis uit het bouwbesluit). Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek geluidwering nodig is.

De milieukwaliteit binnen het plangebied wordt geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.4.1 en 3.4.2 van het akoestisch onderzoek kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg staat. Napoleonsbaan Zuid 24 Er kan worden gesteld dat de verkeerstoename vanuit de nieuwe woningen weinig tot geen invloed zal hebben op het huidige woon- en leefklimaat aan de Napoleonsbaan Zuid 24. De vereiste karakteristieke gevelwering zal wel stijgen met 1 dB, of hiervoor een onderzoek naar gevelwering noodzakelijk is, kan het bevoegd gezag afwegen. 5.1.4 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. 2 Akoestisch onderzoek, de Roever (d.d. 26 juli 2023, kenmerk: 20230441.V02.2)

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

25

Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden (als er sprake is van één ontsluitingsweg). Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 117 woningen. Gesteld kan worden dat dit initiatief ruimschoots onder de norm van 1.500 woningen blijft. Het initiatief is veel te kleinschalig om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.

Volgens de grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) van het RIVM bedraagt de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,2 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,8 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,1 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. 5.1.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De gebouwen voor huisvesting betreffen derhalve geurgevoelige objecten. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? 2.

Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? Goed woon- en leefklimaat De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door Wgv vastgesteld op 14 OU/m³ (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m³ mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De woningen binnen het plangebied kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich één (intensieve) veehouderij; de paardenhouderij aan de Borchtlaan 2, op een afstand van 380 meter tot het plangebied. Een paardenhouderij betreft een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, voor deze veehouderijen geldt de minimale vaste afstand. Aan deze afstand van 25 respectievelijk 50 meter wordt ruimschoots

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

26

voldaan. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect geur geen belemmering vormt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.

Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.

Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 1. Wanneer verantwoorden?

Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn.

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

27

Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart is er in de directe nabijheid van het plangebied (straal van 300 meter) één risicobron gelegen; een risicovolle transportroute N273, op een afstand van 160 meter van het plangebied. Transport gevaarlijke stoffen Over de N273 worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Het risico wordt voornamelijk bepaald door het vrijkomen van toxische vloeistoffen of gassen en brandbare gassen, als gevolg van een ongeval van gevaarlijke stoffen over deze weg. De plaatsgevonden risicocontour bedraagt 0 meter, derhalve valt het plangebied niet binnen de plaatsgebonden risicocontour. Overige deze weg worden stoffen vervoerd van de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2, GF3 en GT3. Gelet op de gevaarlijke stoffen die over deze weg worden vervoerd heeft deze weg een invloedsgebied van 880 meter aan weerszijden. Gelet op de afstand van 160 meter tussen het plangebied en de N273 is het plangebied derhalve gelegen binnen het invloedsgebied. Het risicobepalende scenario is een toxische plas, toxische wolk en brandbaar gas. Als gevolg van het vrijkomen van deze toxische gassen of vloeistoffen, kan een toxische gaswolk zich over het plangebied verplaatsen met de wind mee.

Als gevolg van het instantaan vrijkomen van brandbare gassen door het optreden van een warme of koude BLEVE, kan het plangebied worden blootgesteld aan een kortstondige zeer hoge warmtestraling en/of overdruk door een explosieve verbranding van gassen. De ontwikkellocatie ligt binnen de vrijwaringszone van 200 meter waarop op grond van artikel 8 Bevt een beperkte/volledige verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. In de Nota van toelichting bij het Bevt is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven. Hiervoor zijn vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoers-aantallen opgesteld die de gebruiker een indicatie geven wanneer een risicoberekening zinvol is. Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van grenswaarde of richtwaarde voor het plaatsgebonden risico dan wel of een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0.1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico te kunnen leiden.

Op basis van Handleiding Risicoanalyse Transport (Bijlage) wordt de drempelwaarde GF3-vervoer voor overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde, weg buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing bij 755 GF3 transporten, 173 meter bebouwingsafstand en een aanwezigheidsdichtheid van 25 personen/ha (117 woningen op een oppervlakte van ca. 47189 m2) niet overschreden waardoor er enkel een beperkte verantwoording van het groepsrisico, conform artikel 7 van het Bevt, noodzakelijk is. In het kader van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico is eveneens advies gevraagd aan de Veiligheidsregio NoordLimburg. Het advies is hieronder overgenomen: Bestrijdbaarheid BLEVE Door het plaatsvinden van een koud of warme BLEVE op de N273, kunnen in het plangebied secundaire branden ontstaan door warmtestraling en kan er schade aan gebouwen ontstaan door overdruk. Ook kunnen onbeschermde personen overlijden of letsel oplopen. Tot een afstand van 200 meter van de N273 is er sprake van een zone met 100% letaliteit en van 200 tot 300 meter is er sprake van een zone met 1% letaliteit bij het optreden van een BLEVE. In het plangebied zijn er geen mogelijkheden om de kans op het optreden van een BLEVE te verkleinen. De brandweer kan de omvang van de gevolgen van een BLEVE in het plangebied verkleinen door het verlenen van hulp en het blussen van secundaire branden.

Ook kunnen gebouwen bescherming bieden aan personen tegen de effecten van een BLEVE. Door beglazing in gebouwen in een zone van 200 meter te voorzien van scherfvrij glas, kan letsel worden voorkomen door ruitbreuk door overdruk. Bij een koude BLEVE is er geen tijd om te vluchten en kan een gebouw bescherming bieden. Bij een warme BLEVE is er mogelijk wel voldoende tijd indien personen tijdig worden gealarmeerd en geïnstrueerd om te vluchten.

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

28

Toxische gaswolk In het plangebied zijn geen mogelijkheden voor hulpdiensten om de kans op het ontstaan van een toxische gaswolk en de omvang van een toxische gaswolk te verkleinen. De blootstelling aan toxische gassen in gebouwen kan worden verkleind door in gebouwen ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten en een mechanische ventilatie af te schakelen. Personen kunnen dan veilig schuilen in een gebouw voor toxische gassen. Indien personen nog tijd hebben om te vluchten naar een veilige locatie, moet dit bij voorkeur haaks op de windrichting kunnen plaatsvinden. Zelfredzaamheid BLEVE Schuilen is een goed handelingsperspectief indien een gebouw bescherming kan bieden tegen een kortstondige zeer hoge warmtestraling en overdruk bij het optreden van een BLEVE. Indien er tijd is om te vluchten voordat er een BLEVE plaatsvindt, moet in het plangebied kunne worden gevlucht van de risicobron af. Toxische gaswolk Schuilen is een goed handelingsperspectief indien een gebouw bescherming kan bieden tegen de blootstelling van toxische gassen. Een mechanische ventilatie moet door bewoners kunnen worden uitgeschakeld. Indien er veilig gevlucht kan worden, moet het plangebied kunnen worden ontvlucht loodrecht op de windrichting (of evenwijdig met de N273). Hiervoor moeten in het plangebied voldoen vluchtwegen zijn om niet door de gaswolk te vluchten.

Waarschuwing en alarmering Bij een ongeval met het vervoer van gevaarlijke stoffen op de N273, zal de directe omgeving worden gewaarschuwd door de hulpdiensten zodat aanwezige personen die blootgesteld (kunne) worden aan het gevaar, tijdig kunnen schuilen of vluchten. Uitgangspunt is dat personen zelfredzaam zijn en het juiste (door de hulpdiensten gecommuniceerde) handelingsperspectief opvolgen. Advies ▪ De bereikbaarheid van de blusvoorziening in het plangebied, moet voldoen aan het gemeentelijkbeleid ‘Bereikbaarheid en bluswatervoorziening’. Het plangebied moet minimaal vanuit twee richtingen bereikbaar zijn voor hulpverleners. ▪ De ontvluchting van woningen en de openbare ruimte in het plangebied moet van de risicobron (N273) af plaats kunnen vinden bij een dreigende warme BLEVE of evenwijdig met de N273 in twee richtingen bij een toxische gaswolk. ▪ De woningen moeten worden voorzien van mechanische ventilatie die door bewoners zelf op eenvoudige wijze kan worden uitgeschakeld. ▪ In een zone van 200 meter vanaf de N273 moeten de woningen worden voorzien van een beglazing die voldoet aan de klasse P2A van de NEN-EN 356 om de kans op letsel door uitbreuk te verkleinen. ▪ In een zone van 200 meter vanaf de N273 moeten de woningen worden uitgevoerd met een gevelconstructie waarvan het buitenoppervlak voldoet aan brandklasse B volgens de NEN-EN 13501-1.

Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van onderhavig planvoornemen. 5.1.7 Milieueffectrapportage (m.e.r.) Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

29

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.

het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang project

van

het

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging hinder

en

Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van 117 woningen. Het geldende bestemmingsplan staat deze herontwikkeling van de locatie niet toe. Om de herontwikkeling mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan gewijzigd. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

30

Risico van ongevallen

Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden

Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Toets Agrarische gronden N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Toets Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus niet direct een MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden;

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

31

c.

Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is.

Er is met deze woningbouwontwikkeling sprake van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is dan onderdeel D11.2 als ondergrens hanteert. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

5.2 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is aan de oostelijke zijde van het plangebied de dubbelbestemming ‘Leiding Hoogspanning’ toegekend, daar ter plaatse een hoogspanningsleiding loopt. Aan beide zijden is een zone van 20 meter als beschermingszone toegekend. In 2012 is in opdracht van gemeente Peel en Maas een magneetveldbereking uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de magneetveldzone aan beide zijde van de hoogspanningsleiding 45 meter bedraagt. Ter plaatse van deze zones (zowel 20 als 45 meter zone) is geen bebouwing voorzien, deze gronden worden ingericht voor groen. Blijkens kaarten van Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.3 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bouw van de woningen hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna3 uitgevoerd. Soortenbescherming Het plangebied maakt onderdeel uit van het leefgebied voor algemeen voorkomende beschermde soorten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor de algemeen voorkomende soorten vaak een vrijstelling voor het beschadigen van vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen en het vangen van deze soorten. Wel geldt de zorgplicht, deze zorgplicht is in de Wet natuurbescherming opgenomen in artikel 1.11: 1. Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2.

De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 3 Quickscan flora en fauna, Bureau Meervelt (d.d. 19 oktober 2022, kenmerk: 22-081/1)

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

32

a. b. c.

dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

In de praktijk komt de zorgplicht neer op het nemen van passende maatregelen om doden van dieren te voorkomen en aanwezige dieren zo nodig te vangen en te verplaatsen. Daarnaast zijn maatregelen nodig om te voorkomen dat verbodsbepalingen overtreden worden. De maatregelen zijn hieronder puntsgewijs opgenomen. ▪ De vijver dient (indien waterhoudend) leeggepompt te worden buiten het voorplantingsseizoen van amfibieën; ▪ Bij aanwezigheid van vis dient de pomp uitgerust te worden met een voorziening die voorkomt dat dieren vermalen worden; ▪ Schuilplekken zoals houtstammen en takkenhopen of ander materiaal, dienen voorzichtig verwijderd te worden. Aanwezige dieren krijgen bij voorkeur de mogelijkheid op eigen kracht een veilig heenkomen te zoeken; ▪ Aanwezige holen dienen zoveel mogelijk handmatig te worden uitgegr4aven zodat de aanwezige dieren de kans krijgen om te vluchten; ▪ Eventueel aanwezige nestkastjes dienen voorafgaand aan het broedseizoen verwijderd te worden; ▪ Bomen en struiken dienen voorafgaand aan het broedseizoen verwijderd te worden (1 maart – 15 augustus). Mits deze maatregelen genomen worden is geen nader onderzoek of een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor soorten nodig. Houtopstanden In het plangebied dient volgens een houtwal gekapt te worden met de bestemming ‘Natuur’.

De houtwal ligt in het bestemmingsplan buitengebied en er kan vanuit gegaan worden dat deze op grond daarvan beschermd is onder de Wet natuurbescherming – houtopstanden. Een kapmelding is nodig en er geldt een herplantingsplicht. Een ontheffing voor herplant op hetzelfde perceel dient te worden aangevraagd. Voor kap van de houtopstand en de eventueel te kappen solitaire bomen is een kapmelding bij de gemeente Peel & Maas nodig voor zover de solitaire bomen een stamdiameter hebben gelijk of groter dan 30 cm op een hoogte van 1.30 meter. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het behoud van goed ontwikkelde groene elementen in vele opzichten waardevol is: • Biodiversiteit: behoud van lokale populaties en versterking van natuurwaarden, • Klimaatadaptatie: schaduwwerking en daarmee een bijdrage leverend aan het voorkomen van hitte-eilanden, • Klimaatadaptatie: doorlaatbaarheid van de bodem tijdens perioden van grote neerslag, • Klimaatmaatregel: vastleggen van CO 2, • Beleving: landschappelijke waardevol. Conclusie Indien de maatregelen voor soortenbescherming worden genomen, er een kapmelding wordt ingediend voor de houtopstand vormt het aspect flora en fauna geen belemmering in het kader van onderhavig planvoornemen. 5.3.2 Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Duitse Natura 2000-gebied Vogelschutzgebiet ‘Schwalm Nette Platte mit Grenzwald u.

Meinweg, ligt op 5,1 kilometer afstand van het projectgebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 5,1 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het projectgebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

33

stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositie onderzoek4 uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarnaast blijkt uit de berekeningen dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan.

5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Provinciale Omgevingsvisie, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat ▪ voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; 4 Stikstofdepositie onderzoek, de Roever (d.d. 15 juni 2023, kenmerk: Leefomgeving.kuukven.2023.Stikstof.V01.1)

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

34

▪

een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

De waterkundige waarden zijn in de Provinciale Omgevingsvisie en de daarbij behorende Omgevingsverordening 2021 weergegeven op de kaart ‘Grondwaterbescherming’. Conform deze kaart gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. 5.4.2

Kenmerken van het watersysteem

Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als hoge bruine enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een doorlatendheidsonderzoek5 uitgevoerd. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie to gemiddeld 0,5 m-mv hoofdzakelijk bestaat uit zwak siltig, zak tot matig humeus, matig fijn zand. Onder de humeuze bovengrond bevindt zich zwak siltig, matig fijn tot zeer grof zand met plaatselijk een zwak tot sterk zandige leemlaag en in de diepere ondergrond een zak tot matig grindige bijmenging. De actuele grondwaterstand (24 januari 2023) varieert van 1,3 tot 2m3 m-mv (19,6 á 19,8 m+NAP). Uitgaande van de gemeten grondwaterstanden en gegevens afkomstig van DINOloket bevinden de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) zich naar verwachting op circa 20,0 en 19,3 m+NAP. De gemiddelde doorlatendheid van de humeuze bovengrond bedraagt circa 0,3 m/d en de gemiddelde doorlatendheid van het zand in de ondergrond bedraagt ongeveer 1,3 m/d. de doorlatendheid van de grindige zandlagen in de ondergrond bedraagt circa 3,6 m/d en de doorlatendheid van de leemlagen is kleiner dan 0,001 m/d.

Op basis van het oriënterend doorlatendheidsonderzoek is de humeuze bovengrond als matig doorlatend aan te merken en het zand in de ondergrond is aan te merken als goed doorlatend. De leemlagen zijn als zeer slecht doorlatend aan te merken. Op basis van het oriënterend doorlatendheidsonderzoek is infiltratie van (hemel)water binnen de onderzoekslocatie in principe goed mogelijk. De humeuze bovengrond en de leemlaag in de ondergrond kunnen echter zorgen voor onvoldoende infiltratiemogelijkheid. Bij de keuze van het type en de dimensionering van het infiltratiesysteem moet rekening gehouden worden met de heterogeniteit van de bodem. Dit zal nader uitgewerkt moeten worden in een afkoppeladvies. In het kader van de infiltratie van (hemel)water is het aan te bevelen de humeuze bovengrond en/of de leemlaag ter plaatse en in de directe omgeving van de aan te leggen infiltratievoorzieningen te verwijderen. Oppervlaktewater Onderhavig bestemmingsplan heeft tot doel het oprichten van 117 woningen. Met het initiatief is sprake van nieuw verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Voor het bepalen van de waterbergingsopgave geldt voor het gehele plangebied 100 mm per m² verhard oppervlakte. Voor particulier terrein geldt dat 50mm/m² gebufferd wordt op eigen terrein.

De overige 50mm van het particulier terrein wordt meegenomen in de openbare ruimte. Hierdoor wordt gemiddeld in het plangebied 100mm/m² verhard oppervlakte gerealiseerd. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Oppervlakkig heeft de voorkeur. Daarbij is de trist vasthouden – bergen- afvoeren leidend. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,80 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.

5 Doorlatendheidsonderzoek, HMB Groep (d.d. 7 februari 2023, kenmerk: 22274802W)

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

35

Voor het berekenen van de hoeveelheid te bergen en infiltreren hemelwater wordt de leidraad water van de gemeente Peel en Maas als uitgangspunt gehanteerd. Uitgangspunten voor het bepalen van de waterberging De gemeente hanteert hierin de volgende uitgangspunten: ▪ Grote ontwikkeling. Totaal 100 mm bufferen binnen het project, waarvan 50 mm op particulier terrein bufferen. ▪ Er moet minimaal 50 mm aan fysieke berging worden gerealiseerd. ▪ Groene daken. Bij toepassing van een groen dak, waarbij tenminste 25 liter per m² berging is gerealiseerd, wordt dit groene dak niet gezien als verhard oppervlak. De dakafvoer van het groene dak loopt dan wel via eigen tuin; bij extreme neerslag mag daarna overloop naar openbaar terrein plaatsvinden. ▪ Particuliere verharding. In verband met uitbouwen, schuurtjes, veranda’s en terrassen dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd om de wateropgave vast te stellen: • Perceel tot 150 m² voor 100% meetellen als verhard. • Perceel tot 375 m² voor 65% meetellen als verhard. • Overige percelen met een minimum van 250m² als verhard. ▪ Type verhardingen specificeren: • Bestrating => 100% verhard. • Grind => 50% verhard. • Gras-beton => 70% verhard. Uitgangspunten waterberging op particulier terrein ▪ Voor iedere m² verhard oppervlak op particulier terrein wordt 50 mm waterberging gerealiseerd.

▪ Invulling waterberging naar eigen keuze, te denken valt aan wadi of vijver in tuin, groen dak, kratten onder inrit. ▪ Voor inritten op particulier terrein duidelijk maken hoe hemelwater van deze verharding wordt opgevangen: op eigen perceel of op openbaar terrein omdat ze van nature afwateren naar openbaar terrein. Afhankelijk van de keuze waterberging voor de inritten realiseren op particulier terrein of openbaar terrein. ▪ Er mag een overstort worden gerealiseerd naar openbaar terrein. Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijke afvalwater wordt een waterhuishoudkundig plan opgesteld waarin ook het hemelwater wordt opgenomen. dit waterhuishoudkundige plan heeft als uitgangspunt de leidraad water van de gemeente Peel en Maas.

5.5 Archeologie en cultuurhistorie 5.5.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijke onderbouwing/bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met d de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarde en in de grond aanwezige of te verwachte monumenten rekening is gehouden. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting, categorie 4. Bij categorie 4 gebieden geldt een onderzoeksplicht

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

36

indien de gronden dieper dan 40 cm en met een oppervlakte van groter dan 250 m² verstoord worden. Derhalve is een archeologisch onderzoek6 uitgevoerd.

Afbeelding 9 Uitsnede archeologische beleidskaart (rood; plangebied)

Op grond van de onderzoeksresultaten van het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek doormiddel van een verkennend booronderzoek. Een dergelijk vervolgonderzoek heeft tot doel de opbouw van de ondergrond, de bodemopbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting worden getoetst en kunnen concretere gegevens worden verzameld over gaafheid en diepteligging van de verwachte archeologische resten. Naar aanleiding van bovenstaand advies is een archeologisch booronderzoek7 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het booronderzoek blijkt dat in het plangebied een oude akkerlaag aanwezig is onder een akkerdek en de bouwvoor. In en onder het akkerdek kunnen nog archeologische vondsten en sporen worden verwacht, welke bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Nader archeologisch onderzoek wordt nodig geacht om te bepalen of in het plangebied archeologische sporen daadwerkelijk aanwezig zijn en zo ja, waar, van welke aard, de ouderdom en wat de waarde is.

gezien de aard van de verwachte resten is gravend onderzoek hiervoor de meest geschikte methode. Geadviseerd wort daarom een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Een proefsleuvenonderzoek dient uitgevoerd te worden conform een op voorhand door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Ten tijde van de voorbereiding van het bestemmingsplan wordt een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan het College van burgemeester en wethouders besluiten: 1. Het plangebied vrij te geven omdat hier geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen zijn gevonden

6 Archeologisch vooronderzoek, RAAP (d.d. 28 oktober 2022, kenmerk: BAKUU) 7 Archeologisch vervolgonderzoek, RAAP (datum: 20 april 2023, kenmerk: BAKUU2)

Vastgesteld – “Kuukven 3-4-5 Baarlo”

37

2. 3.

Aangetroffen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen te laten opgraven (behoud ex situ) Maatregelen te treffen ten behoeve van het duurzaam behouden in de bodem (in situ) van de aangetroffen behoudenswaardige vindplaatsen

Het College kan op basis van artikel 7.5 (Wijzigingsbevoegdheid) de dubbelbestemming waarde – archeologie laten verwijderen in het geval van scenario’s 1 en 2, of wijzigen in het geval scenario 3.

5.5.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In de Provinciale Omgevingsvisie is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in Provinciale Omgevingsvisie is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. De Provinciale Omgevingsvisie schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ zijn in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waarop het initiatief een negatieve invloed kan hebben.

5.6 Verkeer en parkeren Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer bestaande situatie Daar de ontsluitingsweg van het Kuukven ook meegenomen wordt in onderhavig plan is het van belang ook de bestaande verkeersbewegingen in kaart te brengen. Bestaande verkeersgeneratie: ▪ Chateau de Raay (4* hotel); 15 verkeersbewegingen per 10 kamers, bij een geschat aantal van 40 kamers komt dat neer op 60 verkeersbewegingen per dag; ▪ Art centrum: gemiddeld 5 verkeersbewegingen per dag; ▪ Gebied Kuukven: 175 woningen * 7 verkeersbewegingen per dag (kengetal CROW) = 1.225 verkeersbewegingen per dag. Ongeveer 2/3 van het verkeer gaat over de Bong (817) en 1/3 neemt de nieuwe ontsluiting (408), dit omdat Kuukven meer is gericht op werken in de richting van Maasbree/Venlo (noord) dan in de richting van Roermond (zuid). In Kuukven 1 en 2 zijn meer dan 175 adressen, de woningen aan de Joppe, Nolle, Bergweg, gedeelte Heierhof zijn niet meegenomen, omdat de ontsluiting over de Bong de korte weg is. Totaal betreft de bestaande verkeersgeneratie 60 + 5 + 408 = 473 bestaande verkeersbewegingen per dag op/over de nieuwe ontsluitingsroute.

In januari 2023 is een verkeerstelling uitgevoerd, om te kijken of de theorie overeenkomst met de praktijk. De telling laat zien dat er in de praktijk gemiddeld 379 voertuigbewegingen per dag zijn. Dit is een lager aantal dan de theoretisch berekende aantallen. De uitgevoerde telling bevestigd dat de theoretische berekende voertuigbewegingen per dag niet worden overschreden. Verkeer woningbouwontwikkeling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=6e1af35c-dc89-45f9-83ad-38f5765392e9