CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-011 05 Toelichting (geanonimiseerd)

Raad 6 februari 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “Bestemmingsplan - Bedrijf naar Wonen, Sevenumseweg 8-8a te Maasbree” (2024-011)15.401 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

plangebied

is daarnaast

gelegen

binnen

de

richtafstand

van

gevaar

van

het

distributieverdeelstation.

Het

distributieverdeelstation is op basis van de risicokaart van de provincie Limburg aangewezen als risicovolle inrichting (zie paragraaf 5.1.7 Externe veiligheid). Het distributieverdeelstation is zodoende niet aan te merken als risicovolle activiteit welke van invloed is op de externe veilgheid in de omgeving. Het plangebied is tevens binnen de richtafstand van geur van de metaalgieterij / smelterij gelegen.

In paragraaf 5.1.6

Geurhinder industrieel wordt hier verder op in gegaan.

Vastgesteld

2

Er dient niet alleen gekeken te worden naar de bedrijven die momenteel in de omgeving gevestigd zijn maar ook naar de maximale planologische toepasbaarheid. Conform het vigerende bestemmingsplan zijn op de locaties Sevenumseweg 8 en

8b en Groesweg 7 bedrijven tot en met categorie 3 toegestaan. Voor bedrijven uit milieucategorie 3.2 (de hoogste toegestane mileucategorie ter plaatse) geldt een richtafstand van 50 meter voor een gemengd gebied. Voor alle vier deze bedrijven wordt niet voldaan aan de richtafstand.

Op de locatie Groesweg 9 is een bedrijf tot en met categorie 4 toegestaan. Voor bedrijven uit miieucategorie 42 (de hoogste toegestane milieucategorie ter plaatse) geldt een richtafstand van 200 meter voor een gemengd gebied. Voor dit bedrijf wordt eveneens niet voldaan aan de richtafstand. Aangezien

niet aan de richtafstand voor deze bedrijven wordt voldaan is een akoestisch onderzoek industrielawaai

uitgevoerd (zie paragraaf 5.1.3 geluid). Uit het onderzoek volgt da een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning gewaarborgd is en dat voldaan wordt aan de eisen die gesteld worden aan het binnengeluidniveau in de woning. Verder blijkt uit het onderzoek dat de nieuw beoogde woonbestemming geen inbreuk doet op de geluidruimte van

omliggende bedrijven. De locatie Sevenumseweg 8b is momenteel

in gebruik als een distributieverdeelstation. De bedrijfslocatie heeft een

oppervlakte van 1.676 m? en is bebouwd met een gebouw van circa 100 m. Gezien het huidige gebruik van deze locatie, als distributieverdeelstation en de kleinschaligheid van deze bedrijfslocatie is het niet voorstelbaar dat hier een ander soortig bedrijf wordt gevestigd. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen is binnen een zone van 30 meter vanaf

het distributieverdeelstation een aanduiding opgenomen waarbinnen nieuwe gevoelige objecten worden uitgesloten. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de maximale toegestane milieucategorie, ter plaatse van de Sevenumseweg

8, terug geschaald van ten hoogste categorie 3 naar ten hoogste categorie 2. Voor een bedrijf van categorie 2 geldt een richtafstand van 10 meter voor een gemengd gebied. Aangezien in de huidige situatie niet aan deze richtafstand wordt voldaan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf S.1.3 geluid). Uit het onderzoek blijkt dat de nieuw beoogde

woonbestemming geen inbreuk doet op de geluidruimte van het bedrijf aan de Sevenumseweg 8, mits een milieuhinderzone van 10 meter wordt aangehouden tussen de bedrijslocatie en de woning. Binnen 1O meter van de woning is zodoende een bebouwingsvrije zone opgenomen om dit te waarborgen. 5.1.3

Geluid

Industrielawaai

Het plangebied maakt onderdeel uit bedrijventerrein “De Schor”. Binnen dit bedrijventerrein zijn bedrijven van milieucategorie 3 toegestaan. Voor bedrijven van milieucategorie 3.2 gelegen in een gemengd gebied dient een richtafstand van 50 meter aangehouden te worden.

In de VNG-Brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ is in paragraaf 4.2 (en bijage

B5.3) een stappenplan opgenomen voor het realiseren van een woonfunctie nabij een bedrijf. Indien niet aan de richtafstand wordt voldaan (stap I), dient middels een akoestisch onderzoek aangetoond te worden

dat de geluidbelasting op de gevel van de woning voldoet aan de geluidwaarden zoals opgenomen in bijage B5.3 van de VNG-brochure. Deze geluidwaarden bedragen in een gemengd gebied in eerste instantie 50 dB(A) voor het langújdgemiddelde

beoordelingsniveau,

70

dB(A)

voor

het

maximale

geluidniveau

en

50

dB(A)

voor

de

verkeersaantrekkende werking (stap 2 Bij overschrijding van deze waarden is planologische inpassing in gemengd gebied nog steeds mogelijk b een geluidbelasting

tot 55 dB(A) voor het angtijdgemiddelde beoordelingsniveau, 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau en 65 dB(A) voor de verkeersaantrekkende werking. De raad dient dan te motiveren waarom deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel wordt geacht (stap 3).

Indien ook laatstgenoemde waarden worden overschreden is planologische inpassing doorgaans niet mogelijk. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient het dit grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren (op4).

Vastgesteld

2

Omdat niet aan de richtafstanden van 50 meter en

1O meter wordt voldaan voor de bedrijven gelegen aan de

Sevenumseweg Bb, Groesweg 7 en Groesweg 9 is akoestisch onderzoeld (bijage |) uitgevoerd naar de daadwerkelijk te verwachten geluidbelasting vanwege de nabijgelegen bedrijven op de woning. Voor de bedrijven gelegen aan de Sevenumseweg 8b, Groesweg 7 en Groesweg 9 geldt dat deze vallen onder de werking

van het Activiteitenbesluit. In dat besluit zijn onder meer de geluideisen opgenomen waaraan deze bedrijven moeten voldoen. In onderhavige situatie geldt voor elk bedrif dat de geluidbelasting op de te beschouwen woning niet hoger mag zijn dan 55 dB(A) voor La7 en 75 dB(A) etmaalwaarde voor Lam

De beoogde omzetiing verandert daar niets aan. Het

Activiteitenbesluit kent immers geen verschiltussen bedrijfswoningen en burgerwoningen. Ook in de nieuwe situatie geldt voor de bedrijven een norm van respectievelijk 55 en 75 dB(A). De bedrijven worden door de wijziging dan ook niet in hun geluidruimte beperkt.

Het bedrijf aan de Sevenumseweg 8 was het bedrijf waartoe de bedrijfswoning behoorde voor de beoogde omzetting naar burgerwoning. Voor het bedrif golden volgens het Activiteitenbesluit geen eisen aangaande de geluidbelasting op de

eigen woning. Op grond van het bestemmingsplan is hier een bedrijf toegestaan U/m milieucategorie 3. De huidige bedrijfsactiviteiten vallen echter onder categorie 2. De bestemmingsplanwijziging voorziet in het terug schalen van de toegestane mileucategorie van ten hoogste categorie 3 naar ten hoogste categorie 2. Voor een dergelijk bedrijf geldt een

richtafstand van 1O m. Daaraan wordt echter ook niet voldaan. Door in onderhavig bestemmingsplan een milieuhinderzone van |O m aan te houden is gewaarborgd dat de woonfunctie en de bedrijfsfunctie niet verder naar elkaar toe kunnen groeien, en word alsnog aan de richtwaarde voldaan. Het bedrijf wordt in dat geval niet in haar geluidruimte

beperkt, en een goed woon- en leefklimaat als gevolg van dit bedrij is dan gewaarborgd. Gesteld kan worden dat de nieuw beoogde woonbestemming geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende

bedrijven/inrichtingen en dat een goed woon- en leefkdimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemming gewaarborgd is. Wegverkeerslawaai

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per | januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar

een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient e worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen.

In de Wet geluidhinder (Wh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uizondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke onewikkeling waarbij sprake is van de onewikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden

uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aanal rijstroken

5 of meer 3of4 Lof2

Breedte van de geluidszone (in meters)

Buitenstedelijk 600 40 250

Stedelijk 350 350 200

Een bedrijf betreft geen geluidsgevoelige functie, de daarbij gelegen bedrijfswoning betreft wel een geluidsgevoelige functie.

Bij de functiewijziging van bedrijfswoning tot burgerwoning i echter geen sprake van het realiseren van nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor een geluidsgevoelig object.In de bestaande en nieuwe situatie is sprake van de activieit wonen. Het maakt daarbij niet uit of de woning een bedrijfswoning of een burgerwoning is. Een akoestisch onderzoek

naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer is derhalve niet noodzakelijk.

7 HMB Groep, Akoestisch onderzoek Sevenumseweg 8a Maasbree, 7 september 2023, kenmerk: 23219202N

Vastgesteld

23

5.1.4

_ Luchtkwaliteit

Algemeen

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwalieit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet mileubeheer (hoofdstuk S Wm). Artikel 5.16 Wm (lid |) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één

van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: 3.

eris geen sprake van een feielike of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

b. c

een project leidt — al dan niet per saldo — niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit: een project draagt ‘niet in betekenende mate! (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;

d.

een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteie), of binnen een regionaal

programma van maatregelen Het Besluit NIBM

Deze AMB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate! is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen

(beschreven

in de ministeriële Regeling NIBM) worden

tenietgedaan

door de

ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op I augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient

bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelik is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.

De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde

concentratie van fjn stof (PM,o) of stikstofdioxide (NO)).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m? voor zowel fijn stof en NO. Als de 3% grens voor PMio of NO: niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM

Voor het initiatief is de toename van verkeer van belang in relatie tot de luchtkwaliteit. Het initiatief voorziet in omzetzen van een bedrijfswoning naar burgerwoning en het terug schalen van de maximale toegestane milieucategorie van een bestaande bedrijfslocatie. Deze ontwikkelingen hebben geen toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg,

waardoor het initatief wat dat betreft niet van invloed is op de luchtkwaliteit De beoogde ontwikkelingen dragen NIBM bij aan de luchtkwalieit.

Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer {ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, WIk). De Wik bevat grenswaarden

voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en

stkstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zin in Nederland met name de grenswaarden voor stkstofdioxide (NO;) en fijn stof (PM;s en PM1o) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fjn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek

in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelij zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel I. Grenswaarden voor jaargemiddelde concentratie van NO:, PM;o en PMas

Stof

Toetsing van

Stikstofdioxide (NO:) Fijn stof (PM1o)

Jaargemiddelde concenratie Jaargemiddelde concentratie

Fijn stof (PM2s)

Jaargemiddelde concentratie

Vastgesteld

Grenswaarde 40 vg/m* 40 ug/m’ 25 gm?

4

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uicaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarliks in kaart

worden gebracht. Normaal gesproken zin er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fin stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.

Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM,s) ter plaatse 88 ug/m’, de concentratie fijn stof (PM)

16,0 ug/m? en de concentratie stikstofdioxide (NO:) 12,2 ug/m. In de Wet milieubeheer is

de jaargemiddelde grenswaarde voor PM; 25 ug/m, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM,0 40 ug/m? bedraagt. Voor NO: bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 Hg/m. Condusie luchtkwalteit

Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm

lid I onder a. De voorgenomen ontwikkelingen zullen ook geen

extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het iniiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid I onder c Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk i in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.I.5

_ Geurhinder: agrarisch

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet

geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblif. Gemeenten hebben onder de Wy de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Peel en Maas beschikt niet over

een dergelijke geurverordening. Goed woon- en leefklimaat

De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in de bebouwde kom, is door de Wy vastgesteld op 3 OU/m? (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 3 OU/m? mag emitteren op een geurgevoelig object binnen de bebouwde

kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uisluitend berekend worden

bij een

veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve vechouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geurerissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 50 meter.

De woning zou geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) zijn echter geen veehouderijen gelegen. Geconcludeerd kan worden

dat door de grote afstanden tot

veehouderijen ter plaatse geen sprake kan zijn van geuroverlast. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen

beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het projectgebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabe! zjn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven.

Vastgesteld

25

Tabel 2. Rekenresultaten achtergrondbelasting

Nummer

X-coördinaat

Y-coördinaat 375 036

04

Hoek 2

201 525

375 003

04

Hoek3

201 497

374993

04

Hoek 4

201 485

375 024

04

Middelpunt

201 503

375017

04

Hoek

I

201512

Berekende waarde

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied bedraagt 04 OU/m. Anders dan b voorgrondbelasting geeft de Wev geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de Wgy geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar

woon- en leefkdimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3:4 van de handreiking bij de Wg (welke gaat over de beoordeling van ruimtelijke plannen, aanvuling 23 mei 2007) en de bijagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling | mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen. Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking s er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwalieit in een gebied. De milieukwaliteit

correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van het verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwalieit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het

ruimteli plan, wat de mileukwaliteit en dus het woon en leefklimaat bij een ruimelijk plan is. Tabel 3. Beoordeling achtergrondbelasting

Milieukwaliteit

Geur gehinderden

Zeer goed Goed

<5% 5-10%

Redelijk goed

10-15%

Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht Concluderend

15-20% 20-25% 25-30% 30.35% 35-40% kan derhalve het volgende gesteld worden.

Voorgrondbelasting

__ Achtergrondbelasting

98 percentiel OU/m’

_98 percentiel OU/m?

<15 1538

<3l

3866

66-10 10-142 142-192 192-25,3 253328 In het kader van een goede

283-385 38,5-50,7 >507 ruimtelijke ordening moet

aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen

oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt

toetsing plaats aan de weteelijke norm van 3 OU/m? voor binnen de bebouwde kom. De norm voor binnen de bebouwde

kom valt n de milieukwaliteitsklasse “goed” (1,5 tot 38 OU/m’). Op grond hiervan wordt afgeleid dat binnen de bebouwde kom een milieukwaliteit "goed” aanvaardbaar s. Als deze wettelijke normen worden doorgetrokken naar de

achtergrondbelasting kan gesteld worden dat binnen de bebouwde kom bij een norm gelegen in de klasse 3,! - 7,4 OU/m? (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “goed"”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 04 OU/m’. Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een milieukwaliteitsklasse " Zeer goed”, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Effect voor veehouderijen n de omgeving Doordat de woning reeds als geurgevoelig object is aangewezen verandert er niets met de bestemmingswiziging voor de omliggende veehouderijen. De omliggende veehouderijen worden als gevolg van de burgerbewoning daarom niet anders belemmerd in hun bedrijfsvoering dan reeds het geval.

Vastgesteld

26

5.1.6

_ Geurhinder: industrieel

Het nationale industriële geurbeleid is vastgelegd in de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). De brief van het ministerie van

Infrastructuur en Milieu van 30 juni 2005 stelt het rijksbeleid in grote ljnen vast. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de Beste Beschikbare Techniek (BBT) de kern van het geurbeleid.

Uitgangspunten van het riksbeleid zijn: =

Alser geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;

= _ Alser wel hinder is, worden maatregelen getroffen op basis van het Beste Beschikbare Techniekeprincipe: = De gemeente stelt vast welke mate van hinder acceptabel s. Onderhavig iniiatief voorziet niet in het realiseren van een nieuwe geurgevoelige functie. De bestaande woning van de initiatiefnemers betreft reeds een geurgevoelige functie waar de bedrijven op het bedrijventerrein rekening mee dienen te houden.

De functiewijziging van de woning vormt zodoende geen belemmering voor de omliggende bedrijven ten

aanzien van geur.

De woning is gelegen binnen de richtafstand van geur van de metaalgieterij / smelterij (zie paragraaf 5.1.2). Een

metaalgieterij / smelterij dient e voldoen aan de eisen uit het activiteitenbesluit. In het activieiten besluit i in artikel 2.7a opgenomen dat: “Indien bij een actiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dt niet mogelik is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt”. De metaalgieterij

/ smeiterij dient zodoende geurhinder op de woning te voorkomen zodat in de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. 5.I.7

_ Externe veiligheid

Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veilgheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: = … inrichtingen; = … transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen;

= vuurwerkopslagplaatsen; = _ opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze

minimaal aan te houden

afstanden worden

plaatsgebonden

risicocontouren genoemd.

De grootte van deze

plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarljke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidssystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder I% van de blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied. Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor

is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een

maat voor

de maatschappelijke

ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit. Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur

heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke onewikkelingen. Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied veranwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's.

Vastgesteld

27

Riscovole actviteiten rond het plangebied Door

het

lnterprovinciaal

Overleg

(PO)

is

een

risicokaart

samengesteld

waarop

de

meest

belangrijke

risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.

Afbeelding 9. Uitsnede risicokaart

Inventarisatie risicobronnen

Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede van de risicokaart in van afbeelding 14 is de ligging van relevante inrichtingen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Door het ontbreken van risicovolle inrichtingen wordt gesteld dat dit geen belemmeringen oplevert voor het voorgenomen initiatief.

Transport gevaarijke stoffen In de omgeving van het plangebied liggen geen wegen die deel uimaken van het basisnet weg, Over de wegen in en rond

het plangebied kunnen incidenteel gevaarlike stoffen worden vervoerd. Gezien de lage vervoersintensiteit levert dit geen relevante risico's op.

Op een afstand van 2,5 kilometer ten noorden van het plangebied is de snelweg A67 gelegen. Over de A67 worden de stoffen LFI, LF2, LTI, LT2, LT3, GFI, GF2 en GT3 vervoerd. De plaatsgebonden risicocontour van deze weg bedraagt 22 meter. In de basisnettabellen van de Regeling basisnet is per route aangegeven of een plasaandachtsgebied (PAG) geldt.

Voor de A67 is een PAG van 30 meter opgenomen. Binnen deze zone gelden aanvullende bouweisen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het grootste invloedsgebied met een 1% lealiteitsafstand behoord tot de stof LT3. Deze bedraagt meer dan 4.000 meter. Het plangebied is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van de A67 en buiten de PAG. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van deze snelweg. In dit geval geldt er geen verantwoordingsplicht in het kader van het

groepsrisico. Uit artikel 8 id I van het Bevt wordt namelijk gesteld da geen verantwoording afgelegd hoeft te worden in het kader van het groepsrisico indien het plangebied op meer dan 200 meter van een risicovolle transportroute gelegen is. Dat is voor onderhavig iniiatief het geval.

Vastgesteld

28

Buisleidingen In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Door de afwezigheid van buisleidingen kan gesteld

worden dat dit geen belemmeringen oplevert voor het voorgenomen initiatief, Condusie

Het aspect externe veilgheid vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.

5.2

Kabels en leidingen

Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrifszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd.

Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied.

Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.3

Natuur

De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeff tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Op de locatie vinden geen (bouw-)werkzaamheden plaats die een invloed kunnen hebben op de aanwezige flora en fauna.

Het initiatief betreft uitsluitend een functionele wijziging van het plangebied. Derhalve worden er geen nadelige effecten verwacht op eventueel voorkomende flora en fauna en is er geen inventariserend onderzoek uitgevoerd. Natura2000

Het dichtstbijzijnde Naura2000-gebied Deurnsche- en Mariapeel, ligt op circa 8,9 km van het plangebied. In de Wb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Nauura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 89 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting, Verzuring en vermesting zijn een

van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NO, of NH;), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan n een Natura2000-gebied.

Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het

habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een iniiatief berekend.

De feiteijke huidige situatie verandert niet in het kader van de voorgenomen

ontwikkeling. Het initatief voorziet

uitsluitend in een functionele wijziging van de woning Sevenumseweg 8a en in het terug schalen van de maximale

toegestane milieucategorie van de bedrijfslocatie Sevenumseweg 8.

Vastgesteld

w

Het plan leid niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de woning en de bedrijfslocatie. Daarnaast is er geen sprake van extra stikstofuitstoot aangezien er geen nieuwe stookinstallaties worden gerealiseerd.

Voorgenomen plan heeft zodoende geen gevolgen voor de stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied. Er zijn dus geen nadelige consequenties voor de natuur- en landschappelijke waarden en de instandhoudingsdoelstellngen van de Natura 2000-gebieden.

5.4

Waterparagraaf

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het verplicht een watertoets op te stellen en daarmee het water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven. De watertoets vraagt niet alleen een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die een ontwikkeling heeft, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Onderhavig iniiatief

voorziet niet in een wijziging van de waterhuishoudkundige situatie aangezien geen nieuwe bebouwing wordt opgericht. Onderhavig bestemmingsplan is daarmee waterhuishoudkundig gezien niet relevant.

5.5

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Sinds I september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg s de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimeelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.

Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te

beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform

deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemrming ‘Waarde — Archeologie 4' toegekend. In deze archeologische dubbelbestemrming zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 250 m? opperviakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient

van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien het te verstoren oppervlakte meer dan 250 m? bedraagt

Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in grondwerkzaamheden, het betreft louter een functiewijziging van een reeds bestaande woning en het terug schalen van de maximale toegestane mileucategorie. Derhalve wordt de bodem niet geroerd en worden de ondergrenzen voor archeologisch onderzoek niet overschreden.

Een archeologisch onderzoek is

niet benodigd. Wel wordt de archeologische dubbelbestemming in dit bestemmingsplan gehandhaafd. Cuituurhistorie

De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie.

De provincie wil dan ook dat er

verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen.

Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg liggen er in de nabijheid van het plangebied enkele panden uit het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Het betreft de panden: =

Een transformatorhuisje aan de Sevenumseweg 8b. Het object i van belang vanwege de oorspronkelijke functie:

Vastgesteld

30

=

Een woonhuis / horecapand aan de Sevenumseweg 6. Het object is van belang omdat het een specimen van een bouwtraditie

betreft.

Het initiatief heeft geen nadelige gevolgen op de (belevings-) waarde van deze panden want er Í uitsluitend sprake van een functiewijziging. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.6

Verkeer en parkeren

Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer

De bestemmingswijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning veroorzaakt geen toename van de verkeersgeneratie.

Ook het terug schalen van de maximale toegestane milieucategorie voorziet niet in een toename of wijziging van de verkeersgeneratie.

De woning en het bedrijfspand maken in de huidige siwatie gebruik van eenzelfde inrit welke is gelegen tssen de woning en het bedrijfspand in. Initatiefnemer is voornemens om ook na de splitsing de bestaande inrit te delen en te blijven gebruiken voor de ontsluiting van de woning en het bedrijf. Mocht de bedrijfslocatie in de toekomst worden verkocht dan

zullen met de toekomstige koper onderling nadere afspraken worden gemaakt over het delen van de inrit. Parkeren

Om de nieuwe parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Peel en Maas. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het ‘Parapluplanbestemmingsplan Parkeernota Peel en Maas', d.d. 19 juni 2018.

Voor een woonhuis geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen. Dit wil zeggen er minimaal 2 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Hier is op eigen terrein meer dan voldoende ruimte voor aanwezig, Bij de woning is reeds voorzien

in voldoende parkeerplaatsen.

Op basis van de parkeernota dient bij een arbeidsextensief/ bezoekersextensief bedrijf 1,1 parkeerplaatsen per 100 m?

bedrijfsvloeroppervlakte (BVO) aanwezig te zijn. Het bedrijfspand aan de Sevenumseweg 8 heeft een BVO van 1.750 m? derhalve dienen 20 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Hier is op eigen terrein meer dan voldoende ruimte voor aanwezig. Op de bedrijfslocatie is reeds voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

Vastgesteld

31

6

JURIDISCHE ASPECTEN

Het bestemmingsplan “Sevenumseweg 8-8a Maasbree” is vervat in een verbeelding, de planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels

Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene

bepalingen omgevingsrecht “Bedrijventerreinen”.

6.l

(Wabo).

Qua

systematiek

is

aangesloten

bij

het

vigerende

bestemmingsplan

Toelichting op de verbeelding

De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven

met een gekleurd vlak met de leters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing, Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk

gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge

verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Een deel van het plangebied is bestemd als ‘Wonen’ en voorzien van een bouwviak. Binnen de woonbestemming is de

aanduiding ‘milieuzone — gevoelige objecten uitgesloten’ opgenomen zodat er geen nieuwe gevoelige objecten worden gerealiseerd binnen de richtafstand van de omliggende bedrijven. De rest van het plangebied is bestemd als ‘Bedrijventerrein — |” en voorzien van een bouwvlak. Binnen het bouwviak is de bouwaanduidding 'specifieke bouwaanduiding onbebouwd opgenomen zodat bij een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing het gedeelte in de nabijheid van de woning onbebouwd blijft. Binnen de bedrijsbestemming is tevens

de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte: IO m' opgenomen. Tevens is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie 4 zoals dat in het vigerende

bestemmingsplan reeds het geval is.

6.2

Toelichting op de planregels

Alle gronden binnen het plangebied zijn voorzien van een bestemming, Een bestemming geeft de functie(s) aan die voor een gebied zijn toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken

en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke acúviteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. De bevoegdheid om

bestemmingen toe te kennen is voorbehouden aan de gemeenteraad. Dit s geregeld in artikel 3. Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming toekennen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening” redenen hebben.

Vastgesteld

32

Het leggen van een bestemrming betekent overigens niet da er een verplichting bestaat voor een grondgebruik om die bestemming te realiseren. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor

burgers, bedrijven en de overheid Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van de SVBP2012 en de vigerende bestemmingsplannen “Bedrijventerreinen

Peel en Maas”. De regels zijn verdeeld n vier hoofdstukken, te weten: = Hoofdstuk |: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; =

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels.

Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen

gegeven;

= _ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouw: en gebruiksregels n algemene wijzigingsregels:

=

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven.

Hoofdstuk

: INLEIDENDE

REGELS

In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel

mogelijk worden

voorkomen.

Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen

dienen te worden

gemeten.

Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS

In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemrmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE

Deze

artikelen

REGELS

bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere

bestemmingen, zodat het uit praktische

overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT-

EN

OVERGANGSREGELS

Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.

Vastgesteld

33

7

HANDHAVING

Het handhavingstoezicht ten aanzien van bestemmingsplannen wordt uitgevoerd door medewerkers van de gemeente Peel & Maas. Met betrekking tot dit handhavingstoezicht wordt gestreefd naar samenwerking tussen de gemeentelijke afdelingen en diensten die een controlerende functie hebben zoals de inspecteurs omgevingsvergunningen

en naar

samenwerking met niet-gemeentelijke instanties, ©. de politie. Deze samenwerking komt tot uiting in het periodieke handhavingsoverleg waaraan verschillende gemeentelijke afdelingen

en de politie deelnemen. De samenwerking moet uiteindelij leiden tot een integraal handhavingsbeleid.

Vastgesteld

34

8

UITVOERBAARHEID

8.l

Economische

EN

PROCEDURE

uitvoerbaarheid

De bestemmingswijziging geschiedt geheel voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke fnanciën zijn hierbij niet in het geding.

n het kader van de Grex-wet

is met

de bestemmingswijziging geen sprake van een bouwplan.

Een anterieure

overeenkomst tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer is om die reden niet benodigd.

Planschade is geregeld in een tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemer afgesloten overeenkomst. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Peel en Maas komt maar

voor rekening van de initatiefnemer.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan

ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

Omgevingsdialoog Initatiefnemers hebben op 7 augustus via de mail contact gehad met het bedrijf dat is gevestigd op de Groesweg 9 in

Maasbree. De initiatiefnemers hebben wij dit bedrijf kenbaar gemaakt dat zij hun bedrijfswoning omzetten naar een burgerwoning. Het bedrijf heeft aangegeven dat het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning invloed kan hebben op hun bedrijfsvoering echter gezien de burgerwoning Groesweg 5 reeds een burgerwoning betreft moet het

bedrijf al aan strengere normen voldoen. Het bedrijf heeft zodoende aangegeven dat het voor hun niet uimaakt of de bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning en ze wensen de initiatiefnemers dan ook veel succes met de omzetting.

Voor het akoestisch onderzoek is reeds al enkele malen contact geweest met het bedrif dat is gevestigd op de locatie Groesweg 7 in Maasbree.

Dit bedrijf heeft meegeholpen om de effecten van het omzetten van de bedrijfswoning tot

burgerwoning op zijn bedrijfsvoering te onderzoeken. Het bedrif heeft wel aangegeven dat zij gevrijwaard willen worden voor financiële kwesties zoals waardevermindering. Uit het akoestisch onderzoek blijkt echter dat het bedrijf niet wordt aangetast in zijn bedrijsvoering. De resultaten van het onderzoek zijn destijds ook gedeeld met dit bedrijf zodat zij op de

hoogte zijn van de uitkomsten. Op

8

augustus

hebben

initatiefnemers

nog

telefonisch

contact

gehad

met

Enexis,

de

eigenaar

van

het

Distributieverdeelstation aan de Sevenumseweg 8a. De medewerker van Enexis gaf aan dat zij nog nooit zijn meegenomen in een omgevingsdialoog en dat zij de meerwaarde hiervan niet inzien. Voor Enexis maakt het namelijk weinig uit of de woning een bedrijfswoning of een burgerwoning betreft.

Vastgesteld

35

Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de

voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties Om die reden i onderhavig bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Limburg. De provincie Limburg heeft in de

mail van 27 oktober 2023 het volgende aangegeven: “Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provnciale belangen. Het overleg over het planvoomemen op grond van artikel 3.I.1 Bro, heeft niet geleid tot het maken van opmerkingen onzerzijds. Ook thans zien wij geen aanleiding om ten aanzien van het plan een zienswijze in te dienen”.

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 13 oktober 2023 Um 24 november 2023 voor eenieder ter visie gelegen. Er zijn

tegen het onwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.

8.3

Procedure

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van ! juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit =

Vooroverleg met betrokken instanties;

= _ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan: =

Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende sukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten

=

Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;

=

Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 2 weken:

=

Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is

vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; = _ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden:

= _ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vastgesteld

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=816e4c7b-ceff-420f-8156-f65dfc1e70eb