2023-071 05 Toelichting (geanonimiseerd)
Tekst van het document
leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving. Voor de onderhavige ontwikkeling is binnen het thema ruimte het navolgende programmadoe! relevant: Bcdrgv:ghe:d n balans met omgeving
De gemeente Peel en Maas biede ruimte voor onewikeling van functies zonder rumceije Jwaleicen uihet oog te verliezen. De gemeente biedt ruimte voor ontwikkeling waarbij rekening wordt gehouden met bestaande ruimtelijke kwaliteiten maar ook aspecten als veiligheid en mileu. Daarbij zorgt de gemeente voor verbindingen en balans tussen de
verschillende functies en sluiten we aan bi lange termijn doelen en ambities. Kwaliteiten staan hierbij centraal in plaats van het automatisch scheiden van functies. Dit werkt de gemeente gebiedsgericht uit n de Omgevingswsie. De
gemeente heeft
oog voor de transiie in het Iandeijk
gebied.
Agrarische bedrijvigheid en recreatie en toerisme zijn de belangrijkste dragers van het landelijk gebied. Als gevolg van onder andere schaalvergroting, de verwachting dat veel agrarische bedrijven gzan stoppen en Klimaatverandering doet
zich een aantal veranderingen voor in het landelijk gebied. Dit biedt kansen en uitdagingen. De gemeente verbindt waar het kan en scheidt waar
het moet.
De gemeente ondersteunt de transitie naar een footprintloze landbouw door de kwetsbare landschappen te beschermen,
maar ook nieuwe karaktervolle productielandschappen te ontwikkelen. De gemeente schept daarnaast ruimte voor water en energie en versterkt het toeristisch potentieel van het landschap. De gemeente werkt in regionaal verband en met de PIO-gemeenten samen aan een duurzaam sterk landelijk gebied. Dit wordt verder uitgewerkt in de Omgevingsvisie.
Aan de Vieruitersten 6 was voorheen een varkens- en paardenhouderij gevestigd. In 2019 is de varkenshouderij beëindigd en is de locatie volledig in gebruik genomen als paardenhouderij. Het voornemen bestaat om op termijn (uiterlijk 2025)
te stoppen met het houden van paarden. Initiatiefnemer zou graag deze vrijkomende agrarische bedrijslocatie aanwenden voor het uitoefenen van zijn hoveniersbedrijf met boomkwekerij. Op deze manier wordt leegstand en verpaupering van deze locatie voorkomen. Daarnaast wordt met onderhavig iniiatief een niet toekomst bestendig bedrijf omgevormd tot
een toekomstbestendige locatie In het kader van het initiatief wordt een dee van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt en hiervoor in de
plaats wordt nieuwe bedrijsbebouwing gerealiseerd die beter aansluit bij het hoveniersbedrif en de boomkwekerij.
De
nieuwe bedrijfsgebouwen worden duurzaam uitgevoerd door de plaatsing van zonnepanelen op de daken. Er is zodoende sprake van een kwaliteitswinst doordat overtollige bebouwing wordt gesloopt, het bouwvlak wordt verkdeind en de locatie
landschappelijk wordt ingepast. De gemeente Peel en Maas geeft in de notitie aan dat de gemeente ruimte biedt voor ontwikkelingen waarbij rekening
wordt gehouden met de bestaande ruimtelijke kwaliteiten en met veiligheid en milieu. Het voornemen bestaat om de paardenhouderij
op
terrmijn
te beëindigen
en
de
milieutoestemming
in te trekken.
Met
het intrekken
van
de
milieuvergunning wordt voorkomen dat op deze locatie een nieuwe paardenhouderij kan worden gevestigd. De emissies
van geur, ammoniak en fjn stof komen dan ook volledig te vervallen, dit heeft louter positieve effecten op de woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt de onowikkeling andschappelijk ingepast waardoor de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving worden versterkt. Het initiatief is passend binnen de notitie Waardenoriëntatie en kadersteling.
Vastgesteld
25
5.
RANDVOORWAARDEN/
Bij het gebruiken
van
RESULTATEN
de locatie voor het hoveniersbedrijf met
ONDERZOEKEN
boomkwekerij
en het realiseren van de pré-
mantelzorgwoning dient rekening gehouden te worden met (milieu-) aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving.
Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens s gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende
bevindingen
worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1
Milieuaspecten
5..1
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Bij de toetsing of een initatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk
sprake is van bodemverontreiniging.
Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de
bodemkwalieit aan de orde i, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief, Tabel
4.
Bodemfuncties
en
bodemfuncrieklassen
Bodemfuncties
Bodemfunctieklassen (generiek beleid)
(gebiedsspecifiek beleid) I.
Wonen
met tuin
2. _ Plaatsen waar kinderen spelen 3.
4 ;‚Z‘‚’‚î…'» E 5._
€ 7
Wonen
Groen met natuurwaarden
Moestuinen
aa Londbouw
bebouwing, infrastructuur en en volkstuinen
\ndustrie (kwaliteit toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen aan de Achtergrondwaarden)
Bij het wijzigen van de bestemming van een al bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit vergelijkbaar gebruik kennen, is beoordeling van het aspect bodemkwalieit niet aan de orde. Dit is in dit geval aan de orde. Het plangebied is momenteel in gebruik als agrarisch bedrijf in de vorm
van een paardenhouderij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrif. Het nieuwe gebruik, in de vorm van uitsluitend het hoveniersbedrijf met daarbij een boomkwekerij, betreft een gebruik als agrarisch verwant bedrijf. Deze nieuwe actviteit is als bedrijsactivieit vergelijkbaar met het huidige gebruik in bodemkundig opzicht. Er is geen sprake van een
activiteit die meer of minder gevoelig is voor het aspect bodemkwaliteit. Voor de nieuwe functie vormt de bodemkwaliteit dan ook geen belemmering.
In het kader van het iniiatief wordt in een later stadium een deel van de bebouwing gesloopt en nieuwe bebouwing gerealiseerd. Op een deel van de bestaande bebouwing liggen asbest golfplaten deze zullen door een deskundig bedrijf worden
verwijderd. De asbestdaken zijn voorzien van een dakgoot waardoor geen sprake is van een zogenoemde
‘“druppelzone”. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de sloop en bouw van de bedrijsbebouwing dient in een later stadium wel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Vastgesteld
26
5.1.2
Bedrijven en milieuzoneringen
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelike ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG), n samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Miieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een mileuzonering in een concrete siuatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie
belangrijkste bouwstenen zijn: I.
de richtafstandenlijst;
2
owee omgevingstypen;
3. _ een ljst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor mileuzonering zijn de twee richtafstandenlisten die zjn opgenomen in bijage I van de
VNG-publicatie.
Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de
bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een actviteit n een milieucategorie.
Om
tot een
optimale
invulling van
de ruimte te komen
worden
diverse
omgevingstypen
onderscheiden.
Het
achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van
een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden n de bedrijvenlist die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardijst en wel per hinderaspect (geluid, tof, tank en dergelijke) dat in de ljt is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied. Rondom het plangebied is namelik sprake van een verscheidenheid
aan functies
bestaande
uit (agrarische)
bedrijven,
veehouderijen
en woningen.
In geval van
het
omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit indicatieve bedrijvenlijst — zonder dat dit ten koste van het woon- en leefklimaat— met één afstandsstap worden verkdeind. Huidige situatie In de huidige situatie is de locatie in gebruik als paardenhouderij met daaraan ondergeschikt een hoveniersbedrijf. Voor de huidige functie gelden de volgende richtafstanden: Tabel S. Bestaande functies binnen plangebied
graasdieren
Geur 30 meter
(paardenfokkerijen) plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. <= 500 m?
lOmeter
Fokken
en
houden
van
overige
Stof Geluid _ Gevaar lOmeter lOmeter Ometer _ Ometer
_ lOmeter
_10 meter
De dichtstbijzijnde woning betreft de bedrijfswoning Vieruitersten 8. Bedrijfswoningen die niet tot de eigen inrichting behoren zijn woningen van derden. Deze woning s voor andere inrichtingen dan de eigen inrichting een gevoelig gebouw en wordt dus beschermd.
De afstand tussen het bouwviak van de Vieruitersten 6 en het bouwvlak van de Vieruitersten
8 bedraagt in de huidige situatie O meter en de afstand tussen de woning Vieruitersten 8 en het bouwvlak van de Vieruitersten 6 bedraagt 28 meter. Voor deze bedrijfswoning wordt niet voldaan aan de richtafstand voor geur. Beoogde situatie Bedrijf
In de beoogde situatie worde de paardenhouderij volledig beëindigd en wordt de locatie volledig benut voor het aanwezige hoveniersbedrijf met daarbij een boomkwekerij. Voor het hoveniersbedrijf met boomkwekerij gelden, op basis van de beoogde situatie, de volgende richtafstanden:
Vastgesteld
27
Tabel 6. Beoogde functies binnen plangebied
plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.0. > 500 m?
Geur IO meter
Stof _Ometer
Geluid _ Gevaar _30meter _ IO meter
De grootste richtafstand bedraagt in de huidige situatie 30 meter voor geur en in de beoogde situatie blijt de grootste
richtafstand 30 meter echter nu voor geluid. In de beoogde situatie wordt het bouwvlak verkleind waardoor de feitelijke afstand tussen de woning Vieruitersten 8 en het bouwviak van de Vieruitersten 6 33 meter bedraagt. Het s niet voorstelbaar dat ten tijde van deze bestemmingsplanprocedure de woning Vieruitersten 8 dichterbij het bouwvlak wordt
gerealiseerd. In de beoogde situatie wordt zodoende voldaan aan de richtafstanden. Aan de noordelijke zijde van het plangebied, op circa 8 meter van het bouwviak van de Vieruitersten 8 wordt een inrit
gesiteerd. Deze inrit zal worden gebruikt ten behoeve van het hoveniersbedrij. De bedrijfsaciviteiten zullen met name plaats vinden op andere locaties. Op eigen locatie vindt opslag van materiaal plaats in de gereedschappen schuur en in de werkschuur zullen, indien nodig, voorbereidende werkzaamheden
plaats vinden. 's Morgens worden
de benodigde
materialen ingeladen en dan wordt naar locatie gereden. Aan het einde van de dag zullen de materialen weer in de opslag worden gestald. Verwacht wordt da er dan ook weinig hinder te verwachten is voor de woning Vieruitersten 8. Bijhet hoveniersbedrijf zullen opslagvakken aanwezig zijn voor de opslag van grind, geel zand en tijdelijk snoeiafval en puin. Dit leidt niet tot geurhinder voor de omgeving. Vieruitersten 8. Geconcludeerd kan worden
Zodoende
vervalt de geurhinder voor
de bedrijswoning aan de
dat met het iniiatief sprake is van een verbetering van het woon- en
leefklimaat in de omgeving. Mileuzonering vormt derhalve geen belemmering voor hetinitiatief. Goed woon- en leefklimaat Vieruitersten 6
De bedrijfswoning en het kantoor betreffen gevoelige gebouwen en kunnen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving, Ter plaatse van de bedrijfswoning en het kantoor dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: =
Een opslagbedrijf met aanhangwagenstaling aan de Vieruitersten 8, afstand tot het plangebied 5 meter.
= _ Een varkenshouderij aan de Vieruitersten 13, afstand tot het plangebied 27 meter; De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied is geïnventariseerd aan de hand van
de SBl-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof geluid en gevaar (tabel 2). Tabel 7.Milieubelastende functies omgeving plangebied
Bedrijf Opslag
_
bedrif
aanhangwagenstaling Varkenshouderij
met
Adres
SB1-2008
Vieruitersten8
52109
Vieruitersten 13
0146
Aan
afstanden Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid
Gevaar
te
houden 0 meter
O meter 0 meter 100 meter O meter
Afstand tot
plangebied 5 meter
10 meter 27 meter
30 meter
0 meter
Het plangebied is gelegen binnen de richtafstanden van geluid en gevaar van het bedrijf aan de Vieruitersten 8. De afstand is gemeten wssen het bouwvlak van de Vieruitersten 8 en het bouwviak van de Vieruitersten 6. De feitelijke afstand tussen
de bedrijfswoning binnen het plangebied en het bouwviak van de Vieruitersten 6 bedraagt echter 32 meter en de feitelijke afstand tussen het kantoor binnen het plangebied en het bouwvlak van de Vieruitersten 6 bedraagt echter 27 meter. Hiermee wordt zodoende wel voldaan aan de richtafstand van geluid en gevaar ten opzichte van het opslag bedrijf.
Vastgesteld
28
Het plangebied is daarnaast gelegen binnen de richtafstanden van geur en geluid van de varkenshouderij aan de Vieruitersten 13. De afstand is gemeten tussen het bouwvlak van de Vieruitersten 13 en het bouwvlak van de Vieruitersten 6. De feielike afstand tussen de bedrijfswoning en het kantoor
binnen
het plangebied en het bouwviak van de
Vieruitersten 13 bedraagt echter 63 meter. De afstand tussen de bedrijfswoning binnen het plangebied en het bedrijf aan de Vieruitersten 13 bedraagt beduidend meer dan 30 meter waardoor feitelijk gezien wel aan de richtafstand voor geluid wordt voldaan. Aan de richtafstand voor geur wordt nog steeds niet voldaan. Voor het aspect geur geldt echter de
bijzondere regeling in het kader van de Wet geurhinder veehouderijen (Wg),in aragraaf 5.1.5 wordt hier verder op in gegean.
5.1.3
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van geluidsgevoelige functies. Op basis van artikel 77 van de Wh
dient b een geluidsgevoelige functie een akoestisch onderzoek te worden ingesteld.
Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de aanwezigheid van een weg wordt ondervonden. Het onderzoek s alleen noodzakeljk als de geluidsgevoelige bestemming
binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen i. In artikel 7..I van de Wh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg: 1.
instedelijk gebied:
3. b.
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
2. _ in buitenstedelijk gebied:
3. b.
voor een weg, bestaande uit vij of meer rijstroken 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
c
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.
De wettelijke geluidszone is niet van toepassing op wegen die aan te merken zijn als woonerf of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.
Een hoveniersbedrijf met boomkwekerij betreft geen geluidsgevoelige functie, de daarbij gelegen bedrijfswoning betreft wel een geluidsgevoelige functie. Deze is echter reeds bestaand en wijzigt wat dat betreft niet.
Gezien het bovenstaande kan gesteld worden
dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van
wegverkeerslawaai. 5.1.4
Luchtkwaliteit
Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwalieit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving
rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet mileubeheer (hoofdstuk S Wm). Artikel 5.16 Wm (lid |) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden
wordt voldaan, vormen
luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor
het
uitoefenen van de bevoegdheid: 3.
eris geen sprake van een feielike of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
b.
een project leidt — al dan niet per saldo — niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
c
een project draagt ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
d.
een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteie), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Vastgesteld
29
Het Besluit NIBM
Deze AMB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate'is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de
luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden
tenietgedaan door de
ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op I augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwalieit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelj is dat het project een toename van de concentratie
veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 39% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM) of stikstofdioxide (NO3).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m voor zowel fin stof en NO:. Als de 3% grens voor PM;o of NO: niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden Regelng NIBM
Voor het initiatief is de toename van verkeer van belang n relatie tot de luchtkwaliteit. Het iniiatief voorziet in het beëindigen van een veehouderij en het gebruiken van de locatie als hoveniersbedrijf met daarbij een boomkwekerij. Deze bestemmingswijziging heeft geen toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg, waardoor het initatief wat dat
betref niet van invloed s op de luchtkwaliteit Er bljf inmers een bedrijf op de locatie gevestigd. Daarnaast treedt er een verbetering van fijn stof op omdat een paardenhouderij worden beëindigd waardoor de uitstoot van fijn stof vanuit deze loeatie volledig komt te vervallen. De beoogde ontwikkeling draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdsuk 52 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer
(ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wik). De Wik bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fjn stof, ood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO+) en n stof (PMas en PMo) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof
zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelik zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning s, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel 8. Grenswaarden voor jaargemiddelde concentratie van NOz, PM
Stof
Toetsing van
en PM2s
Stikstofdioxide (NO+) Fijn stof (PMio)
Jaargemiddelde concenuatie Jaargemiddelde concenuatie
Fijn stof (PM2s)
Jaargemiddelde concentatie
Grenswaarde 40 gm 40 ug/m”
2 gm
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als ernissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uicaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart
worden gebracht. Normaal gesproken zin er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.
Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fin stof (PM2s) ter plaatse 9,0 wg/m’, de concentratie fin stof (PMio) 160 ug/m? en de concentratie stikstofdioxide (NO+) 10,9 ug/m?. Volgens de kaarten van het
RIVM is de luchtkwalitei ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast treedt er een verbetering van fin stof op omdat een paardenhouderij komt te vervallen met de forse uitstoot van fjn stof.
Vastgesteld
30
Condusie luchtkwaiteit
Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.6 Wm lid I ondera. De voorgenomen ontwikkeling zal ook -in vergeliking
met het huidige gebruik als paardenhouderij- nagenoeg geen extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artkel 5.16 Wm, id I onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarljk s in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk i. 5.15
Geur
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen
aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblif.In de nieuw te vestigen bedrijvigheid zullen
mensen verbliven. De bedrijven betreffen derhalve geurgevoelig objecten. Gemeenten hebben onder de Wgy de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te
stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Peel en Maas beschikt niet over een dergelike geurverordening. Aan de Vieruitersten 6 in Meijel is momenteel een paardenhouderij gevestigd. Deze veehouderij wordt volledig beëindigd en de milieuvergunning voor het houden van paarden wordt ingetrokken. Vervolgens wordt de locatie volledig gebruikt als hoveniersbedrijf met boomkwekerij. Goed woon- en leefklimaat
De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de Wgy vastgesteld op 14 OU/m? (voorgrondbelasting). Dit betekent dt iedere individuele vechouder |4 OU/m? mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde
kom.
De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden
bij een
veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een vechouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal).
De te ontwikkelen woning binnen het plangebied kan wel geurhinder ondervinden van (intensieve) vechouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich de volgende (intensieve) veehouderijen:
=
Een vleesveehouderij aan de Vieruitersten 13, afstand tot het plangebied 27 meter:
=
Een pluimvechouderij aan de Kwakvors 9, afstand tot het plangebied 430 meter;
=
Een paardenhouderij aan de Kwakvors [0, afstand tot het plangebied 430 meter.
De afstand
van de vechouderijen
waar
dieren zonder geuremissiefactoren
worden
gehouden
(paarden), tot het
plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgy voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan.
Bij de vleesveehouderij en de pluimveehouderij worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze vechouderij
is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bijlage !). Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak.
Vastgesteld
3
Tabel 9. Voorgrondbelasting Vieruitersten 6
Nummer
X-coördinaat
Y-coördinaat
Vieruitersten 13
Kwakvors 9
Hoek2
191
198
373378
57
07
Hoek3
191 300
373 260
37
06
Hoek 4
191312
373347
52
07
Middelpunt
191259
373 334
66
07
Hoek
I
191 210
373 870
129
08
De hoogste voorgrondbelasting bedraagt |29 OU/m’. Op basis van de Wy is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m’. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft
voorgrondbelasting. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen
beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In tabel 9 zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Tabel 10 Berekende achtergrondbelasting geur binnen plangebied
Nummer
X-coördinaat
Y-coördinaat 373 870 373 378 373 260
125 61 44
Hoekpunt 4
191312
373347
55
Hoekpunt I Hoekpunt 2 Hoekpunt 3
Middelpunt
191 210 191 198 191 300
191 259
373334
Berekende waarde
66
De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 4,4 en 12,5 OU/m?. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgy geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de W geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wy (welke gaat over de beoordeling van ruimtelike plannen, aanvullng23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met
informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling | mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen.
Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld (tabel 10) welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteitin een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefkdimaat. Middels tabel 10 kan aan de hand van de uitkomsten
van het verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefldimaat bij een ruimtelijk plan is. Tabel 1.
Beoordeling voorgrondbelasting en achergrondbelasting
Milieukwaliteit Zeer goed Goed Redelijk goed
Matig
Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Vastgesteld
Geur gehinderden <5% 5-10% 10-15%
Voorgrondbelasting
98 percentiel OU/m’ <15 15-38 3,8-6,6
15-20%
66-10
35-40%
25,3-32,8
20.25% 25-30% 30.35%
10-142 142-19,2 19,2-25,3
__ Achtergrondbelasting
_98 percentiel OU/m? <3,l 3,1-74 7,4-13,l
13,1-20
20-283 28,3-38,5 38,5-50,7 >50,7
32
Concluderend kan derhalve het volgende gesteld worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimteljk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de
voorgrondbekasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt
toetsing plaats aan de wettelijke norm van 14 OU/m’ voor buiten de bebouwde kom. De norm voor buiten de bebouwde kom valt n de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht” (10, tot 142 OU/m’). Op grond hiervan word afgeleid dat buiten de
bebouwde
kom
een
milieukwaliteit
“tamelijk
slecht”
aanvaardbaar
i.
Als
deze
wettelike
normen
worden
doorgetrokken naar de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat buiten de bebouwde kom bij een norm gelegen in
de klasse 20-28,3 OU/m? (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefkdimaat.
De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 12,5 OU/m’. Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende vechouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon: en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Conclusie
Hierboven
is gemotiveerd
grondgebonden
veehouderij
dat, om
een acceptabel woon-
en een
geurgevoelig
object
en leefklimaat te garanderen, minimaal
50
meter
dient
te
de afstand tussen een bedragen
(afstand
tussen
emissiepunten veehouderij en een geurgevoelig object). Indien geurgevoelige objecten dichter dan 50 meter bij een veehouderij worden opgericht zullen deze geurgevoelige objecten de bedrijsvoering en ontwikkelingsmogelijheden binnen een agrarisch bouwviak van betreffende veehouderij belemmeren. Het is dan namelijk niet toegestaan voor
betreffende veehouderij emissiepunten te realiseren. De afstand van de vechouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wy voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve vechouderijen zijn gelegen, de bepalende
objecten
zijn voor wat
betreft eventuele
toekomstige
uitbreidingsmogelikheden
van deze
veehouderijen. De geurgevoelige objecten binnen het plangebied, zijnde de woning en het kantoor, welke verder van de intensieve veehouderijen zijn gepositioneerd dan bestaande woningen, hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.
5.1.6
Externe veiligheid
Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico's voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten n beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn:
= … inrichingen; = … transportacúiviteiten met gevaarlijke stoffen: =
vuurwerkopslagplaatsen:
=
opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.
Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein i, gelden er toch
bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze
minimaal aan te houden
plaatsgebonden
afstanden worden
plaatsgebonden
risicocontouren genoemd.
De grootte van deze
risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveslheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke
stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidsystemen. Wanneer
er een ongeval
plaatsgebonden
met gevaarlijke stoffen
plaatsvindt, dan
kunnen
de effecten veel verder
reiken dan de
risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlike stof nog onder
I% van de
blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied.
Vastgesteld
33
Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overliden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven
tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overijden als gevolg van die calamiteit. Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft
beleidsruimte
bij
het
toepassen
van
de
hoogte
van
het
groepsrisico
bij
ruimtelijke
onwikkelingen.
Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico’s.
Maatschap Winkelmolen Smedts
A Maatschap van Sleeuwen
>
h
Afbeelding 14 Uitsnede risicokaart met risico’s in rood en plangebied in blauw
Risicovole bedriigheid rond het plangebied Met behulp van de provinciale risicokaart is bepaald of het plangebied binnen de plaatsgebonden risicocontouren, dan wel invloedsgebieden van omliggende risicovolle inrichtingen is gelegen. In de uitsnede in van afbeelding 14 is de ligging van
relevante inrichtingen in de wijde omgeving van het plangebied weergegeven. De drie nabijgelegen risicovolle bedrijven betreffen:
= _ Maatschap Winkelmolen Smedts, Kwakvors 9 (fokken en houden van pluimvee) = _ MGB Krol, Kwakvors 6 (fokken en houden van varkens) = _ Maatschap van Sleeuwen, Kievit 31 (fokken en houden van varkens)
Uit de afbeelding blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van voornoemde risicovolle bedrijven. Op alle drie de locaties is een opslagtank voor propaan aanwezig i. Alle drie de opslagtanks hebben een inhoud van 8.000 liter. De plaatsgebonden risicocontour van deze opslaganks bedraagt 25 meter. Het plangebied is
gelegen op meer dan 25 meter van de opslagtanks.
Bij een propaantank tot 13 m is geen sprake van een invloedsgebied in het kader van het groepsrisico. Bi propaantanks
met een inhoud tussen de 13 m en 50 m? s het invloedsgebied vastgesteld op 50 meter. Als het plangebied binnen 150 meter van een propaantank met een inhoud >13 m is gelegen dient het groepsrisico verantwoord te worden. Alle drie de propaantanken hebben een inhoud van 8 m en hebben derhalve geen invloedsgebied. Het groepsrisico hoeft dan ook niet verantwoord te worden.
Het aspect externe veilgheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van onderhavig bestemmingsplan.
Vastgesteld
34
5.2
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied.
Blijkens kaarten van TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich n of in de nabijheid het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.3
Natuur
De Europese natuurwetgeving s in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt n de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten
en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1
Floraen
fauna
Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de sloop van de huidige bebouwing,
het oprichten van de nieuwe bedrijfsbebouwing hierop te onderzoeken is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd? (zie separate bijage). Uit het onderzoek blijkt dat er geen beschermde soorten of broedende vogels of andere beschermde flora en fauna zijn
aangetroffen bij de te slopen woning en bedrijfsgebouwen op het perceel Vieruitersten 6 in Meijel. Er zijn wel nesten van Boerenzwaluwen aangetroffen. Deze zullen binnenkort (begin april) waarschijnlijk weer bezet zijn. Bij de sloop moet rekening gehouden worden met deze broedende Boerenzwaluwen. 5.3.2
Natura2000
Binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen: = _ Deurnsche Peel en Mariapeel, afstand 2,0 km =
Groote Peel, afstand 34 km
In de Wb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 2,0 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de
Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NO, of NH;), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan n
een Natura2000-gebied. Voor ieder habitateype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische
depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend.
2 IVN Meijel, Flora en Fauna onderzoek Vieruitersten 6 Meijel, 14 maart 2022
Vastgesteld
35
Met onderhavig initatief wordt een paardenhouderij beëindigd en daarvoor in de plaats wordt de locatie benut als hoveniersbedrijf met boomkwekerij.In het kader van het initiatief wordt een deel van de bedrijfsbebouwing gesloopt en nieuwe bedrijsbebouwing gerealiseerd. De exacte effecten van de sloop-, bouw- en gebruiksfase op de Natura2000gebieden is berekend middels AERIUS Calculator.
Soopfase Om
de hoeveelheid stikstofdepositie op de aangewezen
habitattypen en leefgebieden van aangewezen
soorten
(de
instandhoudingsdoelen) e berekenen, worde gebruik gemaakt van AERIUS Calculator. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling worden aan de Vieruitersten 6 enkele bedrifsgebouwen gesloopt. Bij de sloop van de bedrifsgebouwen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden van en naar de locatie verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof, Deze emissie is berekend. Voor de inzet van (mobiele) werkeuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van de bebouwing (tabel |!) Tabel 12. Te gebruiken mobiele werktuigen voor de sloop van de stallen
3 ;35
E e D á ö
Graafmachine
2014 _ Diesel
Laadschop Bulldozer Totaal
2016 2016
Diesel Diesel
e
5
S& 100
e 3
70
_60 60
n
s
£3
d&
100 120
O â53 19,47
1649 1968
S
â
E
_40 _40
tôe 35 5t® IL dii 458 25653
1.558
60 787
108
46 55
21
08 09 38
’* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO
Ten tijde van de sloopfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks
zal personeel
(bouwakkers)
de bouwlocatie
bezoeken
om
bouwwerkzaamheden
aldaar te verrichten.
Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen, Er is uitgegaan van 2 bedrijfsbusjes per etmaal, dit betreft middeizwaar verkeer.
Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen.
Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 2 vrachtwagens aanwezig zin. Tijdens de sloopfase is sprake van een toename van 15,7 kg NO,. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (bijlage 2). Er is derhalve geen merkbaar cq: negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het iniiatief, Bouwfase Het voornemen
bestaat om aan de Vieruitersten 6 nieuwe bedrijfsbebouwing te realiseren, Bij de realisatie van de
bedrijfsbebouwing en de inrichting van het perceel wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktwigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof, deze emissie is berekend.
Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de realisatie van nieuwe bedrijfsgebouwen (tabel 12).
Vastgesteld
36
Tabel 13.
Mobiele werkigen
oo
r
e
s
‚„
&
&
S i
2014 _ Diesel
200
3
Betonpomp
Mobiele hijskraan Graafmachine Laadschop Asfaltfreesmachine Asfaltwerkinstallatie Wals Trilplaat Totaal
2015 2014 2014 2014 2015 2013 2008
c i
Diesel _ Diesel Diesel _ Diesel _ Diesel _ Diesel Benzine
100 200 200 160 60 60 20
iJ
J83 50
27,78
50 60 60 60 55 < 2
1402 33,09 33,09 26,58 942 7,19 293
i
i}
iS iis 8
8 20 20 2 2 3 10
22
112 662 662 53 19 "2 29
35
5fe
35552 15
7
4 46 0 0 0 0
05
05 08 08 18 06 05 09 63
’* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO
Ten tijde van de verbouwing vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks
zal personeel
(bouwakkers)
de bouwlocatie
bezoeken
om
bouwwerkzaamheden
aldaar te verrichten.
Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er i uitgegaan van 4 bedrijfsbusjes per etmaal. Naar
de loaatie rijden ook diverse vrachtauto's voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 6 vrachtwagens aanwezig zijn.
Tijdens de bouwfase is sprake van een toename van 37,8 kg NO.. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (bijlage 3). Er is derhalve geen merkbaar cq. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het iniiatief, Gebruiksfase Voor het bepalen van het aardgasverbruik van de huidige bedrijvigheid is gebruik gemaakt van standaarden, zoals
onderzocht in het rapport ‘Nieuwe benchmark energieverbruik utiliteitsgebouwen en industriële sectoren' van ECN (anuari 2016). Voor een werkplaats (bedrijfshal met garage/showroom) gelden de volgende kengetallen qua gebruik per BVO.
Tabel 14. Kengenallen gasgebruik per oppervlakte
Oppervlakte 0-250 m?
Verbruik per jaar (m’/m?) 173
250 - 500 m?
150
500 -
1.000 m?
1000 - 2500
128
m?
109
2.500 - 5.000 m?
107
5.000-
10.000 m?
106
10.000 - 25.000 m?
109
Het hoveniersbedrijf met boomkwekerij heeft een bedrijfsloeroppervlakte (BVO) van 800 m?, zijnde het kantoor en de
werkplaats. De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 K]/m, waardoor bij verbranding voor de verwarming van het plangebied in de huidige situatie circa 323,5 GJ aan warmte wordt afgeleverd.
Een Hr-ketel
emitteert 18 g NOx per GP , wat overeenkomt met 58 kg NOx per jaar.
Vastgesteld
37
Voor het bepalen van de beoogde verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW:-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Op basis van de CROW-publicatie genereert een arbeidsextensief! bezoekersextensief bedrijf (waaronder een hoveniersbedrijf valt) minimaal 3:9 en maximaal 5,7
verkeersbewegingen per 100 m? Bedrijfsvloeroppervlakte (BVO). Het hoveniersbedrijf heeft een BVO van 800 m?. Uitgaande van een worst-case scenario zal het hoveniersbedrijf 45,6 verkeersbewegingen per etmaal genereren. De bedrijfsactiviteiten zullen met name plaats vinden op andere locaties. Op eigen locatie vindt opslag van materiaal plaats in de gereedschappen schuur en n de werkschuur zullen, indien nodig, voorbereidende werkzaamheden plaats vinden. 's Morgens worden de benodigde materialen ingeladen en dan wordt naar locatie gereden. Aan het einde van de dag zullen
de materialen weer in de opslag worden gestald. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie zal daarmee lager liggen dan 45,6. Gesteld wordt dat het hoveniersbedrijf dagelijks 20 verkeersbewegingen genereert. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat 50% van de verkeersbewegingen bestaat uit middelzware voertuigen en S0% uit
lichte voertuigen Voor de boomkwekerij s een schatting gemaakt van het aantal verkeersbewegingen. Naar verwachting zullen dagelijks 11
verkeersbewegingen van en naar de boomkwekerij plaats vinden waarvan voertuig zoals een bedrijfsbusje.
IO lichte voertuigen en één middelzwaar
De stkstofemissie neemt met het gebruik van de locatie ten behoeve van het hoveniersbedrijf met boomkwekerij toe met 331 kg NO, per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (bijlage 4). Het iniiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-
gebieden
54
Waterhuishouding
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening s gehouden met de (ruimeelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.
Het plangebied igt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg,In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeer gerealiseerd te worden.
Beleidskader
Relevante beleidstukken op het gebied van water zin het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Provinciale
omgevingsvisie Limburg (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende
drietrapsstrategieën zijn leidend: = _ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); = _ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwalitei).
Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infikreren-afvoeren Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met
het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.
Vastgesteld
38
Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: = _ Herstelsponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend
op veranderde klimatologische omstandigheden; = _ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; = _ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;
= _ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselike consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; =
Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel isico voor overstromingen n het rivierbed van de Maas.
Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de Provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal
ontwikkelen houdt onder andere n dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging.
Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfikreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Bodemgesteldheid en grondwater De bodem
bestaat ter plaatse uit veldpodzolgronden
bestaande
u lemig fijn zand en gooreerdgronden
eveneens
bestaande uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 045 tot 0,75 m/dag.
Opperaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg i te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Op enige
afstand, ten oosten van het plangebied, stromen de Oude Helenavaart en het Kanaal van Deurne. Daarnaast stromen op enige afstand ten zuiden de Hoeklossing en ten westen de Sloot. De Hoeklossing betreft een secundaire watergang en de andere watergangen betreffen primaire watergangen van het waterschap. De Keur van het waterschap is op al deze watergangen van toepassing,
Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van
het waterschap worden gebouwd. Bij de Vieruitersten 6 vindt sloop van bebouwing plaats en daarvoor in de plaats wordt nieuwe bebouwing opgericht. De locatie waar de nieuwe bebouwing wordt opgericht bevindt zich ruimschoots buiten de beschermingszone van deze watergangen. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Afvalwater! riclering De locatie is reeds aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening
Limburg 2014. Waterin relatie tot ontwikkeling
Onderhavig iniiatief voorziet in het beëindigen van een paardenhouderij, het intrekken van de milieuvergunning en het volledig benutten van deze locatie voor een hoveniersbedrijf met boomkwekerij. In het kader van het initiatief worden de voormalige stallen gesloopt en daarnaast wordt nieuwe bedrijfsbebouwing gerealiseerd.
Vastgesteld
39
Voor de opvang van het hemelwater afkomstig van de daken van de bestaande en nieuwe bebouwing en voor de afkoppeling van de erfverharding wordt een infikratievijver gerealiseerd. De infltratievijver dient het regenwater van de totale bebouwing en verharding op te kunnen vangen. Het totale bergingsvolume van de infikratievijver zou moeten
zijn:
6290 m? (oppervlak aan bebouwing en verharding) x 2S|r/m?regenwater i 157 m?. Infiratieoppervak is 4/100 m?zijnde 62,90 x 4= 25 1,60 m. De infikratievijver in het ontwerpplan heeft een totale inhoud van +/-210 m? met een oppervakte van de vijver van 325m? en infitratieoppervlak van 254 m’. Hierdoor is er voldoende capaciteit voor de opvang van het regenwacer. Daarnaast zijn er de oude mestbassins die als opvang van hemelwater kunnen gaan dienen met een capaciteit van 12000 m.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Sinds I september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelike plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem.
Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.
Waarde
3
Waarde : archecegie &
Waarde-
archedoge 5
Waarde - archecoge Waarde
archacoge 7
Geieg e
e
veraching
Geieg e
e
verwaching
met dopere boderbonerkig Ontgrond / onderzoeht
Afbeelding 1. Uitsnede archeologische waardenkaart met plangebied rood omlijnd
De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge en een middelhoge archeologische verwachting.
Conform het vigerende bestemmingsplan zijn aan het plangebied dan ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde— Archeologie 4 en 'Waarde — Archeologie - 8’ toegekend.
Vastgesteld
40
In de archeologische dubbelbestemming Waarde — Archeologie # zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 250 m? oppervlakte. In de archeologische dubbelbestemming Waarde — Archeologie 5° zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer
archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 2.500 m? oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem
niet dieper dan 40 cm geroerd wordt s toegestaan bij beide archeologische
waarden, ongeacht de opperviakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van te voren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 250 m? bedraagt
ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde — Archeologie 4 en maar dan 2.500 m bedraagt ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologie .
Met het initatief wordt de ondergrens van 2.500 mî niet overschreden, Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk voor de bestemmingsplanprocedure. De archeologische dubbelbestemming blijft gehandhaafd en is opnieuw van toepassing verkdaart Indien initiatiefnemer in een later stadium de boomkwekerij wil ontplooien dient in het kader van de omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit zal initatiefnemer in een hter stadium laten uitvoeren
Cultuurhistorie
De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie.
De provincie wil dan ook dat er
verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen.
Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ zijn in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waarop het initiatief een negatieve invloed op kan hebben.
5.6
Verkeer en parkeren
Het wijzigen van een bestemming heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer
Aan de Vieruitersten 6 is momenteel een paardenhouderij aanwezig. Het voornemen bestaat om de paardenhouderij langzaamaan te beëindigen en de locatie te gaan gebruiken als hoveniersbedrijf met boomkwekerij.
Voor
het
bepalen
van
de
beoogde
verkeersgeneratie
is gebruik
gemaakt
van
de
CROW:-publicatie
38!
‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Op basis van de CROW-publicatie genereert
een arbeidsextensief! bezoekersextensief bedrijf (waaronder een hoveniersbedrijf valt) minimaal 39 en maximaal 5,7
verkeersbewegingen per 100 m? Bedrijfsloeroppervlakte (BVO). Het hoveniersbedrijf heeft een BVO van 800 m. Uitgaande van een worst-case scenario zal het hoveniersbedrijf 45,6 verkeersbewegingen per etmaal genereren. De bedrijfsactiviteiten zullen met name plaats vinden op andere locaties. Op eigen locatie vindt opslag van materiaal plaats in de gereedschappen schuur en n de werkschuur zullen, indien nodig, voorbereidende werkzaamheden plaats vinden. s
Morgens worden de benodigde materialen ingeladen en dan wordt naar locatie gereden. Aan het einde van de dag zullen de materialen weer in de opslag worden gestald. Het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie zal daarmee lager liggen dan 45,6. Gesteld wordt dat het hoveniersbedrijf dagelijks 20 verkeersbewegingen genereert. Vanwege het karakter
van het initiatief wordt verondersteld dat 50% van de verkeersbewegingen bestaat uit middelzware voertuigen en 509 uit lichte voertuigen.
Vastgesteld
41
Voor de boomkwekerij s een schatting gemaakt van het aantal verkeersbewegingen. Naar verwachting zullen dagelijks |1 verkeersbewegingen van en naar de boomkwekerij plaats vinden waarvan IO lichte voertuigen en één middelzwaar voertwig zoals een bedrijfsbusje.
In het kader van het initiatief is sprake van een toename van 31 verkeersbewegingen. De Vieruitersten sluit aan op de Heldensedijk/ Meijelseweg, een verbindingsweg tussen de kernen Meijel en Beringe. De Heldensedijk/ Meijelseweg sluit
aan op de Noordervaart (N275) en op de Randweg (N279) waardoor gesteld kan worden dat de locatie uitstekend is ontsloten. Gezien de kleinschaligheid van het initatief kunnen de wegen in de omgeving het aantal verkeersbewegingen goed verwerken. Het aspect verkeer levert geen belemmeringen op voor de bestemmingswijziging. In de beoogde situatie zal de locatie worden ontsloten middels wee inriten die zijn gelegen ten noorden van de woning en ten zuiden van de bomenrij met struweel (zie afbeelding 16). De inrit ten noorden van de woning zal worden gebruikt
ten behoeve van de ontsluiting van de woning. De inrit ten zuiden van de bomenrij zal met name worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteiten. Hierdoor een staat op het perceel een afscheiding tussen het woon- en werkverkeer. Parkeren
Op 19 juni 2018 is het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas vastgesteld. Dit plan heeft tot doel de (beperkte) ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten en in het openbaar gebied parkeeroverlast zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te
beperken. Daartoe legt het plan als algemeen uitgangspunt vast dat een concreet initatief op eigen terrein kan voldoen aan de parkeervraag. Verder bevat het plan een norm voor een veelheid aan functies, gerelateerd aan de locatie (centrum, rest bebouwde kom en buiten bebouwde kom).
Om de parkeerbehoefte te bepalen is gebruik gemaakt van het ‘Parapluplan Parkeenota Peel en Maas’. Op basis van de
parkeernota
dient
bij
een
arbeidsextensief!
bezoekersextensief
bedrif
|l
parkeerplaatsen
per
100
m?
bedrijsvloeroppervakte (BVO) aanwezig te zijn. Het hoveniersbedrijf met boomkwekerij heeft een BVO van 800 m? derhalve dienen 8. parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Bij het hoveniersbedrijf met boomkwekerij worden in totaal acht parkeerplaatsen gerealiseerd voor bezoekers (zie afbeelding 16 rood omlijnd). De parkeerbehoefte van de woning zal op eigen terrein, ter plaatse van de eigen inrit, plaats vinden.
Indien bljkt dat behoefte is aan meer parkeerplaatsen kunnen er nog extra parkeerplaatsen worden bijgemaakt.
Het plangebied biedt namelijk voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte.
T met Terhaweel die landschapelijk RavaREer
aM:Ï@
n met zitje dat _ aan leesbaarheid erf
e
«Í=……A
tgaatd kleed zuidzijde in f bij aam Landschappelij kEer
Nu…ijij
Úneaire bomenrif
atiebassin,
mantelvedet:
]
boomkweker
k karakter ondersteùnd _ Afbeelding 16. Impressie inritzen en parkeerplaatsen
Vastgesteld
42
5.7
Spuitzones gewasbescherming
In een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake s van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient ook rekening gehouden te worden met spuitzones ten behoeve van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zin, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop
bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen een boomkwekerij
en een gevoelig object in acht moet worden genomen. Deze afstand van 50 meter rondom boomkwekerijen is een indicatieve afstand. Op basis van specifieke omstandigheden kan gemotiveerd van deze 50 meter worden afgeweken. De afstand tot een boomkwekerij
wordt bepaald door de driftblootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen.
Deze
driftblootstelling is afhankelijk van de toxiciteit van het gewasbeschermingsmiddel, de toegepaste spuittechnieken, kale of volle bladsituatie van de (fruit)bomen, een (gedeeltelijke) windhaag rondom het perceel en de overheersende windrichting. Het voornemen bestaat om bij het hoveniersbedrijf een boomkwekerij met moesuin te realiseren. Uit een uitspraak van
(geanonimiseerd) volgt dat ook n geval van hobbymatige fruitteelt een spuitzone voor de Afdeling van 2 december 2015 N gewasbeschermingsmiddelen moet worden aangehouden. Dit geldt ook indien feitelijk geen gewasbeschermingsmiddelen worden gehanteerd. Als vuistregel kan een afstand van 50 meter worden gehanteerd.
Voor
de
boomkwekerij
dient
derhalve
een
afstand
van
50
meter
te worden
gehanteerd,
ook
als er geen
gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De boomkwekerij zal op 50 meter afstand van de woningen Vieruitersten
4 en 8 worden gerealiseerd zodat spuitzones geen belemmering vormt voor het iniiatief. Dit wordt gewaarborgd op de verbeelding en in de regels door het opnemen van de functieaanduiding 'speciieke vorm van agrarisch — spuitzone vrije zone'. Binnen deze functieaanduiding is het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.