CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-033 04 Toelichting vastgesteld - Heezestraat 2, incl. bijlagen.pdf

Raad 16 mei 2023, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen ‘Bestemmingsplan Heezestraat 2 Maasbree’ (2023-033)21.862 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.

▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Het initiatief voorziet (onder andere) in de realisatie van 3 huurwoningen in de karakteristieke boerderij (VAB-locatie) Deze woningen zijn bestemd voor de beheerders van de Leef en Groei hoeve. De 4 herstelwoningen zijn bestemd voor tijdelijk bewoning. Deze woningen worden zijn bestemd voor mensen met een afstand tot zichzelf, de arbeidsmarkt en/of de maatschappij. Bewoners kunnen deze woningen tijdelijk bewonen (maximaal 6 maanden) om rust te zoeken en vinden dit door mee te helpen op de boerderij. Na hun herstel gaan deze mensen elders wonen en komt de ruimte vrij voor nieuwe bewoners. Zowel de drie huurwoningen als de herstelwoningen voorzien dan ook aan een specifieke woonvraag (een bijzondere woonvorm). Gezien de situering en aard van het initiatief en de vraag naar woningen binnen dorpen sluit het beoogde initiatief aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 20202024.

4.3 Gemeentelijk beleid

Vastgesteld

21

4.3.1 Structuurvisie buitengebied en kwaliteitskader In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid. Het plangebied is volgend de structuurvisie gelegen in de zone ‘kleinschalig half open ontginningslandschap’. Deze landschappen zijn ontstaan op gronden die van oudsher natter en minder gunstig waren dan de hogere akkers. Door ontginning en bosaanplant is een kleinschalig landschap ontstaan met een afwisseling van bosjes, landschapselementen, verspreide bebouwing en kronkelige wegen. Landbouw, bos en recreatie zijn de functionele dragers van het landschap. Deze afwisseling in landelijke functies biedt eveneens veel mogelijkheden voor natuurwaarden.

Kleinschalige landschappen zijn bij uitstek geschikt voor de versterking van verschillende vormen van recreatie. De gemeente beschrijft dat binnen deze zone nieuwe economische functies beperkt toegelaten worden in vrijkomende agrarische bebouwing. De gemeente staat echter wel positief tegenover versterking van de functies wonen, werken (verschillende vormen van recreatie) en landbouw met name in de linten. Hierbij moet gekeken worden hoe de landschappelijke karakteristiek bestaande uit kleinschalige half open ruimtes behouden en waar mogelijk versterkt kan worden. Onderhavige ontwikkeling bestaat uit het realiseren van 3 woningen, 4 herstelwoningen, multifunctionele ruimte en een kleinschalige hoeve-camping. Hiermee sluit het initiatief dan ook goed aan op de gestelde doelstellingen van de structuurvisie Buitengebied Peel en Maas. Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie (onderdeel van de structuurvisie is het kwaliteitskader Buitengebied Peel & Maas). Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Indien er in het buitengebied een ontwikkeling plaatsvindt, dienen er meestal door de initiatiefnemer compenserende maatregelen getroffen te worden.

De grootte van deze kwaliteitsbijdrage is afhankelijk en aard en grootte van de ontwikkeling en van het gebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Bij kleine ontwikkelingen is enkel sprake van inpassing (Basiskwaliteit). Bij grote ontwikkelingen (oppervlakte bestemmingsvlak niet binnen referentiemaat) en/of in waardevolle gebieden is naast de inpassing ook een compensatie benodigd (Basiskwaliteit plus en Aanvullende kwaliteit). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van basiskwaliteit plus en aanvullende kwaliteit. Dit vanwege het feit dat bij het realiseren van kleinschalige kampeerinrichtingen te allen tijde sprake is van basiskwaliteit plus. De kwantiteitseis voor Basiskwaliteit Plus bedraagt het inpassen van minimaal 10% van het oppervlakte bestemmingsvlak. De basiskwaliteit bestaat altijd minstens uit sloop van voormalige bedrijfsgebouwen die níet worden gebruikt voor de nieuwe functie, met uitzondering van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, in geval van vestiging van niet agrarisch verwant bedrijf in een VAB binnen de zone ontwikkeling bebouwingslinten en kernrandzone. Hiervan is ter plaatse sprake, gelet op het feit dat de activiteiten in de voormalige bedrijfsgebouwen plaatsvindt alsmede dat het cultuurhistorische waardevolle bebouwing betreft. Tevens is er in het kader van de voorgenomen ontwikkeling aanvullende kwaliteit van toepassing.

Vastgesteld

22

Indien basiskwaliteit plus en aanvullende kwaliteit aan de orde is wordt de kwaliteitscommissie ingeschakeld om een passend advies voor de desbetreffende locatie op te stellen. In dat kader is er dan ook een paletadvies opgesteld door de Kwaliteitscomissie. Naar aanleiding van dit paletadvies is er een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Conform dit landschapsplan is de volledige locatie voorzien van passende groenstructuren en zoneringen voor de diverse functies. Er is een grote diversiteit aan hagen, struiken en bomen voorzien welke bijdrage aan de biodiversiteit en het rijke bodemleven. Met dit landschapsplan wordt er in totaliteit ruim 3.500 m² aan groen voorzien op de locatie. In paragraaf 3.3 wordt een nadere toelichting gegeven op het voor deze locatie opgestelde landschappelijk inpassingsplan. Met dit inpassingsplan wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden conform de Structuurvisie alsmede de uitgangspunten afkomstig van de Kwaliteitscommissie. 4.3.2

Kaderstelling Ruimte en Economie

In november 2017 is de notitie ‘Waardeoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Ruimte en Economie vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente. Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s Ruimte en Economie en de uitvoeringsafspraken. De economische crisis heeft partijen (overheden, ondernemers, inwoners) geleerd om mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatisme en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en partnerschip. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol. Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: ▪ Van Individueel en Samen; ▪ Van Omgevingskwantiteit en Omgevingskwaliteit; ▪ Van Lineair naar Circulair; ▪ Van Gesloten naar Open; ▪ Van Consumeren naar Beleven; ▪ Van Beheersen naar Ruimte geven en vertrouwen; ▪ Van Overheidssturing naar Omgevingssturing. Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven.

De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud aan de programma doelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Ruimte betreft het dan de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving’. Voor onderhavige ontwikkeling zijn binnen het thema de navolgende programmadoelen relevant: Waarde en kwaliteiten De gemeente Peel & Maas wil het goede koesteren en ruimte bieden met het oog op een betere overmorgen. Door het onderhouden en versterken van de identiteit van de dorpen en historische landschappen, wordt de diversiteit van de gemeente behouden. Daarbij zijn zelfsturende hechte en levendige gemeenschappen van groot belang. Ook is het van belang om bestaande bebouwing optimaal te benutten en hergebruik van bestaande bebouwing te verkiezen boven uitbreiding en nieuwvestiging. Hierdoor wordt de kans op leegstand minimaal en wordt de diversiteit aan bebouwing in de gemeente behouden. Dit alles dient op een duurzame en bewuste wijze te verlopen om de vitale gemeenschap in stand te houden en een gezonde en fysieke leefomgeving te kunnen bieden voor inwoners, planten en dieren. Mede daarom moet er zorg gedragen worden voor de verbinding en balans tussen de verschillende functies en waarde in de omgeving.

Vastgesteld

23

Met onderhavige initiatief wordt de karakteristieke boerderij (VAB-locatie) in ere hersteld en wordt leegstand tegen gegaan. Door de herontwikkeling van de locatie is er sprake van het benutten van bestaande bebouwing en deze hierdoor weer onderdeel uit te laten maken van het landschap. Daarnaast worden er diversen nieuwe functies mogelijk gemaakt op de locatie. Wonen duurzaam in balans De gemeente Peel & Maas werkt samen met de samenleving aan een woningbestand duurzaam in balans. Het is van belang te kijken naar de juiste woning, het juiste aantal woningen en het bouwen op de juiste plek. Op termijn krijgt de gemeente te maken met demografische veranderingen waardoor er sprake zal zijn van afname en veranderende samenstelling van de bevolking en daarmee een veranderende samenstelling van de woningvoorraad. Er wordt dan ook gestuurd op herstructurering van de bestaande voorraad. Hierbij is het van belang om in samenwerking met de gemeenschap vraag en aanbod kwantitatief in overeenstemming te brengen. Het is van belang te kijken naar duurzame locaties, die de identiteit van de dorpen en het landschap behouden en versterken. Hergebruik wordt verkozen boven uitbreiding en nieuwvestiging, op gezonde locaties die de waarden van groen, natuur en landschap respecteren. Met onderhavige ontwikkeling wordt bestaand vastgoed hergebruikt en wordt vraag en aanbod op elkaar afgestemd.

Daarnaast is er spraken van het toestaan van een bijzondere woonvorm. Daarbij worden de waarden van groen, natuur en landschap gerespecteerd en waar mogelijk worden deze waarden versterkt. Conclusie Gelet op bovenstaande kan concluderend gesteld worden dat het initiatief past binnen de kaderstelling Ruimte en Economie. 4.3.3

Kaderstelling Sociaal Domein en Vitale Gemeenschappen

In april 2017 is de notitie ‘Waardeoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Sociaal domein en Vitale gemeenschappen vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente. Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s Sociaal domein en Vitale gemeenschappen en de uitvoeringsafspraken. De economische crisis heeft partijen (overheden, ondernemers, inwoners) geleerd om mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatisme en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en partnerschip. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol. Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: ▪ Van Institutiezorg naar Gemeenschapszorg; ▪ Van Grootschaligheid naar Kleinschaligheid; ▪ Van Protocollen en regels naar Vakmanschap van de professional; ▪ Van door de professional bepaalde voorzieningen naar door de hulpvragen bepaald arrangement; ▪ Van Soleren naar Teamplay; ▪ Van ‘de onderdelen centraal’ naar ‘het geheel centraal’; ▪ Van een Sturende Overheid naar een Faciliterende Overheid.

Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven. De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud aan de programma doelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Sociaal domein en Vitale gemeenschappen betreft het dan de programma 2.2 Zorg en ondersteuning. Voor onderhavige ontwikkeling zijn binnen het thema de navolgende programmadoelen relevant:

Vastgesteld

24

Vitale gemeenschappen De gemeente Peel en Maas ondersteund, waar nodig, burgers en gemeenschappen die zelf regie voeren op het zorgen voor elkaar. Zo kunnen mensen langer deelnemen aan de maatschappij en zo lang mogelijk zelfstandig wonen. De gemeente ondersteund het zorgen voor elkaar vanuit het perspectief van gemeenschapsontwikkeling. Nieuwe initiatieven worden gefaciliteerd en de doorontwikkeling van bestaande algemene voorzieningen wordt doorontwikkeld. Het versterken van netwerken van informele en formele zorg is hierbij erg belangrijk. Onderhavig initiatief voorziet in het opzetten van een gemeenschap waar iedereen welkom is. Er worden herstelwoningen gerealiseerd om een pauze plaats te bieden aan mensen die dit tijdelijk nodig hebben. Er is dan ook sprake van een nieuwe gemeenschapsontwikkeling in het kader van bewust leven en in samenwerking met de natuur, een bijzondere woonvorm. Positieve gezondheid De gemeente Peel en Maas faciliteert de gemeenschap en burgers in het bevorderen van een verantwoorde levensstijl in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven. Hierbij wordt ingezet op positieve gezondheid, hierbij ligt niet alleen de focus op lichaamsfuncties en mentaal welbevinden maar ook op zingeving, kwaliteit van leven, sociaal-maatschappelijk participeren en dagelijks functioneren.

Daarbij is het ook van belang te schakelen van het individu naar de gemeenschap. Het is van belang in te zetten op preventie om vroegtijdig signalen op te sporen en hierop te kunnen anticiperen. Hiervoor is een beleidskader positieve gezondheid en gezondheidspreventie opgesteld. Met onderhavige ontwikkeling wordt groot ingezet op positieve gezondheid. De doel en missie van de voorgenomen ontwikkeling staat dan ook het in het kader van het samenbrengen van mens en natuur, waarbij het welzijn van de mens erg belangrijk is. Hierbij is specifiek gekozen voor een gemeenschapsvorm (bijzondere woonvorm) in plaats van een individuele aanpak. Conclusie Gelet op bovenstaande kan concluderend gesteld worden dat het initiatief past binnen de kaderstelling Ruimte en Economie.

4.3.4

Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018

Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De gemeente Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor: 1. Zogenaamde win-win situaties; 2. Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale gemeenschappen; 3. Verzoeken die die passen binnen de Ruimte voor Ruimteregeling; 4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden; 6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Met de realisatie van onderhavig initiatief is er sprake van een duidelijke maatschappelijke meerwaarde voor de omgeving en de kern Maasbree. Daarnaast is er sprake van de juiste plek: het initiatief voorziet in herontwikkeling en renovatie van een, thans leegstaande, karakteristieke boerderij (VAB-locatie).

Hiermee wordt ook direct het behoud en herstel van deze karakteristieke boerderij gewaarborgd. Het initiatief voldoet dan ook aan de voorwaarde zoals gesteld in beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018.

Vastgesteld

25

5. RANDVOORWAARDEN/ RESULTATEN ONDERZOEKEN Bij de revitalisatie van het plangebied dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat bij een functiewijziging van, in dit geval een agrarisch bedrijf naar woon en maatschappelijke doeleinden, het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Er is een verkennend bodem- en asbestonderzoek4 uitgevoerd. Op basis van de resultaten kan gesteld worden dat ondanks een verhoogde concentratie in zowel de boven- en ondergrond als het grondwater deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering vormen. Echter zijn er wel enkele bevindingen waar rekening gehouden mee dient te worden: ▪ De grond onder en rondom het bakhuis is met minerale olie verontreinigde grond. Deze gronden mogen niet worden opgegraven en elders op het terrein worden verspreid; ▪ Vanwege de aangetroffen sterk verhoogde concentraties zware metalen in het grondwater dient men het grondwater niet te gebruiken voor het beregenen c.q.

besproeien van het aardoppervlak. 5.1.2

Milieueffectenrapportage

Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna). Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik 4 Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Aelmans Eco B.V. (d.d. 4 december 2018, kenmerk: E185537.007/HWO)

Vastgesteld

26

▪ ▪

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Vormvrije m.e.r-beoordeling Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van diverse functies op de locatie Heezestraat 2 ten behoeve van de Leef en Groei hoeve. Het gaat hier onder andere wonen, maatschappelijke functies en een minicamping. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten. Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:

Vastgesteld

Toets Agrarisch met woonboerderij en opstallen N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante

27

gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang ▪

effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting)

Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Toets Beschermd natuurmonument Nee Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Nee Watergebied van internationale betekenis Nee EHS Nee Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Nee Nee Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.1.3

Bedrijven en milieuzoneringen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.

Vastgesteld

28

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden deze twee verschillende omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die standaard uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Het plangebied is te typeren als omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Effect op de omgeving In het kader van onderhavige ontwikkeling worden diverse functies binnen het plangebied toegestaan. Globaal zijn de nieuwe beoogde functies: wonen, ecologische minicamping en diverse gemeenschappelijke- en multifunctionele ruimtes. Enkele van deze functies betreffen een functie die milieuhinder kan veroorzaken voor de omgeving. Wonen betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving, de overige functies wel. Aangezien het initiatief betrekking heeft op specifieke functies die niet zijn opgenomen in de indicatieve bedrijvenlijst is er gekeken naar de functies die het dichts in de buurt komen van de beoogde functies. Ecologische minicamping en camperstandplaatsen In de indicatieve bedrijvenlijst is de functie camping opgenomen (kampeerterrein, vakantiecentra, e.d. (met keuken) SBI2008: 553, 552).

De beoogde camping is veel kleinschaliger en primitiever dan het kampeerterrein als bedoeld in de VNGpublicatie. De richtafstanden kunnen dan ook met een afstandstand stap worden verkleind. Voor deze functie gelden de volgende richtafstanden: ▪ Geur: 0 meter; ▪ Stof: 0 meter; ▪ Geluid: 10 meter; ▪ Gevaar: 0 meter. Gemeenschappelijk- en multifunctionele ruimtes/dagopvang De beoogde gemeenschappelijke ruimtes, ambachtenwerkplaats maar ook een multifunctionele ruimte. Deze beoogde functies worden niet specifiek genoemd in de indicatieve bedrijvenlijst. Echter vallen de functies qua gebruik en omvang te vergelijken met de volgende, wel in de indicatieve bedrijvenlijst opgenomen, functies: ▪ bedrijfs- en werknemersorganisaties (kantoren) (SBI-2008: 941, 942); o Geur: 0 meter; o Stof: 0 meter; o Geluid: 10 meter; o Gevaar: 0 meter. ▪ Buurt- en clubhuizen (SBI-2008: 94491); o Geur: 0 meter; o Stof: 0 meter; o Geluid: 30 meter; o Gevaar: 0 meter. ▪ kinderopvang (SBI-2008: 8891); o Geur: 0 meter; o Stof: 0 meter; o Geluid: 30 meter; o Gevaar: 0 meter. Het dichtbijgelegen milieugevoelige object is de woning aan de Westeringlaan 54, op een afstand van 120 meter van het de boerderij. Derhalve wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan. De beoogde functies vormen geen belemmering voor omliggende woningen. Effecten vanuit de omgeving

Vastgesteld

29

De beoogde nieuwe functies kunnen een belemmering vormen voor de omliggende woningen, maar andersom kunnen de omliggende functies ook een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. De beoogde nieuwe woningen en herstelwoningen betreffen functies die hinder kunnen ondervinden van omliggende bedrijven. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. Voor wat betreft de kampeermogelijkheden, dit betreft enkel verblijf van korte periodes. Gezien het kortstondige verblijf ter plaatse en het karakter van de omliggende wegen met beperkte verkeersintensiteiten mag worden aangenomen dat het verblijfsklimaat in voldoende mate is gewaarborgd. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Binnen een straal van 500 meter rondom de projectlocatie zijn de volgende milieubelastende functies gelegen: Bedrijf

Adres

SBI-2008

Aan te houden afstanden

Akker- en tuinbouwbedrijf

Heezestraat 1

011, 013

Agrarisch grondgebonden bedrijf (niet zijnde IV)

Westeringlaan 69

0150

Sportcomplex

Breetse Peelweg 1b

931

Varkenshouderij

Westeringlaan 71

0146

Sportvelden

Sectie K, nummers 3420, 1780, 1781, 1782, 946

931

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

012,

Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar

10 meter 10 meter 30 meter 10 meter 100 meter 30 meter 30 meter 0 meter 0 meter 0 meter 50 meter 0 meter 200 meter 30 meter 50 meter 0 meter 0 meter 0 meter 50 meter 0 meter

Afstand plangebied 60 meter

tot

160 meter

200 meter

300 meter

360 meter

Onderzocht is of de hindercontouren de locatie overlappen. Er is géén hindercontour die de locatie overlapt. Derhalve vormen omliggende functies geen belemmering voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de drie woningen en vier herstelwoningen. 5.1.4

Wegverkeerslawaai

Een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidsbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgv) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij

Vastgesteld

30

sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woning. In feite mogen nieuwe woningen, niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). In de omgeving en direct grenzend aan het projectgebied zijn meerdere zoneplichtige wegen gelegen, zoals de Heezestraat en de Westeringlaan. Om de effecten van wegverkeerslawaai op de ontwikkeling te bepalen is een akoestisch onderzoek5 uitgevoerd. Op basis van het akoestisch onderzoek kan concluderend gesteld worden dat de gecorrigeerde gevelbelasting ten gevolge van de Heezestraat hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar wel voldoet aan de maximale ontheffingswaarde. Maatregelen om de geluidsbelasting tot beneden de voorkeursgrenswaarde te krijgen lijken niet reëel. Het is derhalve noodzakelijk om bij het College van B&W in het kader van de wet geluidhinder ontheffing aan te vragen voor hogere grenswaarde. Daarnaast doet de beoogde nieuwe woonbestemming geen inbreuk op de geluidsruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen. Concluderend kan gesteld worden dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse gewaarborgd kan worden.

Het aspect wegverkeerslawaai vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.1.5 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,9 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,5 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,2 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.

5 Akoestisch onderzoek, HMB Groep (d.d. 12 januari 2023, kenmerk: 21261201N)

Vastgesteld

31

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woon en leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit De AMvB ‘NIBM’ legt vast, wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Met behulp van de NIBM-tool is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt.

Op basis van voorgaande wordt een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit dan ook niet noodzakelijk geacht.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2022

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,03

PM10 in μg/m3

0,01 1,2

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

61

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Afbeelding 12 Uitsnede NIBM tool

5.1.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? 2. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het projectgebied? De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de Wgv vastgesteld op 14 OU/m³ (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m³ mag emitteren op een geurgevoelig object

Vastgesteld

32

buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De woningen en herstelwoningen kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevindt zich één (intensieve) veehouderij. Te weten een varkenshouderij aan de Westeringlaan 71, afstand tot het plangebied bedraagt 300 meter. Bij de varkenshouderij worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze veehouderij is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning”. Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Middelpunt

X-coördinaat 199932 200000 200018 199973

Y-coördinaat 374420 374485 374383 374437

Westeringlaan 71 10,4 6,0 5,1 7,5

De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 10,4 OU/m3. Op basis van de Wgv is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderij geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het projectgebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Middelpunt

X-coördinaat 199932 200000 200018 199973

Y-coördinaat 374420 374485 374383 374437

Berekende waarde 18,8 15,8 13,9 15,6

De cumulatieve geurbelasting binnen het projectgebied varieert tussen 13,9 en 18,8 OU/m3. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgv geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de Wgv geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv (welke gaat over de beoordeling van ruimtelijke plannen, aanvulling 23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling 1 mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen. Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van het verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten

Vastgesteld

33

weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is. Milieukwaliteit

Geur gehinderden

Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht

< 5% 5-10% 10-15% 15-20% 20-25% 25-30% 30-35% 35-40%

Voorgrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 1,5 1,5-3,8 3,8-6,6 6,6-10 10-14,2 14,2-19,2 19,2-25,3 25,3-32,8

Achtergrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 3,1 3,1-7,4 7,4-13,1 13,1-20 20-28,3 28,3-38,5 38,5-50,7 > 50,7

Concluderend kan derhalve het volgende gesteld worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt toetsing plaats aan de wettelijke norm van 14 OU/m3 voor buiten de bebouwde kom. De norm voor buiten de bebouwde kom valt in de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht” (10,0 tot 14,2 OU/m3). Op grond hiervan wordt afgeleid dat buiten de bebouwde kom een milieukwaliteit “tamelijk slecht” aanvaardbaar is. Als deze wettelijke normen worden doorgetrokken naar de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat buiten de bebouwde kom bij een norm gelegen in de klasse 20 – 28,3 OU/m3 (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 18,8 OU/m3.

Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een milieukwaliteitsklasse “matig”, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. De afstand tussen het plangebied en de dichtstbij gelegen veehouderij bedraagt 300 meter. Het plangebied, welke verder van de intensieve veehouderij wordt is gepositioneerd dan bestaande woningen, heeft derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de bedrijfsvoering van de intensieve veehouderijen. 5.1.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen

Vastgesteld

34

kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg wordt geconcludeerd dat op een afstand van 270 meter van het projectgebied drie buisleidingen van Gasunie zijn gelegen. Transport gevaarlijke stoffen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. Het plangebied is gelegen binnen het 1% letaliteitsgebied van de buisleidingen. Derhalve dient gekeken te worden naar eventuele incidenten. Aan de veiligheidsregio Noord-Limburg is advies gevraagd inzake de voorgenomen ontwikkeling.

Hieruit is het volgende advies voortgekomen: Scenario incident hogedruk aardgasleidingen Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan.

Vastgesteld

35

Effect bestrijding Bij een fakkelbrand vanuit de aardgasleiding zal koelen en afschermen de primaire inzet zijn. De inzet bij de woningen en het kampeerterrein is gericht op het blussen van secundaire branden. Voor de bestaande boerderij, gelegen aan de Heezestraat 2, is een ondergrondse brandkraan aanwezig met een capaciteit van circa 80 m³/uur. Deze bluswatervoorziening is voldoende voor een inzet binnen het plangebied. Bovendien is de bereikbaarheid van het plangebied goed te noemen. Zelfredzaamheid Om de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te vergroten worden de volgende maatregelen geadviseerd: ▪ Initiatiefnemer; Indien sprake is van een BHV organisatie dan dient het scenario “Incident hogedruk aardgasleiding” en handelwijze te worden opgenomen in het bedrijfsnoodplan. ▪ Gemeente; Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. Tevens heeft de veiligheidsregio Noord Limburg tevens advies gegeven inzake het kampeerterrein. Het kampeerterrein dient conform het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (BGBOP) te worden ingericht. Dit advies wordt opgevolgd bij realisatie van het kampeerterrein.

Afbeelding 13 Uitsnede risicokaart

Conclusie Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de herontwikkeling van het plangebied.

5.2 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd.

Vastgesteld

36

Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.3 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna In het kader van het initiatief is een flora en fauna onderzoek6 uitgevoerd. De conclusie van de quickscan luidt als volgt: Bij het uitvoeren van de quickscan zijn geen zaken geconstateerd die voor de natuur, planten noch dieren nadelig zijn of hieraan schade toevoegen. De oorspronkelijke gebouwen blijven intact en worden gerestaureerd en in ere hersteld met respect voor hun historie. Een punt van aandacht is wel dat bij de werkzaamheden de Omgevingswet in acht moet worden genomen. In deze wet staat dat men altijd verplicht is om rekening te houden met de aanwezigheid van dieren bij het kappen of snoeien van bomen en struiken en bij andere verstorende werkzaamheden, ongeacht de tijd van het jaar. Deze zorgplicht houdt in dat men de omgeving vooraf secuur dient te controleren op aanwezigheid van broedgevallen. Het aspect flora en fauna vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, ligt op 8 kilometer afstand van het plangebied. Op een afstand van 10 kilometer van het plangebied is het Duitse Vogelschutzgebiet Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald und Meinweg gelegen. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 7 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.

Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. In het kader van onderhavige ontwikkeling krijgt de locatie een woonbestemming. Binnen deze woonbestemming worden drie huurwoningen gerealiseerd, vier hart & ziel woningen, diverse maatschappelijke ruimtes en een kleinschalig kampeerterrein.

6 Quickscan flora en fauna, IVN Baarlo – Maasbree (d.d. 15 januari 2023)

Vastgesteld

37

Uitstoot van NOx vindt plaats door enerzijds de verwarming van de woningen (hart & ziel woningen zijn gasloos) en multifunctionele ruimtes en anderzijds door het verkeer van en naar de woningen. Tevens vindt er uitstoot plaats gedurende de verbouwfase. Gebruiksfase Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van de woningen en multifunctionele ruimtes tot een emissie NOx van 4,7 kg/jaar. Het initiatief genereert dagelijks maximaal 61 verkeerswegingen. Voor een nadere toelichting van de verkeersgeneratie wordt verwezen naar paragraaf 5.6.1. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Vanwege de centrale locatie van het plangebied is het aannemelijk dat het verkeer zowel in noordelijke als in zuidelijke richting het plangebied zal verlaten. Derhalve zijn beide scenario’s meegenomen in de AERIUS calculator. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 1,9 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.

Verbouwfase Ook tijdens de verbouw is er sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.).

27,78 14,02 33,09 33,09

8 32 20 20

Totale emissie

Draaiuren

Betonpomp 2014 Diesel 200 50 Mobiele hijskraan 2015 Diesel 100 50 Graafmachine 2014 Diesel 200 60 Laadschop 2014 Diesel 200 60 Totaal * Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO

Liters diesel per uur*

Vermogen (kW)

Brandstof

Bouwjaar

Tabel. Mobiele werktuigen Werktuig

Belasting (%)

Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen

1,0 0,5 1,2 1,2 5,3

Ten tijde van de verbouwing vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 6 bedrijfsbusjes per etmaal. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 6 vrachtwagens aanwezig zijn. Tijdens de verbouwfase is sprake van een toename van 7,7 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief.

5.4 Waterhuishouding

Vastgesteld

38

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, de Provinciale Omgevingsvisie, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de Provinciale Omgevingsvisiekaart gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de Provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. 5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Conform de algemene gegevens van Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een redelijke bodemdoorlaatbaarheid van 0,45 - 0,75 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper dan 250 cm-mv is gelegen. Oppervlaktewater

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=ea0d283a-a26a-4420-8633-86ae8a211eca