2023-027 03 Toelichting.pdf
Tekst van het document
Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.
30
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
Kenmerken van het potentiele effect Criteria Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Toets Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking. Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grensoverschrijdend karakter heeft Geen effecten te verwachten. Geen effecten te verwachten.
Conclusie 1. De ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.3 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij categorie D11.3 genoemde ‘drempelwaarde’ niet wordt overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Het College van Burgemeester en Wethouders heeft in zijn vergadering d.d. …-…-… besloten dat er ‘geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen ontstaan die het opstellen van een Milieueffectrapportage rechtvaardigen.’
5.2
Bodem Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. In onderhavig planvoornemen is er sprake van het deels wijzigen van het gebruik. In de bestaande situatie is het gebruik ter plaatse van het plangebied een agrarische glastuinbouwlocatie en een bedrijfswoning. In de nieuwe situatie is er sprake van het gebruik als bedrijventerrein (incl. inpassing en ontsluiting) en als burgerwoning. Omdat er sprake is van een nieuw gebruik ter plaatse van het voorziene bedrijventerrein (de bedrijfswoning is qua gebruik even gevoelig als het gebruik als burgerwoning) is ter plaatse van het voorziene bedrijventerrein verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). ‘Conclusie en aanbevelingen Tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden zijn er, met uitzondering van sporen puin ter
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
31
R17907.01.006/GPO
plaatse van boring 1 (traject 70-110 cm-mv) en boring 2 (traject 60-130 cm-mv), zintuiglijk geen verontreinigingen in het opgeboorde materiaal waargenomen. De bovengrond ter plaatse van boring 6 (monster M03.1) is sterk verontreinigd met koper en zink. Daarnaast is in de bovengrond ter plaatse van de meest zuidelijke gelegen tuinderskas en het braakliggend stuk grond ten zuidoosten van deze tuinderskas (mengmonster M02) een lichte verontreiniging met zink aangetoond en in de bovengrond van de noordwestelijke helft van het terrein (mengmonster M03 en M04) is een lichte verontreiniging met PAK aangetoodn. Voor het overige zijn geen verontreinigingen in de bovengrond (mengmonster M01 t/m M04, monster M03.1 t/m M03.5 en mengmonster M08) aangetoond. Voor de lichte tot sterke verontreinigingen met koper, zink en PAK in de bovengrond zijn ten tijde van het verkennend bodemonderzoek geen mogelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen. Het aangetoonde gehalte aan zink in mengmonster M02 en de aangetoonde gehalten aan PAK in mengmonster M03 en M04 voldoen aan de bodemgebruikswaarden II*, welke door de overheid zijn vastgesteld als terugsaneerwaarden voor terreinen met ‘extensief gebruik (openbaar) groen’. In de ondergrond (mengmonster M05, M06 en M07) zijn geen verontreinigingen aangetoond.
Grondwater Tijdens de bemonstering van het grondwater uit de peilbuizen PB1, PB2, PB3 en PB300 is er zintuiglijk geen verontreiniging waargenomen. Het grondwater uit peilbuis PB1(monster W01) is sterk verontreinigd met zink en licht verontreinigd cadmium en nikkel. Het grondwater uit peilbuis PB2 (monster W02) is licht verontreinigd met zink en het grondwater uit peilbuis PB300 (monster W04) is licht verontreinigd met cadmium en zink. Afgezien hiervan zijn er geen verontreinigingen in het grondwater (monsters W01 t/m W04) aangetoond. De pH van het grondwater kan als zeer laag tot enigszins verlaagd gezien worden. In de bovenliggende bodem van het onderzoeksterrein is uitsluitend in de bovengrond zink in een verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan zink aangetoond. De oorzaak van deze verhoogde concentraties moet waarschijnlijk dan ook gezocht worden in regionale omstandigheden. Verhoogde concentraties aan metalen gaan vaak samen met een verlaagde pH, hetgeen ook hier het geval is. Gelet op het regionale verspreidingskarakter van de aangetroffen verontreinigingen in het grondwater bestaat er geen aanleiding tot het instellen van een nader grondwateronderzoek. Algemeen De vooraf gestelde deelhypothese dat de onderzoekslocatie als ‘onverdacht’ kan worden beschouwd, wordt op basis van de sterke koper en zinkverontreiniging verworpen.
De andere deelhypothese dat de bodem ter plaatse van de voormalige opslag- en aanmaakplaats voor meststoffen als ‘verdacht’ kan worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten
32
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
verworpen. Met de voorliggende resultaten is de eindsituatie van de bodem ter plaatse van opslag0 en aanmaakplaats voor meststoffen vastgelegd. Evenals bij het nulsituatie-onderzoek van juni 1998 zijn in het kader van het voorliggende verkennend bodemonderzoek geen verontreinigingen in de grond aangetoond. De in het grondwater aangetoonde concentraties aan cadmium en zink ligger lager dan de in 1998 aangetoonde concentraties. Gelet op de mate van de aangetoonde verontreinigingen met koper en zink en het landelijk bodembeleid dient er een ander onderzoek te worden ingesteld, teneinde vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien 25m3 of meer grond dan wel 100m3 of meer grondwater (bodemvolume) verontreinigd is met gehalten / concentraties hoger dan de interventiewaarden. Daarnaast dient er rekening te worden gehouden met enkele gebruiksbeperkingen ten aanzien van het gebruik van het (freatisch) grondwater. De aanwezigheid van zware metalen in verhoogde concentraties in het (freatisch) grondwater maakt dit minder geschikt om het op te pompen en te gebruiken voor het besproeien van consumptiegewassen of voor het drenken van vee dan wel voor menselijke consumptie.
Het is dan ook aan te bevelen het (freatisch) grondwater niet zelf op te pompen en voor een van de genoemde of daarop gelijkende doelen te gebruiken. Op basis van de onderzoeksresultaten is het terrein niet zondermeer geschikt voor alle bodemgebruiksvormen. Bij de voorgenomen grondtransactie dient rekening gehouden te worden met het feit dat er een aanvullend en / of nader onderzoek en sanerende maatregelen uitgevoerd dienen te worden. Op basis van het onderhavige onderzoek is geen uitspreek te doen over de hiermee gepaard gaande kosten.’ Nader bodemonderzoek Vervolgens is een nader bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). De conclusies van dit nader bodemonderzoek zijn als volgt: ‘Tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden zijn er ter plaatsen van de boringen 60, 64, 70 en 76 sporen tot kleine hoeveelheden puin en / of asfalt aangetroffen. Voor een volledig overzicht van de zintuiglijke verontreinigingen wordt verwezen naar tabel 5.1 in paragraaf 5.2 Zintuiglijke waarnemingen en de boorprofielen in bijlage 4. In horizontale richting is de verontreiniging met koper en / of zink ingekaderd tot aan de bodemgebruikswaarden*, welke door de overheid zijn vastgesteld als terugsaneerwaarden voor terreinen die (onder andere) een woonfunctie hebben.
De horizontale omvang van de verontreiniging met gehalten boven de bodemgebruikswaarden I wordt ingeschat op 115m2, waarvan naar schatting 35m2 sterk verontreinigd (gehalten > interventiewaarden) is. In verticale richting is de verontreiniging ter plaatse van boring 60 aangetoond tot ca. 0,6m-mv en ter plaatse van boring 71 en 74 tot ca. 0,5m-mv. Uitgaande van een gemiddelde diepte van 0,55m-mv bedraagt de omvang van de verontreiniging met gehalten boven de bodemgebruikswaarden I circa
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
33
R17907.01.006/GPO
65m3, waarvan 20m3 sterk verontreinigd (gehalten > interventiewaarden) is. De bodemgebruikswaarden I- en interventiewaardencontouren zijn aangegeven in bijlage 3. Het is onbekend wanneer de bodemverontreiniging met koper en/of zink is veroorzaakt. Het is echter aannemelijk dat de verontreiniging is veroorzaakt voordat het terrein in gebruik is genomen voor tuinbouwdoeleinden (midden jaren zeventig van de vorige eeuw) en in gebruik was als varkenshouderij en derhalve is veroorzaakt vóór 1987. Aangezien minder dan 25m3 grond sterk verontreinigd is, betreft het geen geval van ernstige bodemverontreiniging en is er geen sprake van saneringsurgentie vanwege de afwezigheid van actuele humane, ecologische en verspreidingsrisico’s. Gelet op de mate van verontreiniging dienen er sanerende maatregelen genomen te worden. Het voornemen tot sanering dient te worden gemeld bij het bevoegd gezag (gemeente Helden). Het is aan te bevelen overleg te plegen met het bevoegde gezag omtrent de sanering van de verontreiniging. Bij de voorgenomen grondtransactie dient rekening gehouden te worden met het feit dat er sanerende maatregelen uitgevoerd dienen te worden.’ Op basis hiervan zal bij uitvoering van het planvoornemen deze bodemverontreiniging als eerste werkzaamheid worden gesaneerd. Ter actualisatie is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Aelmans ECO BV, zie bijlage 7.
De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: ‘Op basis van het verrichte onderzoek kan het volgende worden gesteld. Uit de voorhanden zijnde historische informatie blijkt, dat de verontreinigingssituatie niet veranderd is ten opzichte van de verontreinigingssituatie in 2008. De onderzoeksresultaten van de in 2007 en 2008 uitgevoerde onderzoeken zijn representatief voor de huidige situatie. Het is ons inziens dan ook niet noodzakelijk om in het kader van de bestemmingsplanwijziging opnieuw een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen ten behoeve van het toekomstig gebruik. Wel wordt geadviseerd om de aangetroffen sterke verontreiniging met koper en zink alsnog te saneren. Echter omdat het geen geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, is er in het kader van de ruimtelijke procedure dan wel bij de aanvraag van een omgevingsvergunning geen saneringsnoodzaak.’ Omdat er vanaf het moment van aankoop geen bodembedreigende activiteiten zich meer hebben voorgedaan is een nader onderzoek niet noodzakelijk. De kas is inmiddels gedeeltelijk gesaneerd. Verder heeft initiatiefnemer alleen bouwmaterialen op de locatie opgeslagen. Deze materialen betreffen geen bodembedreigende stoffen. Gelet op het vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.
34
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
5.3
Geluid Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. In onderhavige situatie is geen sprake van de realisatie van een nieuw geluidgevoelig object op basis van de Wet geluidhinder. De bedrijfswoning die wordt omgevormd tot burgerwoning is reeds geluidsgevoelig en blijft even geluidsgevoelig. Een nadere toetsing is voor deze woning niet aan de orde. De toetsing van deze woning ten opzichte van de nieuwe bedrijvigheid komt in paragraaf 5.2 aan de orde. Verder is er geen spoorweg gelegen in de nabijheid van het plangebied. Hierdoor is het aspect spoorweglawaai niet aan de orde voor onderhavig planvoornemen. Ten aanzien van het kunnen garanderen van een goed woon- en leefklimaat in de om te vormen woning kan worden gesteld dat de bestaande bedrijfswoning vanuit het oogpunt van overige bedrijven in de omgeving reeds een ‘toetspunt’ is geweest. De omvorming naar burgerwoning zorgt er niet voor dat deze woning ‘gevoeliger’ wordt vanuit milieu. Er ontstaat daarmee geen extra belemmering voor bedrijven in de omgeving van het plangebied. Verder dient te worden onderzocht of er ter plaatse van de om te vormen woning geen sprake is van een overbelaste situatie als gevolg geluidsproductie van bedrijven die zijn gelegen in de omgeving. Hiertoe is met name het bedrijventerrein Panningen van belang.
Hier zijn categorie 4 bedrijven toegelaten waardoor er sprake is van een richtafstand van 200-300 (conform de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering) meter die is gelegen over het plangebied en de om te vormen woning. In de paragraaf milieuzonering wordt hier nader op ingegaan. Echter, zoals op onderstaande afbeelding inzichtelijk is gemaakt, zijn andere woningen van derden op kortere afstand gelegen van het bedrijventerrein Panningen. Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek (zie bijlage 6) en op basis van hetgeen hierboven is beschreven is ter plaatse van de woning Maasbreeseweg 53 sprake van een acceptabele situatie. Op basis hiervan kan worden gesteld dat ook vanuit geluid er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
35
R17907.01.006/GPO
Verbeelding bedrijventerrein Panningen met aanduiding categorie-4 bedrijven en afstanden tot dichtstbij zijnde gelegen woningen van derden
Er behoeft vanwege het niet realiseren van een nieuw geluidsgevoelig object niet getoetst te worden aan de normen om te bepalen wat de gevelbelasting is als gevolg van wegverkeer, industrie of spoorwegen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
5.4
Milieuzonering Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: -
het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken.
36
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Zonering van de bedrijventerreinen vindt plaats op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De algemene systematiek die in de VNG- uitgave is toegepast, is kort samengevat, de volgende. Ieder bedrijf is op basis van haar bedrijfsactiviteiten door het Centraal Bureau voor de Statistiek volgens de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) ingedeeld naar branche- en bedrijfscategorieën. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft de SBI – indeling gebruikt om per bedrijfsactiviteit de milieubelasting ervan aan te geven en in te delen in een milieucategorie. Per bedrijfsactiviteit is beschouwd binnen welke afstand vanaf die bedrijfsactiviteit tot milieugevoelige functies (met name woonfuncties, maar ook ziekenhuizen, scholen e.d.) mogelijk milieuhinder kan ontstaan. Deze afstand is de zogenoemde ‘richtafstand’. Door bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies op minimaal de richtafstand van elkaar te situeren kan milieuhinder worden voorkomen. De richtafstand wordt bepaald door de mogelijk hinder die kan uitgaan vanwege een viertal milieuaspecten, te weten geur, stof, geluid en gevaar. In de VNG – uitgave zijn per bedrijfsactiviteit per milieuaspect richtafstanden bepaald.
De grootste van de vier richtafstanden is maatgevend voor de aan te houden richtafstand tussen die bepaalde bedrijfsactiviteit en milieugevoelige functies. Op deze manier is voor een groot aantal bedrijfsactiviteiten bepaald welke maatgevende richtafstand erbij hoort. Op basis van die maatgevende richtafstanden zijn in de VNG-uitgave alle bedrijfsactiviteiten gegroepeerd in milieucategorieën. In onderstaande tabel 1 zijn die milieucategorieën weergegeven. Daarbij wordt voor wat betreft de ligging van de milieugevoelige functies onderscheid gemaakt in twee omgevingstypen: rustig gebied en gemengd gebied. Tabel: richtafstanden milieucategorieën ten opzichte van de twee omgevingstypen Milieucategorie Richtafstand t.o.v. rustig gebied Richtafstand t.o.v. gemengd gebied Categorie 1 10m 0 Categorie 2 30m 10m Categorie 3.1 50m 30m Categorie 3.2 100m 50m Categorie 4.1 200m 100m Categorie 4.2 300m 200m Categorie 5.1 500m 300m Categorie 5.2 700m 500m Categorie 5.3 1.000m 700m Categorie 6.1 1.500m 1.000m Rustig gebied In dit gebied is een milieuklimaat mogelijk en gewenst zoals die past in een rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het gebied komen niet of nauwelijks milieubelastende activiteiten voor. Gemengd gebied In dit gebied komen op, naast en in de nabijheid van woonfuncties veelvuldig andere functies
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
37
R17907.01.006/GPO
voor (zoals winkels, horeca, bedrijven etc.). Vanwege die functiemenging is een milieuklimaat behorend tot ‘rustig gebied’ niet mogelijk en gewenst. Een andere reden om een gebied tot gemengd gebied aan te merken kan de hoge achtergrondconcentratie zijn voor wat betreft de aspecten geur, geluid of stof. Een gebied langs een snelweg of drukke stadsweg heeft bijvoorbeeld al een dermate hoge achtergrond geluidsniveau dat het geluid vanwege een toegevoegd bedrijf als minder hinderlijk wordt ervaren. De richtafstanden dienen te worden gemeten vanaf de grens van de bestemming van de bedrijfsactiviteiten tot aan de gevel van woningen of milieugevoelige terreinen als ziekenhuizen of scholen. De richtafstanden zijn indicatief van aard. Bij de richtafstand wordt uitgegaan van gemiddelde bedrijven in de betreffende branche. Voor een specifiek bedrijf kan de richtafstand anders zijn. Verschillen in bedrijfsprocessen, omvang van het bedrijf en milieutechnische maatregelen, kunnen namelijk een kortere afstand tot gevoelige functies mogelijk maken. In dit specifieke geval is zonder twijfel sprake van een gemengd gebied, vanwege de mix van bedrijvigheid, woningen, agrarische bedrijvigheid en doorgaande wegen.
Ten aanzien van de milieubelasting van het nieuwe bedrijventerrein op de in de omgeving gelegen woningen (gevoelige objecten), kan worden gesteld dat in de nieuwe situatie er maximaal 3.1 bedrijven gevestigd kunnen worden en het voorziene bouwbedrijf van initiatiefnemer (milieucategorie 3.2, mogelijk gemaakt met een specifieke aanduiding). Voor bedrijven in milieucategorie 3.1 én het bouwbedrijf in 3.2, geldt een richtafstand van 50 meter ten opzichte van gemengd gebied, voor het aspect ‘geluid’. Voor de aspecten ‘geur’ en ‘stof’ gelden richtafstanden van respectievelijk 10 en 30 meter. Het aspect ‘gevaar’ is voor dit plangebied niet relevant, omdat zich geen bedrijven mogen vestigen die gevaarlijke inrichtingen betreffen conform de wet. Als de richtafstand tussen een bedrijf en woningen wordt gerespecteerd is in beginsel sprake van een goede ruimtelijke ordening: dit wil zeggen dat bij woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden bij het in werking zijn van een bedrijf. Aan de richtafstand ten aanzien van ‘geur’ wordt voldaan met uitzondering van het IV-bedrijf ‘KIberen station’ dat is gelegen binnen een afstand van 200 meter. Aan de richtafstand ten aanzien van ‘stof’ wordt niet geheel voldaan in relatie tot de bedrijfswoning aan de Maasbreeseweg 53 en de woning in het plangebied zelf.
Gezien de bedrijven die zich in het plangebied mogen vestigen in combinatie met de inrichting van het gebied (verhardingen, groen, enz.) is stofoverlast niet aannemelijk. Voor het beoordelen van het woon- en leefklimaat bij de woning in het plangebied, Maasbreeseweg 55, is onder meer gekeken naar een onderzoek van Arcadis uit 2015. Daarin zijn voor een nabijgelegen – representatieve - locatie de volgende gegevens naar voren gekomen: - Achtergrondbelasting geur: 5,23 (goed) - Voorgrondbelasting geur: 2,28 (goed) - Achtergrondconcentratie GCN 2015 (ugr/m3): 21,94 - Achtergrondconcentratie GCN 2015 (ugr/m3) incl. stalemissies: 22,68 - Scenario achtergrondbelasting worst-case: 11,45 (redelijk goed) Tevens is in juni 2021 een nieuw onderzoek uitgevoerd naar geur en stof, zie bijlagen 13 en 14. Hieruit blijkt dat de (achtergrond)waarden dermate goed zijn (ruim onder grenswaarden) dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en haar omgeving gegarandeerd kan
38
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
worden. De eerdere bevindingen van Arcadis worden hiermee bevestigd. Ook is voor het KI-beren station vanwege de ligging binnen 200 meter in het kader van geur een voorgrond-berekening gemaakt, zie bijlage 10. Hieruit blijkt dat ruimschoots aan de normen wordt voldaan. Geluid Aan de richtafstand voor het aspect ‘geluid’ wordt niet voldaan. Dit betekent niet per definitie dat de ontwikkeling niet door kan gaan. Met een geluidonderzoek moet dan worden aangetoond dat aan bepaalde grens- en streefwaarden uit de VNG-publicatie wordt voldaan. Voor onderhavig planvoornemen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Hierin wordt inzichtelijk gemaakt wat de geluidbelasting op de omgeving is als gevolg van het planvoornemen. De eindconclusies van dit akoestisch onderzoek zijn als volgt: ‘Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht wordt. Er wordt immers per toekomstige inrichting voldaan aan stap 2 uit bijlage 5 van de VNG-uitgave voor 2 van de 3 aspecten. Bij cumulatie (van het te realiseren plan) kan voldaan worden aan stap 3. Voor de maximale niveaus wordt in de dag- en avondperiode zonder maatregelen ook voldaan aan stap 2.
In de nachtperiode wordt zonder maatregelen voldaan aan stap 3, echter door bij vestiging van bedrijven op het te ontwikkelen bedrijventerrein bedrijfsgebouwen, afschermende maatregelen, geluidbronnen en rijroutes akoestisch gunstig te situeren, is het aannemelijk dat ook in de nachtperiode wordt voldaan aan stap 2. Er is vastgesteld dat met de te verwachten bedrijvigheid op de planlocaties voldaan kan worden aan de gestelde geluidsnormen. Het bestemmingsplan sluit echter niet automatisch uit dat er hogere piekniveaus kunnen ontstaan op ongunstigere locaties. Derhalve dient in het bestemmingsplan geborgd te worden dat een bedrijf dat zich vestigt op planlocatie onder andere aan moeten tonen (middels akoestisch onderzoek) dat voldaan kan worden aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (Handreiking) of aan het Activiteitenbesluit milieubeheer én getoetst dient te worden op de goede ruimtelijke ordening, waarbij rekening gehouden wordt met cumulatie van geluid en alle akoestisch relevante geluidsbronnen in acht worden genomen. Bovenstaande in rekening houden is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.’ Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.5
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wmb, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen.
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
39
R17907.01.006/GPO
Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm: -
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Ten aanzien van de herontwikkeling van de locatie kan worden gesteld dat deze voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtverontreiniging, zodat niet aan de grenswaarden uit de Wet Luchtkwaliteit getoetst hoeft te worden. Dit blijkt ook uit de NIBM-rekentool waarin de grens bij 575 extra voertuigbewegingen ligt waarvan 20% vrachtverkeer betreft. Dit betreft een worst-case aantal aangezien er ca. 400 bewegingen per dag verwacht worden.
40
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
Volgens de digitale kaarten van het RIVM op de atlas leefomgeving bedroeg de concentratie PM10 in 2019 ter plaatse van het plangebied 18 µg/m3, dit is ruim onder de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 van 40µg/m3. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende voor de omvorming van een bedrijfswoning in een burgerwoning. Daarnaast zal door de voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting nog verder verbeteren. Ten aanzien van de bijdrage van onderhavig planvoornemen kan worden gesteld dat er sprake is van een herontwikkelingslocatie. De glastuinbouwlocatie wordt omgevormd naar een kleinschalig bedrijventerrein. Hiermee komt de stookinstallatie van de tuinbouwkas en de verkeersbewegingen als gevolg van het agrarisch bedrijf te vervallen op deze locatie. In de nieuwe situatie is er sprake van verkeersbewegingen enerzijds en stookinstallaties van de bedrijfsgebouwen anderzijds. Overige uitstoot valt, gezien het type toegestane bedrijven, niet direct te verwachten.
Omdat er zoals hierboven beschreven sprake is van omvorming kan gezien de aard van de ontwikkeling en gezien de achtergrondbelasting worden gesteld dat het planvoornemen, indien er al sprake is van een toename van stof, geen bijdrage veroorzaakt die ervoor gaat zorgen dat de grenswaarden overschreden worden waardoor er in de omgeving van het nieuwe bedrijventerrein geen goed woon- en leefklimaat meer gegarandeerd kan worden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Dit besluit is om die reden niet op onderhavig plan van toepassing. Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
5.6
Externe veiligheid In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het beleid is
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
41
R17907.01.006/GPO
derhalve van toepassing. Desalniettemin is er een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c.
het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen, waarbij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan.
Voorbeelden van dergelijke objecten zijn woningen, ziekenhuizen, scholen, hotels en restaurants. Situatie plangebied Binnen een straal van 100 meter zijn geen BEVI-inrichtingen gelegen. De dichtstbijzijnde BEVIinrichting is de Boerenbond die ten noordwesten van de locatie is gelegen. Ter plaatse heeft de Boerenbond een opslaglocatie (bestrijdingsmiddelen e.d.). De PR 10-6-afstand bedraagt 0 meter. De andere inrichting op relatief korte afstand bedraagt de inrichting van Vissers Oliehandel Horst BV.
42
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
Dit betreft een tankstation waarvan de grens van de inrichting is gelegen op een afstand van ca. 150 van de zuidwestelijke grens van het plangebied. De afstand tot het LPG-vulpunt bedraagt ca. 225m. Omdat onderhavig planvoornemen voorziet in de omvorming van een agrarische bedrijfslocatie naar een kleinschalig bedrijventerrein en van een bedrijfswoning in een burgerwoning kan worden gesteld dat er geen sprake is van een forse toename van personen en daarmee van gevoeligheid. Tevens is het plaatsgevonden risico van de inrichting (vulpunt) 45 meter. Daarmee kan worden gesteld dat gezien de afstand tot het plangebied het plaatsgebonden risico geen rol speelt ten aanzien van onderhavig planvoornemen. Ten aanzien van het groepsrisico kan worden gesteld dat het aantal personen in de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande planologische situatie niet noemenswaardig zal toenemen. Daar komt bij dat het meest nabij gelegen bedrijfsgebouw met haar uitgang(en) zodanig is gesitueerd dat dit qua vluchtwegen het beste is. Ook is de bereikbaarheid van het bedrijventerrein met haar meerdere inritten erg goed. Kortom, gezien de afstand, inrichting en aard van het planvoornemen is een nadere afweging van het groepsrisico niet noodzakelijk.
Transportroutes gevaarlijke stoffen Op grond van de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen, paragraaf 5.2.3 hoeven er (in principe) geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Het plangebied bevindt zich op een afstand van ca. 400m van de transportroute/provinciale weg N562. Dit is ruim meer dan de gestelde 200 meter. Daarnaast is de locatie goed bereikbaar voor hulpdiensten en goed ontsloten op de openbare weg. Kortom, de N562 vormt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. Transportleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas.
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten: wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een kwetsbaar object niet toegestaan; wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is). Situatie plangebied inzake transportleidingen In de omgeving (binnen ca. 600 meter) van het plangebied bevinden zich geen transportleidingen. De op ca. 600m gelegen buisleiding van de Gasunie heeft een plaatsgevondenrisicocontour van 0 meter. Gezien de grote afstand behoeft het groepsrisico niet verder beschouwd te worden.
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
43
R17907.01.006/GPO
Conclusie externe veiligheid Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico’s in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Uitsnede Risicokaart Limburg met aanduiding plangebied
5.7
Archeologie
5.7.1 Archeologisch beleidskader Nationaal beleid De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007) is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De wet beoogt het archeologische erfgoed te beschermen. Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in- als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. Enkele van de uitgangspunten
44
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
van deze wet zijn: • Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als (duurzaam) behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is; • Vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen moeten in een vroegtijdige stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de bodem gaan verstoren en eventuele maatregelen om behoudenswaardige archeologische resten te beschermen door deze op te graven of in de bodem te behouden, tenzij deze niet zijn aangetroffen, of niet behoudenswaardig zijn gebleken. Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 (Mw), die deel uitmaakte van de Wamz, voor een deel opgegaan in de Erfgoedwet (Ew). Een ander deel blijft voorlopig van kracht en wordt later (2022?) opgenomen in de Omgevingswet (Ow) Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 (Mw), die deel uitmaakte van de Wamz, voor een deel opgegaan in de Erfgoedwet (Ew). Een ander deel blijft voorlopig van kracht en wordt later (2019?) opgenomen in de Omgevingswet (Ow). Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Peel en Maas heeft op basis van de Wamz een eigen archeologiebeleid opgesteld. Het Beleidsplan Archeologie gemeente Peel en Maas, is in 2011 door de raad vastgesteld.
In dit beleidsplan zijn beleidsregels en wensen ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed geformuleerd en maakt de gemeente duidelijk hoe waardevol het archeologisch erfgoed voor de identiteit van Peel en Maas is. De archeologische beleidskaart (versie 18, 2015) vormt de ruimtelijke verbeelding voor dit beleid. Op grond van deze beleidskaart heeft het onderhavige plangebied een archeologische verwachtingswaarde die wordt aangeduid in categorie 5. Binnen deze categorie is een vrijstelling opgenomen voor bodemingrepen tot 2.500 m2 oppervlak en/of niet dieper dan 40 cm onder maaiveld. Bij het overschrijden van beide ondergrenzen bij voorgenomen bodemingrepen, dient een archeologisch (voor)onderzoek plaatst te vinden.
5.7.2 Archeologische situatie Onderhavig planvoornemen voorziet in bouwactiviteiten. Ter plaatse van het voorziene bedrijventerrein is april 2017 door ArcheoPro een archeologisch bureau- en (verkennend) booronderzoek uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn door ArcheoPro vastgelegd in een rapport (zie Exaltus, R.P. / J. Orbons, 2017: Maasbreeseweg 55, Helden. Gemeente Peel en Maas. Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, Eijsden (ArcheoPro Archeologisch rapport 17036)). Namens de gemeente Peel en Maas is het archeologisch rapport getoetst door archeologisch adviesbureau ArchAeO BV (Beoordeling en Advies archeologisch onderzoeksrapport, d.d. 25-09-2017 en 31-10-2017). Op basis van de resultaten kan ingestemd worden met het advies om geen nader archeologisch onderzoek verplicht te stellen en om het plangebied voor wat betreft het aspect archeologie vrij te geven. De gemeente heeft het advies om het plangebied vrij te geven overgenomen, hetgeen wil
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
45
R17907.01.006/GPO
zeggen dat de dubbelbestemming Waarde archeologie 5 voor dit gebied kan komen te vervallen. Een ‘lage archeologische verwachting’ betekent evenwel niet dat bij de graafwerkzaamheden geen archeologische resten aan het licht kunnen komen. Deze dienen dan terstond te worden gemeld bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) of zoals gangbaarder is bij de gemeente Peel en Maas (Adviseur maatschappelijke ontwikkeling) conform Artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet die in werking is getreden op 1 juli 2016. Gelet op vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Peel en Maas met aanduiding plangebied
5.7.3 Cultuurhistorie Met betrekking tot het aspect cultuurhistorie kan vermeld worden dat er binnen het plangebied geen monumenten zijn gelegen. Voor het overige worden er geen cultuurhistorische waarden aangetast met onderhavig planvoornemen. Gesteld kan worden dat de voorgenomen bestemmingswijziging geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect cultuurhistorie.
46
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
5.8
Kabels en leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.
5.9
Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
5.9.1 Verkeersstructuur De verkeersstructuur zal als gevolg van onderhavig planvoornemen wijzigen. Het planvoornemen voorziet in een nieuwe ontsluitingsweg (een openbare weg die in eigendom en onderhoud blijft van initiatiefnemer). Deze ontsluitingsweg zal een verbinding vormen tussen de Maasbreeseweg en de straat Loo. Vanwege verkeersveiligheidsoogpunt zal er voor grootschalig vrachtverkeer (vrachtwagens vanaf 12m lengte) sprake zijn van eenrichtingsverkeer (alleen het plangebied inrijden en uitrijden via de straat Loo en dan Maasbreeseweg). Op deze wijze wordt voorkomen dat grootschalig vrachtverkeer de doorgaande Maasbreeseweg kan oprijden via twee kort van elkaar gelegen inritten/wegen. Voor het overige verkeer is er geen sprake van eenrichtingsverkeer. Door het feit dat er sprake is van een nieuwe weg die aan sluit op enerzijds de Maasbreeseweg en anderzijds de straat Loo, ontstaat er een ‘rondje’. Hierdoor is de locatie vanuit twee zijden bereikbaar waardoor de bereikbaarheid van de bedrijven gegarandeerd is. De Maasbreeseweg heeft een intensiteit van ca. 5.500mvt/dag (gegevens gemeente Peel en Maas 2021). Er is als gevolg van het planvoornemen sprake van een toename van ca. 400 mvt/dag. De afgerond 6.000mvt/dag hebben geen invloed op de capaciteit van de Maasbreeseweg. Mocht er sprake zijn van een toename van meer dan ca.
400 mvt/dag (bijvoorbeeld 50% meer) dan vormt dit gezien de capaciteit van de Maasbreeseweg ook geen belemmering. Ten aanzien van de omgeving wordt bij de noordoostelijke ontsluiting (aansluiting op de weg Loo) een specifieke fysieke verkeersvoorziening aangelegd. Om te voorkomen dat vrachtverkeer vanuit het nieuwe bedrijventerrein in noordelijke richting de weg Loo op rijdt, wordt er een zodanige bocht aangelegd dat dit vrachtverkeer alleen rechts in zuidelijke richting kan afdraaien richting de Maasbreeseweg. Dit is ook weergegeven in het landschapsplan dat hierboven en hieronder is afgebeeld.
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
47
R17907.01.006/GPO
Uitsnede landschapsplan met weergave verkeerstructuur
5.9.2 Parkeren Parkeren is voor onderhavig planvoornemen een aandachtspunt. Onderdeel van het planvoornemen is het realiseren van parkeerplaatsen (openbaar gebied) voor zowel bezoekers als eigenaren/gebruikers. Op de inrichtingstekening is duidelijk weergegeven waar de parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Tevens is er bij de noordelijke bedrijfskavel op het eigen terrein ruim voldoende ruimte om te parkeren. Er is voor onderhavige ontwikkeling uitgegaan van de normen van de gemeente Peel en Maas, zoals vastgelegd in het paraplu bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas’, vastgesteld op
48
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
19 juni 2018. In de gemeentelijke parkeernota zijn de volgende van belang zijnde parkeernormen opgenomen: - T.b.v. het bouwbedrijf: ‘bedrijf arbeidsextensief / bezoekers extensief per 100m2 bvo buiten de bebouwde kom 1,1 parkeerplaats; - T.b.v. het ‘grote’ bouwvlak: bedrijf arbeidsintensief / bezoekers extensief per 100m2 bvo buiten de bebouwde kom 2,4 parkeerplaatsen danwel bedrijfsverzamelgebouw per 100m2 bvo buiten de bebouwde kom 2,0 parkeerplaatsen - T.b.v. het ‘kleine’ bouwvlak: bedrijf arbeidsintensief / bezoekers extensief per 100m2 bvo buiten de bebouwde kom 2,4 parkeerplaatsen danwel bedrijfsverzamelgebouw per 100m2 bvo buiten de bebouwde kom 2,0 parkeerplaatsen. Er is in onderhavig geval een worst-case berekening gemaakt. Het bouwbedrijf is concreet aan de noordzijde van het plangebied. Maar om ook op dit deel worst-case te berekenen is voor alle drie de delen van het plangebied de norm van 2,4 parkeerplaatsen per 100m2 bvo aangehouden. In onderhavig geval is sprake van een drietal bouwvlakken. Het noordelijke bouwvlak heeft een bouwvlak van 25x50=1.250m2. het oostelijke bouwvlak heeft een oppervlakte van 40x35=1.400m2 en het westelijke bouwvlak heeft een oppervlakte van 3.325m2.
Dit betekent dat minimaal het volgende aantal parkeerplaatsen aanwezig moet zijn: - Bouwvlak noord: 12,5x2,4= 30 parkeerplaatsen; - Bouwvlak oost: 14x2,4= 34 parkeerplaatsen; - Bouwvlak west: 33,25x2,4 = 80 parkeerplaatsen. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied ruimte heeft voor ca. 170 parkeerplaatsen. Dit is ruim meer dan de hierboven berekende 144 parkeerplaatsen (145 is reeds worst-case). Tevens is er nog erf beschikbaar op het terrein voor nog extra parkeerplaatsen. Kortom, er is meer dan voldoende erf beschikbaar om in de parkeerbehoefte te voorzien op eigen terrein.
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
49
R17907.01.006/GPO
Plangebied met aanduiding beschikbaar erf t.b.v. parkeerdoeleinden
5.10 Waterhuishouding 5.10.1 Vierde Nota Waterhuishouding In de Vierde Nota Waterhuishouding (NW4) is aangegeven dat het waterbeheer in Nederland gericht moet zijn op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik gegarandeerd blijft. Voor wat betreft het buitengebied stelt de Vierde Nota dat met name aspecten als verdroging en beperking van emissies van bestrijdingsmiddelen van belang zijn. Waterkwaliteit staat daarmee in het buitengebied voorop. 5.10.2 Provinciaal beleid De provincie Limburg kent ook als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van
50
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. 5.10.3 Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen. Daartoe heeft het waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt.
Tot 2.000 m2 wordt de watertoets door de gemeente uitgevoerd en hoeven de stukken niet voor advies aan het waterschap te worden voorgelegd. Boven de 2.000 m2 wordt de watertoets na een eerste gemeentelijke toetsing aan het gemeentelijk beleid voor advies aan het waterschap voorgelegd. Aan de hand van het ‘meldformulier watertoets’ kunnen (ruimtelijke) plannen vervolgens voor advies worden voorgelegd aan het betreffende waterschap. Onderhavige planontwikkeling is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg. Op de kaarten van de gemeente Peel en Maas van het Waterschap Limburg blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een aandachtsgebied. Bij onderhavig plangebied is er sprake van de volgende nieuwe verhardingen: - Bestemmingsvlak 16.000m2 (totaal oppervlak nieuwe situatie) hiervan is 14.500m2 in de nieuwe situatie verhard, toename zal ca. 5.000m2 bedragen; De totale nieuwe oppervlakte verharding bedraagt ca. 1,45 ha. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet in de watertoets. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Peel en Maas. Ter plaatse van de Maasbreeseweg is drukriolering aanwezig. Hier kan op worden aangesloten met het vrijkomend afvalwater (géén hemelwater).
De maximaal te lozen hoeveelheid op dit riool bedraagt 1m3 per uur. In de als bijlage 1 bijgevoegde tekening is inzichtelijk gemaakt hoe het rioolstelsel wordt aangelegd. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
51
R17907.01.006/GPO
Hemelwater dakverhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe dakverharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd naar de nieuw aan te leggen infiltratievoorziening. Bij nieuwbouw dient minimaal 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient de hoeveelheid af te voeren hemelwater te worden berekend bij extreme buien van t=25 en t=100. Het verharde oppervlak (dak- en erfverhardingen) in de nieuwe situatie bedraagt ca. 1,45 ha. Het Waterschap Limburg, waar de gemeente Peel en Maas onder valt, stelt dat de infiltratievoorziening gedimensioneerd dient te worden op T=10 en T=100, met het aanbrengen van een noodoverlaat. De gevolgen van T=100 moeten in beeld worden gebracht en bij risico dienen er maatregelen te worden getroffen. Bij een bui van één keer per 10 jaar (T=10, dat wil zeggen dat er een neerslaghoeveelheid van 50 mm water valt) dient de capaciteit voor infiltratie die in de poel aanwezig is, afgerond (14.500 x 50) 725 m3 te bedragen. Bij een bui van één keer per 100 jaar (T=100, oftewel een neerslaghoeveelheid van 100 mm water) is een capaciteit van afgerond (14.500 x 100) 1.450 m3 benodigd.
Uitsnede infiltratievoorzieningen
De infiltratiegreppel wordt aan de noordzijde gerealiseerd. Deze heeft een lengte van ca. 200 meter.
52
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
De gemiddelde diepte bedraagt ca. 1m. De breedte bedraagt ca. 2m. Het talud wordt 1:1 Hierdoor kan in deze greppel ca. 200m3 aan water worden opgevangen. De inhoud van deze greppel die kan dienen als dynamische buffer bedraagt ca. 50m3 (uitgaande van een waakhoogte van 50cm onder de rand van de wadi). De capaciteit voor een T=100 bui bedraagt echter ca. 200m3 (dit vanwege het talud dat breed uitloopt). Gezien de diepte van de infiltratievoorziening (ca. 1,0 meter diep op diepste punt) en de diepte van de GHG (volgens Dino-loket in de omgeving ca. 2,50m beneden maaiveld) voldoet de voorziening aan de eisen. De initiatiefnemer heeft op het perceel de afgelopen 10 jaar in de verlagingen in het maaiveld (greppel) geen grondwater aangetroffen. De vorige gebruiker van het glastuinbouwbedrijf had achter de loods een waterbassin. Dit bassin had een diepte van ca. 1,5m. Waterbassins worden altijd aangelegd boven de GHG. Kortom, ook op basis hiervan kan worden gesteld dat het grondwater op voldoende diepte aanwezig is om de voorziene infiltratievoorzieningen op een goede wijze te kunnen laten functioneren. Daarnaast wordt onder de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg, de directe zone van enkele meters aan beide zijden van de weg en de parkeerplaatsen een grind(koffer)pakket aangelegd waar de bebouwing en direct aansluitende verharding op wordt aangesloten.
Het oppervlak van dit grindpakket bedraagt ca. 3.600m2. Dit levert bij een diepte van ca 0,80m (dus ruim boven de GHG) een capaciteit van 2.880m3 op. Het holle-ruimte percentage bedraagt ca. 40%. Hierdoor blijft er een netto capaciteit beschikbaar van ca. 1.152m3. Nadere gegevens aquaflowsysteem Bij waterbergende wegen wordt de wegfundatie zo opgebouwd dat deze dient als ondergrondse berging. De wegfundatie bestaat bij Aquaflow wegfundatie uit meervoudig gebroken hardsteen 8-32 mm met een grove open structuur. Na verdichting heeft deze wegfundatie een hoge porositeit van 40%. Bij waterberging in de weg zijn twee aspecten belangrijk, namelijk de mobiliteit van water en de draagkracht van de weg. Met dit systeem zijn beide aspecten gewaarborgd. Door de open structuur in de wegfundatie is het water volledig spanningsloos. Het water in de wegfundatie is daardoor mobiel en kan met 150 tot 200 meter/uur wegstromen. Boven op de wegfundatie komt een vlijlaag (hiertussen in wordt nog een filterdoek aangebracht), bestaande uit meervoudig gebroken hardsteen 2-6 mm. Deze vlijlaag dient op het werk opgemengd te worden met gewassen splitzand 0-2 mm in een verhouding 5:1. Boven de vlijlaag kan elk type bestrating worden aangebracht, zoals klinkers. Met het toepassen van traditionele bestrating hoeft er geen speciaal beheer te worden gehanteerd.
Traditionele bestrating is niet geschikt voor waterdoorlatende verharding. Het regenwater zal daarom over de bestrating afstromen richting de Aquaflow-kolken. Hiervoor kan elk type straatkolk worden toegepast. De straatkolk is niet aangesloten op een rioolstreng maar op een instroomunit. Deze instroomunit is omwikkeld met filterdoek waardoor zware metalen en koolwaterstoffen worden afgevangen. Het regenwater zal vanuit de instroomunit in de wegfundatie stromen. Bij het gebruik van traditionele bestrating hoeft daarom geen filterdoek tussen de wegfundatie en vlijlaag te worden aangebracht. In verband met het gemiddelde straatvuil kan er per kolk +/- 80 m² straatvlak worden aangesloten. Het regenwater van de aangrenzende gronden en bebouwing zal via eenzelfde instroomunit en buizenstelsel in de wegfundatie terecht komen. Deze hoeft echter niet uitgerust te worden met een filterdoek doordat het dakwater relatief schoon is.
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
53
R17907.01.006/GPO
Met deze drie infiltratievoorzieningen (greppel, weg en wadi) wordt het gehele plangebied geïnfiltreerd. Deze wadi heeft een oppervlak van ca. 168m2. De gemiddelde diepte bedraagt ca. 0,8m hetgeen een capaciteit van ca. 134m3 op zal leveren (gevuld tot de rand). De inhoud die gebruikt kan worden als dynamische buffer bedraagt ca. 37m3 (uitgaande van een waakhoogte van 50cm onder de rand van de wadi). De capaciteit voor een T=100 bui bedraagt echter ca. 134m3 (dit vanwege het talud dat breed uitloopt). In de greppel en wadi is samen een beschikbare capaciteit van ca. 334m3 aanwezig, daar komt nog ruim 1.152m3 bij van het aqualfow-systeem. Omdat er een aqauflowsysteem wordt aangelegd die zorgt voor infiltratie ter plaatse van de ontsluitingsweg, is er sprake van een aanzienlijke aanvullende capaciteit. Door de drie voorzieningen is er sprake van een grote infiltratiecapaciteit die voldoende is voor zowel de T=25 als de T=100 bui te kunnen bufferen en infiltreren op eigen gronden. In een infiltratievoorziening zonder een ondergrondse overloop op het oppervlaktewater, zoals hier het geval is, moet boven de infiltratievoorziening een dynamische buffer worden gerealiseerd die geschikt is om een bui van die éénmaal in de tien jaar voorkomt, een bui van 50 mm (T=10), te kunnen herbergen.
In onderhavig geval moet de capaciteit bij T=10 725m3 bedragen en bij T=100 moet de capaciteit 1.450m3 bedragen. Ter plekke van de voorzieningen is een dynamische buffer aanwezig met een waakhoogte van 0,50meter. Bij een bui van 100mm zullen de voorzieningen in zijn geheel gevuld zijn (rekening houdend dat er geen grondwater wordt geïnfiltreerd). Dit is voldoende om een bui van 50mm te kunnen infiltreren op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van de gemeente Peel en Maas. De T=100 bui (100mm) is een bui die valt gedurende een hele dag. Aangezien de bodemdoorlatendheid goed is (ca. 1m per dag, en ca. 0,5m per 12 uur), zal dit in de praktijk betekenen dat ook deze bui in zijn geheel kan worden opgevangen in de aanwezige infiltratievoorzieningen. Verder is er sprake van een grote hoeveelheid erf dat bestaat uit klinkers. Hier zal een gedeelte van deze buien ter plaatse infiltreren. Vanwege de ondiepe infiltratievoorzieningen (max. 1m diep) kan worden gesteld dat de grondwaterstand geen probleem oplevert bij infiltratie. Dit wordt ook bevestigd in het uitgevoerde infiltratierapport. Alleen voor infiltratie naar de diepere ondergrond dient eerst onderzoek te worden uitgevoerd naar de grondwaterstand. Dat is bij onderhavig planvoornemen niet aan de orde.
54
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 55 te Helden’ Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV
R17907.01.006/GPO
Uitsnede kaart bodemdoorlatendheid
Door de afdoende capaciteit van de bodem (de bodemdoorlatendheid is met 0,75 – 1,5 meter per dag ruim voldoende zo blijkt op basis van gegevens van het Waterschap Limburg) is infiltratie geen probleem. Tevens is uit een infiltratieonderzoek gebleken dat de bodemdoorlatendheid vrij goed tot goed (ca. 1,0m per dag) is (zie bijlage 8). Derhalve behoeft voor wateroverlast op de bouwkavel en de aangrenzende percelen van derden niet te worden gevreesd. Door het hemelwater van de nieuwe bebouwing en bijbehorende verharding niet te lozen op de riolering, wordt voldaan aan de norm dat bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak dient te worden afgekoppeld. Opvang schoon hemelwater In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat geen water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.