CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-016 09 Toelichting bijlage 5 Archeologisch onderzoek.pdf

Commissie 7 maart 2023, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “bestemmingsplan aanpassing Baarloseweg 45b, Helden” (2023-016)14.613 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rapport 16224.001 versie 2

Pagina 14 van 20

Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 36 De exacte locatie van de boringen (x-, y- en zwaarden) is vastgelegd met behulp van dGPS. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. In het gehele plangebied is matig fijn zwak tot matig siltig (de laatste onderin drie boringen aan de noordwestzijde van het plangebied) zand aangetroffen. Doordat aan de noordwestzijde van het plangebied (langs de kassen) het maaiveld verlaagd was (zie bijlage 8) ontbrak hier de in het plangebied verwachtte hoge zwarte enkeerdgrond. Bij boring 1 is zelfs geen bouwvoor aanwezig en bij boring 2 is die slechts 10 centimeter dik. Bij boringen 3 en 4 is de bouwvoor nog 40 centimeter dik. Bij boring 1 bestond de bovenste 40 cm uit geroerd bruinrood zand met hieronder rechtstreeks de C-horizont. Bij boringen 2 en 3 zit onder de bouwvoor een geroerde laag van 20 en 15 centimeter dik en bij boring drie bestaat het geroerde pakket uit twee lagen die bij elkaar 50 cm dik zijn. Onder de geroerde lagen ligt direct de C-horizont. Boringen 5 tot en met 7 en 11 tot en met 14 zijn gezet op een akker waarop aardappelen worden geteeld was (zie bijlage 8). Hier is wel een hoge enkeerdgrond vastgesteld die door recente ploegactiviteiten redelijk homogeen van opbouw was, plaatselijk was onderin een iets lichtere laag aanwezig, en plaatselijk puin en plastic bevatten.

Bij boringen 5, 6, 11, 12, en 13 is onder de enkeerdgrond een geroerde laag vastgesteld waarbij de C-horizont als gevolg van ploegwerkzaamheden vermengd is geraakt met de bovenliggende enkeerdgrond. De dikte van deze laag varieert van 5 tot 25 centimeter waarbij opvallend is dat daar waar de enkeerdgrond dunner is (bij boring 5) de geroerde laag dikker is. Onder de geroerde lag ligt direct de C-horizont. Bij boringen 7 en 14 ontbreekt de geroerde laag en ligt gelijk onder de enkeerdgrond de C-horizont. Boringen 15 en 16 zijn gezet op een braakliggend terrein ten zuiden van het huidige containerveld. Bij boring 15 ligt de 75 centimeter dikke enkeerdgrond gelijk op de C-horizont terwijl bij boring 16 onder de 60 centimeter dikke enkeerdgrond een 15 centimeter dikke geroerde laag ligt met hieronder de Chorizont. Boringen 8 en 10 zijn aan beide zijden van het containerveld (zie bijlage 8) gezet en bij beide boringen is onder een 90 centimeter dikke enkeerdgrond gelijk de C-horizont aangetroffen. Tenslotte zijn er nog twee profielputje gegraven. Profielput 17 op de akker en profielput 18 op het braakliggende terrein ten zuiden van het containerveld (zie figuur 10 en bijlage 7).

36

Bosch, 2005.

Rapport 16224.001 versie 2

Pagina 15 van 20

Bij profielput 17 is in de enkeerdgrond een tweedeling vastgesteld die in de boringen niet of nauwelijks zichtbaar was; de onderste 10 centimeter was wat lichter van kleur. Hieronder ligt een 5 centimeter dikke geroerde laag op de C-horizont. Profielput 18 komt que bodemopbouw overeen met omheen liggende boringen 14 en 15, met een 80 centimeter dikke enkeerdgrond gelijk op de C-horizont. Het aangetroffen bodemprofiel komt gedeeltelijk overeen met het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 2.5), alleen in het noordwestelijk deel van het plangebied ontbreekt de hoge enkeerdgrond. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied geen intacte bodems meer aangetroffen. Overal was sprake van A-C profielen, een E- en een B-horizont zijn nergens aangetroffen. Bij een aantal boringen, 1 tot en met 6 en 11 tot en met 13 en profielputje 17, is onder de hoge enkeerdgrond nog een geroerde laag aangetroffen en bij de andere boringen, 7 tot en met 10 en 14 tot en met 16 en profielputje 18, is gelijk sprake van de C-horizont onder de hoge enkeerdgrond. Uit de boorresultaten valt af te leiden dat de bodem in het plangebied is verstoord. De vraag is echter of de bodem dermate verstoord is dat er geen behoudenswaardige archeologische waarden meer in het plangebied te verwachtten zijn. De verstoringen zijn van die mate dat behoudenswaardige resten van jagers en verzammelaars, (vuursteenstrooiingen zullen (indien aanwezig) zijn verstoord) niet meer te verwachten zijn. Nederzettingssporen vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen zullen aangetast maar mogelijk nog wel aanwezig, alleen in het noordwestelijk deel van het plangebied worden ze niet meer verwacht. Resten uit de Nieuwe tijd, uitgezonderd diepe sporen, zullen verploegd zijn.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid bovenop een dekzandrug bedekt met een hoge enkeerdgrond de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat met uitzondering in het afgegraven deel van het plangebied onder de hoge enkeerdgronden nog archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, weliswaar aangetast door recente ploegactiviteiten maar niet in die mate dat er geen archeologische waarden meer te verwachten zijn. Behoudenswaardige resten van jagers en verzamelaars en uit de Nieuwe tijd worden niet meer verwacht. Nederzettingssporen vanaf het Neolithicum tot en met de

Rapport 16224.001 versie 2

Pagina 16 van 20

Middeleeuwen kunnen mogelijk nog wel aanwezig zijn. Alleen in het noordwestelijk deel van het plangebied, in het afgegraven deel langs de kassen, worden ze niet meer verwacht (zie figuur 11). In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht (zie figuur 11), adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt en er, afgezien van de funderingen, niet dieper ontgraven wordt dan 40 cm onder het huidige maaiveld zodat er minimaal een 30 centimeter dikke beschermende laag tussen de onderkant verstoring en archeologisch niveau gehandhaafd blijft. Het toegestane verstoringsoppervlak ten behoeve van de funderingen dient door de gemeente bepaald te worden. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Aangezien verwacht wordt dat alleen een sporenniveau zonder vondstlaag aanwezig is, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.

Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Peel en Maas). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in het dit advies vrijgegeven deel van het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 37).

37 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.

Rapport 16224.001 versie 2

Pagina 17 van 20

LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berkmortel, B.J.H.M., J.H.F. Leuvering & D. Hagens 2014: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek, Baarloseweg te Helden. Synthegra Rapport S110010. Valkenswaard. Boots, G.J. & M. Stiekema, 2013: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Baarloseweg 34a te Helden in de gemeente Peel en Maas. Econsultancyrapport P&M.PIJ.ARC 11020123. Swalmen Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C.

Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1972: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 58 West. Sueur, C. & K.M. van Dijk, 2015: Gemeente Peel en Maas, Actualisatie Archeologische overzichts- en verwachtingskaart. ACVU-HBS/Buro de Brug bv/The Missing Link. Verhoeven, M., G.R. Ellenkamp & M. Janssens, 2009: Een archeologische verwachtings- en beleids advieskaart voor de gemeenten Weert en Nederweert. Deelrapport II: Landschap en archeologie (RAAP-Rapport 1877). Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000.

Rapport 16224.001 versie 2

Pagina 18 van 20

Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 16224.001 versie 2

Pagina 19 van 20

BRONNEN AEZEL; internetsite, augutus 2021. https://aezel.eu/ontdekken/geografie/minuutplans?pos=15.734,6.111723,51.308878 AHN; internetsite, augustus 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, augustus 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, augustus 2021. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemloket, internetsite, augustus 2021. http://www.bodemloket.nl Dinoloket; internetsite, augustus 2021. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, augustus 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, augustus 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Ondergrondportaal, internetsite, augustus 2021. https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, augustus 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, augustus 2021. https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, augustus 2021. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, augustus 2021. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, augustus 2021. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, augustus 2021.

http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

Rapport 16224.001 versie 2

Pagina 20 van 20

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland38

38 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied39

39 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied40

40 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart 41

41

Sueur & Van Dijk, 2015.

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 42

42

Wageningen Environmental Research, 2017.

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 43

43

AHN

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart44

44

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 45

45

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 16224.001 versie 2

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Situatie 1803-1820 (bron: Beeldbank Vrije Universiteit)

Situatie 1811-1832 (bron: Aezel)

Situatie 1895/1897 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1924/1926 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1936 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1955 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Baarloseweg 45B te Helden. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 16224.001 versie 2

Situatie 1979 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1988 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1999 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 2011 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Baarloseweg 45B te Helden. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 10. Boorpunten- en profielputtenkaart

Rapport 16224.001 versie 2

Figuur 11. Advieskaart

Rapport 16224.001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 16224.001 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 16224.001 versie 2

Bijlage 2 AMK nr. 16707

AMK-terreinen

Locatie

Datering

Waarde en omschrijving

100 meter ten noordwesten van het plangebied Baarloseweg; Onder-Eindt te Panningen Gemeente Peel en Maas Coördinaat: 198921/371111

Middeleeuwen laat Nieuwe tijd

Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Het gaat om de oude bebouwing van Onder-Eindt. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19de-eeuwse en vroeg 20steeeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.

Rapport 16224.001 versie 2

Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 4647313100

Onderzoeksmeldingen

Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

Plangebied ligt er in te Baarlo Gemeente Peel en Maas Coördinaat: 199513/371444

Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Antea Group Archeologie Datum: 5-11-2018 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 20-1-2011 Resultaat: Geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Geen toetsing ontvangen, maar het plan is vastgesteld. Daarom wordt het rapport als definitief beschouwd Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 28-3-2011 Resultaat: Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de algemene archeologische verwachting in het gebied geclassificeerd als middelhoog tot hoog. Voor het Mesolithicum is de verwachting hoog door de ligging van het plangebied op een dekzandrug in de nabijheid van drink- en viswater. Voor het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting omdat het plangebied landschappelijke gezien redelijk gunstig is voor landbouwers. Omdat het plangebied naast een oude dorpskern is gelegen, is de archeologische verwachting voor de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd middelhoog. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 6-4-2011 Resultaat: Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat zich op het hele plangebied een esdek bevindt van minimaal 90 cm dik. Hieronder is op één boring na geen verstoring aangetroffen.

Dit houdt in dat de archeologische waarden uit het bureauonderzoek in het plangebied onveranderd blijven. In het hele plangebied kunnen dus archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden met een middelhoge tot hoge verwachting. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven voor de uitvoering van de huidige plannen, mits de verstoringsdiepte van de vloeren de grens van 60 cm onder maaiveld niet overschrijdt. Het esdek heeft een dikte van 90 cm en als de bodemingrepen 30 cm boven deze grens blijven, worden er geen archeologische waarden verstoord. De verstoringsdiepte van de bebouwing in het plangebied is 1,2 m ter plaatse van de poeren en 45 cm ter plaatse van de vloer. De oppervlakte van de poeren ten opzichte van het plangebied is minder dan 4% en kan als een minimale verstoring beschouwd worden.

2313670100 (44672)

345 meter ten noordwesten van het plangebied Baarloseweg te Helden Gemeente Peel en Maas Coördinaat: 199494/371272

2323366100 (45939)

345 meter ten westen van het plangebied te Helden Gemeente Peel en Maas Coördinaat: 199348/371027

2323374100 (45942)

345 meter ten westen van het plangebied Helden - Baarloseweg 34A te Helden Gemeente Peel en Maas Coördinaat: 199348/371027

Rapport 16224.001 versie 2

Bijlage 4

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 16224.001 versie 2

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.

De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-

Rapport 16224.001 versie 2

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 16224.001 versie 2

Bijlage 5

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 16224.001 versie 2

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 16224.001 versie 2

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 16224.001 versie 2

Bijlage 6

Rapport 16224.001 versie 2

Boorprofielen

Rapport 16224.001 versie 2

Rapport 16224.001 versie 2

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

Rapport 16224.001 versie 2

Bijlage 7 Profielput 17

Rapport 16224.001 versie 2

Profielputjes

Profielput 18

Rapport 16224.001 versie 2

Bijlage 8

Foto’s locatie

Situatie plangebied ter hoogte boringen 1 t/m 4.

Situatie plangebied ter hoogte boringen 5 t/m 7 en 11 t/m 14.

Rapport 16224.001 versie 2

Situatie niet te onderzoeken deel plangebied.

Rapport 16224.001 versie 2

Rapport 16224.001 versie 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=b3bff5e5-c191-476f-9425-1d24a8148c4a