2023-016 09 Toelichting bijlage 5 Archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK BAARLOSEWEG 45B TE HELDEN GEMEENTE PEEL EN MAAS
archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Baarloseweg 45B te Helden Opdrachtgever
Leenders Plants Baarloseweg 45B 5988 NP Helden
Rapportnummer
16224.001
Versienummer1
2
Datum
Vestiging
9 september 2022
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
16224.001
Toponiem
Baarloseweg 45B
Opdrachtgever
Leenders Plants
Gemeente
Peel en Maas
Plaats
Helden
Provincie
Limburg
Kadastrale gegevens
Peel en Maas, sectie W nummers 500 (ged.) & 831 (ged.)
Omvang plangebied
circa 2 hectare
Kaartblad
58 B (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 199.835/Y: 370.953
Bevoegde overheid
Gemeente Peel en Maas Wilhelminaplein 1 5981 CC Panningen Postbus 7088 5980 AB Panningen
Deskundige namens de bevoegde overheid
ArchAeO Rapelenburglaan 9 5654 AP Eindhoven T: 040 – 2519270 E: advies@arcaeo.nl
ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
5107774100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg
Uitvoerders
Econsultancy,
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Leenders Plants in augustus-september 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Baarloseweg 45B te Helden in de gemeente Peel en Maas. In het plangebied zullen een kas en een containerveld worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog tot hoog. Het plangebied ligt 200 meter van een laagte die mogelijk een nat gebied vormde. De afstand is redelijk groot tot deze laagte maar het kan niet uitgesloten worden dat jagers en verzamelaars in het plangebied een tijdelijk kampement hebben gehad. De archeologische verwachting voor de perioden Paleolithicum en Mesolithicum is daarom middelhoog. De ligging van het plangebied op een dekzandrug met een goede natuurlijke ontwatering maakt het plangebied geschikt voor landbouwsamenlevingen.
De archeologische verwachting voor de perioden Neolithicum-Middeleeuwen is daarom hoog. Uitgaande van historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf in ieder geval het eerste kwart van de 19e eeuw midden op een groot akkercomplex ligt, in de eerste helft van de 20e eeuw is het tijdelijk bos. De verwachting voor de Nieuwe tijd is dien ten gevolgen middelhoog, de kans op nederzettingsresten worden niet hoog geacht. Mogelijk dat er sporen zijn van agrarisch gebruik. Resultaten inventariserend veldonderzoek Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied geen intacte bodems meer aangetroffen. Overal was sprake van A-C profielen, een E- en een B-horizont zijn nergens aangetroffen. Bij een aantal boringen, 1 tot en met 6 en 11 tot en met 13 en profielputje 17, is onder de hoge enkeerdgrond nog een geroerde laag aangetroffen en bij de andere boringen, 7 tot en met 10 en 14 tot en met 16 en profielputje 18, is gelijk sprake van de C-horizont onder de hoge enkeerdgrond. Uit de boorresultaten valt af te leiden dat de bodem in het plangebied is verstoord. De vraag is echter of de bodem dermate ver-
Rapport 16224.001 versie 2
stoord is dat er geen behoudenswaardige archeologische waarden meer in het plangebied te verwachten zijn. De verstoringen zijn van die mate dat behoudenswaardige resten van jagers en verzamelaars (vuursteenstrooiingen zullen (indien aanwezig) zijn verstoord) niet meer te verwachten zijn. Nederzettingssporen vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen zullen zijn aangetast maar zijn mogelijk nog wel aanwezig. Alleen in het noordwestelijk deel van het plangebied worden ze niet meer verwacht. Resten uit de Nieuwe tijd, uitgezonderd diepe sporen, zullen verploegd zijn. Conclusie De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat met uitzondering in het afgegraven deel van het plangebied onder de hoge enkeerdgronden nog archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, weliswaar aangetast door recente ploegactiviteiten maar niet in die mate dat er geen archeologische waarden meer te verwachten zijn. Behoudenswaardige resten van jagers en verzamelaars en uit de Nieuwe tijd worden niet meer verwacht. Nederzettingssporen vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen kunnen mogelijk nog wel aanwezig zijn. Alleen in het noordwestelijk deel van het plangebied, in het afgegraven deel langs de kassen, worden ze niet meer verwacht (zie figuur 11).
Advies In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht (zie figuur 11), adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt en er, afgezien van de funderingen, niet dieper ontgraven wordt dan 40 cm onder het huidige maaiveld zodat er minimaal een 30 centimeter dikke beschermende laag tussen de onderkant verstoring en archeologisch niveau gehandhaafd blijft. Het toegestane verstoringsoppervlak ten behoeve van de funderingen dient door de gemeente bepaald te worden. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Peel en Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in het dit advies vrijgegeven deel van het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 16224.001 versie 2
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 13
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 18 BRONNEN .......................................................................................................................................... 20
Rapport 16224.001 versie 2
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpunten- en profielputtenkaart Advieskaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen Profielputjes Foto’s locatie
Rapport 16224.001 versie 2
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Leenders Plants een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Baarloseweg 45B te Helden in de gemeente Peel en Maas (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft is voornemens om bestemmingsplan te wijzigen om bouw kas en aanleg containerveld mogelijk te maken. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in augustus-september 2021 door . Het rapport is gecontroleerd door
2
.
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: 3
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
SIKB.
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 1 van 20
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Peel en Maas; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 2 hectare, ligt aan de Baarloseweg 45B, ongeveer twee kilometer ten oosten van de kern van Helden in de gemeente Peel en Maas (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte tussen de 30 en 31,5 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Peel en Maas, sectie W nummers 500 (ged.) & 831 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, 58 B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 199.835/Y: 370.953. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als tuinbouwlocatie en akkerland (zie figuur 3).
De eigenaar/gebruiker is de opdrachtgever. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. 4
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 2 van 20
Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas (vastgesteld 24-122014). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde – Archeologie - 6. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld. 5 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Peel en Maas. Volgens deze kaart (Figuur 4) ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting (waarde 4). 6 Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied een verwijzing opgeleverd naar de website Ondegrondportaal van de provincie Limburg.7 Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Ondergrondportaal geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd.8 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied zijn een kas en een containerveld gepland. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa twee hectare opnieuw worden ingericht. Het exacte oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de plannen is nog onbekend. De toekomstige gebruiker wordt de opdrachtgever. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie9
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden
Geomorfologie10
Dekzandrug
5
Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Sueur & Van Dijk, 2015. 7 Bodemloket 8 Ondergrondportaal. 9 Mulder et al., 2003. 10 Wageningen Environmental Research, 2017. 6
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 3 van 20
Bodemkunde11
Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand
Grondwatertrap
VII
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich op fluvioperiglaciale afzettingen bestaande uit leem en zand met een zanddek van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Op 100 meter afstand ten zuiden van het plangebied bevinden zich stuifzanden bestaande uit afzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Kootwijk. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd. 12 Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. 13 Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. 14 Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden.
De dekzandruggen zijn gevormd in het Laat-Glaciaal (12.300-10.200 jaar geleden) doordat koude en minder koude perioden zich afwisselden. Hierdoor vonden er nieuwe zandverstuivingen plaats die voornamelijk in ruggen en duinen werden afgezet. Deze ‘Jonge dekzanden’ zijn herkenbaar als goed gesorteerde, weinig gelaagde afzettingen. Mogelijk heeft er in een warmere periode (het Allerød-interstadiaal) bodemvorming plaatsgevonden, die als een grijs tussenlaagje te herkennen is. 15 DINO16 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket is één boring bestudeerd.17 Hieruit blijkt dat de ondergrond zo’n 300 meter ten noordoosten van het plangebied uit een 4,7 meter dik pakket zand dat toegeschreven wordt aan de Formatie van Boxtel met hieronder oudere Maasafzettingen behorende tot de Formatie van Beegden.
Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dekzandrug, met oud bouwlanddek, die hoofdzakelijk is ontstaan door eolische processen (zie figuur 5).
11
Stichting voor Bodemkartering, 1972. Mulder et al., 2003. 13 Berendsen, 2008. 14 Mulder et al., 2003. 15 Verhoeven, Ellenkamp & Janssens, 2009. 16 Dinoloket. 17 DINO boornummer B58E0099. 12
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 4 van 20
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)18 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een hogere rug met ten zuiden stuifduinen van het Laagpakket van Kootwijk. Ten noorden van het plangebied ligt een laagte waarin heden ten dagen de Kwistbeek stroomt (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zie figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten.
Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.19 Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG).
Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling20
Tabel II. Grondwater-
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
18
AHN. Doesburg et al., 2007. 20 Locher & De Bakker, 1990. 19
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 5 van 20
trap GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).21 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden.
Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 22 AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied23
21
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Provinciaal Omgevingsplan Limburg. 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 6 van 20
De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (zie bijlage 2 en figuur 8). Het AMK-terrein betreft de oude bebouwing van Onder-Eindt, een terrein met bewoningssporen die terug kunnen gaan tot de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied24 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vier archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om twee bureauonderzoeken en twee booronderzoeken; verkennend en karterend (zie bijlage 3 en figuur 8). Van één bureauonderzoek dat een groot gebied omvat waar het huidige plangebied in ligt staan de resultaten niet vermeld in Archis. Van de andere drie onderzoeken worden de resultaten in de paragraaf hieronder besproken.
Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn de in Archis beschikbare publicaties geraadpleegd van de eerder uitgevoerde onderzoeken in het onderzoeksgebied. Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden en er is geen contact gezocht met de provinciaal depot van Limburg, aangezien verwacht werd dat deze acties voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Voor een plangebied 345 meter ten noordwesten van het huidige plangebied heeft Synthegra in 2011 een archeologisch bureauonderzoek en een karterend booronderzoek uitgevoerd (OM-nummer 2313670100 (44672)).25 Op basis van het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Het plangebied ligt op een hooggelegen veenkoloniale ontginningsvlakte op de overgang tussen een hoger gelegen dekzandrug in het zuiden naar het lager gelegen beekdal van de Kwistbeek. Op grond van de ouderdom van de dekzandafzettingen worden binnen het plangebied archeologische resten verwacht vanaf het Laat-Paleolithicum. Het plangebied ligt relatief hoog op een overgang van een dekzandrug in het zuiden naar het beekdal van de Kwistbeek in het noorden. Vanwege de relatief hoge ligging en de nabijheid van open water is het plangebied een gunstige vestigingsplaats voor jager-verzamelaars.
De ligging van het plangebied in een veenkoloniale ontginningsvlakte is echter een aanwijzing dat het plangebied mogelijk bedekt was met veen en later is ontgonnen. Door de ontginning is de kans groot dat eventuele vuursteenvindplaatsen onder het veen zijn verstoord. Daarom wordt ondanks de gunstige landschappelijke ligging een lage verwachting toegekend voor het aantreffen van archeologische waarden uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Mesolithicum. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden in de nabijheid van water. Het plangebied ligt echter in een veenontginningsvlakte wat wijst op bedekking met veen. Het veen heeft zich in de loop van het Holoceen uitgebreid en heeft waarschijnlijk het plangebied bedekt vanaf het Neolithicum. Door de veenbedekking was het plangebied een ongustige nederzettingslocatie. Daarom wordt aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor nederzettingsresten vanaf het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Het plangebied maakt deel uit van het straatdorp Onder-Eindt dat stamt uit het jaar 1844 en bestond uit de twee afzonderlijke lintbebouwingskernen Onder en Eindt. 24 25
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Berkmortel e.a., 2014.
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 7 van 20
Onder wordt in de tweede helft van de 15e eeuw vermeld als Onroy, wat wijst naar een nederzetting bij de in ontginning genomen woeste grond. Het is aannemelijk dat het plangebied in dezelfde periode is ontgonnen. Het plangebied is op 19e- en 20e-eeuwse historische kaarten onbebouwd. Vanwege de ligging tegen de historische kern van Onder-Eindt en de middeleeuwse ontginning van het gebied is het niet uitgesloten dat er in de Late-Middeleeuwen en het begin van de Nieuwe tijd wel bebouwing aanwezig was. Derhalve wordt aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor archeologische resten uit de periode Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Tijdens het karterend booronderzoek is in het plangebied geen enkeerdgrond aangetroffen en ook geen begraven podzolgrond. Aangenomen wordt dat de podzolgrond als gevolg van de ontginning is verstoord. Aangezien de bodem is verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan. Daarnaast zijn geen indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats. De lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum kan daarom gehandhaafd blijven. Het plangebied is in gebruik als aspergeveld wat gepaard gaat met diepe verstoringen.
Tijdens het booronderzoek is in de boringen de top van de Chorizont verstoord aangetroffen (verrommelde laag) Daarnaast zijn tijdens het booronderzoek geen archeologische resten of indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid een vindplaats uit de perioden Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Daarom blijft de lage verwachting om archeologische waarden uit deze perioden in het plangebied gehandhaafd. De middelhoge verwachting voor het aan treffen van archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd kan voor het plangebied om dezelfde redenen naar laag worden bijgesteld. Voor een plangebied 345 meter ten westen van het huidige plangebied heeft Econsultancy in 2011 een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd (OM-nummer 2323366100 (45939)).26 Op grond van het bureauonderzoek is er een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Uit de landschappelijke ligging, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars. Het gebied ligt op een dekzandrug en in de nabijheid van de lager gelegen natte gebieden. Het gebied is daarom aantrekkelijk voor jagers-verzamelaars omdat het terrein gelegen is in deze gradiëntzone. Het plangebied bevindt zich op de flank van een dekzandrug en zal daarom voor landbouwers een redelijke vestigingsplaats kunnen zijn.
De verwachting voor bewoning uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen is daarom middelhoog. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een archeologisch monument betreffende de oude bebouwing uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd van Onder-Eindt. Clusters van oude bebouwing worden als de wortels van de huidige steden en dorpen beschouwd. Ook wordt er bebouwing uit de Vroege- en VolleMiddeleeuwen verwacht buiten deze gebieden. Het plangebied ligt aan de rand van deze oude bebouwing en valt volgens de gemeentelijke beleidsadvieskaart in een zone van middelhoge verwachting. Bij het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat in het gehele plangebied de bodem bestaat uit een esdek, bestaande uit matig fijn zand, die tussen de 95 en 100 centimer dik is. Direct daaronder bevindt zich in de meeste gevallen de C horizont, bestaande uit matig fijn zand van afzettingen van de Formatie van Boxtel. In één boring is een verstoorde laag van 10 cm onder het esdek aangetroffen. Aangezien de verstoring in het plangebied minimaal is, blijft de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek onveranderd. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied27 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied en het onderzoeksgebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd.
De dichtstbijzijnde vondst ligt op 1,2 kilometer van het plangebied vandaan (zie figuur 8). Het ontbreken van vondstmeldingen zal deels toe te schrijven zijn aan het ontbreken van gravende onderzoeken in het onderzoeksgebied. 26 27
Boots & Stiekema, 2013. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 8 van 20
2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Helden en Onder-Eindt In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. De wegenstructuur van Helden heeft een spinvorm met veel vertakkingen waaraan meerdere gehuchten, zoals Onder en Eindt liggen. Het grondgebied van de voormalige gemeente Helden is al heel vroeg bewoond geweest, getuige de prehistorische vondsten uit onder meer de Bronstijd en IJzertijd. Staatkundig behoorde de heerlijkheid Helden tot 1279 bij het graafschap Kessel dat zich uitstrekte van Venray tot aan het dorp Kessel. In dat jaar werd het overgedragen aan graaf Reinald I van Gelre.
Hierdoor werd het een Gelders leen en ging het deel uitmaken van het Ambt van Kessel dat het juridische en bestuurlijke district was van het Overkwartier van Gelre. Vanaf 1543 ging het Gelderse Overkwartier, en dus ook de heerlijkheid Helden, toebehoren aan de Spaanse Habsburgers als hertogen van Gelre. Dit werd bekrachtigd middels het Verdrag van Venlo. In de 18 e eeuw werd de voormalige gemeente Helden in kaart gebracht om zodoende de koninklijke tiendrechten vast te stellen. Daarnaast werd veel ‘woeste grond’ (veen) ontgonnen, de handel en nijverheid werd bevorderd en een tal van nieuwe verordeningen werden gepresenteerd. De eerste vermelding van het straatdorp Onder-Eindt stamt uit het jaar 1844 en bestond uit de twee afzonderlijke lintbebouwingskernen Onder en Eindt. Het straatdorp groeide later aan elkaar. De afzonderlijke gehuchten kennen echter een oudere oorsprong. De eerste vermelding van Onder vinden we terug in de tweede helft van de 15e eeuw als Onroy. Het betreft een rode-naam dat verwijst naar een ‘ontginning of rooiing van een bos’ en heeft de betekenis van een nederzetting bij de in ontginning genomen woeste grond. De uitgang rode is een echte ontginningsnaam en stamt uit de Hoge Middeleeuwen (9e – 14e eeuw). Op de Tranchotkaart uit circa 1803-1820 is duidelijk de lintbebouwing van Eindt te zien aan de huidige Baarloseweg.
Het gebied ten noorden van de bebouwingskern bestaat grotendeels uit drassige hooilanden (beemd) en is deels ontgonnen en in gebruik als bouwland of weiland. Het gebied ten zuiden van de bebouwingskern is in gebruik als bouwland.28
28
Berkmortel e.a., 2014.
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 9 van 20
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Tranchot und v. Müffling kaart29
1803-1820
37
1:20.000
Akkerland
Akkerland, ten noordwesten licht het gehucht Eindt ten zuiden zijn de zandduinen zichtbaar die niet ontgonnen zijn.
Kadastrale minuut30
1811-1832
Gemeente Helden, Sectie C, Blad 03
1:2.500
Verschillende percelen bouwland met verschillende eigenaren.
Geen grootschalige veranderingen.
Militaire topografische kaart31 (nettekening)
1850-1864
58 Roermond
1:50.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderingen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1895/1897
711/712
1:50.000
Agrarisch perceel met aan de oostzijde een perceelgreppel
Geen grootschalige veranderingen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1905
711/712
1:50.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderingen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1924/1926
712/711
1:50.000
Grotendeels bos, met aan de noordzijde een weg, klein deel nog akker.
Deels bos deels akker doorsneden door wegen.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1936
711/712
1:50.000
Grotendeels bos, klein deel aan de oostzijde akker.
Deels bos deels akker.
Topografische kaart
1955
58B
1:25.000
Geheel akker, doorsneden door perceelsgrenzen.
Grotendeels akker.
Topografische kaart
1958
58B
1:25.000
Geheel akker
Grotendeels akker.
Topografische kaart
1967
58B
1:25.000
Geen veranderingen.
Geen grootschalige veranderingen.
Topografische kaart
1979
58B
1:25.000
Westelijke strook grasland en akker met bomen (waarschijnlijk boomgaard of kwekerij), rest akkerland.
Akkerland en grasland.
Topografische kaart
1988
58B
1:25.000
Geheel akker
Akkerland en boomgaard of kwekerij
Topografische kaart
1999
58B
1:25.000
Geheel akker
Direct ten noorden staat bebouwing (die er heden ten dagen nog staat).
Topografische kaart
2011
58B
1:25.000
Noordwestelijk deel grasland met bomen, rest akker
Bebouwing direct ten noorden uitgebreid.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het plangebied sinds het eerste kwart van de 19e eeuw tot in het begin van de 20e eeuw in gebruik als akkerland en ligt het midden in een groot akkergebied (zie figuur 9). Tussen 1905 en 1924/1926 is het plangebied grotendeels beplant met bos, met een klein stuk in gebruik als akker. Ook in de omgeving zij delen akkerland omgezet in bos. Tussen 1936 en 1955 is dit bos verdwenen en is het plangebied weer geheel in gebruik als akkerland. Ook in de omgeving zij delen bos weer omgezet naar akkerland. Tussen 1967 29
Beeldbank Vrije Universiteit Aezel. 31 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 30
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 10 van 20
en 1979 zijn in het westelijk deel van het plangebied bomen geplant die op de kaart uit 1988 weer zijn verdwenen. Vanaf 1988 tot 1999 is het geheel in gebruik als akker, direct ten noorden van het plangebied staat bebouwing. Op de kaart uit 2011 is het noordwestelijk deel in gebruik als grasland met bomen. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als MIP monumenten. Bouwhistorische gegevens Aangezien op de luchtfoto aan de oostzijde van het plangebied een constructie leek te staan zijn bij de gemeente Peel en Maas bouwdossiers opgevraagd (contactpersoon de heer R. Janssen. Er waren alleen bouwdossiers over de bebouwing ten noorden van het plangebied en niet in het plangebied. Voor de constructie in het plangebied, een containerveld met kratten met daar tussen paden, is dus geen bouwvergunning aangevraagd aangezien die niet noodzakelijk was. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 32 Uit deze bronnen blijkt in de buurt van Helden twee vliegtuigen zijn neergestort: op 28 oktober 1944 een geallieerde Mitchell bomenwerper en op 1 januari 1945 een Duits vliegtuig, waarschijnlijk een Focke Wulf.
Van beide vliegtuigen is de bemanning om het leven gekomen. Daarnaast zijn aan de Baarloseweg een aantal explosieven geruimd. Voor een groot gebied, waar het plangebied in gelegen is, is door Bombs Away in 2019 een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn niet bekend. Deze gegevens geven geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn maar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten zijn niet uit te sluiten maar wordt klein geacht. Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Helden, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen,
Onder het antropogeen eerddek en in
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 32
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 11 van 20
grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Nieuwe tijd
Middeloog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging bovenop een dekzandrug zo’n 200 meter ten noorden van een laagte waardoor heden ten dagen een beek stroomt, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, bewoning van de nederzetting Onder-Eindt. Binnen het plangebied en het onderzoeksgebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. De dichtstbijzijnde vondst ligt op 1,2 kilometer van het plangebied vandaan. Het ontbreken van vondstmeldingen zal deels toe te schrijven zijn aan het ontbreken van gravende onderzoeken in het onderzoeksgebied. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels.
Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.33 Het plangebied ligt 200 meter van een laagte die mogelijk een nat gebied vormde. De afstand is redelijk groot tot deze laagte maar het kan niet uitgesloten worden
33
Louwe Kooijmans et al., 2005.
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 12 van 20
dat jagers en verzamelaars in het plangebied een tijdelijk kampement hebben gehad. De archeologische verwachting voor de periode Paleolithicum en Mesolithicum is daarom middelhoog. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.34 De ligging van het plangebied op een dekzandrug met een goede natuurlijke ontwatering maakt het plangebied geschikt voor landbouwsamenlevingen. De archeologische verwachting voor de periode Neolithicum-Middeleeuwen is daarom hoog. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 35 Uitgaande van historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf in ieder geval het eerst kwart van de 19e eeuw midden op een groot akkercomplex ligt, in de eerste helft van de 20e eeuw is het tijdelijk bos.
De verwachting voor de Nieuwe tijd is dien ten gevolgen middelhoog, de kans op nederzettingsresten worden niet hoog geacht. Mogelijk dat er sporen zijn van agrarisch gebruik. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog tot hoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn.
De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akker, grasland en bos en wordt nu deels gebruikt voor plantenteelt. Door ploegen en plant- en rooiwerkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog tot hoog. Het plangebied ligt 200 meter van een laagte die mogelijk een nat gebied vormde. De afstand is redelijk groot tot deze laagte maar het kan 34 35
Louwe Kooijmans et al., 2005. Renes, 1999.
Rapport 16224.001 versie 2
Pagina 13 van 20
niet uitgesloten worden dat jagers en verzamelaars in het plangebied een tijdelijk kampement hebben gehad. De archeologische verwachting voor de periode Paleolithicum en Mesolithicum is daarom middelhoog. De ligging van het plangebied op een dekzandrug met een goede natuurlijke ontwatering maakt het plangebied geschikt voor landbouwsamenlevingen. De archeologische verwachting voor de periode Neolithicum-Middeleeuwen is daarom hoog. Uitgaande van historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf in ieder geval de eerst kwart van de 19 e eeuw midden op een groot akkercomplex ligt, in de eerste helft van de 20e eeuw is het tijdelijk bos. De verwachting voor de Nieuwe tijd is dien ten gevolgen middelhoog, de kans op nederzettingsresten worden niet hoog geacht. Mogelijk dat er sporen zijn van agrarisch gebruik. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek met profielputjes. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel.
Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 26 augustus 2021 door een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Tijdens het veldwerk bleek dat een deel van het plangebied niet toegankelijk was al gevolg van de inrichting van een containerveld met paden van stelconplaten met hier tussen kratten met jonge plantjes op worteldoek (zie figuur 10 en bijlage 8). In dit deel van het plangebied zullen geen nieuwe bodemingrepen plaats vinden. Hierdoor is één boring vervallen (nummer 9) en zijn twee boringen verplaatst (boring 8 en 10). Er is in drie raaien geboord/gegraven met een afstand van 40 meter tussen de raaien en een afstand van 30 meter tussen de boringen/profielputjes. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen en het graven van de profielputjes is rekening gehouden met de aanwezige gewassen en verhardingen.
In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 16 boringen tot maximaal 1,2 meter -mv gezet en daarnaast zijn er handmatig twee profielputjes gegraven tot maximaal 1 m -mv (zie figuur 10 en bijlage 7). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische