CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-006 07 Toelichting Bestemmingsplan Houwenberg 5-5b Grashoek.pdf

Raad 31 januari 2023, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Houwenberg 5 – 5b Grashoek”, wijziging bestemming Agrarisch - Intensieve veehouderij naar Recreatie – Verblijfsrecreatie (2023-006)13.800 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Onderhavig planvoornemen behelst het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een verblijfsrecreatief bedrijf. Voor een dergelijk bedrijf geldt op basis van indicatieve bedrijvenlijst van de VNG een richtafstand van 30 meter voor geur, 0 meter voor stof, 50 meter voor geluid en 30 meter voor gevaar. Daarnaast wordt op basis van de planregels ook ondergeschikte dagrecreatie en horeca toegestaan, enkel voor zover als nevenactiviteit en ten dienste van de verblijfsrecreatieve functie. De belasting vanuit de recreatieve functie zal dan ook te allen tijde meer bepalend zijn dan die van de toegestane nevenactiviteiten. Derhalve wordt getoetst aan de richtafstanden behorende bij een verblijfsrecreatief bedrijf. Binnen een straal van 30 c.q. 50 meter rondom het plangebied is enkel de woning aan de Houwenberg 5A gelegen. Hiervoor geldt echter dat de werkelijke afstand tussen de vakantieappartementen en de woning aan de Houwenberg 5A meer dan 50 meter zal bedragen, namelijk minimaal circa 80 meter. Deze afstand zal geborgd worden door het aanbrengen van een functieaanduiding ‘recreatiewoning’ ter plaatse van de vakantieappartementen. Verder bedraagt de richtafstand voor geluid van een varkenshouderij 50 m. Dat betekent dat de geluidcontour dus even groot blijft.

Daarmee kan gemotiveerd worden dat de geluidbelasting ter plaatse van de woning aan de Houwenberg 5A ten hoogste gelijk blijft. Ondanks dat niet voldaan kan worden aan de richtafstanden zal door onderhavig initiatief evengoed sprake zijn van een acceptabele akoestische situatie ter plaatse van omliggende woningen. In bijlage 4 bij deze toelichting is een nadere motivatie ten aanzien van het aspect geluid opgenomen. Ook daaruit blijkt dat gesproken kan worden van een aanvaardbare ontwikkeling. Er kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering de andere bedrijven geen beperkingen opleveren voor onderhavig planvoornemen. Anderzijds worden door de bestemmingswijziging deze andere bedrijven en nabijgelegen woningen niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt. 5.1.2 Milieueffectrapportage Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig.

Het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een verblijfsrecreatief bedrijf met vijf vakantieappartementen is niet opgenomen op de C-lijst of Dlijst van het Besluit.

24

5.1.3 Geluid Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidsgevoelige objecten (zoals bijvoorbeeld woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van een weg, spoor of gezoneerd industrieterrein akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling behelst de herbestemming van een voormalige intensieve veehouderij. Met dit planvoornemen worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Het aantal woningen binnen het plangebied neemt door onderhavig initiatief niet toe, de reeds aanwezige bedrijfswoning blijft behouden. Reeds bij de bouw van de woning dient gemotiveerd te worden dat sprake is van een acceptabele akoestische situatie. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet benodigd. Milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van een nieuwe functie in de omgeving plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG. Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met milieuaspecten als geur-, stof en gevaarhinder, maar ook voor wat betreft geluidhinder. In paragraaf 5.1.1 is de toetsing aan alle richtafstanden beschreven. Hieruit blijkt dat aan alle richtafstanden voldaan kan worden.

Conclusie Het aspect geluid vormt derhalve geen beperking voor onderhavig initiatief. 5.1.4 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties Onderhavig initiatief behelst het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een verblijfsrecreatief bedrijf.

Vervoersbewegingen met vrachtwagens en tractoren ten behoeve van vervoer van voer, mest en dieren van en naar de locatie maken plaats voor vervoersbewegingen met auto’s en busjes van gasten van de vakantieappartementen. Het aantal vervoersbewegingen met auto’s en busjes van en naar de locatie zal qua absolute aantallen naar verwachting hoger liggen dan het vrachtverkeer van en naar de locatie ten behoeve

25

van de intensieve veehouderij in de huidige situatie. De bijdrage van vrachtwagens op de luchtkwaliteit is echter vele malen groter dan die van een auto of busje. Daarnaast komen de emissies van geur, ammoniak en fijnstof afkomstig van het houden van dieren volledig te vervallen. Derhalve kan gesteld worden dat de bijdrage van de vakantieappartementen op de luchtkwaliteit ten opzichte van een intensieve veehouderij NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 11 µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 18 µg/m³ en de concentratie NO2 16 µg/m³.

In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 5.1.5 Bodem en grondwaterkwaliteit In het kader van een wijziging van de bestemming van het bestemmings- en bouwvlak dient in het geval er in de boogde situatie sprake is van een meer milieugevoelige situatie te worden beoordeeld of de uiteindelijke bodemkwaliteit binnen het plangebied uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aan zekere kwaliteitsnormen voldoet om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gewerkt. In dit geval wordt de bestemming omgezet van “Agrarisch – Intensieve veehouderij” naar “Recreatie Verblijfsrecreatie”. Ter plaatse is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. Gezien de resultaten uit het vooronderzoek mag worden verondersteld dat het niet waarschijnlijk is dat er verontreiniging heeft plaatsgevonden op de onderzoekslocatie. Het aspect bodem vormt daarmee geen beperkende factor voor onderhavig plan. 5.1.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid.

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn voorts regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

26

De normen voor het risico dat burgers mogen lopen als gevolg van een ongeval met transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd.

Zoals al aangegeven is, wordt getoetst aan een plaatsgebonden- en een groepsrisiconorm die bepalen wat de maximale kans op dodelijke slachtoffers mag zijn in geval van een incident. Deze normen hebben het karakter van grenswaarden (zijnde het maximaal toelaatbaar risico) en richtwaarden in het milieubeleid. Voor ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het invloedsgebied van de risicovolle activiteit geldt een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico. Deze verantwoordingsplicht geldt ongeacht of normen worden overschreden. Uitgangspunt voor het beleid is dat burgers voor de veiligheid in hun woonomgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico): er mogen zich dus geen kwetsbare bestemmingen bevinden binnen de zone van het maximaal toelaatbaar risico. De kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers (groepsrisico) moet expliciet worden afgewogen en verantwoord. Binnen een straal van 1.000 meter rondom het bedrijf zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen (www.risicokaart.nl). Wat dat betreft vormt het aspect plaatsgebonden risico geen beperking voor onderhavig initiatief. Vanwege de grote afstand tot risicovolle inrichtingen en objecten is een verantwoording in het kader van het groepsrisico ook niet aan de orde. Het aspect externe veiligheid is derhalve geen beperking voor onderhavig initiatief.

5.1.7 Geurhinder en veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het exclusieve toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd). Individueel effect Een individuele berekening van de effecten van geur op omliggende woningen is niet aan de orde. In de beoogde situatie worden geen dieren meer gehouden waarbij de geurbelasting ter plaatse van woningen berekend dient te worden.

27

Voorgrondbelasting Een berekening ten aanzien van de voorgrondbelasting is voor onderhavig initiatief niet aan de orde. Op basis van de Wgv geldt een vaste afstand van ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen gelegen. Daarmee worden omliggende bedrijven dan ook niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Zie ook de toetsing in paragraaf 5.1.1. Daarmee is de ontwikkeling op basis van de voorgrondbelasting van geur aanvaardbaar. Cumulatieve effecten Onder de achtergrondbelasting verstaan we de geurbelasting als gevolg van de veelheid aan veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. In afbeelding 8 is een uitsnede weergegeven uit kaart ‘Achtergrondbelasting geur scenario 1 juli 2021’ uit de ‘Herijking & Monitoring beleid IV’. Uit deze kaart blijkt dat het leefklimaat ter plaatse van het plangebied ten aanzien van geurhinder beoordeeld wordt als redelijk goed. Daarbij is nog rekening gehouden met de geuremissie van de ter plaatse aanwezige intensieve veehouderij. Na het staken van de intensieve veehouderij zal de geurbelasting ter plaatse van het plangebied aansluiten bij die van de directe omgeving. Op basis daarvan lijkt deze in de categorie ‘Redelijk goed’ te blijven of naar ‘Goed’ te gaan.

Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling.

Afbeelding 8. Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelasting geur scenario 1 juli 2021’ uit de ‘Herijking & Monitoring beleid IV’

Conclusie Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat er zowel individueel als cumulatief sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die voldoet aan de geurregelgeving.

28

5.2 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van desbetreffende leiding gewaarborgd. Een dergelijke dubbelbestemming ontbreekt in de omgeving van het plangebied in de vigerende bestemmingsplannen. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Eveneens zijn er geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.3 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1 Flora en fauna De Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Dat betekent dat o.a. opzettelijke verstoring niet is toegestaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten. Komen soorten van de beschermingsregimes voor dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op deze beschermde soorten. Treden er effecten op dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantingsen/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen. Onderhavig initiatief behelst het omschakelen van een intensieve veehouderij naar een verblijfsrecreatief bedrijf.

Daarbij vindt geen sloop van bebouwing plaats en wordt ook geen nieuwe bebouwing opgericht. De enige bouwactiviteiten betreffen het renoveren van de bestaande bebouwing, waarvan het saneren van het asbestdak inmiddels al gereed is. Bij de verdere, hoofdzakelijk inpandige, renovatie van de gebouwen valt het niet te verwachten dat (verblijfsplaatsen van) beschermde dieren/of plantensoorten verloren gaan. Om eventuele gevolgen voor beschermde dier- en/of plantensoorten inzichtelijk te maken is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 6. Deze quickscan is uitgevoerd door het IVN uit Helden. Deze partij voert regelmatig quickscans uit binnen de gemeente Peel en Maas en heeft geen verdere relatie met initiatiefnemer. Derhalve wordt deze partij onafhankelijk en ter zake deskundig geacht. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er geen bijzonderheden aangetroffen zijn. Voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient echter wel het bepaalde in de natuurwetgeving in acht te worden genomen, hetgeen in dit geval goed mogelijk is. Overtredingen ten aanzien van broedvogels kunnen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Verder dient te allen tijde de algemene zorgplicht uit de Wet Natuurbescherming in acht te worden genomen.

Daarmee zal een overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van het verstoren van vaste rust- en verblijfplaatsen niet aan de orde zijn.

29

5.3.2 Natura2000 De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet regelt aanwijzing, beheer en bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura2000-gebied. Binnen een straal van 10 kilometer rondom het plangebied zijn twee Natura2000-gebieden gelegen te weten de Deurnsche Peel & Mariapeel op circa 2,7 kilometer afstand en de Groote Peel op circa 6,4 kilometer afstand. De WABO-vergunning voor het houden van de varkens zal volledig worden ingetrokken. Daarna zal voor de gewijzigde situatie een nieuwe melding activiteitenbesluit worden ingediend waarbij de nieuwe activiteiten gemeld zullen worden. Het bedrijf is in de beoogde situatie namelijk niet langer vergunningplichtig, maar meldingsplichtig. De Wnb-vergunning hoeft niet te worden ingetrokken, daar in de beoogde situatie nog hobbymatig wat kleinvee gehouden zal worden. Door het houden van kleinvee is en blijft er sprake van een vergunningplichtige activiteit. Daarbij zal rekening gehouden worden met de beleidsregels intern en extern salderen van de Provincie Limburg. Bij het enkel houden van wat kleinvee zal de ammoniakemissie vanuit de planlocatie aanzienlijk dalen. Derhalve kan gesteld worden dat er in de nieuw beoogde situatie geen negatieve effecten op Natura2000-gebieden te verwachten zijn.

De belasting in de vorm van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden is in de huidige situatie vele malen groter dan deze in de nieuw beoogde situatie zal zijn. Het aspect Natura2000-gebieden vormt dan ook beperking voor onderhavig initiatief.

5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;

30

▪ ▪

duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. 5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte varieert tussen 34,7 en 35,2 meter. De originele bodem bestaat volgens de digitale bodemkaart van Nederland uit veldpodzol- en vorstvaaggronden, die beiden hoofdzakelijk zijn opgebouwd uit zwaklemig fijn zand. Ter plaatse geldt grondwatertrap VI/VII. Bij grondwatertrap VI bevindt de hoogste grondwaterstand zich tussen de 40-80 centimeter beneden maaiveld en de laagste grondwaterstand op meer dan 120 centimeter beneden maaiveld. Bij grondwatertrap VII bevindt de hoogste grondwaterstand zich tussen de 80-140 centimeter beneden maaiveld en de laagste grondwaterstand op meer dan 120 centimeter beneden maaiveld. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het plangebied een redelijke tot goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75 tot 1,50 m/dag in het zuidelijke deel van het plangebied en 0,45 tot 0,75 m/dag in het noordelijke deel van het plangebied. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich op circa 1,0 tot 1,4 meter beneden maaiveld volgens de GHG kaart van het Nieuw Limburgs Peil.

Voor de berekening van de capaciteit van de infiltratievoorziening zal veiligheidshalve gerekend worden met 1,0 meter beneden maaiveld. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook in de directe nabijheid van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater / riolering Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. 5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig planvoornemen wordt een bestaande intensieve veehouderij omgeschakeld naar een verblijfsrecreatief bedrijf. Daarbij wordt de bestaande bebouwing gehandhaafd en volledig gerenoveerd. Er is geen sprake van het oprichten van nieuwe bebouwing, waardoor het plan uit waterhuishoudkundig oogpunt niet relevant is. Ten overvloede wordt vermeld dat initiatiefnemer het hemelwater dat valt op de voormalig bedrijfsgebouwen volledig afkoppelt. In een van de stallen zal een gedeelte van de voormalig mestkelder gehandhaafd worden en dienen als waterbuffer. Deze buffer wordt tijdens een regenbui gevuld en kan later gebruikt worden om bijvoorbeeld de tuin mee te beregenen. Zodra de buffer vol is, wordt het overtollige regenwater naar een wadi geleid.

Voor de locatie van de wadi wordt verwezen naar het landschappelijke inpassingplan, zoals in bijlage 2. Mocht ook deze poel te klein blijken dan kan het water uitlopen op de omliggende weide en aldaar infiltreren. Op die manier wordt geen hemelwater afgewenteld op de omgeving. Daarmee wordt voldaan aan de hemelwater verordening voor het

31

buitengebied aangezien er geen hemelwater van de bedrijfsgebouwen (daar waar de ontwikkeling plaatsvindt) op het riool geloosd wordt. In de beoogde situatie wordt de totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing gemaximeerd op 1.830 m2. Nieuwe erfverharding zal naar verwachting minimaal zijn en anders aangelegd worden als halfverharding of onder afschot zodat hemelwater automatisch kan infiltreren via de halfverharding of op omliggende, in eigendom zijnde, gronden. Op basis van normen van het Waterschap Limburg dient minimaal 100 mm/m2 aan hemelwater op eigen terrein te kunnen infiltreren dan wel opgeslagen te worden. Dat komt neer op een totaal benodigde bergings- c.q. infiltratiecapaciteit van 183 m3. De voormalige mestkelder welke als waterbuffer zal dienen heeft een inhoud van 375 m 3. Op basis daarvan kan de minimale bergingscapaciteit al volledig ingevuld worden met de voormalige mestkelder. Ten overvloede kan dan de wadi nog gebruikt worden mocht de voormalig mestkelder dan vol zijn met hemelwater. De inhoud van de wadi zal ruim genoeg aangelegd worden zodat geen hemelwater op de omgeving afgewenteld zal worden, daarvoor is meer dan voldoende ruimte aanwezig op terrein. De afmetingen van de wadi zullen ongeveer 12 bij 20 meter bedragen. De effectieve diepte 1 meter. Daarmee komt de inhoud van de wadi uit op circa 200 m3.

Ook daarmee kan dus de volledige benodigde bergingscapaciteit ingevuld worden. De wadi zal gesitueerd in het zuidelijke deel van het plangebied waar een goede bodemdoorlatendheid geldt van 0,75 tot 1,50 m/dag. Met voornoemde maatregelen kan ruimschoots voldaan worden aan de vereiste bergings- en infiltratiecapaciteit. Waterkwaliteit Ten aanzien van de waterkwaliteit zijn er een aantal aspecten om in acht te nemen: ▪ af te koppelen dakoppervlakken mogen niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen. ▪ af te koppelen verhardingen (wegen, parkeervoorzieningen en stoepen) kunnen verontreinigingen bevatten. Door tussenkomst van olie- / slibafscheidende kolken, of een voldoende brede bermpassage dient de kwaliteit van het afgevoerde hemelwater te worden gewaarborgd. ▪ Aanvrager draagt er zorg voor dat het erf wordt schoongehouden zodat er geen afvalstoffen in het water terecht kunnen komen. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van de nieuwe vakantieappartementen zal op eigen terrein in een daarvoor bestemde opvangput opgevangen worden. Vanuit deze opvangput zal het afvalwater, via de reeds aanwezige rioolaansluiting, op het gemeentelijk riool geloosd worden. De opvangput zal tevens als controlepunt functioneren.

Een nieuwe rioolaansluiting maken is niet zinvol en ook niet wenselijk, daar de aansluiting van de woning Houwenberg 5 zich reeds aan het einde van het gemeentelijk drukriool bevindt. In totaal worden maximaal 24 slaapplaatsen gerealiseerd. Per persoon wordt een norm van 110 liter afvalwater per dag gehanteerd. Daarmee wordt per dag in totaal 2.640 liter afvalwater geproduceerd. Het eigen huishouden bestaat uit 5 personen. Derhalve wordt gerekend met 4 m3 afvalwater per dag (29 personen x 110 liter = 3.190 liter dus met 4 m3 wordt ruim geteld). Er van uitgaande dat dit afvalwater verdeeld over circa 12 uur per dag ‘geproduceerd’ wordt en het afvalwater eerst in een opvangput opgevangen wordt en van daaruit gedoseerd op het gemeentelijke riool geloosd zal worden, zal het maximum van 1 m3/uur niet overschreden worden. Hemelwater zal op eigen terrein opgevangen en geïnfiltreerd worden zoals eerder in deze paragraaf reeds gemotiveerd.

32

5.5 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische waarde, waarde – archeologie 4. In een dit gebied geldt een onderzoeksplicht indien een oppervlakte van meer dan 250 m2 dieper dan 40 centimeter verstoord wordt. Onderhavig planvoornemen behelst enkel een functiewijziging waarbij bestaande bebouwing gerenoveerd wordt. Het planvoornemen behelst geen realisatie van nieuwe bebouwing. Het aspect archeologie vormt dan ook geen beperking voor onderhavig initiatief.

Afbeelding 9. Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart

Voor wat betreft cultuurhistorie geldt dat op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg geen cultuurhistorisch waardevolle objecten in of in de directe nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Met onderhavig planvoornemen gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt daarmee geen beperking voor onderhavig initiatief.

33

5.6 Verkeer en parkeren Het projectgebied ligt aan de Houwenberg zijnde een ontsluitingsweg in het buitengebied. Deze weg ontsluit in noordoostelijke richting via de Pastoor Vullinghsstraat, de Lorbaan en daarna de N275 (Sevenumsedijk) op de N277 (Midden Peelweg) en de A67. Daarmee is de locatie relatief goed ontsloten. De ruimtelijke ontwikkeling zal niet leiden tot een significant aantal extra verkeersbewegingen. Vervoersbewegingen met vrachtwagens en tractoren maken plaats voor vervoersbewegingen met auto’s en busjes. Onder andere de transporten van voer, dieren en mest komen in de toekomstige situatie te vervallen. Daarvoor in de plaats komen vervoersbewegingen van gasten van en naar de vakantieappartementen met auto’s en busjes. Parkeren en laden en lossen vindt, net zoals in de huidige situatie, plaats binnen de begrenzing van het plangebied. Conform de Nota Parkeernormen van de gemeente Peel en Maas geldt voor een bedrijfswoning buiten de bebouwde kom een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning, voor een vakantieappartement geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per appartement (norm per kamer voor bed en breakfast). De twee parkeerplaatsen voor de woning zijn in de huidige situatie reeds aanwezig in de garage aan de woning. Voor de vakantieappartementen worden minimaal 2 parkeerplaatsen per appartement gerealiseerd.

Daarvoor worden 6 parkeervakken gerealiseerd in de bestaande open veldschuur (overdekt parkeren) en 6 plaatsen rondom de aan te leggen bloementuin/plaats. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de Nota parkeernormen. Daarnaast wordt op basis van de planregels ook ondergeschikte dagrecreatie en horeca toegestaan, enkel voor zover als nevenactiviteit en ten dienste van de verblijfsrecreatieve functie. Dat wil zeggen dat enkel de verblijfsrecreatieve gasten hiervan gebruik kunnen en zullen maken. Dat leidt dus niet tot extra verkeersbewegingen en ook zijn geen extra parkeerplaatsen benodigd.

34

6. JURIDISCHE ASPECTEN In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit bestemmingsplan juridisch is vertaald. In het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” heeft de locatie de bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’. Deze bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Recreatie Verblijfsrecreatie’. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bestemmings- en bouwvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van de vormverandering van het bouwvlak. Na vaststelling van het bestemmingsplan zal initiatiefnemer het plan verder uitwerken in de vorm van een aanvraag in het kader van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) voor het onderdeel bouwen. Daarnaast zal een melding in het kader van het Activiteitenbesluit worden ingediend voor de gewijzigde situatie.

6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemmingen voor de gronden gelden. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Voor de gronden kunnen meerdere tekens gelden, dit betreffen aanduidingen of dubbelbestemmingen. De aanduidingen betreffen in dit geval gebruiks-, gebieds- of maatvoeringsaanduidingen. Als een aanduiding of dubbelbestemming is opgenomen zijn daarvoor in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welke gebied het bestemmingsplan betrekking heeft. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. Op de analoge verbeelding wordt door middel van bouwvlakken en matrices specifieke informatie weergegeven.

6.2 Toelichting op de planregels Dezelfde regels als uit het vigerende bestemmingsplan zijn voor de bestemmingen ‘Recreatie Verblijfsrecreatie’ en ‘Agrarisch’ van toepassing.

35

7. UITVOERBAARHEID, INSPRAAK EN PROCEDURE

7.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten verbonden aan de realisering van dit project zijn geheel voor rekening van initiatiefnemer. Via de gemeentelijke legesverordening worden voor dit plan leges in rekening gebracht. Middels een planschadeovereenkomst wordt een eventuele planschadeclaim afgewikkeld op initiatiefnemer. Voor de gemeente Peel & Maas zal de ontwikkeling kostenneutraal verlopen.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingswijziging moeten Burgemeester en Wethouders overleg plegen met het waterschap, andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met betrokken rijks- en provinciale diensten. Van dit vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 7.2.1 Inspraakprocedure Het bestemmingsplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure. 7.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het plan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de Provincie Limburg. De provincie heeft op 14 juni 2022 per mail de vooroverlegreactie gestuurd. Deze is hieronder weergegeven met cursief weergegeven de motivatie c.q. aanpassingen naar aanleiding van deze vooroverlegreactie. Op 24 mei 2022 heeft u het voorontwerpbestemmingsplan Houwenbergweg 5-5a, Grashoek aan mij aangeboden. Dit bestemmingsplan voorziet in een herziening van een intensieve agrarische bestemming naar een recreatieve bestemming met 5 recreatieve verblijfseenheden voor in totaal 24 personen. Doelgroep betreft personen met een zorgbehoefte. Het voornemen is conform de Omgevingsverordening c.q. de bestuursafspraken regionaal afgestemd. Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen.

In de vigerende Omgevingsverordening 2014 is het plangebied gelegen in het landelijke gebied en niet gelegen in een beschermde natuur- of landschapszone. In de door Provinciale Staten vastgestelde Omgevingsverordening 2021 kennen de gronden de aanduiding ‘Buitengebied’. De beoordeling van het initiatief geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. De planstukken leiden tot de volgende opmerkingen: 1. Paragraaf 5.3.2 van de toelichting gaat onder meer in op de stikstofdepositie. Ik verzoek u deze paragraaf te verduidelijken en nader te motiveren. Hierin stelt u onder meer dat de Wnbvergunning hoeft niet te worden ingetrokken. In paragraaf 3.4 wordt opgetekend dat door de initiatiefnemer een verzoek wordt ingediend om de vergunning voor het houden van dieren in te trekken. Ik acht het onwenselijk dat bij een omschakeling naar een volwaardige recreatieve bestemming, nog vergunningen gericht op bedrijfsmatige agrarische activiteiten van kracht blijven. In paragraaf 5.3.2 is gemotiveerd dat de WABO-vergunning ingetrokken wordt en voor de nieuwe situatie een melding Activiteitenbesluit ingediend zal worden. Het bedrijf is in de

36

beoogde situatie namelijk niet langer vergunningplichtig, maar meldingsplichtig. Om die reden wordt de WABO-vergunning ingetrokken. Binnen de Wet Natuurbescherming is er enkel sprake van vergunningplicht of geen vergunningplicht. Door het houden van kleinvee is en blijft er sprake van een vergunningplichtige activiteit. Derhalve kan de Wnb-vergunning niet ingetrokken worden. Ook kan de Wnb-vergunning niet gewijzigd worden daar er sprake is van intern salderen en activiteiten op basis van intern salderen volgens de huidige rechtspraak niet vergunningplichtig zijn. 2. De natuurtoets is verricht door IVN Afdeling Helden. Ik verzoek u in het plan te vermelden dat u de IVN in deze onafhankelijk en ter zake deskundig acht. Tevens verzoek ik u in de toelichting en bij correspondentie met de initiatiefnemer te vermelden dat hij/zij zicht dient te houden aan de algemene zorgplicht vanuit de Wet Natuurbescherming. Beide verzoeken zijn tekstueel verwerkt in deze toelichting in paragraaf 5.3.1. 3. Het bestemmingsplan kent in artikel 4.2.3 een oppervlaktemaat voor alle bedrijfsbebouwing. Ter verbetering van het plan adviseren we u om ook een oppervlaktemaat voor een recreatiewoning op te nemen. Er is geen oppervlaktemaat opgenomen voor de recreatiewoning. Op de verbeelding is een functieaanduiding ‘recreatiewoning’ opgenomen.

Daarmee is geborgd dat de oppervlakte van de recreatiewoningen nooit groter kan worden dan de oppervlakte van het perceel waar deze functieaanduiding is opgenomen. Deze functieaanduiding is gelegen ter plaatse van het meest noordelijk gelegen gebouw, ofwel het gebouw wat getransformeerd zal worden naar de 5 recreatiewoningen. Het is daarmee dan ook niet zinvol om daarvoor nog een extra maximum oppervlaktemaat op te nemen. 7.2.3 In gesprek met Peel en Maas Initiatiefnemer heeft de hieronder genoemde omwonenden van de locatie persoonlijk op de hoogte gesteld van het planvoornemen. Het gaat hierbij om de eigenaren van de volgende locaties: Houwenberg 4-4A, 5A en 6 en de Kapelweg 14 7.2.4 Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 28 september 2022 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingebracht.

7.3 Procedure In het kader van de procedure ex artikel 3.1 Wro dient de procedure genoemd in afdeling 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht gevolgd te worden. De procedure ziet er als volgt uit: • • • • •

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, 6 weken na vaststelling;

37

• •

Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=942411da-f162-49ae-b11f-e2fd738f4f37