CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-005 06 Toelichting Zelen 27 Panningen.pdf

Raad 31 januari 2023, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Zelen 27 te Panningen”, wijziging bestemming Agrarisch - Intensieve veehouderij naar Wonen en Agrarisch (2023-005)16.722 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zelen 32 Zelen 23 Zelen 17 Eemsestraat 2 Zelen 16-18 Linderweg 8

30

Bestemming

Richtafstand in meters (op basis van gemengd gebied) Agrarisch grondgebonden 50 Agrarisch grondgebonden 50 Agrarisch grondgebonden, 30 rundvee uitgesloten Agrarisch grondgebonden 50 Agrarisch IV 100 Agrarisch glastuinbouw 10

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

afstand in meters bestemmingsvlak Zelen 27 - bestemmingsvlak adres 11 43 190 105 150 160

Eemsestraat 8 Agrarisch glastuinbouw 10 160 Zelen 34 Wonen 0 Bedrijventerrein Bedrijventerrein 50 315 Kennedylaan Er wordt op alle locaties aan de richtafstand voldaan behalve Zelen 32 en Zelen 23. Hierboven is reeds ingegaan op de locaties Zelen 32 en Zelen 23. Conclusie: Milieuzonering en geur vormen geen belemmering voor het omzetten van Zelen 27 naar 'Wonen'.

5.4.3 Zelen ong. Agrarische grondgebonden bedrijven in de omgeving In de directe omgeving bevinden zich de volgende agrarische bedrijven: - Grondgebonden agrarisch bedrijf op Zelen 32. - Grondgebonden agrarisch bedrijf op Zelen 23. - Grondgebonden agrarisch bedrijf op Eemsestraat 2. - Grondgebonden agrarisch bedrijf, rundvee uitgesloten, op Zelen 17. Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, melkveehouderij (m.u.v. nr. 17) of een paardenhouderij. Voor een akkerbouwbedrijf (akkerbouw en fruitteelt) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: - geur: 10 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 0 meter; - stof: 10 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 0 meter; - geluid: 30 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 10 meter; - gevaar: 10 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 0 meter. Voor een melkveehouderij (fokken en houden van rundvee) moeten de volgende richtafstanden worden aangehouden: - geur: 100 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 50 meter; - stof: 30 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 10 meter; - geluid: 30 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 10 meter; - gevaar: 0 m.

Wet geurhinder en veehouderij Conform de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt voor het aspect geur buiten de bebouwde kom een vaste afstand van tenminste 50 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en een gevoelig object (woning) als in het dierenverblijf dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Hieronder valt melkrundvee, jongvee, maar ook paarden. De afstand tussen gevel dierenverblijf en gevel gevoelig object bedraagt minimaal 25 meter. Voor een paardenhouderij (Paardenfokkerijen) moeten de volgende richtafstanden worden aangehouden: - geur: 50 m (conform Wgv); - stof: 30 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 10 meter; - geluid: 30 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 10 meter; - gevaar: 0 m. De grootste richtafstand bedraagt 50 meter. het plangebied Zelen ong. waar de woning gerealiseerd kan worden vormt t.o.v. Eemsestraat 2 geen probleem. T.o.v. Zelen 32 zou de woning ver het perceel in

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

31

geprojecteerd moeten worden. Echter, de mogelijkheden voor Zelen 32 worden al beperkt door de woning Zelen 29. De op te richten woning Zelen ong. kan derhalve op gepaste afstand van de weg Zelen en naast Zelen 29 gesitueerd worden zoals op de verbeelding is weergegeven. Intensieve veehouderijen In de directe omgeving bevinden zich de volgende intensieve veehouderijen: - IV bedrijf op Zelen 16-18. Voor intensieve veehouderijen geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: - geur: 200 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 100 meter; - stof: 50 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 30 meter; - geluid: 50 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 30 meter; - gevaar: 0 m De afstand van de grens van het plangebied tot aan het bouwvlak van de intensieve veehouderij aan de Zelen 18 bedraagt ruim 250 meter. Er wordt al voldaan aan de richtafstand voor geur bij omgevingstype rustige woonwijk. Ook aan de richtafstand voor stof, geluid en gevaar wordt voldaan. Rondom intensieve veehouderijen speelt geur een belangrijke rol in de milieuwetgeving met betrekking tot deze veehouderijen. Om dit aspect te kunnen reguleren bestaat de Wet geurhinder en veehouderij (verder: Wvg). De Wgv dient in het belang van de bescherming van het milieu.

De wet biedt binnen gestelde voorwaarden bescherming tegen geurhinder. De Wgv en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij (verder: Rgv) vormen samen het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wgv kent verschillende normen voor concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden. Concentratiegebieden zijn gebieden die als zodanig zijn aangewezen in de Reconstructiewet (verder: Rcw). In niet-concentratiegebieden gelden strengere normen dan in concentratiegebieden. De gemeente Peel en Maas is op grond van de Rcw gelegen in een concentratiegebied voor landbouw. De Wgv kent ook verschillende normen voor gebieden gelegen binnen de bebouwde kom en gebieden gelegen buiten de bebouwde kom. Gebieden die binnen de bebouwde kom liggen krijgen meer bescherming dan gebieden die buiten de bebouwde kom liggen. Dit heeft te maken met het feit dat binnen de bebouwde kom meer mensen kunnen wonen of verblijven, waardoor sprake kan zijn van meer geurhinder. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Hieronder wordt tevens begrepen een logiesfunctie. Tevens is een geurberekening gemaakt om het achtergrondniveau te bepalen, zie bijlage 3. De waarden die berekend zijn bedragen 8,1 OU (Zelen ong.) en 7,3 OU voor Zelen 27.

Dit betreft aldus een goed en redelijk goed woon- en leefklimaat. Glastuinbouwbedrijvenin de omgeving In de directe omgeving bevinden zich de volgende glastuinbouwbedrijven: - Glastuinbouwbedrijf aan de Linderweg 8. - Glastuinbouwbedrijf aan de Eemsestraat 8. Voor een glastuinbouwbedrijf moeten de volgende richtafstanden worden aangehouden: - geur: 10 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 0 meter; - stof: 10 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 0 meter; - geluid: 30 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 10 meter; - gevaar: 10 m. I.v.m. omgevingstype gemengd gebied mag dit verlaagd worden naar 0 meter;

32

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

De grootste richtafstand bedraagt 10 meter. De afstand van het plangebied tot omliggende glastuinbouwbedrijven bedraagt minimaal ca. 100 meter. Aan de richtafstand wordt derhalve voldaan. Bedrijven in de omgeving In de directe omgeving bevinden zich geen niet-agrarische bedrijven (locatie Zelen 34 is omgezet naar de bestemming 'Wonen'). Bedrijventerrein Kennedylaan Op het bedrijventerrein aan de Kennedylaan zijn aan de zuidzijde bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3. Voor dit type bedrijven geldt een maximale richtafstand van 100 meter. De afstand tussen het plangebied voor de woning en de rand van het bedrijventerrein bedraagt ca. 370 meter. Aan de richtafstand wordt dus ruim voldaan. Overzicht Adres

Bestemming

Richtafstand in meters (op basis van gemengd gebied)

Zelen 32 Zelen 23 Zelen 17

Agrarisch grondgebonden 50 Agrarisch grondgebonden 50 Agrarisch grondgebonden, 30 rundvee uitgesloten

afstand in meters bestemmingsvlak Zelen ong. - bestemmingsvlak adres 20 140 300

Eemsestraat 2 Agrarisch grondgebonden 50 60 Zelen 16-18 Agrarisch IV 100 250 Linderweg 8 Agrarisch glastuinbouw 10 185 Eemsestraat 8 Agrarisch glastuinbouw 10 75 Zelen 34 Wonen 0 25 Bedrijventerrein Bedrijventerrein 50 370 Kennedylaan Er wordt op alle locaties aan de richtafstand voldaan behalve Zelen 32 . Hierboven is reeds ingegaan op de locaties Zelen 32. Conclusie: Milieuzonering en geur vormen geen belemmering op het planvoornemen.

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

33

beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse van het plangebied 11,53 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 19.62 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 13.21 µg/m³.

In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³ voor PM 2,5 terwijl de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³ bedraagt voor PM10. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.5.2

Het besluit NIBM

Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM1 0 als NO2 . Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Initiatiefnemer is voornemens om zijn bedrijfslocatie te saneren en hiervoor een bouwkavel terug te realiseren. Met inachtneming van de kleinschalige aard van onderhavige ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat onderhavig voornemen geen invloed heeft op het aspect luchtkwaliteit. Het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. NIBM-tool InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden.

InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.504 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. 5.5.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Dit besluit is niet van toepassing.

34

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

5.5.4 Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

5.6

Externe veiligheid

In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing en er is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. 5.6.1 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. 5.6.2 Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c.

het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. 5.6.3 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen, waarbij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan.

Voorbeelden van dergelijke objecten zijn woningen, ziekenhuizen, scholen, hotels en restaurants. Risicovolle bronnen Ter plaatse van de locatie Zelen 27 en Zelen ong. te Panningen zijn binnen een straal van 500m geen BEVI-inrichtingen gelegen. Gezien de grote afstand tot de dichtstbij gelegen inrichting vormt het plaatsgebonden risico derhalve geen belemmering voor de planontwikkeling. Gezien de grote afstand behoeft

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

35

ook ten aanzien van het groepsrisico geen nadere afweging te worden gemaakt. Tevens is er slechts sprake van het toevoegen van één woning waardoor het aantal personen slechts beperkt toeneemt in het buitengebied van Panningen. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen belemmering voor de planontwikkeling. 5.6.4 Transportassen Transport over waterwegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Uit het Basisnet water blijkt dat voor de gehele Maascorridor een PR10-6 risicocontour geldt van 0 meter. De PR10-6 risicocontour reikt derhalve niet tot aan het plangebied. De Maascorridor ligt op meer dan 7km van het plangebied. Het maximale invloedsgebied ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over waterwegen bedraagt 1.070 meter. Derhalve reikt het invloedsgebied van deze waterweg niet tot de planlocatie. Transport over spoor Ten aanzien van de veiligheidsrisico's in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor zijn uitsluitend spoorwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Binnen een afstand van 9 kilometer zijn geen spoorwegen gelegen.

Gezien deze grote afstand hoeft met spoorwegen en gevaarlijke stoffen geen rekening te worden gehouden bij onderhavig planvoornemen. Transport over wegen Op grond van de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen, paragraaf 5.2.3 hoeven er (in principe) geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Op 1 april 2015 zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling basisnet in werking getreden. Hierdoor vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Stcrt. 2004, 147, laatst gewijzigd Stcrt. 2012, 14687). Desalniettemin kan worden gesteld dat gezien de afstand van het plangebied tot de ten westen gelegen N275 (ca. 2 kilometer) deze transportroute geen belemmering vormt. Daarnaast is de locatie goed bereikbaar voor hulpdiensten en goed ontsloten op de openbare weg. Kortom, de N275 vormt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. 5.6.5 Transport-/buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object (woonhuis) bij een buisleiding wordt toegelaten: wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een woning/kwetsbaar object niet toegestaan; wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is). Situatie plangebied inzake transportleidingen

36

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

In de omgeving van de te realiseren woning bevinden zich binnen 1 kilometer afstand geen buisleidingen. Derhalve is een nadere afweging van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico voor onderhavig planvoornemen niet ana de orde. 5.6.6 Resultaten en conclusies externe veiligheid Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

Uitsnede Risicokaart Limburg met aanduiding plangebied

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

37

38

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

Hoofdstuk 6

Overige ruimtelijke aspecten

Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in Hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.

6.1

Archeologie

6.1.1 Archeologische monumentenzorg (Erfgoedwet) Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Daaromtrent zijn in de Erfgoedwet bepalingen opgenomen die de gemeenteraad in acht moet nemen. 6.1.2 Archeologische verwachtingswaarden Gemeenten dienen in beginsel te beschikken over een archeologische basiskaart, maar nog lang niet alle gemeenten zijn zover dat zij ook daadwerkelijk beschikken over een dergelijke kaart. De gemeente Peel en Maas beschikt over een 'Gemeentelijke beleidskaart'. Op grond van deze kaart heeft het plangebied Zelen 27 en Zelen ong. te Panningen beide een (middel)hoge archeologische verwachtingswaarde (WRA-4). Zie uitsnede hieronder.

Ter plaatse van Zelen 27 zijn geen nieuwe bodemverstoringen voorzien die de vrijstellingsgrens die bij deze verwachtingswaarde hoort (te weten een verstoring van meer dan 250m2 en dieper dan 40 centimeter) overschrijdt. Ter plaatse van de nieuwe bouwkavel Zelen ong. komt een nieuwe woning met bijbehorende elementen (bijv. de nieuwe poel). Hier is voorzien in een bodemverstoring. Of deze de grens van 250m2 en dieper dan 40cm

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

39

overschrijdt is niet met zekerheid te bepalen. Echter, dit plangebied is gelegen ter plaatse van een perceel wat op dit moment in gebruik is voor aspergesteelt. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het gehele perceel tot ca. 1m diepte volledig is verstoord. Derhalve kan worden geconcludeerd dat er geen behoudenswaardige archeologische resten meer aanwezig zullen zijn. Gezien deze feitelijke omstandigheden is het derhalve niet noodzakelijk om nader archeologisch onderzoek uit te voeren.

Op basis van de Erfgoedwet geldt echter de verplichting dat, indien tijdens toekomstige graafwerkzaamheden desondanks archeologische materialen en/of sporen aangetroffen worden aangetroffen, deze per direct gemeld dienen te worden bij de gemeente Peel en Maas.

6.2

Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.

6.3

Verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 6.3.1 Verkeersstructuur De verkeersstructuur zal als gevolg van onderhavig planvoornemen niet wijzigen. Het planvoornemen leidt bij de locatie Zelen 27 tot een afname van bedrijfsmatig verkeer. Het privé-verkeer blijft aanwezig en hier treden geen wijzigingen op. Voor de locatie Zelen ong. leidt het planvoornemen tot een zeer beperkte toename van verkeer aangezien initiatiefnemer één nieuwe bouwkavel realiseert in de nieuwe planologische situatie. Gezien het aantal te verwachten extra personen en de capaciteit van de weg Zelen, behoeft de weg Zelen derhalve niet gewijzigd te worden. Ter plaatse van het plangebied zal een nieuwe inrit aangelegd worden, deze zal aan de Eemsestraat

40

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

worden gerealiseerd zover mogelijk van het kruispunt met Zelen vandaan. Dit zal geen probleem vormen. 6.3.2 Parkeren Als gevolg van onderhavig planvoornemen zal er beperkte extra verkeersaantrekkende werking ontstaan ten opzichte van de bestaande planologische situatie voor de locatie Zelen ong. Gezien het aantal te verwachten extra personen dient voor een bouwkavel (vrijstaande woning) minimaal sprake te zijn van twee beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein. Gezien de oppervlakte van de bouwkavel (meer dan 1.000 m2) is er voldoende ruimte voor minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein op basis van de parkeernota van de gemeente Peel en Maas zoals opgenomen in het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas. Hierdoor behoeft er geen parkeeroverlast te worden verwacht op de openbare weg. Het aspect parkeren vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

6.4

Waterhuishouding

6.4.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). 6.4.2 Provinciaalbeleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden.

Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. 6.4.3 Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Om te bepalen of een plan aan het watertoetsloket moet worden voorgelegd, is de 'digitale watertoets' ontwikkeld. Door middel van het intekenen van het plangebied en het beantwoorden van vragen wordt bepaald welke procedure van toepassing is.

Slooplocatie Zelen 27 Ten aanzien van de slooplocatie Zelen 27 (bedrijfsgebouwen) kan worden gesteld dat alle bedrijfsbebouwing

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

41

gesaneerd zal worden. Er zal daarmee sprake zijn van een afname van bebouwing en daarmee van afvalwater en hemelwater. Het bouwvlak wordt weggebestemd en de bestemming is gewijzigd. Hierdoor is er geen toename van vrijkomend hemelwater op de locatie Zelen 27. Nadere motivering of onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Nieuwe bouwkavel Zelen ong. Onderhavige planontwikkeling is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg. Op de kaarten van de gemeente Peel en Maas van het Waterschap Peel en Maasvallei blijkt dat het plangebied (bouwlocatie) niet is gelegen binnen een aandachtsgebied. Bij Waterschap Limburg is de ondergrens voor het uitvoeren van een watertoets 2.000 m2. Bij onderhavig plangebied is er sprake van een nieuwe verharding van ca. 350m2 bebouwing en erfverharding. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet in de watertoets. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Peel en Maas. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Er zal bij de bouw van de nieuwe woning met de gemeente Peel en Maas afstemming gezocht worden voor de aansluiting van de nieuwe woning op het gemeentelijk riool.

In de directe omgeving van het plangebied is gemeentelijk riool aanwezig. Hemelwater dakverhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe dakverharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd naar de nieuw aan te leggen infiltratievoorziening (zie inpassingsplan met daarop aangegeven de wadi). Bij nieuwbouw dient minimaal 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient de hoeveelheid af te voeren hemelwater te worden berekend bij extreme buien van t=100. Het hemelwater dat valt op de nieuwe verharding dient te worden geïnfiltreerd in de infiltratievoorziening. Het Waterschap Limburg, waar de gemeente Peel en Maas onder valt, stelt dat de infiltratievoorziening gedimensioneerd dient te worden op T=100, met het aanbrengen van een noodoverlaat. De gevolgen van T=100 moeten in beeld worden gebracht en bij risico dienen er maatregelen te worden getroffen. Bij een bui van één keer per 100 jaar (T=100, oftewel een neerslaghoeveelheid van 100 mm water) is een capaciteit van afgerond (350 x 100) 35 m3 benodigd. De infiltratievoorziening ('wadi') zal in de nieuwe situatie een bergingscapaciteit krijgen van minimaal 35m3. Deze capaciteit is voldoende om een bui van T=100 te kunnen bufferen en te kunnen infiltreren. In de eerste 1.5 meter beneden maaiveld is geen grondwater aanwezig.

Gezien de diepte van de infiltratievoorziening (ca. 1 meter diep op diepste punt) valt het niet te verwachten dat de GHG minder dan 1,5 m-mv zich zal bevinden. Tevens is bij initiatiefnemer als grondeigenaar navraag gedaan naar de grondwaterstand. Op basis hiervan is bekend dat (decennia lang actief/woonachtig in dit gebied van Panningen) dat de grondwaterstand zich altijd minimaal 1,5m beneden maaiveld bevindt. Ook een T=100 bui kan geïnfiltreerd worden. Als gevolg daarvan behoeft er geen noodoverloopvoorziening gerealiseerd te worden. Daarnaast behoeft er niet gevreesd te worden voor wateroverlast op percelen van derden vanwege de omvang van de voorziening. De infiltratievoorziening zal aan de achterzijde van het perceel worden gerealiseerd en de voorziening wordt 1m-maaiveld gehouden. Ten aanzien van de bodemdoorlatendheid kan worden gesteld dat deze voldoende is op basis van de bodemdoorlatendheidskaart van het Waterschap Limburg (k-waarde 0,45 tot 0,75m per dag). Dit

42

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

correspondeert met de ervaringen van het perceel. Er is sprake van een perceel waar altijd sprake is geweest van een goede doorlatendheid en geen specifieke drainage noodzakelijk is geweest. Vanwege bovenstaande behoeft voor wateroverlast op de bouwkavel en de aangrenzende percelen van derden niet te worden gevreesd, ter meer omdat de bouwkavel niet grenst aan woonerven van derden. Door het hemelwater van de nieuwe bebouwing en bijbehorende verharding niet te lozen op de riolering, wordt voldaan aan de norm dat bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak dient te worden afgekoppeld. Opvang schoon hemelwater In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat geen water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn. 6.4.4 Conclusie Gelet op vorenstaande en de resultaten van de watertoets vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

6.5

Natuur en landschap

Gelet op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Limburg blijkt onderhavig plangebied niet te zijn gelegen in één van de door de provincie te beschermen bestaande natuurwaarden.

Uitsnede ambitiekaart Natuurbeheerplan Limburg

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

43

Zoals op de afbeelding te zien is, is het plangebied niet aangeduid als een gebied waar sprake is van bestaande natuur of waar natuur ontwikkeld dient te worden. Ten aanzien van landschap kan worden gesteld dat in het inpassingsplan een aantal bestaande aanwezige groenelementen is opgenomen. Hierdoor ontstaat er zekerheid over de groene uitstraling van het plangebied,zie bijlage 4. Gesteld kan worden dat het aspect natuur en landschap geen belemmeringen oplevert voor onderhavige planontwikkeling.

6.6

Ecologie

6.6.1 Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er gelden een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten. Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het planvoornemen voorziet in de sanering van de intensieve veehouderij (sloop alle bedrijfsgebouwen met omliggend erf en overige voorzieningen). Verder voorziet het planvoornemen in de ontwikkeling van een nieuwe bouwkavel ter plaatse van agrarische grond (aspergeveld op dit moment). Ook ziet het planvoornemen in inpassingsmaatregelen. Ten aanzien van flora en fauna kan worden gesteld dat het IVN voor het planvoornemen een quick-scan heeft uitgevoerd.

Verder voorziet het planvoornemen in een versterking van de natuurwaarden door de inpassingsmaatregelen en de groene inrichting van het plangebied. 6.6.2 Verricht onderzoek Gelet op de beschikbare gegevens is een quickscan flora en fauna verricht door IVN Helden (door de gemeente Peel en Maas beschouwd als een deskundige en onafhankelijke instantie), zie bijlage 5. De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt: 'Floristisch gezien troffen wij op de percelen geen bijzonderheden aan. Rondom de te slopen stallen is een grindverharding en een kort gemaaid grasveld. De te kappen houtwal bestaat voornamelijk uit zomereiken. Ons advies is deze bomen niet te kappen in het vogelbroedseizoen (15 maart - 15 juli). Of na een zg. schouw van de bomen op aanwezigheid van nesten. Faunistisch troffen wij eveneens geen bijzonderheden aan. We troffen geen activiteit van vleermuizen aan. We adviseren echter wel de hokken te slopen cq. vleermuisonvriendelijk te maken buiten het winterslaapseizoen (15 november-15 maart) en in de kraamperiode (mei-augustus).' 6.6.3 Gebiedsbescherming Ten aanzien van gebiedsbescherming kan worden gesteld dat er sprake is van een verbetering. De aanwezige stikstof/ammoniak zal ter plaatse komen te vervallen (Nb-wet vergunning zal door het saneren van de stallen worden ingetrokken ter plaatse van het plangebied en extern worden gesaldeerd).

Hierdoor is er sprake van een forse afname van stikstof. Kortom, er zal sprake zijn van een positief effect in het kader van gebiedsbescherming ter plaatse van de dichtbij gelegen Natura-2000 gebieden (o.a. De Groote Peel en Deurnsche en Mariapeel die zijn gelegen op ca. 6km afstand).

44

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

De om te vormen bedrijfswoning tot burgerwoning zal geen effect hebben aangezien de uitstoot van stikstof hiervoor niet wijzigt. Ten aanzien van de nieuwe burgerwoning geldt dat hiervoor enkele kilo's stikstof behouden blijven indien de verkeersbewegingen (enige uitstoot bij een nieuwe bouwkavel aangezien de bouwfase niet meegerekend hoeft te worden bij de bouw van 1 woning) zorgen voor een significant effect. Gezien de groter afstand tot Natura-2000 gebieden is dit niet te verwachten. Tevens is een stikstofberekening bijgevoegd, zie bijlage 6.. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat het aspect gebiedsbescherming geen belemmering voor onderhavig planvoornemen oplevert. 6.6.4 Conclusie ecologie Gelet op de beschikbare gegevens en het karakter van het plangebied is het onwaarschijnlijk dat er binnen het plangebied beschermde soorten voorkomen. Mochten er toch diersoorten in het plangebied voorkomen dan zullen dit algemene soorten zijn waarvoor de lichtste vorm van bescherming geldt (bosmuis, spitsmuis, veldmuis, etc.). Het planvoornemen zal, indien deze soorten zich in het plangebied bevinden, een schadelijk effect hebben daarop. Aangezien de activiteiten zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkeling, geldt een vrijstelling van de verboden opgenomen in de wet. Voor de activiteit hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.

6.7

Duurzaamheid

Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang . Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag van de omgevingsvergunning/bouwvergunning.

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

45

46

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

Hoofdstuk 7

Juridische aspecten

Het bestemmingsplan 'Zelen 27 te Panningen’ van de gemeente Peel en Maas bestaat uit voorliggende toelichting, de regels en een verbeelding schaal 1 : 2.000.

7.1

Algemeen

Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de nieuwe Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket ‘RO Standaarden 2012’ ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening’. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012) op drie manieren gerealiseerd: er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist; er is een verplichte ‘analoge verbeelding’ voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan.

Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd; er is een verplichte ‘digitale verbeelding’ voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website). Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.

7.2

Toelichting, regels en verbeelding

Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingsplan visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven. 7.2.1 Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan. 7.2.2 Regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat:

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

47

-

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

o

Begrippen

o

Wijze van meten

-

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

o

Bestemmingen

o

Voorlopige bestemmingen

o

Uit te werken bestemmingen

o

Dubbelbestemmingen

-

Hoofdstuk 3: Algemene regels

o

Anti-dubbeltelregel

o

Algemene bouwregels

o

Algemene gebruiksregels

o

Algemene aanduidingsregels

o

Algemene afwijkingssregels

o

Algemene wijzigingsregels

o

Verwerkelijking in de naaste toekomst

o

Algemene procedureregels

o

Overige regels

-

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

o

Overgangsrecht

o

Slotregel

De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: -

Bestemmingsomschrijving

-

Bouwregels

-

Nadere eisen

-

Afwijken van de bouwregels

-

Specifieke gebruiksregels

-

Afwijken van de gebruiksregels

-

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

-

Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

-

Wijzigingsbevoegdheid

Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan.

48

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

7.2.3 Verbeelding Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoering aanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven. De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is ingetekend op schaal 1:2.000. Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een tekeningnummer. Dit zijn verplichtingen in het kader van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

49

50

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

Hoofdstuk 8

Uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

8.1

Grondexploitatie

8.1.1 Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel ‘Grondexploitatie’. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van de openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. 8.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).

Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden (die ook van toepassing zijn in het geval de gemeenteraad besluit om middels een projectbesluit af te wijken van het bestemmingsplan): -

het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd;

-

het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden;

-

het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden;

het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; -

het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap

of branches in de detailhandel. De voorliggende procedure heeft betrekking op een particulier initiatief, waarbij de financiële consequenties uitsluitend door die initiatiefnemer zullen worden gedragen. Daar de kosten voor de planontwikkeling geheel voor rekening zijn van de initiatiefnemer, heeft onderhavig

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

51

plan géén gevolgen voor de gemeentelijke begroting en/of gemeentelijke financiën. Deze kosten zijn anderszins verzekerd, namelijk door het heffen van leges op basis van de gemeentelijke legesverordening.

8.2

Planschade

Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling (afwijken van het bestemmingsplan middels een projectbesluit). Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Peel en Maas is een planschadeovereenkomst afgesloten, zodat eventuele reële aanvragen inzake de tegemoetkoming in de planschade voor rekening van de initiatiefnemer zullen komen.

52

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

Hoofdstuk 9 9.1

Overleg en inspraak

Uitkomsten overleg

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

9.2

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Voorliggende planontwikkeling is door de gemeente in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd voor advies aan de betreffende instanties. Hier zijn geen bijzonderheden uit naar voren gekomen.

9.3

Inspraak

Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg. De gemeente Peel en Maas heeft kenbaar gemaakt dat zij, alvorens de formele bestemmingsplan -procedure op te zullen starten, geen voorontwerp van voorliggend bestemmingsplan ter inzage zullen leggen maar direct overgaan tot het ter visie leggen van het ontwerpplan.

9.4

Omgevingsdialoog

Initiatiefnemer heeft met de buurtbewoners overleg gevoerd en het planvoornemen voorgelegd medio december 2021. De situatietekening is gepresenteerd en zijn door de omliggende buren (8 eigenaren) ondertekend zonder verdere opmerkingen. Kortom, voor onderhavig planvoornemen is draagvlak in de omgeving van het plangebied.

9.5

Formele procedure

9.5.1 Algemeen De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen:

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

53

1. 2.

3. 4. 5.

6. 7.

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

9.5.2 Zienswijzen Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft vanaf 15 september 2022 voor zes weken voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingekomen.

54

bestemmingsplanZelen 27 te Panningen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=0f60bbb3-324b-470a-8d51-a234ae546222