CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-002 05 Vastgesteld Bijlage bij de toelichting - Onderbouwingen 034 tm 038.pdf

Raad 31 januari 2023, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “Veegbestemmingsplan stoppers 2020” (2023-002)22.485 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

10

Ook onderdeel van de structuurvisie is het VAB-beleid (Vrijkomende Agrarische Bebouwing). Het VAB-beleid ziet toe op hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties. Enkele uitgangspunten daarbij zijn dat herinvulling van VAB’s moet bijdragen aan de kwaliteit van het buitengebied, bestaande waarden niet mogen worden aangetast, herinvulling geen belemmeringen mag opleveren voor nabijgelegen functies en dat de bouwmassa niet mag toenemen. Op basis van de bijbehorende hergebruikstabel is hergebruik als caravanstalling toegestaan, mits hergebruik plaatsvindt binnen de bestaande bebouwingsmassa. Aan de genoemde uitgangspunten kan worden voldaan. De voormalige stallen zijn omgevormd tot caravanstalling, waarbij de buitenzijde van de gebouwen volledig gerenoveerd is. Het saneren van de intensieve veehouderij levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van het buitengebied daar de milieubelasting vanuit de locatie aanzienlijk zal afnemen. Verder neemt de bebouwingsmassa niet toe en vindt de caravanstalling plaats binnen de bestaande bebouwingsmassa. Het planvoornemen is niet in strijd met de uitgangspunten uit de Structuurvisie buitengebied van de gemeente Peel en Maas. Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie Limburg heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas.

Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Ontwikkelingen die niet passen in het bestemmingsplan worden op basis hiervan alleen toegestaan als er een tegenprestatie wordt geleverd, in de vorm van landschappelijke inpassing. In het voorliggende initiatief is sprake van het omvormen van de bestemming “Agrarisch- Intensieve veehouderij” naar de bestemming “Wonen” met een caravanstalling. Voor het omvormen van de bedrijfswoning naar een woonbestemming is een tegenprestatie op basis van het kwaliteitskader van toepassing. Hiervoor dient 10% van het bouwvlak van de toekomstige woonbestemming landschappelijk ingepast te worden. Voor de ontwikkelingen die middels dit bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt heeft een toetsing plaatsgevonden aan het kwaliteitskader. Voor het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’ naar ‘Wonen’ geldt op basis van het kwaliteitskader de categorie Basiskwaliteit. Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden.

Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de (nieuwe) bebouwing en erf komt. Het beoogde bouwvlak met de bestemming “Wonen” heeft een oppervlak van circa 4.300 m2. Aangezien het bouwvlak binnen de bestemming ‘Wonen’ een oppervlak heeft van circa 4.300 m2, dient er ten minste voor 430 m2 aan kwaliteitsverbeterende maatregelen genomen te worden. De totale inpassing met groen komt uit op 432 m2. Daarmee wordt voldaan aan de eis uit het kwaliteitskader (zie paragraaf 4.3). Naast het kwaliteitskader is ook de ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’, beter bekend als de kaderstelling ruimte en economie, van toepassing. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. De drie kernwaarden, zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit, blijven richtinggevend. De twee belangrijkste uitvoeringsafspraken uit de kaderstelling die van toepassing zijn op dit bestemmingsplan zijn:

11

1.2 We benutten bestaande bebouwing en sturen op hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging en daar waar dit niet mogelijk is wordt er zorg gedragen voor hetgeen achterblijft. 1.4 We zorgen voor verbindingen en balans tussen de verschillende functies en waarden. Aan de eerste afspraak wordt invulling gegeven. De woning en gebouwen aan de Hoevenstraat 2 blijven behouden en krijgen een nieuwe functie. Daarmee zorgt initiatiefnemer voor hergebruik van bestaande bebouwing boven nieuwvestiging. Ook aan de tweede afspraak wordt invulling gegeven. De woning is gelegen in het buitengebied en omringd door andere burgerwoningen en agrarische bedrijven. De woning past goed in de mix van wonen en agrarisch waardoor de verschillende functies in balans blijven. Door middel van de landschappelijke inpassing wordt ook getracht om te zorgen voor een goede verbinding tussen de verschillende functies en waarden van de omgeving van het plangebied.

12

4. PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Het doel van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch-juridisch mogelijk maken van: ▪ ▪ ▪

Het aanbrengen van de bestemming “Wonen” op de locatie Hoevenstraat 2 te Beringe. Het toevoegen van de aanduiding “caravanstalling” ter plaatse van de gebouwen waarin stalling van caravans plaatsvindt. Het wegnemen van de bestemming “Agrarisch – intensieve veehouderij”.

4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Een belangrijke eis voor de wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming is de sloop van overtollige bebouwing. Bij onderhavig planvoornemen is geen sprake van overtollige bebouwing. Beide voormalige bedrijfsgebouwen hebben een alternatieve functie gekregen in de vorm van caravanstalling en een gedeelte als opslagruimte ten behoeve van eigen gebruik. De voormalig werktuigenberging is ondertussen voorzien van een nieuw dak. Daarnaast zijn beide gebouwen voorzien van nieuwe gevelbekleding bestaande uit antraciet gekleurde damwandplaten. Daardoor hebben de gebouwen een aanzienlijke kwaliteitsimpuls gekregen. In de toekomst is initiatiefnemer voornemens om ook het asbestdak van de voormalig pluimveestal nog te saneren. Stedenbouwkundig/ruimtelijk gezien vormt het opknappen van de voormalige bedrijfsgebouwen en het in de toekomst vervangen van het asbesthoudende dak van de voormalig pluimveestal een kwaliteitsverbetering. Door het afstoten van het pluimvee zijn de emissie van geur, fijnstof en ammoniak komen te vervallen. De betreffende vergunning daarvoor is al in een eerder stadium ingetrokken.

Afbeelding 5: Impressie gerenoveerde voormalige werktuigenberging welke te behouden t.b.v. caravanstalling en opslag.

13

Afbeelding 6: Impressie woning (links) en gerenoveerde pluimveestal (rechts) welke te behouden t.b.v. caravanstalling

Op basis van bovenstaande kan gesteld worden dat er zowel stedenbouwkundig als ruimtelijk gezien sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling.

4.3 Landschappelijke inpassing Voor de locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (bijlage 1).

Afbeelding 7: Landschappelijke inpassing van het plangebied

14

Middels bovenstaande wijze van inpassing van de locatie wordt er in totaal 432 m2 inpassingsmaatregelen genomen. Op basis van het gemeentelijke kwaliteitskader geldt een inpassingseis van 430 m2. Er wordt daarmee voldaan aan de bepalingen uit het kwaliteitskader.

4.4 Toetsing aan wijzigingsvoorwaarden In het ‘Bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming van “agrarisch – Intensieve veehouderij” te wijzigen naar “Wonen”. In artikel 56.5 is deze bevoegdheid nader uitgewerkt. De wijzigingsvoorwaarden luiden als volgt:

a. wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'concentratiegebied glastuinbouw 1' en 'concentratiegebied glastuinbouw 2'; b. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' of 'maximum aantal wooneenheden 0'; c. de woonfunctie slechts is toegestaan in de hoofdbebouwing; d. aangetoond wordt dat het huidige gebruik als (agrarisch) bedrijf/ de huidige voorziening niet meer mogelijk is; e. het huidige gebruik als (agrarisch) bedrijf/ van de huidige voorziening dient te zijn beëindigd; f. het aantal woningen mag niet toenemen; g. in voldoende mate wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing, dan wel in een andere vorm van kwaliteitsverbeterende maatregelen; h. overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, tenzij deze bebouwing valt onder de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'; i. de ontwikkeling in voldoende mate moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit, hiertoe wordt een landschappelijk inrichtingsplan overgelegd dat als bijlage bij de regels wordt opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van de bebouwing en andere te verrichten kwaliteitsverbeterende maatregelen zijn beschreven en waaromtrent advies is ingewonnen bij een onafhankelijke, objectieve commissie.

De landschappelijke inpassing wordt in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen met een daaraan gekoppelde aanleg- en instandhoudingsverplichting; j. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. het woon- en leefklimaat; 2. de milieusituatie; 3. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden; 4. gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing; k. in voldoende mate is onderzocht of er effecten zijn te verwachten op aanwezige Natura-2000 gebieden, met dien verstande dat de ontwikkeling per saldo geen significant negatieve effecten mag hebben op de aanwezige Natura-2000 gebieden; l. voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 27 (regels bestemming ‘Wonen’). Hieronder zal een toetsing en nadere motivatie plaatsvinden op de wijzigingsvoorwaarden: Ad. a. Op de locatie Hoevenstraat 2 zijn de aanduidingen ‘concentratiegebied glastuinbouw 1’ en ‘concentratiegebied glastuinbouw 2’ niet van toepassing. Ad. b. Op de locatie Hoevenstraat 2 zijn de aanduidingen ‘bedrijfswoning uitgesloten’ of ‘maximum aantal wooneenheden 0’ niet van toepassing

15

Ad. c. De woonfunctie blijft zoals reeds aanwezig behouden in de bestaande woning. De woning is gezien het woongebruik de hoofdbebouwing. De overige te behouden gebouwen betreffen bijgebouwen bij de woning. Ad. d. De Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) voor het houden van dieren is reeds ingetrokken. Daarmee is het houden van dieren uitgesloten. Aangezien initiatiefnemer uitsluitend beschikt over het perceel waarop de gebouwen zijn gelegen, is ook het uitoefenen van een grondgebonden bedrijf niet realistisch. Daarmee is het exploiteren van een agrarisch bedrijf ter plaatse niet meer mogelijk. Ad. e. De OBM voor het houden van dieren is reeds ingetrokken, daarmee is het gebruik als agrarisch bedrijf reeds beëindigd. Ad. f. Het aantal woningen binnen het plangebied blijft één woning. Het aantal woningen neemt derhalve niet toe. Ad. g. Voor de locatie is een inpassingsplan opgesteld. Het inpassingsplan voldoet aan de uitgangspunten van het kwaliteitskader van de gemeente Peel en Maas. Ad. h. Voor onderhavig initiatief is geen sprake van overtollige bebouwing. De voormalige bedrijfsgebouwen hebben beide een alternatieve doelmatige functie in de beoogde situatie in de vorm van een caravanstalling en opslagruimte ten behoeve van eigen gebruik. De dubbelbestemming “Waarde - Cultuurhistorie” is niet van toepassing voor deze locatie. Ad. i.

Zoals reeds aangegeven is er voor de locatie een inpassingsplan opgesteld. Dit plan is eveneens als voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan opgenomen. Hiermee is aanleg en instandhouding gewaarborgd. Ad. j. Uit de toetsing die in hoofdstuk 5 plaatsvindt blijkt dat er ter plaatse geen aantasting plaatsvindt van het woon- en leefklimaat en de milieusituatie en de natuurlijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden. Tenslotte vindt er geen aantasting plaats van gebruiksen ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing. Ad k. In paragraaf 5.4 zijn de te verwachten effecten op Natura2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Hieruit blijkt dat met onderhavig planvoornemen geen sprake is van significante negatieve effecten op Natura2000-gebieden. Ad. l. Er wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen in artikel 27 (regels bestemming ‘Wonen’).

16

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Dit hoofdstuk bevat een inventarisatie van de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op het realiseren van deze ruimtelijke ontwikkeling. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan de orde: milieu (geluid, bodem, bedrijfshinder en zonering, luchtkwaliteit, duurzaam bouwen), waterhuishouding (riolering en watertoets), externe veiligheid, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en vervoer, kabels, leidingen en overige belemmeringen, alsmede natuur en landschap.

5.1 Milieu 5.1.1 Geluid Een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij de bestemmingswijziging tot woondoeleinden is géén sprake van het realiseren van een nieuwe geluidgevoelige functie. In de bestaande en nieuwe situatie is sprake van de activiteit wonen. Het maakt daarbij niet uit of de woning een bedrijfswoning of een burgerwoning betreft. Met deze bestemmingsplanwijziging worden de mogelijkheden om te wonen ook niet verruimd. Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege (spoor)wegverkeer of industrie is derhalve niet noodzakelijk. Door het herbestemmen van de locatie tot de bestemming “Wonen” verdwijnt de agrarische functie. Hierdoor is het niet meer mogelijk om een agrarisch bedrijf c.q. intensieve veehouderij te exploiteren. Dit heeft voor omliggende objecten een positieve uitwerking aangezien werkzaamheden zoals het bulken van voer of het ophalen van mest wegvallen. Deze hebben een aanzienlijke grotere geluidsbelasting tot gevolg dan een woning met een kleinschalige caravanstalling. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.

5.1.2 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM 2,5) ter plaatse 11,0 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 7,6 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO 2) 10,7 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.

17

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Het staken van de intensieve veehouderij heeft geleid tot een vermindering van de emissie van fijnstof vanuit het plangebied. De vergunning voor het houden van dieren is al ingetrokken. Transportbewegingen van en naar de locatie nemen per saldo af. Verkeersbewegingen met vrachtwagens en tractoren komen te vervallen en maken plaats voor bewegingen met personenauto’s. Doordat de uitstoot van de dieren komt te vervallen neemt de totale uitstoot van PM10 en NO2 af. Ter plaatse van de woning wijzigt louter het soort bewoning. In plaats van dat een agrarisch ondernemer de woning bewoond zal een burger de woning bewonen. Dit leidt niet tot een toename van de uitstoot van PM10 of NO2.

De functionele wijziging van de bestaande woning en voormalige bedrijfsgebouwen draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. 5.1.3 Bodem en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient onderzocht te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de bestemmingswijziging. Voor de locatie is derhalve een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 2). Hieruit blijkt dat de plaatselijk aangetoonde lichte verontreinigingen in de bovengrond van dien aard zijn, dat deze geen beperkingen opleveren voor onderhavig planvoornemen. Het aspect bodem- en grondwaterkwaliteit vormt geen beperking voor onderhavig planvoornemen. 5.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het kader van de bestemmingswijziging tot woondoeleinden moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes).

Volgens de risicokaart (https://www.risicokaart.nl/) liggen er binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Een verantwoording ten aanzien van het plaatsgebonden risico is dan ook niet aan de orde. Een verantwoording in het kader van het groepsrisico is eveneens niet aan de orde, er vindt namelijk geen verandering plaats in het aantal woonachtigen binnen het plangebied. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van bestemmingswijziging.

de

18

5.1.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De woning wordt planologisch omgezet van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Ter plaatse van de woning dient in dat geval aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich enkele bedrijven. De milieuruimte van deze bedrijven is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en grootste bijbehorende VNG-afstand voor stof, geur, geluid en gevaar.

In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de aan te houden afstanden. Bedrijf

Adres

SBI-2008

Feitelijke afstand

Schutterij Horecabedrijf Autowasserette / Reparatiebedrijf Agrarisch grondgebonden Agrarisch glastuinbouw Agrarisch intensief Autohandel / autoservice

Hoevenstraat 4 Hoogstraat 70(A) Hoogstraat 54(A)

931 561 451, 452, 454 011, 012, 013 011, 012, 013 0147 451, 452, 454

Kaumeshoek 25 Kaumeshoek 24 Marisstraat 11 Kievit 30

21 meter 145 meter 145 meter

Richtafstand VNG ‘rustige woonwijk’ geur stof geluid 10 0 300 10 0 10 10 0 30

gevaar 500 10 10

210 meter

10

10

30

10

230 meter

10

10

30

10

250 meter

200

30

50

0

320 meter

10

0

30

10

Onderzocht is of de hindercontouren van nabijgelegen bedrijven en functies het plangebied overlappen. Hieruit blijkt dat enkel ten aanzien van de naastgelegen schutterij aan de Hoevenstraat 4 de richtafstanden voor geluid en gevaar overschreden worden. Het betreft in dit geval echter een reeds bestaande situatie. De woning wordt in de huidige situatie ook al aangemerkt als gevoelig object voor wat betreft de aspecten geluid en gevaar. Daar verandert door de functiewijziging niets aan. Door onderhavig planvoornemen wordt de schutterij dan ook niet verder in haar ontwikkelmogelijkheden beperkt dan nu reeds het geval is. Anderzijds is thans ter plaatse van de woning sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat zal in de beoogde situatie ook niet veranderen. De caravanstalling is kleinschalig van aard te noemen. Op basis van de VNG brochure is voor de categorie opslaggebouwen (verhuur opslagruimtes) een richtafstand van 30 meter voor geluid opgenomen en 10 meter voor gevaar. De caravanstalling mag alleen plaatsvinden binnen de daarvoor opgenomen aanduiding in het bestemmingsplan. Binnen 10 meter van deze aanduiding ligt geen bouwvlak c.q. bebouwing van derden. Binnen 30 meter van de aanduiding ligt een klein deel van het bouwvlak van de schutterij aan de Hoevenstraat 4.

Vermeld dient te worden dat er binnen deze afstand in de huidige situatie geen geluidsgevoelige bebouwing aanwezig is. In de bestaande situatie is er

19

sprake van een intensieve veehouderij waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter voor geluid. Er vindt dus door onderhavig plan een verkleining van de richtafstand plaats (van 50 meter naar 30 meter). Hierdoor wordt de schutterij aan de Hoevenstraat 4 niet meer beperkt dan dat momenteel al het geval is. Conclusie Er kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering de omliggende bedrijven geen beperkingen opleveren voor de functiewijziging van de bestaande woning. Een acceptabel woon- en leefklimaat kan wat dat betreft ter plaatse van het plangebied gewaarborgd worden. Anderzijds worden door de nieuwe woonbestemming deze andere bedrijven niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt daar het een bestaande woning betreft. Tot slot leidt de caravanstalling niet tot een negatieve invloed ter plaatse van woningen en/of andere geluidgevoelige objecten van derden, daar de milieu-impact van een caravanstalling op gevoelige objecten vele malen kleiner is dan die van een intensieve veehouderij. Daardoor is dus altijd sprake van een verbetering.

5.2 Kabels, leidingen en straalpaden Volgens de vigerende beheersverordening of de kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg komen op, of in de directe omgeving van, het plangebied geen kabels of leidingen voor, met een dusdanige beschermingszone dat zij de ontwikkeling belemmeren. Andersom betekent het dat de ontwikkeling geen belemmering veroorzaakt voor aanwezige kabels of leidingen.

5.3 Geurhinder en veehouderijen Door de geurproblematiek rondom intensieve veehouderijen speelt geur een belangrijke rol in de milieuwetgeving. Om dit aspect te kunnen reguleren bestaat de Wet geurhinder en veehouderij (verder: Wvg). De Wgv dient in het belang van de bescherming van het milieu. De wet biedt binnen gestelde voorwaarden bescherming tegen geurhinder. De Wgv en de bijborende Regeling geurhinder en veehouderij (verder: Rgv) vormen samen het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Voorgrondbelasting Qua voorgrondbelasting is de pluimveehouderij aan de Marisstraat 11 de maatgevende veehouderij. Op basis van Artikel 3 van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. De daadwerkelijke afstand tot aan de pluimveehouderij aan de Marisstraat 11 bedraagt circa 250 meter. Daarmee wordt voldaan aan de minimumafstand van 50 meter.

Daarnaast is in paragraaf 5.1.5 ook gemotiveerd dat wordt voldaan aan de VNG-richtafstand ten aanzien van het aspect geur én zijn tussen de locatie Marisstraat 11 en Hoevenstraat 2 meerdere burgerwoningen gelegen die eerder beperkend zijn voor het bedrijf aan de Marisstraat 11 dan de woning aan de Hoevenstraat 2. Qua voorgrondbelasting kan dus gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling.

20

Achtergrondbelasting Aangezien de woning aan de Hoevenstraat 2 wijzigt van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning zal beoordeeld moeten worden of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Op basis van het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij houdt dat in dat in het buitengebied van Peel en Maas de milieucategorie tot en met ‘tamelijk slecht’ als aanvaardbaar kan worden beschouwd. Uit de MER behorende bij de Structuurvisie IV en glas kan herleid worden dat ter plaatse van de woning aan de Hoevenstraat 2 sprake is van de categorie “matig” tot “redelijk goed”. In de tussenliggende periode is de vergunning van het eigen bedrijf voor het houden van dieren nog ingetrokken. Daarmee verbeterd het woon- en leefklimaat ter plaatse nog. Gezien de belasting in de omgeving lijkt de categorie woon- en leefklimaat dan uit te komen op de categorie “redelijk goed” tot “goed”. Alle voornoemde categorieën zijn te beschouwen als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Afbeelding 7: Uitsnede geurkaart MER behorende bij de Structuurvisie IV en glas.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelmogelijkheden beperkt worden.

5.4 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) beschermt alle in het wild levende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Van deze soortgroepen zijn alleen huismuis, bruine en zwarte rat niet beschermd. Van de vissen, ongewervelde dieren (zoals vlinders, libellen en sprinkhanen) en planten zijn alleen de in de wet genoemde soorten beschermd. De Wnb gaat uit van het “nee, tenzij”-principe. Dit betekent dat alleen onder bepaalde (zeer

21

stringente) voorwaarden een inbreuk mag worden gemaakt op de bescherming van soorten en hun leefomgeving. Daarnaast beschermt de wet niet alleen soorten in het algemeen, maar ook individuen van soorten. Voor ruimtelijke ingrepen die gevolgen hebben voor een beschermde soort en/of zijn leefgebied moet een ontheffing op grond van de Wnb worden aangevraagd. Flora en fauna In de Wet natuurbescherming zijn dier- en plantsoorten beschermd tegen nadelige effecten van menselijk ingrijpen. Indien de gesteldheid van beschermde dieren of planten wordt aangetast dienen er mogelijk maatregelen te worden genomen. Onderhavig planvoornemen behelst enkel het wijzigen van de agrarische bestemming naar de bestemming ‘Wonen’ met een aanduiding voor de caravanstalling. Het planvoornemen behelst geen sloop- en/of bouwwerkzaamheden. Het terrein en de aanwezige gebouwen worden allemaal onveranderd in stand gehouden. Door de bestemmingswijziging worden eventueel aanwezige beschermde dier- en/of plantsoorten dan ook niet verstoord. Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, ligt op ruim 3,6 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de ontwikkeling zijn negatieve effecten op het Natura2000-gebied over deze afstand uit te sluiten.

Op het bedrijf worden geen dieren meer gehouden waardoor er dus geen uitstoot van milieuschadelijke stoffen plaatsvindt. Een vergunning in het kader van de Wnb is om die reden niet benodigd. Voor eventuele andere overlast geldt dat de afstand tot het Natura2000-gebied te groot is om te leiden tot directe negatieve gevolgen. Ten overvloede is een Aerius berekening gemaakt om inzichtelijk te maken of de vervoersbewegingen in de gebruiksfase van de caravanstalling bij een burgerwoning tot depositie van stikstof leiden ter plaatse van Natura2000-gebieden (bijlage 3). Uit deze berekening blijkt dat hier geen sprake van is. Conclusie Het aspect Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.5 Waterhuishouding Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het verplicht een watertoets op te stellen en daarmee het water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven. De watertoets vraagt niet alleen een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die een ontwikkeling heeft, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in een wijziging van de waterhuishoudkundige situatie aangezien geen nieuwe bebouwing wordt opgericht. Onderhavig plan is daarmee waterhuishoudkundig gezien niet relevant.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente

22

Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. In het vigerende bestemmingsplan zijn daarom twee dubbelstemmingen opgenomen voor wat betreft archeologie, ‘Waarde – Archeologie – 4’ en ‘Waarde – Archeologie – 6’. In onderhavig plan wordt deze dubbelbestemming 1 op 1 overgenomen. In een gebied met een hoge archeologische verwachting geldt dat een archeologisch onderzoek benodigd is indien een oppervlakte van meer dan 250 m2 dieper dan 40 centimeter geroerd wordt. In onderhavig initiatief wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. De huidige woning en de bedrijfsgebouwen blijven in stand. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd.

Afbeelding 8: Uitsnede archeologische beleidskaart Peel en Maas

Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart blijken geen cultuurhistorische waarden en/of bebouwing in of in de nabijheid van het plangebied aanwezig te zijn. Het planvoornemen leidt dan ook niet tot negatieve effecten van eventuele cultuurhistorische waarden. Conclusie: Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt daarmee geen beperkende factor voor onderhavig plan.

5.7 Verkeer en parkeren Het plangebied is en blijft ontsloten via de Hoevenstraat. Door de functiewijziging zal er geen toename zijn van het aantal verkeersbewegingen op de Hoevenstraat en omringende wegen. Het aantal bewegingen met zware transporten neemt flink af, daarvoor in de plaats komen een aantal bewegingen met personenauto’s terug.

23

Via de Hoevenstraat is het plangebied uitstekend bereikbaar. De caravanstalling biedt plaats voor stalling van 25 caravans. Deze worden gemiddeld genomen 2x per jaar gehaald en weer gebracht. Dat zijn in totaal 60 inen uitgaande verkeersbewegingen per jaar. Daarbij zal het merendeel van het verkeer arriveren vanuit en weer vertrekken in oostelijke richting over de Hoevenstraat om zich vervolgens op te splitsen in noordoostelijke richting via de Lorbaan en in zuidelijke richting via de Hoogstraat. Via de huidige oprit is het perceel prima toegankelijk. Hier wijzigt niets aan. Op eigen terrein is ruimschoots voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van voertuigen. Op basis van de parkeernorm dienen er minimaal 2 parkeerplaatsen per woning aanwezig te zijn. Op het terrein is daarvoor ruim voldoende ruimte aanwezig.

24

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten verbonden aan de realisering van dit project zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Afspraken, tussen gemeente en initiatiefnemer over planschade zijn vastgelegd in een planschadeverhaalsovereenkomst. De landschappelijke inpassing wordt geborgd in de planregels. Voor de gemeente Peel & Maas zal de ontwikkeling kostenneutraal verlopen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Met de direct omwonenden is onderhavig plan gecommuniceerd. Het gaat hier om de direct omwonenden aan de Hoogstraat en de Hoevenstraat Deze adressen zijn door initiatiefnemer persoonlijk benaderd en op de hoogte gesteld over onderhavig planvoornemen. Zij hebben alle aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het planvoornemen.

25

Beplantingsplan locatie Hoevenstraat 2 te Beringe In het kader van

Het wijzigen van de bestemming

Datum; 25-07-2021 Zaaknummer; 1894/2021/2410953 Document; 1894/2021/2421981

Aanvrager: Mevr. AMC Steeghs-Verstappen Hoevenstraat 2 5986 ND BERINGE

Inleiding Mevrouw AMC Steeghs – Verstappen is gestopt met de intensieve veehouderij in het kader van de Stoppersregeling 2020. En is daarom voornemens haar woning met de huidige “bestemming Agrarisch – Intensieve veehouderij te laten wijzigen naar de bestemming Wonen met opslag (voor eigen materieel) en caravanstalling.

Collegestandpunt Uit analyse is gebleken dat in principe medewerking kan worden verleend aan de wijziging naar de bestemming ‘Wonen met een aanduiding voor caravanstalling’, onder voorwaarden dat: - De locatie landschappelijk wordt ingepast conform het Kwaliteitskader Buitengebied; - Het perceel dient landschappelijk ingepast te worden (10% van de oppervlakte van het bouwvlak Wonen dient ingepast te worden.

De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt 4324 m² Dit komt neer op 432 m² aan landschappelijke inpassing, waarbij het reeds aanwezige landschappelijk groen mag worden meegenomen.

Nieuw aan te leggen beplantingsplan. Breed 9 meter en een lengte van 48 meter met in totaal 6 Hoogstamfruitbomen En op de bodem een kruidenrijke berm

Hoogstam Fruitbomen 2 x Appel ( sterappel )

1 x Peer ( concorde )

1 x pruim ( opal )

2x Kers ( Prunus Avium / spekkers )

Het jaarlijks onderhoud van hoogstam fruitbomen komt neer op bemesten, snoeien en plukken en tussentijds controleren op aantastingen. Daarnaast heeft ook de fruitweide zelf verzorging nodig. Vaak wordt voor bemesting gebruik gemaakt van dierlijke mest.

Kruidenrijke berm Bloemrijk bermmengsel 100% kruiden Eenvoudig, maar breed inzetbaar bloemrijke bermmengsel voor alle gronden. Dit bloemrijk bermmengsel heeft een ingetogen karakter, echter door goed beheer kan er zich een duurzame natuurlijke vegetatie ontwikkelen. Het mengsel bereikt een hoogte van +1-80 cm en is daardoor geschikt voor toeppassing bij wegen en in bermen. Grondsoort: Zaaitijd: Zaaiadvies: Aantal soorten:

Alle grondsoorten Bij voorkeur in het voor- en/of najaar. 10-15 Kg/ha (1 tot 1.5 gram/m2) 22

Samenstelling: Avondkoekoeksbloem Duizendblad Echte kamille Echte koekoeksbloem Fluitenkruid Gewone margriet Grasklokje Herderstasje Incarnaatklaver Klaproos Korenbloem Luzerne Pastinaak peen Rode klaver Rolklaver Sint Janskruid Smalle weegbree Scherpe boterbloem Veldzuring Vlasbekje Witte klaver

Silene latifolia subsp. alba Wit Achillea millefolium Wit Matricaria chamomilla Geel/wit Silene flos-cuculi Roze Anthriscus sylvestris Wit Chrysanthemum Ieucanthemum Wit Campanula rotundifolia Blauw Capsella bursa-pastoris Wit Trifolium incarnatum Rood Papaver rhoeas Rood Centaurea cyanus Blauw Medicago sativa Paars Pastinaca sativa Geel Daucus carota Wit Trifolium pratense Rood Lotus corniculatus Geel Hypericum perforatum Geel Plantago lanceolata Zwart/grijs Ranunculus acris Geel Rumex acetosa Rood Linaria vulgaris Geel Trifolium repens Wit

INZAAI EN ONDERHOUD NATUURMENGSELS BODEMGESTELDHEID EN ZAAIBEDBEREIDING Arme, schralere grond (met zo min mogelijk organische stof) heeft de voorkeur. Start met een schone grond; voorkom en bestrijd ongewenst groen door middel van bijvoorbeeld een vals zaaibed te maken. Een fijnkorrelig zaaibed geeft een vlotte kieming.

BEMESTING Het is aan te bevelen geen stikstofbemesting (N) te geven. Hoe armer de grond, des te rijker de kruidenvegetatie. Regelmatig maaien en afvoeren verschraalt de bodem.

ZAAIZAADHOEVEELHEID Niet afwijken van de aanbevolen zaaizaadhoeveelheid! Hogere zaaidichtheden verstoren de balans van de afzonderlijke soorten.

ZAAIPERIODE Eenjarige mengsels van maart t/m juni en meerjarige mengsels maart t/m mei en september en oktober.

MAAIEN EN AFVOEREN Voor meerjarige mengsels geldt afhankelijk van de groei een of twee keer per jaar maaien; indien u twee keer maait, doe dit dan bij voorkeur rond eind juni en in het late najaar. Gebruik een vingerbalk of een cirkelmaaier (maaihoogte 10 of 15 centimeter). Tekort maaien geeft beschadiging van de rozetten, wat een goede hergroei verslechtert. Laat het maaisel enkele dagen narijpen; dit bevordert een goede verspreiding van de zaden. Regelmatig maaien en afvoeren verschraalt de bodem.

ZAAITECHNIEK Zaai als er voldoende vocht in de grond zit en de bodemtemperatuur niet te laag is. Niet dieper zaaien dan de dikte van de zaden. Na het zaaien licht inwerken of harken en aandrukken. Aanrollen bij een droge periode bevorderd de kieming. Tip: Meng het zaad met scherpzand of gemalen zemelen of vulstof: hiermee vergroot u het volume van het zaaigemak. Tip: Bijzaaien is de eerste jaren noodzakelijk voor een blijvende bloemenweide

Mevrouw AMC Steeghs-Verstappen Beringe 25-7-2021 Gewijzigd 3-10-2021

VERKENNEND BODEMONDERZOEK HOEVENSTRAAT 2 te BERINGE 210573.BKK

Colofon BKK Bodemadvies bv Bezoekadres:

Kruisstraat 6 5768 RW MEIJEL

Postadres:

Postbus 55 5768 ZH MEIJEL

tel: e-mail:

077-4661141 info@bkk-advies.nl

Projectgegevens Projectlocatie: Rapportnummer: Datum rapport:

Beringe, Hoevenstraat 2 210573.BKK 13 augustus 2021

In opdracht van:

De heer D. Steeghs Hoevenstraat 2 5986 ND Beringe

Het veldwerk is onder certificaat EC-SIK-20261 en onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd conform de eisen van de BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 en 2018, door de heer J. Wilms.

Auteur (projectleider): Ing. L.H.M. Hunnekens

Interne controle: Ing. M.L.M. Kessels

Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij BKK Bodemadvies bv een hoge prioriteit. BKK Bodemadvies hanteert daartoe een kwaliteitssysteem volgens de NEN-EN-ISO 9001: 2015, certificaatnummer nr. EC-KWA-00050. Indien u een klacht heeft over de uitvoering van de werkzaamheden binnen de reikwijdte van dit certificatieschema, vernemen wij dat graag zo snel mogelijk van u. Mocht dit niet tot tevredenheid leiden, kunt u zich in tweede instantie wenden tot onze certificerende instelling, Normec Certification b.v. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of BKK Bodemadvies bv.

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ................................................................................................... 1

2.

NADERE GEGEVENS OMTRENT ONDERZOEKSLOCATIE ....................................... 2 2.1. 2.2. 2.2.1. 2.2.2. 2.2.3. 2.2.4. 2.2.5. 2.2.6. 2.2.7. 2.2.8. 2.3. 2.4. 2.4.1. 2.4.2. 2.5. 2.6. 2.7.

3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................................... 9 3.1. 3.2. 3.3.

4.

Hypothese ............................................................................................. 9 Strategie van het onderzoek .................................................................... 9 Asbest................................................................................................... 9 UITVOERING VAN HET ONDERZOEK .............................................................. 10

4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5. 5.

Inleiding .............................................................................................. 10 Veldwerkzaamheden ............................................................................. 10 Veldwaarnemingen ............................................................................... 10 Bemonstering ...................................................................................... 11 Laboratoriumonderzoek ......................................................................... 11 ONDERZOEKSRESULTATEN .......................................................................... 14

5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 6.

Algemeen .............................................................................................. 2 Vooronderzoek ....................................................................................... 2 Bestemmingsplan ................................................................................... 2 Ligging onderzoekslocatie en omgeving ..................................................... 4 Luchtfoto ............................................................................................... 4 Terreininspectie...................................................................................... 4 Historie onderzoekslocatie en omgeving .................................................... 5 Hinderwet- en milieuvergunningen en bouw- en sloopvergunningen.............. 6 Boven- en ondergrondse tanks ................................................................. 6 Ophogingen/dempingen, stortingen/calamiteiten ........................................ 6 Eerder verrichte bodemonderzoeken ......................................................... 6 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................. 6 Bodemopbouw ....................................................................................... 7 Geohydrologische gegevens .....................................................................

7 Grondwaterkwaliteit ................................................................................ 8 Bodembeheerplan................................................................................... 8 Conclusies vooronderzoek ....................................................................... 8

Toetsingskader voor asbest ................................................................... 14 Toetsing en interpretatie analyseresultaten asbest .................................... 14 Toetsingskader algemeen ...................................................................... 14 Toetsingskader Besluit bodemkwaliteit .................................................... 15 Toetsing en interpretatie analyseresultaten .............................................. 16 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................ 19

BIJLAGEN Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII

210573.BKK / LH

Topografische situering Kadastrale gegevens Overzichtstekening Boorprofielen met beschrijvingen Analyserapporten Toetsingsoverzichten analyseresultaten Foto’s onderzoekslocatie

Verkennend bodemonderzoek Hoevenstraat 2 te Beringe

1.

INLEIDING

In opdracht van de heer Steeghs heeft BKK Bodemadvies bv te Meijel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor een locatie gelegen aan de Hoevenstraat 2 te Beringe (gemeente Peel en Maas). Doel van het onderzoek is vast te stellen of de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie verontreinigingen bevat die schadelijk zijn voor de volksgezondheid en/of het milieu in het algemeen en zodoende een belemmering of beperking kunnen vormen voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het onderliggende bestemmingsplan binnen de locatie. Er wordt een globaal inzicht gegeven in de aard, de omvang en de gehalten, c.q. concentraties van mogelijk verontreinigde stoffen in de bodem. Op grond hiervan kan een milieukundige beoordeling van eventuele verontreinigingen worden gegeven. Ook kan een uitspraak worden gedaan over de noodzakelijkheid van een aanvullend of een nader onderzoek. Referentiekader Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse normen "Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek" (NEN 5740/A1) en “Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond” (NEN 5707+C2). Het veldwerk is uitgevoerd onder de BRL SIKB 2000: “Beoordelingsrichtlijn voor veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” met toepassing van de protocollen 2001 (plaatsen van boringen), 2002 (het nemen van grondwatermonsters) en 2018 (onderzoek naar asbest in bodem).

BKK Bodemadvies bv is gecertificeerd voor deze protocollen met het certificaatnummer EC-SIK-20261. Aan de hand van het uitgevoerde vooronderzoek conform de NEN 5725 wordt de hypothese vastgesteld met betrekking tot de te verwachten bodemkwaliteit. Hieruit volgt met behulp van de NEN 5740/A1 de te volgen onderzoeksstrategie. De opdrachtnemer “BKK Bodemadvies bv” waarborgt dat aan de functionele scheiding, zoals bedoeld in paragraaf 3.2.7 van BRL SIKB 2000 (versie vigerend) wordt voldaan en dat er geen opdrachten worden uitgevoerd indien de eigenaar van de onderzoekslocatie tot de organisatie van de opdrachtnemer behoort. Afbakening van het onderzoek Hoewel tijdens het onderzoek naar een zo groot mogelijke representativiteit wordt gestreefd, is steeds het risico aanwezig dat eventuele locale afwijkingen in het bodemmateriaal niet worden gedetecteerd. Het onderzoek is namelijk gebaseerd op een beperkt aantal boringen en een beperkt aantal chemische analyses. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Nadien kan mogelijk door externe factoren de bodemkwaliteit veranderen. Aan het resultaat van het onderzoek kan derhalve geen absolute waarde worden toegekend. Opbouw van het rapport In het voorliggende rapport worden de bevindingen van het verkennend bodemonderzoek weergegeven.

Hoofdstuk 1 betreft de inleiding en in hoofdstuk 2 worden nadere gegevens omtrent de onderzoekslocatie weergegeven. Hoofdstuk 3 geeft het onderzoeksprogramma weer en in hoofdstuk 4 wordt de uitvoering van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 5 zijn de onderzoeksresultaten gepresenteerd en in hoofdstuk 6 zijn tenslotte de conclusies en aanbevelingen weergegeven.

210573.BKK / LH

1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=6f72d492-eae5-49c4-a921-ed95a579cb60