2022-078 03 Toelichting ontwerp Baarloseweg 49, 50, 50a Helden.pdf
Tekst van het document
Milieuaspecten Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Baarloseweg 49 Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat bij een functiewijziging van, in dit geval een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden, het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek2 kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd ten aanzien van bodemverontreiniging. Binnen het vooronderzoeksgebied is verder geen sprake van deellocaties welke verdacht zijn ten aanzien van bodemverontreiniging. Baarloseweg 50/50a De ontwikkeling op deze locatie voorziet niet in een bestemmingswijziging van de gronden maar slechts in het toekennen van de aanduiding ‘plattelandswoning’. De voormalige bedrijfswoningen betreffen reeds gevoelige functies, het gebruik hiervan wordt niet gewijzigd. Een bodemonderzoek voor deze locaties is derhalve niet noodzakelijk.
Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de
2 Vooronderzoek bodem, HMB groep (d.d. 12 mei 2022, kenmerk: 22245801H)
Ontwerp
22
bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’ aangezien de locatie is gelegen in een bebouwingslint in het buitengebied met een diversiteit aan functies. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verkleind. De nieuwe woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving.
Ter plaatse van het plangebied of de locaties dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving (straal van 250 meter) is geïnventariseerd aan de hand van de toegestane milieucategorie en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Bedrijf
Adres
SBI2008
Grondgebonden agrarisch bedrijf Glastuinbouwbedrijf
Baarloseweg 48 W-504
011, 012, 013
Paardenhouderij (+ akkerbouw)
Oude dijk 3
143
Glastuinbouw (boomteelt in kas)
Baarloseweg 45 a-b
011, 012, 013
Boomkwekerij
Baarloseweg 53a
011, 012, 013
Aan te houden afstanden Grootste richtafstand: 50 meter (geur) Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 30 meter Stof 10 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter
Afstand tot Baarloseweg 49 12 meter
Afstand tot Baarloseweg 50/50a 12 meter
45 meter
Eigen bedrijf
65 meter
150 meter
90 meter
170 meter
230 meter
190 meter
* Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, melkveehouderij of een paardenhouderij. Derhalve is er gekeken naar de grootste richtafstand.
Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is één hindercontour die het plangebied overlapt; de contour voor geur (bij melkvee- of paardenhouderij) van het aan de overzijde van de Baarloseweg gelegen grondgebonden agrarische bedrijf. Voor het aspect geur geldt echter de bijzondere regeling in het kader van de Wet geurhinder veehouderijen (Wgv). In het kader van de Wgv geldt een minimale afstand van 50 meter van een (nieuw) dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object in het buitengebied. Een nieuw dierenverblijf dient in de huidige situatie reeds op een afstand van 50 meter van de woningen te worden gerealiseerd, dit blijft gehandhaafd in de gewijzigde planologische situatie. Het grondgebonden agrarische bedrijf heeft geen negatieve consequenties op het woon- en leefklimaat van de woningen.
Ontwerp
23
Daarnaast dient er gekeken te worden naar de relatie tussen de woning Baarloseweg 49 welke bestemd wordt als burgerwoning en de woningen Baarloseweg 50-50a welke weliswaar de aanduiding ‘plattelandswoning’ krijgen maar hierdoor de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ blijven behouden. Feitelijk gezien bestaat er de mogelijkheid om hier in de toekomst glastuinbouwopstanden en/of bedrijfsbebouwing op te richten. Gelet op de afstand tussen de percelen, zijnde 0 meter, zou dit niet voldoen aan de gestelde richtafstand voor glastuinbouw van 10 meter. Echter dient er bij oprichting van nieuwe glasopstanden en/of bedrijfsbebouwing rekening te worden gehouden met de reeds bestaande bebouwing, al dan niet een bedrijfswoning. Derhalve veranderd de situatie niet met het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. In de huidige en toekomstige situatie dient er rekening gehouden te worden met de woning. Derhalve vormt deze bestemmingswijziging geen belemmering voor de omliggende bedrijven. Omliggende bedrijven vormen verder geen belemmering voor de bestemmingswijziging en er is in de woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de omliggende bedrijven niet belemmerd daar de voorgenomen wijziging betrekking heeft op twee bestaande woningen, waarmee omliggende bedrijven reeds rekening moeten houden bij eventuele ontwikkelingen.
Bedrijven en milieuzonering in relatie tot het eigen bijbehorende bedrijf In planologisch opzicht blijven de woningen Baarloseweg 50 en 50a deel uitmaken van het bijbehorende agrarische bedrijf. Het glastuinbouwbedrijf waar de woningen voorheen bij hoorden, ondervindt derhalve geen nadeel van de aanduiding als plattelandswoning. Derhalve hoeft er ook geen rekening te worden gehouden met geur- en geluidhinder afkomstig vanuit het eigen bedrijf. Dit bedrijf is dan ook niet in beoordeeld voor wat betreft de locaties Baarloseweg 50 en 50a. Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. Bij onderhavige bestemmings- en gebruikswijziging is géén sprake van het realiseren van nieuwe geluidgevoelige functies. In de bestaande en nieuwe situatie is sprake van de activiteit wonen. Het maakt daarbij niet uit of de woningen danwel bedrijfswoningen, burgerwoningen of plattelandswoningen betreffen.
Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege (spoor)wegverkeer is derhalve niet noodzakelijk. Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,3 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,8 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,1 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³.
Ontwerp
24
Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Effect op luchtkwaliteit De AMvB ‘NIBM’ legt vast, wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een ontwikkeling NIBM, als aannemelijk is dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Er is in dit geval geen sprake van een toename van PM10 of NO2, aangezien er sprake is van bestaande bedrijfswoningen waarvan alleen het soort bewoning wijzigt naar burgerwoning en plattelandswoningen. Deze bestemmings- en gebruikswijziging valt daarom onder de 3% grens voor PM10 of NO2. De bestemmings- en gebruikswijziging draagt dan ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? Goed woon- en leefklimaat De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door Wgv vastgesteld op 14 OU/m³ (voorgrondbelasting).
Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m³ mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De woningen binnen het plangebied kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderij in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevindt zich de volgende veehouderij: ▪ Een paardenhouderij aan de Oude Dijk 3, op een afstand van 65 respectievelijk 150 meter van het plangebied; De afstand van deze veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (paarden), tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Cumulatieve geurbelasting Ontwerp
25
Middels het programma ‘V-Stacks gebied’ (zie bijlage) is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrond belasting weergegeven. Nummer Baarloseweg 49 Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt Baarloseweg 50/50a Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt
X-coördinaat
Y-coördinaat
Berekende waarde
199831 199917 199915 199828 199874
371339 371332 371286 371252 371298
5,0 4,3 4,2 5,2 4,7
199918 199978 199976 199915 199948
371368 371365 371270 371267 371317
4,1 3,8 3,7 4,3 4,0
De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 3,7 en 5,2 OU/m³. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgv geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft Wgv geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv (welke gaat over de beoordeling van ruimtelijke plannen, aanvulling 23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling 1 mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordeling van ruimtelijke plannen. Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van de verspreidingsmodel ‘V-stacks gebied’ en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is. Milieukwaliteit
Geur gehinderden
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
< 5% 5-10% 10-15% 15-20% 20-25% 25-30% 30-35% 35-40%
Voorgrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 1,5 1,5-3,8 3,8-6,6 6,6-10 10-14,2 14,2-19,2 19,2-25,3 25,3-32,8
Achtergrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 3,1 3,1-7,4 7,4-13,1 13,1-20 20-28,3 28,3-38,5 38,5-50,7 > 50,7
Concluderend kan derhalve het volgende gesteld worden; in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt toetsing plaats aan de wettelijke norm van 14 OU/m³ voor buiten de bebouwde kom. De norm voor buiten de bebouwde kom valt in de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht” (10,0 tot 14,2 OU/m³). Op grond hiervan wordt afgeleid dat buiten de bebouwde kom een milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht” aanvaardbaar is. Als deze wettelijke normen worden doorgetrokken naar de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat buiten de bebouwde kom bij een norm gelegen in Ontwerp
26
klasse 20 – 28,3 OU/m³ (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 5,2 OU/m³. Op basis van bovenstaande motivatie is er dan sprake van een milieukwaliteitsklasse “goed”, waardoor gesteld kan worden dat de veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Effect voor veehouderijen in de omgeving Hierboven is gemotiveerd dat, om een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen, de afstand tussen een grondgebonden veehouderij, waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, en geurgevoelig object minimaal 50 meter dient te bedragen (afstand tussen emissiepunten veehouderij en een geurgevoelig object). Indien geurgevoelige objecten dichter dan 50 meter bij een veehouderij worden opgericht zullen deze geurgevoelige objecten de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden binnen een agrarisch bouwvlak van betreffende veehouderij belemmeren. Het is dan namelijk niet toegestaan voor betreffende veehouderij emissiepunten te realiseren. De afstand van de veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het projectgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten Ontwerp
27
wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen risicobronnen gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.
Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.
Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Door de bestemmingswijziging alsmede de gebruikswijziging worden eventuele aanwezige beschermde dieren- of plantensoorten niet verstoord. De woningen blijven immers fysiek zoals bestaand, in stand. Derhalve heeft de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten op de flora en fauna ter plaatse van het plangebied. Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Duitse gebied Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald und Meinweg, is gelegen op een afstand van 8,5 kilometer tot het plangebied. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000-gebied te boordelen. Ontwerp
28
Gezien de forse onderlinge afstand heeft de bestemmingswijziging en gebruikswijziging van de reeds bebouwde locaties geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc.) voor het Natura2000gebied. Derhalve vormt het aspect natuur geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, de Provinciale Omgevingsvisie, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat ▪ voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de kaarten behorende bij de Provinciale Omgevingsvisie gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een matige bodemdoorlaatbaarheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag.
Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLGHG) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper dan 1,2 - mv is gelegen.
Ontwerp
29
Oppervlaktewater In het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Ten noorden van het plangebied, op een afstand van 140 meter van het plangebied, stroomt de Kwistbeek, een primaire watergang van het waterschap. Op deze watergang is de Keur van waterschap van toepassing. Afvalwater / riolering De bestaande woningen zijn reeds aangesloten op het gemeentelijk drukrioleringssysteem. Hier is enkel het vuile afwaterwater op aangesloten. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Provinciale Omgevingsvisie. Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in een wijziging van de waterhuishoudkundige situatie. Derhalve is onderhavig plan is daarmee waterhuishoudkundig gezien niet relevant. Opgemerkt wordt dat het hemelwater, overeenkomstig de huidige situatie, via de bestaande bebouwing op het maaiveld terecht komt. Op het maaiveld krijgt het hemelwater de mogelijkheid te infiltreren. Dit leidt in de huidige situatie niet tot overlast op het eigen of aangrenzende percelen. Concluderend kan gesteld worden dat door de bestemmingswijziging geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ toegekend. Een klein deel van de locatie Baarloseweg 49 is tevens voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Archeologie 3 In de archeologische dubbelbestemming zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 250 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte.
Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien het te verstoren oppervlakte meer dan 2500 m² bedraagt. Archeologie 4 In de archeologische dubbelbestemming zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 250 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd
Ontwerp
30
wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien het te verstoren oppervlakte meer dan 250 m² bedraagt. Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in grondwerkzaamheden, het betreft louter een bestemmings- en gebruikswijziging van reeds bestaande bebouwing. Derhalve wordt de ondergrens voor archeologisch onderzoek niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet benodigd. Wel wordt de archeologische dubbelbestemming in dit bestemmingsplan gehandhaafd. Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In de Provinciale Omgevingsvisie is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in Provinciale Omgevingsvisie is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère.
De Provinciale Omgevingsvisie schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er in de nabijheid van het plangebied de volgende cultuurhistorische elementen: ▪ Een boerderij aan de Baarloseweg 47; ▪ Een woonhuis aan de Baarloseweg 51; ▪ Een kruis ter hoogte van de kruising Baarloseweg Oude Dijk; ▪ Een boerderij aan de Baarloseweg 43; ▪ Een woonhuis aan de Baarloseweg 39. De boerderijen en woonhuizen zijn allen opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de provincie Limburg. Deze objecten zijn allen in de bouwstijl; Traditionalisme en zijn van belang omdat ze een specimen van een bouwtraditie betreffen. In het kader van de beoogde ontwikkeling betreft het slechts een functionele wijziging, hiermee gaan geen bouwwerkzaamheden gepaard. Het initiatief heeft derhalve geen nadelige effecten op cultuurhistorische waarden.
Verkeer en parkeren Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer De bestemmings- en gebruikswijziging van bedrijfswoningen naar burgerwoning en plattelandswoningen veroorzaakt geen toename van de verkeersgeneratie, de activiteit blijft wonen. Dit geldt voor alle locaties. Logischerwijs is er dan ook geen sprake van een af- of toename van verkeersbewegingen. Parkeren Om de nieuwe parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Peel en Maas. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het ‘Parapluplanbestemmingsplan Parkeernota Peel en Maas’, d.d. 19
Ontwerp
31
juni 2018. Voor een woonhuis buiten de bebouwde kom geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen. Dit wil zeggen dat bij elke woning minimaal 2 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Alle locaties zijn reeds voorzien van voldoende parkeerplaatsen. Derhalve kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte ter plaatse van het plangebied.
Ontwerp
32
JURIDISCHE ASPECTEN Het voorliggende bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan “1e reparatieherziening bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas”.
Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Baarloseweg 49 De locatie Baarloseweg 49 is volledig bestemd tot ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn voorzien van een bouwvlak. Het hoofdgebouw (zijnde de woning) en bijgebouwen dienen binnen dit bouwvlak te worden opgericht. Aan de gehele locatie is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Baarloseweg 49’ toegekend zodat de beschreven landschappelijke inpassing van de locatie planologisch geborgd is in het bestemmingsplan. Tevens is voor het gehele plangebied voorzien van de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – ontwikkelingszone bebouwingslinten’ en ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied 3 bd’.
Eveneens is op een groot deel van de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ en voor een klein deel ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen, alsmede de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal buiten de kernen’ voor de gehele locatie zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is. Baarloseweg 50/50a Op locatie Baarloseweg 50/50a blijft de vigerende bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ met bouwvlak behouden. Ook de aanduidingen ‘bedrijfswoning uitgesloten’ en ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ blijft gehandhaafd. Ter plaatse van de woningen Baarloseweg 50/50a is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – plattelandswoning’ opgenomen waarmee de woningen bewoond kunnen worden door derden zonder functionele binding met het agrarische bedrijf. Aan de gehele locatie is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Baarloseweg 50/50a’ toegekend zodat de beschreven landschappelijke inpassing van de locatie planologisch geborgd is in het bestemmingsplan. Tevens is voor het gehele plangebied voorzien van de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – ontwikkelingszone bebouwingslinten’ en ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied 3 bd’.
Eveneens is op een deel van de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen, alsmede de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal buiten de kernen’ voor de gehele locatie zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is. Overige gronden
Ontwerp
33
Op de resterende gronden, zijnde de gronden behorende bij het glastuinbouwbedrijf, zijn in het kader van onderhavige ontwikkeling geen wijzigingen aangebracht. De daar geldende enkel- en dubbelbestemmingen en functie- en gebiedsaanduidingen zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is blijven van toepassing.
Toelichting op de planregels Dezelfde regels als uit het moederplan zijn voor de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ en ‘Wonen’ van toepassing, alsook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – beekdalen buiten de kernen’ en ‘Waarde – oude bouwlanden’.
Ontwerp
34
UITVOERBAARHEID EN PROCEDURE Economische uitvoerbaarheid De bestemmings- en gebruikswijziging geschiedt geheel voor rekening van de initiatiefnemers. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn eigendom van de initiatiefnemers. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Planschade is geregeld in een tussen de gemeente Peel en Maas en de initiatiefnemers afgesloten overeenkomst. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Peel en Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemers.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Inspraakprocedure Het voorontwerpplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het vooroverleg zal het plan aangeboden worden aan de betrokken instanties. Zodra deze resultaten bekend zijn, zullen deze verwerkt worden. PM Omgevingsdialoog In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de buurtbewoners ingelicht over de plannen. Een verslag van deze omgevingsdialoog is als bijlage toegevoegd aan deze toelichting. Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft van PM t/m PM voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.
Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgesteld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze procedure houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan na behadeling in het college van burgemeesters en wethouders wordt gepubliceerd in een in de gemeente verspreid huis aan huis-blad en op de gemeentelijke website en zes weken ter inzage wordt gelegd. Eenieder kan in die zes weken zijn of haar zienswijze kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen moet het college van burgemeesters en wethouders het bestemmingsplan vaststellen. Daarbij worden de eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreek beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het vastgestelde bestemmingsplan treedt daags na aflopen van de beroepstermijn in werking.
Ontwerp
35
Achtergrondbelasting Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1 199831.0 371339.0
20.000
5.091
2 199917.0 371332.0
20.000
4.391
3 199915.0 371286.0
20.000
4.242
4 199828.0 371252.0
20.000
5.214
5 199874.0 371298.0
20.000
4.783
6 199918.0 371367.0
20.000
4.137
7 199978.0 371365.0
20.000
3.815
8 199976.0 371270.0
20.000
3.771
9 199915.0 371267.0
20.000
4.355
10 199948.0 371317.0
20.000
4.017