CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-050 06 Toelichting bestemmingsplan Langstraat 18 Meijel.pdf

Raad 7 juni 2022, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Paardenhouderij Langstraat 18 in Meijel” (2022-050)14.609 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het vuilwater afkomstig van de nieuwe bedrijfsbebouwing zal worden aangesloten op het vuilwaterriool via de bestaande aansluiting. Gezien het aantal mensen dat binnen de locatie aanwezig is kan verwacht worden dat de capaciteit van het bestaande riool voldoende groot is. Het vuilwater van de huisvesting van de ruiters, grooms en/of stagiaires, de ontvangstruimte voor de gasten en de bestaande voorzieningen zoals toiletten en kantoorruimte wordt geloosd op de gemeentelijke drukriolering. Voor het lozen op de drukriolering geldt een norm van maximaal 1 m 3 per uur. In een worst-case scenario zijn er maximaal 25 gasten gelijktijdig op de locatie aanwezig. Volgens het CBS wordt er per inwoner ongeveer 300 liter afvalwater per dag geloosd (inclusief afvalwater van bedrijven en hemelwater). Uitgaande van 25 personen die maximaal aanwezig zijn binnen de locatie zou de hoeveelheid uitkomen op 7.5 m3 afvalwater per dag. Stel dat het afvalwater verspreid over 12 uur per dag vrijkomt, komt er per uur 0.625 m3 afvalwater vrij. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er in dit geval geen hemelwater en bedrijfsafvalwater op het riool geloosd wordt. De daadwerkelijk te lozen hoeveelheid zal daarom aanzienlijk lager zijn. Er zal daarmee geen overbelasting van het gemeentelijke riool plaatsvinden. Verder zal geen gebruik gemaakt worden van uitlogende materialen zoals zink en koper.

De paardenmest wordt opgeslagen in opslag met afdekking zodat geen hemelwater met meststoffen in de infiltratievoorziening / bodem terecht komt Het bestuur van het waterschap heeft op 10 mei 2006 besloten dat gemeenten een aantal ruimtelijke plannen niet meer voor een wateradvies naar het watertoetsloket van het waterschap hoeven te sturen, dit geldt voor plannen tot 2.000 m² nieuw verhard oppervlak welke niet binnen een aandachtsgebied vallen. Voor ruimtelijke plannen boven de 2.000 m² toename verharding dient de watertoets uitgevoerd te worden welke door het waterschap akkoord bevonden dient te worden. Zowel de gemeente als het waterschap maken hierbij gebruik van dezelfde uitgangspunten.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

24

Momenteel is er 9.436 m2 aan bebouwing en 4.934 m2 erfverharding aanwezig op de locatie. In de toekomstige situatie zal er geen sprake zijn van een toename van méér dan 2.000 m² verharding. Voor de opvang van hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak zal overigens wel een wadi (met een oppervlakte van ca. 900 m2) worden gerealiseerd. Voor de beoogde situatie is de ‘Vergunningchecker’ ingevuld van het Waterschap Limburg. De uitkomst hiervan is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 3). Uit de vergunningchecker volgt dat er geen juridische verplichtingen zijn voor onderhavig initiatief. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Onderhavige locatie is, zoals te zien in onderstaande afbeelding, niet gelegen in de ecologische hoofdstructuur. Wel grenst de Langstraat 18 aan een beek met specifiek ecologische functie en een bos en natuurgebied. Doordat onderhavige ontwikkeling buiten deze zones zijn gelegen en er geen ingrepen plaatsvinden, blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

25

Plangebied

Afbeelding 12: uitsnede kaart ‘Groene waarden’ (bron: provincie Limburg) Het bedrijf is niet gelegen in of nabij gebieden welke zijn aangewezen met de structuur NNB. Er vinden daarom geen nadelige gevolgen plaats op NNB-gebieden.

4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Groote Peel en Deurnsche Peel & Mariapeel. De provincie Limburg heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Groote Peel, dat op een afstand van circa 1,5 kilometer ligt van het plangebied. De uitbreiding van de veehouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

26

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het bedrijf was in het bezit van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming d.d. 0502-2015. Na een gedeeltelijke intrekking is er een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming van 3.200 nertsen wat overeen komt met 800 kg NH 3. Deze laatste vergunning is als separate bijlage opgenomen bij deze toelichting (bijlage 4). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening gemaakt tussen de uitgangssituatie en de beoogde bedrijfsopzet.

Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in bijlage 5, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht. Overige storingsfactoren De beoogde bedrijfsontwikkeling leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.

Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat:

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

27

-

Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

Gelet op de aard van het initiatief aan de Langstraat 18 te Meijel, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de bedrijfslocatie, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Er is door M&A Omgeving BV een Quick scan Flora en fauna uitgevoerd. Het rapport hiervan (d.d. 16 februari 2021, rapportnummer 221-MLa18-nw-v1) is als separate bijlage bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6). In dit rapport wordt onder andere het volgende geconcludeerd: Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor verblijfplaatsen van fauna. Door de sloop van de sheds en loods en het realiseren van de paardenhouderij wordt het karakter van het gebied positief beïnvloed. Het open karakter in de omgeving wordt versterkt door de sloop van de bebouwing. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen het plangebied is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving. De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond.

Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

28

Plangebied

Afbeelding 13: kaart zeer kwetsbare gebieden (bron: provincie Limburg) Er is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak. 4.5 Bodemkwaliteit De bodemkwaliteit ter plaatse moet geschikt zijn voor het beoogde gebruik. In de huidige situatie is sprake van een agrarisch bedrijf, in de toekomstige situatie is dit ook het geval. Het betreft derhalve geen wijziging naar een gevoeliger gebruik. Voor het aspect bodemkwaliteit zijn er geen aanvullende onderzoeken noodzakelijk en vormt het derhalve geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: ‘Verdrag van Malta’) regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz).

De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is thans vastgelegd in de Erfgoedwet deze is op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de bodem, te behouden.

Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

29

Op 28 juni 2011 heeft de gemeenteraad van Peel en Maas het gemeentelijke archeologiebeleid en de beleidskaart archeologie vastgesteld. Dit beleid is tevens overgenomen in het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Peel en Maas, bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” welke is vastgesteld op 5 februari 2013. Dit is dan ook het vigerende beleid omtrent archeologie. De gronden ter plaatse van het plangebied zijn gedeeltelijk nader bestemd met archeologische waarden, dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 5’ is hierbij van toepassing. Ter plaatse van de te realiseren paardenbakken en paddocks is geen dubbelbestemming voor archeologie van toepassing. Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van onder andere het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst en tevens de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van minder dan 2500 m². Deze regels zullen ook in de beoogde situatie van toepassing blijven, en zijn ook als zodanig opgenomen in de regels van voorliggend bestemmingsplan. Het aspect archeologie zal geen belemmering vormen voor dit initiatief.

Voor wat betreft cultuurhistorie en aardkundige waarden, zijn er ter plaatse van het plangebied geen specifieke waarden of aanduidingen opgenomen in het vigerende beleid. Een nadere toetsing van deze aspecten is derhalve niet noodzakelijk. 4.7 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke plannen is het van belang dat het initiatief tevens passend is in de omgeving van het bedrijf, waarbij landschappelijke inpassing een grote rol speelt. Naar aanleiding van het bedrijfsontwikkeling aan de Langstraat 18 te Meijel, dient het initiatief tevens te voorzien van een goede en robuuste landschappelijke inpassing. De landschappelijke inpassing van het initiatief aan de Langstraat 18 te Meijel is afgestemd op de kernkwaliteiten en kenmerken van het ter plaatse aanwezige landschap. Er is hiervoor een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke als separate bijlage is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 2). Hierna volgt een beschrijving van de landschappelijke inpassing, zoals ook opgenomen in bijlage 2.

Huidige situatie

De locatie is gelegen ter plaatse van een grootschalig open veenontginningslandschap. Landschappelijke kenmerken van deze locatie en de omgeving rationele strakke verkaveling (rechte wegen, sloten, bomenrijen) en de verre doorzichten. De groenstructuur vormt een strak ingericht patroon van bomenrijen langs de asfaltwegen met een aantal bomenrijen die dwars op de weg staan. Aan de overkant van de Langstraat bevindt zich zo’n eikenlaan die dwars op de weg staat.

Beoogde situatie

Als entree wordt een bomenlaantje aangeplant van vijf landschapsbomen. Om het plangebied groen af te bakenen, en de voorzieningen onderling af te bakenen, worden beukenhagen geplant in en rond het plangebied. Langs de westzijde van het plangebied wordt een bomenrij geplant, dwars op de Langstraat, om aan te sluiten bij de ‘oorspronkelijke’ bomenrijen in dit gebied (visueel-ruimtelijk en cultuurhistorische kernkwaliteit). Ook wordt door deze bomenrij de openheid van het gebied gehandhaafd. Langs de bestaande sloot worden natuurlijke oevers aangebracht voor de landschapsecologie (groene karakter) en om het reliëf in het landschap te benadrukken. Langs de zandweg worden plukhagen en een bloemen kruidenrijk grasland voorgesteld. De cultuurhistorische lijn worden op deze manier benadrukt. Ten slotte wordt er een buffering en infiltratievoorziening aangelegd. Deze nieuwe groenstructuren in het landschap versterken de eigen kernkwaliteiten van het gebied. Gezien voorgaand wordt voorkomen dat de vier genoemde kernkwaliteiten die horen bij de Bronsgroene landschapszone wordt aangetast. De beoogde landschapselementen zorgen juist voor een versterking van de kwaliteiten en het landschapsbeeld van deze ontginning.

Door deze landschapsversterkende maatregelen wordt de ruimtelijke vormgeving van de gebouwen verzacht en gedeeltelijk aan het zicht onttrokken en sluit het aan op het open landschap.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

30

4.8 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Een paardenhouderij behoort tot milieucategorie 3.1. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, is de richtafstand 50 meter (zie navolgende tabel). De dichtstbij gelegen woning van derden (Langstraat 17; dit betreft een nertsenhouderij) bevindt zich op een afstand van ca. 115 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Langstraat 18 te Meijel. Het bouwvlak van het bedrijf aan de Langstraat 17 is op ca. 30 meter gelegen van het bouwvlak van de initiatieflocatie.

Tabel 1: richtafstanden conform ‘Bedrijven en Milieuzonering’ Omschrijving Fokken en houden van overige graasdieren: paardenfokkerijen SBI 0143,0145 Fokken en houden van overige dieren: nertsen en vossen SBI 931.E

Geur 50

Stof 30

Geluid 30

Gevaar 0

200

30

30

0

De richtafstand conform “Bedrijven en Milieuzonering” is voor alle intensieve veehouderijen gelijk (varkens kippen en overige dieren). Voor stof en geluid geldt voor paardenhouderijen een richtafstand van 30 meter. Hier wordt derhalve aan voldaan. Met betrekking tot geur en/ of vaste afstanden valt het bedrijf binnen de 50 meter van een bouwvlak van derden; het betreft hier de locatie Langstraat 17. De afstand van 50 meter geldt in de Wet geurhinder veehouderij als vaste afstandsnorm voor veehouderijen onderling. Alle gevoelige bestaande bebouwing, maar ook beoogde bebouwing voldoet aan de geldende afstandsnorm voor de intensieve veehouderij. Op deze manier kan gemotiveerd worden afgeweken van de gestelde richtafstand van 200 meter voor geur voor de nertsenhouderij. Uit paragraaf 4.9 blijkt tevens dat er wordt voldaan aan de wetgeving en dat er een aanvaardbare milieukwaliteit aanwezig is ter plaatse van de geurgevoelige objecten, in de beoogde situatie. Om te garanderen dat er binnen een afstand van 50 meter vanaf het bouwvlak van Langstraat 17 geen activiteiten plaatsvinden die belemmerd kunnen zijn voor deze locatie, zal er een ‘milieuzone – geurzone’ worden toegevoegd. Binnen deze zone mogen geen geurgevoelige objecten of dierverblijven worden opgericht. Derhalve

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

31

wordt naar aanleiding van onderhavig initiatief geen hinder verwacht met betrekking tot bedrijfshinder. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.9 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Peel en Maas heeft geen verordening vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen. In de Wgv is voor paardenhouderijen (dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld) een minimale afstand voorgeschreven van 50 meter (buiten bebouwde kom) tussen het emissiepunt van een stal waar dieren worden gehouden en een geurgevoelig object. Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft de bedrijfswoning aan de Langstraat 17. Deze woning is op een afstand van ca.

115 meter tot de rand van het beoogde bouwvlak gelegen. Binnen de afstand van 50 meter ten opzichte van het beoogde bouwvlak zijn geen andere gevoelige objecten gelegen. Aan de minimale voorgeschreven afstand van 50 meter wordt voldaan. De bedrijfswoning blijft ongewijzigd op het plangebied en is reeds getoetst in het vigerende bestemmingsplan. Met betrekking tot de logiesfaciliteit kan, gezien er kan worden voldaan aan de gestelde afstanden, worden geconcludeerd dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zijn. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen. 4.10

Luchtkwaliteit

4.10.1 Niet in betekenende mate

De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: -

Er is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project NIBM.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

32

De regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Voor woningbouw geldt dat een project IMB is wanneer er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. In de bestaande planologische situatie is reeds sprake van een agrarisch bedrijf. Het plan bestaat uit het wijzigen van de diersoort, en het vergroten van het bouwvlak. Voor de huidige diersoort (nertsen) was wel een emissiefactor voor fijnstof vastgesteld. Voor de gewenste diersoort (paarden) is geen emissiefactor vastgesteld. De diersoortwijziging en de beperkte vergroting van het bouwvlak is zo klein van aard, dat aangenomen kan worden dat dit NIBM is.

4.10.2 Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de planlocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,73 μg/m3, voor PM2,5 9,117 μg/m3 en voor NO2 10,24 μg/m3, zie resp. afbeelding 14, 15, 16. Onderhavig initiatief is overigens geen nieuw gevoelig object in het kader van luchtkwaliteit. Plangebied

Afbeelding 14: uitsnede GCN-kaart PM10, gegevens 2021 (bron: Geodata RIVM)

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

33

Plangebied

Afbeelding 15: uitsnede GCN-kaart PM2,5, gegevens 2021 (bron: Geodata RIVM)

Plangebied

Afbeelding 16: uitsnede GCN-kaart NO2, gegevens 2021 (bron: Geodata RIVM) Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11 Geluid Op 1 januari 2007 is de (gewijzigde) Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Op basis van de VNG publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ geldt er voor een paardenhouderij ten aanzien van geluid een richtafstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde woning (bedrijfswoning aan de Langstraat 17) is gelegen op een afstand van circa 115 meter (tot de rand van het beoogde bouwvlak). Overige woningen liggen op grotere afstand. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan en kan geconcludeerd worden dat de beoogde paardenhouderij geen hinder veroorzaakt voor de omliggende gevoelige objecten. Onderdeel van het initiatief is de huisvesting van ruiters en grooms op de locatie.

De beoogde huisvesting is gesitueerd ten noorden van de bestaande bedrijfswoning, en is daarmee in vergelijking met de bedrijfswoning op een grotere afstand tot de Langstraat gelegen. Gezien het landelijke karakter en de beperkte aanwezigheid van bebouwing in de omgeving van de planlocatie wordt aangenomen dat ter plaatse alleen bestemmingsverkeer komt. De Langstraat heeft geen doorgaande

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

34

verkeersfuncties. De verkeersintensiteit op de Langstraat is dermate laag dat aangenomen mag worden dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en het binnenniveau van 33 dB in voldoende mate gewaarborgd wordt. De huisvesting van de grooms wordt nieuw gebouwd en zal voldoen aan het bouwbesluit, er zal bij de bouw rekening worden gehouden met het gangbaar geluidsniveau behorende bij de omgeving Tevens is er reeds sprake van een bestaande bedrijfswoning welke op kortere afstand tot de Langstraat is gelegen. In dat kader is op basis van het vigerende agrarische bouwblok reeds een omgevingsvergunning verleent voor de bedrijfswoning. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het initiatief. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen. 4.12

Verkeer en parkeren

4.12.1 Verkeer

Ten aanzien van het verkeer zijn er geen wijzigingen ten opzichte van de huidige planologische situatie. Er is een agrarisch bedrijf aanwezig. In de beoogde situatie is een paardenhouderij voorzien. Mogelijk dat er in de gewenste situatie iets meer verkeersbewegingen zijn, maar nog steeds een beperkte toename ten opzichte van de bestaande situatie. De Langstraat is een landweg die voornamelijk gebruikt wordt voor bestemmingsverkeer en niet voor doorgaand verkeer. De beperkte toename van verkeersbewegingen is geen probleem voor de Langstraat.

4.12.2 Parkeren

Er dient tevens voorzien te zijn in voldoende parkeergelegenheid. De gemeente Peel en Maas heeft, ten behoeve van het parkeerbeleid, het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas opgesteld. Deze is vastgesteld op 19 juni 2018. Het paraplubestemmingsplan heeft tot doel om de ‘Nota parkeernormen Peel en Maas 2018’ van toepassing te laten zijn op vigerende ruimtelijke plannen. Op de initiatieflocatie zullen in totaal 27 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, en daarnaast extra stalling/parkeerplaatsen voor vrachtwagens. Op het inrichtingsplan, zoals opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting, zijn de parkeermogelijkheden weergegeven. Op basis van de Nota parkeernormen Peel en Maas 2018 dienen er voor de max. 25 ruiters/grooms minimaal 18 parkeerplaatsen aanwezig te zijn (bij zelfstandige kamerverhuur is de norm 0,7 per kamer). Hieraan wordt voldaan. Er zijn verder nog 9 parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers/gasten. Dit is meer dan voldoende. De parkeercapaciteit voor zowel personenauto’s als voor vrachtverkeer is daarmee ruim voldoende. Dit wordt tevens geborgd in de regels. Gezien bovenstaande wordt voor het aspect parkeren voldaan aan de ‘Nota parkeernormen Peel en Maas 2018’ van de gemeente Peel en Maas. Derhalve zijn er voor het aspect parkeren geen belemmeringen. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren.

4.13 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.13.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, voor Langstraat 18 te Meijel kunnen zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

35

De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.

4.13.2 Toetsing aan beleid

De risicokaart informeert over mogelijke risicosituaties in geheel Nederland. Hieronder is een uitsnede weergegeven van de risicokaart voor initiatieflocatie.

Afbeelding 17: uitsnede Risicokaart (bron: Risicokaart.nl) Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (exploitatie van een paardenhouderij) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Het plan voorziet wel in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het plangebied niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

36

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de [Rijks]weg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.

Conclusie

Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.14 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 14). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van het plangebied in beeld te brengen.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

37

5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.

Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming ‘Agrarisch – Paardenhouderij’ - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ - Dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’ - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geurzone’ - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied roerdalslenk zone 3’ - Gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ - Gebiedsaanduiding ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied 5 gv’ - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – huisvesting ruiters, grooms en stagiaires’ - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing langstraat 18’ - Bouwvlak - Figuur ‘relatie’ Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het moederplan bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

38

5.3 Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het geldende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

39

6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1 Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling aan de Langstraat 18 te Meijel betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het (voor)ontwerpbestemmingsplan). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties en heeft er een omgevingsdialoog plaats gevonden.

6.2.1

Vooroverleg en omgevingsdialoog

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd over het ontwerp bestemmingsplan met de gebruikelijke overlegpartners, provincie Limburg. Naar aanleiding van dit overleg is door de provincie aangegeven dat men kan instemmen met het plan. Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd. In de bijlagen (bijlage 7) zijn de documenten ten behoeve hiervan bijgevoegd. Uit het omgevingsdialoog zijn geen opmerkingen of aanvullingen van omwonenden ten aanzien van het plan voortgekomen.

6.2.2

Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

40

7. Bijlagen Bijlage 1

Inrichtingsplan

Bijlage 2

Landschappelijk inpassingsplan

Bijlage 3

Resultaat vergunningchecker Waterschap Limburg

Bijlage 4

Gedeeltelijke intrekking vergunning Wet natuurbescherming

Bijlage 5

Aerius-berekening

Bijlage 6

Quickscan Flora en fauna

Bijlage 7

Omgevingsdialoog

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

41

Bestemmingsplan Langstraat 18, Meijel

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=60212f03-b6fb-4d83-b998-32bcb73f8615