2022-047 03 Toelichting en Regels incl. bijlagen.pdf
Tekst van het document
Luchtfoto met gewenst bouwvlak met groenblauwe mantel weergegeven. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl (bewerkt). Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Limburg.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Buitengebied gemeente Peel en Maas De gemeente Peel en Maas heeft in december 2015 de Structuurvisie Buitengebied gemeente Peel en Maas vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. In de structuurvisie heeft de gemeente enkele beleidsuitgangspunten die zij belangrijk vinden in het buitengebied nader uitgewerkt. De hoofdgedachte van de structuurvisie is dat wordt ingestoken op ontwikkelingsplanologie. Hierin staan niet de regels, maar de doelen centraal. Ontwikkelingsplanologie biedt de ruimte aan ondernemers en burgers om in te spelen op onvoorziene ontwikkelingen. Er wordt ruimte geboden aan de belangrijke economische dragers in het buitengebied, zoals recreatie en toerisme en landbouw. Verschillende functies moeten daarbij naast elkaar kunnen ontwikkelen. Daarbij 30
dienen ontwikkelingen wel gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering voor de omgeving. In de structuurvisie is het beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bedrijfslocaties geactualiseerd in de "Beleidsnotitie nieuwe denkrichting Vrijkomende (Agrarische) Bebouwing in het buitengebied". Deze beleidsnotitie maakt onderdeel uit van de structuurvisie en is als bijlage bij de visie opgenomen. Deze beleidsnotitie voorziet echter voornamelijk in beleid bij een herbestemming van een voormalige agrarische bedrijfslocatie en niet in beleid ten aanzien van agrarisch hergebruik in een andere vorm. De beleidsnotitie is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit de structuurvisie zijn specifieke beleidsuitgangspunten uitgewerkt ten aanzien van intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van de ontwikkeling van een intensieve veehouderij en/of een glastuinbouwbedrijf. Er wordt juist een intensieve veehouderij beëindigd. Het beleid ten aanzien van intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven is daarmee eveneens niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. In de visie zijn streefkwaliteiten voor geur opgenomen. De gemeente streeft hierbij naar het terugdringen van de geurhinder die veehouderijbedrijven veroorzaken aan de omgeving, zodat iedereen in het buitengebied prettig kan wonen.
Hierbij zijn gebiedsspecifieke uitgangspunten opgenomen. Momenteel varieert het woon- en leefklimaat in het buitengebied van zeer slecht tot zeer goed. De gemeente streeft naar minimaal een matig woon en leefklimaat op iedere plek in het buitengebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld en gesplitst in twee grondgebonden bedrijven. Hiermee zal de aanzienlijke geuremissie van het bedrijf in de huidige vorm aanzienlijk afnemen. De geurhinder aan de omgeving zal daarmee eveneens aanzienlijk afnemen, wat een verbetering van het woon- en leefklimaat tot gevolg heeft. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het streven van de gemeente naar een verbeterd woon- en leefklimaat in het buitengebied. Voor wat betreft de ontwikkeling van agrarische bedrijven in het buitengebied zijn, behoudens voor intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven, geen specifieke uitgangspunten opgenomen in de visie. De voorgenomen omschakeling en splitsing van het huidige intensieve veehouderijbedrijf naar twee zelfstandige grondgebonden agrarische bedrijven past daarmee binnen de uitgangspunten uit de visie. Daarbij dient echter wel sprake te zijn van een voldoende grote investering in de ruimtelijke kwaliteit. Hiertoe heeft de gemeente het "Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas" opgesteld dat eveneens onderdeel uitmaakt van de visie.
In het kwaliteitskader is opgenomen in welke mate geïnvesteerd dient te worden in de ruimtelijke kwaliteit bij verschillende typen ontwikkelingen. De mate van investeren is daarbij afhankelijk van de type ontwikkeling en het gebied waarin wordt ontwikkeld. De locatie is gelegen in een grootschalig open veenontginningenlandschap. De grootschalige open veenontginningen zijn met name na 1900 ontstaan. Voor het gebied ten westen van Meijel dat geldt dat hier de fase van bosaanplant grotendeels is overgeslagen. Het gedeelte van de Peel ten noordwesten van de Noordervaart is op een grootschalige wijze ontgonnen voor de landbouw. De ontginning is ontstaan vanuit de Nederweerterdijk en Meijelse Dijk waaraan de meeste bebouwing staat. Het gebied ligt iets lager dan de gebieden oostelijk van de Noordervaart. Mede hierdoor is het iets natter, wat zichtbaar is aan een relatief grote slotendichtheid in het Meijelse deel van de Peelontginning. Het grondgebruik is afwisselend akkerbouw en weiland. Langs verharde en ook onverharde wegen staan fraaie lanen en boomrijen. Hierdoor is er een sprake van een geordend landschap met een groen karakter. Opvallend is de overgang naar de Groote Peel die als een enclave in het agrarische land ligt met een krans van bos eromheen. Aan de verschillende gebieden is vervolgens een waardering gehangen.
Voor het grootschalige veenontginningenlandschapvan Meijel is gewaardeerd als agrarisch gebied met historische en landschappelijke waarde. Het landschap in dit gebied is voor een groot deel een agrarisch landschap. Kwaliteiten als openheid, rust en zelfs groen hangen samen met de landbouw. Grondgebonden teelten zoals akkerbouw, fruitteelt op de oudere bouwlanden en veelteelt, zijn bouwstenen voor een heldere landschapsopbouw. Enkele agrarische ontwikkelingen passen minder goed in het landschap, maar verdienen daardoor een eigen plek waar dat kan. Het gaat daarbij met name om glastuinbouw, (intensieve) veehouderijen en 31
teeltondersteunende voorziening. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake (meer) van een intensieve veehouderij, glastuinbouw en/of teeltondersteunende voorzieningen. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de richtlijnen voor het agrarisch landschap. Binnen de grootschalige open veenontginningslandschappen heeft de gemeente de volgende wensen voor landschappelijke inrichting: Versterk de openheid; versterk een heldere beplantingstructuur: doorgaande transparante laanbeplanting en daarnaast kleine wegen onbeplant of met enkele bomenrij; ontwikkel extensieve, open, natuurlijke, (natte) graslanden als overgangen naar de Peelvenen; maak het landschap toegankelijker voor recreatie. Ontwikkel en versterk de zandpadenstructuur en verbindt deze logisch met de kernen en de Groote Peel.). Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt bebouwing gesloopt en wordt het bouwvlak verkleind. Dit draagt bij aan een versterking van de openheid. Bij de inrichting van het erf wordt daarnaast rekening gehouden met de specifieke wensen van de gemeente voor dit gebied.
In het kwaliteitskader wordt onderscheid gemaakt in verschillende mate van investeren, namelijk: Basiskwaliteit: Bij kleinschalige ontwikkelingen met nagenoeg geen impact op het landschap; Basiskwaliteit Plus: Bij ontwikkelingen met een beperkte impact op het landschap; Aanvullende kwaliteit: Bij ontwikkelingen met een grote(re) impact op het landschap. In het kwaliteitskader is uiteengezet bij welke soorten ontwikkelingen welke soort kwaliteit gewenst is. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een grondgebonden agrarisch bedrijf. Tevens wordt het bedrijf gesplitst in twee afzonderlijke grondgebonden agrarische bedrijven. Het totale bouwvlak wordt daarbij verkleind. De totale oppervlakte van het bouwvlak van beide zelfstandige grondgebonden bedrijven samen is kleiner dan het huidige agrarische bouwvlak. Omdat het bedrijf al reeds geruime tijd de positie in het landschap heeft die het nu heeft en sprake is van de sanering van een intensieve veehouderij heeft de gemeente aangegeven dat voor wat betreft de landschappelijke inpassing van de percelen wordt voorzien in een maatwerkoplossing, specifiek voor dit geval.
Daarbij heeft de gemeente aangegeven dat minimaal 10% van het totale bebouwde oppervlak in de nieuwe situatie (inclusief de bedrijfswoningen) moet worden teruggebracht in landschappelijke elementen ten behoeve van de landschappelijke inpassing. De voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), op een goede en bij het landschap passende wijze landschappelijk worden ingepast. Daarbij zal voor minimaal 10% van de totale bebouwde oppervlakte in de nieuwe situatie aan landschappelijke elementen worden aangebracht. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Hierbij is rekening gehouden met de waarden, kernkwaliteiten en wensen van het gebied waarin de locatie is gelegen. Voor het landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Daarmee wordt voorzien in een extra aanvullende kwaliteitsverbetering. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de eisen uit het kwaliteitskader met betrekking tot een aanvullende kwaliteitsverbetering. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de visie ten aanzien van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Buitengebied gemeente Peel en Maas van gemeente Peel en Maas.
32
3.3.2 Waardenoriëntatie en kaderstelling Ruimte en Economie De gemeente Peel en Maas heeft in november 2017 de nota Waardenoriëntatie en kaderstelling voor de thema's ruimte en economie vastgesteld. In de kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. Het doel van de kaderstelling is het goede leven in Peel en Maas. Vervolgens worden de waarden, in de vorm van spanningsbogen voor zowel ruimte als economie benoemd en worden de bij deze waarden horende omgevingsdoelen weergegeven. Voor wat betreft het goede leven in Peel en Maas staan de drie kernwaarden, zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit centraal en zijn deze richtinggevend. Daarbij zijn op basis van overleggen met experts en betrokkenen een aantal richtinggevende waarden gedestilleerd. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heet in dat verband een faciliterende rol. Verder is een belangrijk uitgangspunt in de kaderstelling dat kwaliteit voor kwantiteit gaat. Daarbij wil de gemeente niet meer van het zelfde, maar juist verscheidenheid mogelijk maken en ruimte creëren voor initiatief. Produceren moet waardevol zijn. Monotoon, het inzetten op bulk als middel om als bedrijf te overleven, heet geen toekomst.
In de gemeenschap wordt al, hetzij het op beperktere schaal, nagedacht over circulaire productie. Daarbij wordt gedacht aan nieuwe innovaties welke zoveel mogelijk vanuit de inspiratie van natuurlijke, biologische systemen zijn opgebouwd. Daarbij is een volgende stap in de technologische vernieuwing het leren van de ecosystemen door het evalueren en het voorkomen van het belasten van natuurlijke systemen. In de kaderstelling zijn de thema's ruimte en economie afzonderlijk nader uiteengezet. In het thema ruimte zijn de programma's Vitale leefomgeving en Beheer fysieke leefomgeving nader uitgewerkt. De thema's zijn verder uitgewerkt in verschillende programmadoelen met daarbij behorende uitvoeringsafspraken. Omdat de kaderstelling de basis biedt voor het ruimtelijk beleid binnen de gemeente en omdat er veel mogelijkheden liggen voor vele soorten verschillende initiatieven zijn in de kaderstelling een groot aantal onderdelen opgenomen die niet op ieder initiatief van toepassing zijn. Op het voorgenomen initiatief zijn ook niet alle programmadoelen en uitvoeringsafspraken van toepassing. Derhalve is in deze paragraaf getoetst op de delen die op het voorgenomen initiatief van toepassing zijn. Binnen de kaderstelling is opgenomen dat de gemeente waarde hecht aan de waarden en kwaliteiten binnen de gemeente.
Hiertoe heeft de gemeente in de kaderstelling het programmadoel waarden en kwaliteiten opgenomen (programmadoel 1). Daarin staat het koesteren van het goede dat er al is en het bieden van ruimte voor het betere met het oog op de toekomst centraal. Hiertoe heeft de gemeente binnen het programmadoel waarden en kwaliteiten een aantal uitvoeringsafspraken gemaakt. Ten aanzien van het voorgenomen initiatief is uitvoeringsafspraak 1.2 ("We benutten bestaande bebouwing en sturen op hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging en daar waar dit niet mogelijk is wordt er zorg gedragen voor hetgeen achterblijft") van belang. Binnen deze uitvoeringsafspraak is het van belang dat de kracht van bestaande bebouwing wordt benut waar dit een positieve bijdrage levert aan vitale gemeenschap. Daarbij streeft de gemeente naar hergebruik boven nieuwvestiging, waarbij zij rekening houden met hetgeen dat achterblijft. De gemeente biedt ruimte aan initiatieven die een positieve bijdrage leveren aan het verminderen van leegstand en daarmee de vitaliteit van de kernen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van reeds bestande locaties met reeds bestaande bebouwing. Er wordt een nieuwe invulling gegeven aan een (voormalige) intensieve veehouderij. Daarmee is sprake van hergebruik en wordt een positieve bijdrage geleverd aan de vermindering van leegstand.
Tevens zal bij het voorgenomen initiatief verouderde en gebiedsontsierende bebouwing worden gesloopt, waarmee een verdere leegstand en verpaupering wordt voorkomen. Het voorgenomen initiatief past daarmee goed binnen de doelstellingen van de gemeente zoals zijn opgenomen in deze uitvoeringsafspraak. De gemeente wil verder stimuleren dat de gemeenschap meer betrokken is bij initiatieven. Daartoe hebben zij het programmadoel gemeenschappen als mentaal eigenaar (programmadoel 2) opgenomen. Daarin streeft de gemeente naar een betere samenwerking met de gemeenschap, waarbij gemeente samen met 33
de gemeenschap inhoud geeft aan de fysieke leefomgeving. Hiertoe heeft de gemeente binnen het programmadoel gemeenschappen als mentaal eigenaar een aantal uitvoeringsafspraken gemaakt. Ten aanzien van het voorgenomen initiatief is uitvoeringsafspraak 2.3 ("We stimuleren dialoog over invulling van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving") van belang. Binnen deze uitvoeringsafspraak wil de gemeente er actief op sturen dat betrokkenen bij een ruimtelijke ontwikkeling de dialoog met elkaar aangaan over de invulling daarvan. Daarbij is het doel dat er een door de hele omgeving gedragen initiatief ontstaat, waarbij de gemeente als overheid stuurt op lange termijn doelen en belangen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een dialoog met de omgeving gevoerd. Hierbij zijn omwonenden en belanghebbenden op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling en zijn de plannen met hen besproken. Daarbij zijn de omwonenden en belanghebbenden in de gelegenheid geweest op de voorgenomen plannen te reageren. De reacties vanuit de omwonenden en belanghebbenden zijn overwegend positief. Slechts één van de omwonenden heeft aangegeven de plannen voor wat betreft nummer 31 wat bezwaarlijk te vinden omdat de gewenste nieuwe loods op die locatie dichterbij de woning van de betreffende omwonenden komt te liggen. Van de gehouden dialoog met de omgeving is een verslag gemaakt.
Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. Het verslag is vanwege privacy overwegingen geanonimiseerd. In het verslag zijn nog (deels) verouderde tekeningen opgenomen, omdat de plannen na het voeren van de omgevingsdialoog nog zijn geactualiseerd en voormalige agrarische bedrijfsfuncties die per abuis nog op de bouwtekening stonden zijn verwijderd. De tekeningen in het verslag komen daardoor niet meer geheel overeen met die als bijlage bij het voorliggende plan zijn opgenomen. Omdat de omgevingsdialoog destijds is gevoerd en de verouderde tekeningen destijds deel uitmaakten van de dialoog zijn deze in het verslag niet meer gewijzigd. Er heeft ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling daarmee een zorgvuldige dialoog met de omgeving plaatsgevonden. Het initiatief sluit daarmee aan op de doelstellingen die zijn opgenomen in het betreffende uitvoeringsprogramma. De gemeente streeft verder naar een goede balans tussen de bedrijvigheid en de omgeving. Hiertoe hebben zij het programmadoel bedrijvigheid in balans met omgeving (programmadoel 3) opgenomen. Daarbinnen streeft de gemeente naar een beweging waarin de bedrijvigheid in balans is met de omgeving waarin deze plaatsvindt. Daartoe heeft de gemeente binnen het programmadoel bedrijvigheid in balans met de omgeving een aantal uitvoeringsafspraken opgenomen.
Ten aanzien van het voorgenomen initiatief is daarvan uitvoeringsafspraak 3.2 ("We hebben oog voor de transitie in het landelijk gebied") van belang. Binnen deze uitvoeringsafspraak wil de gemeente de kansen voor het buitengebied benutten en de uitdagingen daarvoor het hoofd kunnen bieden. De agrarische bedrijvigheid en recreatie zijn de belangrijkste dragers van het buitengebied. Er wordt verwacht dat veel agrarische bedrijven gaan stoppen. Samen met de klimaatverandering zal dit leiden tot een aantal veranderingen in het landelijk gebeid. De gemeente wil daarbij de transitie naar een footprintloze landbouw stimuleren om de kwetsbare landschappen te beschermen. Daarnaast wil de gemeente nieuwe karaktervolle productielandschappen ontwikkelen. Verder biedt de gemeente ruimte voor water en energie en wil de gemeente het toeristisch potentieel van het landschap versterken. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een intensieve veehouderij met twee legaal aanwezige bedrijfswoningen naar twee grondgebonden agrarische bedrijven. Met de grondgebonden landbouw wordt de binding met de omliggende gronden aanzienlijk vergroot ten aanzien van de huidige situatie. Verder is de zogenaamde "carbon footprint" van een intensieve veehouderij vele malen groter dan die van akkerbouwbedrijven.
De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het verkleinen van de footprint van de agrarische sector. De voorgenomen ontwikkeling zal daarnaast geen nadelige effecten hebben op de kwetsbare landschappen en zal deze de realisatie van nieuwe karaktervolle productielandschappen, de ontwikkelingen ten aanzien van energie en water en de versterking van het toeristisch potentieel van het landschap niet in de weg staan. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de doelstellingen die zijn opgenomen ten aanzien van de betreffende uitvoeringsafspraak. De voorgenomen ontwikkeling past, gezien het voorgaande, binnen de uitgangspunten uit de Waardenoriëntatie en kaderstelling Ruimte en Economie van de gemeente Peel en Maas. 34
35
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij deze wordt omgeschakeld en gesplitst in twee zelfstandige grondgebonden agrarische bedrijven. Op beide bedrijven vindt akkerbouw plaats. Op een van de bedrijven, de locatie met de woning met nummer 29, zullen daarnaast enkele paarden en zoogkoeien met jongvee worden gehouden. Op het andere bedrijf, de locatie met de woning met nummer 31, zullen enkele paarden worden gehouden. In feite is daarmee sprake van de volgende activiteiten: Akkerbouw; Het houden van rundvee; Het houden van paarden. Ten aanzien van akkerbouwbedrijven zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 10 meter. Ten aanzien van het houden van rundvee zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Ten aanzien van het houden van paarden zijn in de handreiking de volgende richtafstanden: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter.
In de nabije omgeving van de locatie zijn de volgende functies/bedrijven gelegen: 36
Adres Type inrichting/functie Afstand tot nr. 29* Afstand tot nr. 31* Nederweerterdijk 18 Intensieve veehouderij +/- 65 meter +/- 109 meter Nederweerterdijk 22 Burgerwoning +/- 24 meter +/- 23 meter Nederweerterdijk 24 Burgerwoning +/- 66 meter +/- 30 meter Nederweerterdijk 26 Intensieve veehouderij +/-142 meter +/- 113 meter Nederweerterdijk 26a Burgerwoning +/- 161 meter +/- 121 meter Nederweerterdijk 28 Burgerwoning +/- 183 meter +/- 144 meter Nederweerterdijk 27 Intensieve veehouderij +/- 0 meter +/- 51 meter Nederweerterdijk 33 Grondgebonden agrarisch bedrijf +/- 89 meter +/- 50 meter *De afstanden in voorgaande tabel zijn gemeten van bouwvlak tot bouwvlak. 4.1.1.1 Milieuzonering vanuit de locatie met nummer 29 Voor de locatie met de woning met nummer 29 is het houden van rundvee (zoogkoeien) de activiteit met de grootste richtafstanden en daarmee de meest belastende activiteit. Daarbij zijn de volgende richtafstanden van toepassing: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Binnen 100 meter van deze locatie zijn de volgende gevoelige inrichtingen/functies gelegen: Nederweerterdijk 18 (intensieve veehouderij); Nederweerterdijk 22 (burgerwoning); Nederweerterdijk 24 (burgerwoning); Nederweerterdijk 27 (intensieve veehouderij); Nederweerterdijk 33 (grondgebonden agrarisch bedrijf).
Daarnaast komt de af te splitsen locatie aan de Nederweerterdijk 31 binnen 100 meter van de locatie met nummer 29 te liggen. Voor elk van deze locaties kan niet aan de richtafstand voor geur worden voldaan. Wel kan voor elk van de locaties, behalve de locaties Nederweerterdijk 22 en 27 en de af te splitsen woning met nummer 31, worden voldaan aan de richtafstanden voor stof, geluid en gevaar. Van de richtafstanden kan, mits goed gemotiveerd, worden afgeweken. Daarbij is een nadere motivatie nodig dat, ondanks dat niet aan de richtafstanden wordt voldaan, geen sprake is van een onevenredige milieuhinder aan de betreffende gevoelige objecten die binnen de richtafstanden zijn gelegen. Concreet betekent dit dat voor het aspect geur ten aanzien van elk van de binnen 100 meter van de locatie gelegen locaties een nadere motivering nodig is. Ook is een nadere motivatie nodig op het gebied van geluid en stof voor de locaties Nederweerterdijk 22 en 27 en de af te splitsen woning met nummer 31. Geur: Voor wat betreft geur zijn de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden zoogkoeien gehouden. Voor zoogkoeien zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd.
Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd geldt dat alleen dient te worden voldaan aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij en dat de geurbelasting niet hoeft te worden berekend. De vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij zijn als volgt: Tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom: 100 meter; Tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom: 50 meter; Tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gelegen binnen de 37
bebouwde kom: 50 meter; Tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom: 25 meter; Ten aanzien van de locaties die binnen de richtafstand van geur zijn gelegen zijn, gemeten vanaf het bouwvlak van deze locaties tot aan de dichtstbijzijnde gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf van de initiatiefnemer op nummer 29, gelegen op de volgende afstanden: Adres Nederweerterdijk 18 Nederweerterdijk 22 Nederweerterdijk 24 Nederweerterdijk 27 Nederweerterdijk 33
Afstand bouwvlak locaties tot dierenverblijf initiatiefnemer op nr. 29 +/- 119 meter +/- 85 meter +/- 125 meter +/- 0 meter +/- 133 meter
Voor elk van deze locaties, met uitzondering van de locatie Nederweerterdijk 27 en de af te splitsen bedrijfswoning op nummer 31, wordt tot aan het bouwvlak van de betreffende woningen aan de vaste afstanden voldaan. Voor de locatie aan de Nederweerterdijk 27 geldt dat deze woning reeds is beperkt door de huidige dierenverblijven van de initiatiefnemer. De afstand van deze dierenverblijven tot aan de huidige woning op nummer 27 voldoen reeds aan de vaste afstanden. Wanneer de eigenaar van de woning met nummer 27 deze zou willen verplaatsen binnen diens bouwvlak dan dient deze reeds te voldoende aan de vaste afstanden. Met de voorgenomen ontwikkeling komen de dierenverblijven weliswaar dichter op de woning met nummer 27 te liggen, echter wordt nog steeds aan de vaste afstanden voldaan, waarmee geen sprake is van een onevenredige belemmering. Daarnaast is de bedrijfswoning van het af te splitsen bedrijf van de initiatiefnemer met nummer 31 met het bouwvlak binnen 50 meter van de dichtstbijzijnde gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf van de initiatiefnemer op nummer 29 gelegen. Echter wordt de locatie van de bedrijfswoning met nummer 31 vastgelegd middels de aanduiding 'bedrijfswoning' in de regels behorende bij dit plan. Daarmee is een verplaatsing van de bedrijfswoning met nummer 31 niet rechtstreeks mogelijk binnen het bouwvlak.
Derhalve kan de afstand tussen het dierenverblijf en de gevel van de woning aan de Nederweerterdijk 31 worden aangehouden voor de toetsing aan de vaste afstanden. Ten aanzien van de huidige positie van de woning en het gewenste dierenverblijf van de initiatiefnemer op nummer 29 wordt reeds aan de vaste afstanden voldaan, waarmee ter plaatse van de woning aan de Nederweerterdijk 31 geen onevenredige geurhinder zal worden ondervonden. Ten slotte wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een intensieve veehouderij beëindigd. De huidige intensieve veehouderij heeft een aanzienlijk hogere emissie van geur dan in de gewenste situatie. De geurhinder aan de omgeving zal daarmee aanzienlijk afnemen, waarmee de geurhinder naar gevoelige objecten in de omgeving alleen maar zal afnemen. Er is daarmee sprake van een verbeterde situatie ten aanzien van geur. Gezien het voorgaande is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor geur af te wijken, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige geurhinder naar gevoelige objecten in de omgeving. Fijnstof: De locaties aan de Nederweerterdijk 22 en 27 zijn binnen de richtafstanden voor fijnstof gelegen. Ook de af te splitsen bedrijfswoning op nummer 31 is met het nieuwe bouwvlak binnen de richtafstanden gelegen.
Voor deze locaties is derhalve een nadere motivatie nodig waaruit blijkt dat, ondanks dat niet aan de richtafstanden wordt voldaan, geen sprake is van een onevenredige hinder als gevolg van fijnstof als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden alleen maar afnemen. Tevens bedragen de 38
achtergrondconcentraties in de omgeving aanzienlijk minder dan de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een toename van de emissie van fijnstof en stikstofoxiden, maar van een afname zullen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden eveneens afnemen. Daarmee zal alleen maar sprake zijn van een verbeterde situatie voor wat betreft fijnstof op de betreffende woningen aan de Nederweerterdijk 22 en 27. Dit geldt ook voor de af te splitsen woning van de initiatiefnemer met nummer 31. Daarnaast is op de beide woningen reeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden afnemen zal ook na realisatie sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige hinder op het gebied van fijnstof. Gezien het voorgaande is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor fijnstof af te wijken, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige hinder op het gebied van fijnstof naar gevoelige objecten in de omgeving. Geluid: De locaties aan de Nederweerterdijk 22 en 27 zijn met het bouwvlak binnen de richtafstanden voor geluid gelegen.
Ook de af te splitsen bedrijfswoning op nummer 31 is met het nieuwe bouwvlak binnen de richtafstanden gelegen. Voor deze locaties is derhalve een nadere motivatie nodig waaruit blijkt dat, ondanks dat niet aan de richtafstanden wordt voldaan, geen sprake is van een onevenredige hinder als gevolg van geluid als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) is voor het bedrijf van de initiatiefnemer op nummer 29 een melding Activiteitenbesluit Milieubeheer ingediend. Op een dergelijke melding zijn de voorschriften van het Activiteitenbesluit Milieubeheer van toepassing. Aan de normen uit deze voorschriften wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van statische geluidsbronnen, waarmee geen sprake zal zijn van een overschrijding van de normen en geen sprake zal zijn van geluidsoverlast aan de betreffende woningen aan de Nederweerterdijk 22 en 27. Dit geldt ook voor de af te splitsen woning van de initiatiefnemer met nummer 31. Daarnaast is in de bestaande situatie sprake van een intensieve veehouderij. Deze heeft door draaiende ventilatoren een aanzienlijk hogere geluidsbelasting aan de omgeving dan de gewenste bedrijfsactiviteiten.
Door de gewenste ontwikkeling zal de geluidshinder op de woningen in de omgeving alleen maar afnemen, waarmee sprake is van een verbeterde situatie ten aanzien van de huidige situatie. Omdat aan de geluidsnormen kan worden voldaan en de geluidbelasting aan de omgeving alleen maar afneemt zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige geluidshinder aan de omgeving. Gezien het voorgaande is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor geluid af te wijken, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige geluidshinder naar gevoelige objecten in de omgeving. 4.1.1.2 Milieuzonering vanuit de locatie met nummer 31 Voor de locatie met nummer 31 is het houden van paarden de activiteit met de grootste richtafstanden en daarmee de meest belastende activiteit. Daarbij zijn de volgende richtafstanden van toepassing: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Binnen 50 meter van de locatie zijn de volgende inrichtingen gelegen: Nederweerterdijk 22 (burgerwoning); Nederweerterdijk 24 (burgerwoning); Daarnaast komt de af te splitsen locatie aan de Nederweerterdijk 29 binnen 50 meter van de locatie met nummer 31 te liggen. 39
Voor elk van deze locaties kan niet aan de richtafstand voor geur worden voldaan. Wel kan voor elk van de locaties, behalve de locatie Nederweerterdijk 22 en de af te splitsen woning met nummer 29, worden voldaan aan de richtafstanden voor stof, geluid en gevaar. Van de richtafstanden kan, mits goed gemotiveerd, worden afgeweken. Daarbij is een nadere motivatie nodig dat, ondanks dat niet aan de richtafstanden wordt voldaan, geen sprake is van een onevenredige milieuhinder aan de betreffende gevoelige objecten die binnen de richtafstanden zijn gelegen. Concreet betekent dit dat voor het aspect geur ten aanzien van elk van de binnen 50 meter van de locatie gelegen locaties een nadere motivering nodig is. Ook is een nadere motivatie nodig op het gebied van geluid en stof voor de locatie Nederweerterdijk 22 en de af te splitsen woning met nummer 29. Geur: Voor wat betreft geur zijn de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden paarden gehouden. Voor paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd geldt dat alleen dient te worden voldaan aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij en dat de geurbelasting niet hoeft te worden berekend.
De vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij zijn als volgt: Tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom: 100 meter; Tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom: 50 meter; Tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom: 50 meter; Tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van een gevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom: 25 meter; Ten aanzien van de locaties die binnen de richtafstand van geur zijn gelegen zijn, gemeten vanaf het bouwvlak van deze locaties tot aan de dichtstbijzijnde gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf van de initiatiefnemer op nummer 31, gelegen op de volgende afstanden: Adres Nederweerterdijk 22 Nederweerterdijk 24
Afstand bouwvlak locaties tot dierenverblijf initiatiefnemer op nr. 31 +/- 88 meter +/- 90 meter
Voor elk van deze locaties, met uitzondering van de af te splitsen bedrijfswoning op nummer 29, wordt tot aan het bouwvlak van de betreffende woningen aan de vaste afstanden voldaan. Daarmee zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder naar de omgeving. De bedrijfswoning van het af te splitsen bedrijf van de initiatiefnemer met nummer 29 is met het bouwvlak binnen 50 meter van de dichtstbijzijnde gevel van het dichtstbijzijnde dierenverblijf van de initiatiefnemer op nummer 31 gelegen. Echter wordt de locatie van de bedrijfswoning met nummer 29 vastgelegd middels de aanduiding 'bedrijfswoning' in de regels behorende bij dit plan. Daarmee is een verplaatsing van de bedrijfswoning met nummer 29 niet rechtstreeks mogelijk binnen het bouwvlak. Derhalve kan de afstand tussen het dierenverblijf en de gevel van de woning aan de Nederweerterdijk 29 worden aangehouden voor de toetsing aan de vaste afstanden. Ten aanzien van de huidige positie van de woning en het gewenste dierenverblijf van de initiatiefnemer op nummer 31 wordt reeds aan de vaste afstanden voldaan, waarmee ter plaatse van de woning aan de Nederweerterdijk 29 geen onevenredige geurhinder zal worden ondervonden.
Gezien het voorgaande is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor geur af te wijken, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige geurhinder naar gevoelige objecten in de omgeving. Fijnstof: 40
De locatie aan de Nederweerterdijk 22 is binnen de richtafstanden voor fijnstof gelegen. Ook de af te splitsen bedrijfswoning op nummer 29 is met het nieuwe bouwvlak binnen de richtafstanden gelegen. Voor deze locaties is derhalve een nadere motivatie nodig waaruit blijkt dat, ondanks dat niet aan de richtafstanden wordt voldaan, geen sprake is van een onevenredige hinder als gevolg van fijnstof als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden alleen maar afnemen. Tevens bedragen de achtergrondconcentraties in de omgeving aanzienlijk minder dan de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een toename van de emissie van fijnstof en stikstofoxiden, maar van een afname zullen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden eveneens afnemen. Daarmee zal alleen maar sprake zijn van een verbeterde situatie voor wat betreft fijnstof op de betreffende woning aan de Nederweerterdijk 22. Dit geldt ook voor de af te splitsen woning van de initiatiefnemer met nummer 29. Daarnaast is op de beide woningen reeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Omdat de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden afnemen zal ook na realisatie sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige hinder op het gebied van fijnstof. Gezien het voorgaande is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor fijnstof af te wijken, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige hinder op het gebied van fijnstof naar gevoelige objecten in de omgeving. Geluid: De locatie aan de Nederweerterdijk 22 is met het bouwvlak binnen de richtafstanden voor geluid gelegen. Ook de af te splitsen bedrijfswoning op nummer 29 is met het nieuwe bouwvlak binnen de richtafstanden gelegen. Voor deze locaties is derhalve een nadere motivatie nodig waaruit blijkt dat, ondanks dat niet aan de richtafstanden wordt voldaan, geen sprake is van een onevenredige hinder als gevolg van geluid als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) is voor het bedrijf van de initiatiefnemer op nummer 31 een melding Activiteitenbesluit Milieubeheer ingediend. Op een dergelijke melding zijn de voorschriften van het Activiteitenbesluit Milieubeheer van toepassing. Aan de normen uit deze voorschriften wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan.
Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van statische geluidsbronnen, waarmee geen sprake zal zijn van een overschrijding van de normen en geen sprake zal zijn van geluidsoverlast aan de betreffende woning aan de Nederweerterdijk 22. Dit geldt ook voor de af te splitsen woning van de initiatiefnemer met nummer 29. Daarnaast is in de bestaande situatie sprake van een intensieve veehouderij. Deze heeft door draaiende ventilatoren een aanzienlijk hogere geluidsbelasting aan de omgeving dan de gewenste bedrijfsactiviteiten. Door de gewenste ontwikkeling zal de geluidshinder op de woningen in de omgeving alleen maar afnemen, waarmee sprake is van een verbeterde situatie ten aanzien van de huidige situatie. Omdat aan de geluidsnormen kan worden voldaan en de geluidbelasting aan de omgeving alleen maar afneemt zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige geluidshinder aan de omgeving. Gezien het voorgaande is voldoende gemotiveerd van de richtafstanden voor geluid af te wijken, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige geluidshinder naar gevoelige objecten in de omgeving.
4.1.1.3 Milieuzonering ten aanzien van de beide locaties Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig objecten. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden 41
worden beperkt.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Op de locatie met nummer 29 zullen zoogkoeien met jongvee en paarden worden gehouden.
Op de locatie met nummer 31 zullen paarden gehouden worden. Voor zowel paarden als voor zoogkoeien en jongvee zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld, maar zijn de vaste afstanden van toepassing. Binnen 50 meter van de gewenste dierenverblijven op de beide locaties zijn geen woningen van derden gelegen. Ook de bedrijfswoningen van elk van de locaties is op meer dan 50 meter van de dierenverblijven op de andere locatie gelegen. Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Daarnaast wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een intensieve veehouderij beëindigd. De huidige intensieve veehouderij heeft een aanzienlijk hogere emissie van geur dan in de gewenste situatie. De geurhinder aan de omgeving zal daarmee aanzienlijk afnemen, waarmee het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar zal verbeteren. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving moet, wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten, worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende nieuwe gevoelige objecten, sprake kan zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat op het gebied van geur. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Het zijn reeds agrarische bedrijfswoningen en het blijven agrarische bedrijfswoningen. Hiermee is nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat niet noodzakelijk.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2). 42
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden akkerbouwactiviteiten plaats. Daarnaast zullen op de locatie met nummer 29 zoogkoeien met jongvee en paarden worden gehouden en zullen op de locatie met nummer 31 paarden worden gehouden. In de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM verder uitgewerkt. Waar mogelijk worden getalsmatige grenzen gesteld aan de omvang van nieuwe projecten. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum aantal nieuwe woningen, kantooroppervlakte en grootte van landbouwbedrijven. Een nieuw project dat binnen deze grenzen blijft, is per definitie NIBM.
Als een nieuwe ontwikkeling buiten de grenzen van de ministeriële regeling valt, kan het bevoegde gezag berekeningen maken om alsnog aannemelijk te maken dat het project minder dan 1,2 µg/m³ bijdraagt aan de luchtvervuiling. De regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen: "Voorschrift 1B.1 (Landbouwinrichtingen) Aangewezen ingevolge artikel 2, tweede lid, worden: a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt;* b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw;* c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen;* d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 0,7 hectare; e. kinderboerderijen. * al deze inrichtingen zijn NIBM, ongeacht de omvang van het bedrijf." Een akkerbouwbedrijf is in elk geval als 'niet in betekenende mate' (NIBM) aangemerkt. Hier vallen de beide gewenste akkerbouwbedrijven van de initiatiefnemers dus ook onder. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Daarnaast worden dieren gehouden. In augustus 2009 heeft InfoMil de "Handreiking bij beoordelen fijnstof bij veehouderijen" gepubliceerd.
In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er een toename van de veestapel met: 31 zoogkoeien (RAV-nummer A2.100) 22 stuks jongvee (RAV-nummer A3.100) 60 paarden (RAV-nummer K1.100) 12 paarden jonger dan 3 jaar (RAV-nummer K2.100) Voor paarden zijn geen emissiefactoren voor fijnstof vastgelegd. Het houden van paarden wordt daarmee gezien als een NIBM-project. Volgens de lijst Emissiefactoren fijnstof voor veehouderij bedraagt de toename van de fijnstofemissie voor het houden van het gewenste rundvee: 31 x 86 g/dier/jaar = 2.666 g/jaar. 22 x 38 g/dier/jaar = 836 g/jaar. 43
Totaal: 2.666 + 835 = 3.502 g/jaar. De handreiking geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel grenswaarden fijnstof op verschillende afstanden. Bron: ECN. De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op een afstand van 56 meter. Hiervoor geldt een NIBM-vuistregelgrens van 324.000 g/jaar. In onderhavig geval is sprake van een emissie van 3.502 g/jaar. Dit is aanzienlijk minder dan de NIBM-vuistregelgrens, waarmee het gehouden rundvee als NIBM is aan te merken. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. De voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee in zijn geheel gezien als een NIBM-project. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Tevens zal bij de voorgenomen ontwikkeling een intensieve veehouderij worden beëindigd. De huidige intensieve veehouderij heeft een aanzienlijk grotere uitstoot van fijnstof dan de gewenste activiteiten, waarmee de uitstoot van fijnstof aanzienlijk zal verminderen.
Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal daarmee alleen maar verbeteren. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden en daarmee tot een toenemende hinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende nieuwe gevoelige objecten sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Hiermee is nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat niet noodzakelijk.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. 44
Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk.
Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Tevens zal bij de voorgenomen ontwikkeling een intensieve veehouderij worden beëindigd.
De geluidsbelasting van de huidige intensieve veehouderij is, door de vele ventilatoren, aanzienlijk hoger dan de geluidsbelasting van de gewenste activiteiten, waarmee de geluidsbelasting aan de omgeving alleen maar zal afnemen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een van de bedrijfswoningen afgesplitst. Daarmee ontstaan in feite twee bedrijven. Voor deze bedrijven dient te worden bekeken of zij elkaar mogelijk hinderen op het gebied van geluid. Voor elk van deze bedrijven is een melding Activiteitenbesluit Milieubeheer ingediend. Op een dergelijke melding zijn de voorschriften van het Activiteitenbesluit van toepassing. Daarmee is geborgd dat de bedrijven ten aanzien van elkaar geen onevenredige hinder veroorzaken op het gebied van geluid. Vanuit het Activiteitenbesluit geldt dat wanneer binnen 50 meter van een inrichting een gevoelig object is gelegen alleen een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als sprake is van transportbewegingen met vrachtverkeer en als dit meer dan 4 transportbewegingen in de avond- en/of nachtperiode betreft. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van meer dan 4 transportbewegingen in de avond- en/of nachtperiode. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van statische geluidsbronnen, waarmee nader akoestisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
Hiermee is in voldoende mate gemotiveerd dat de bedrijven op nummer 29 en 31 elkaar niet onevenredig zullen hinderen op het gebied van geluid en dat geen sprake is van onevenredige geluidsoverlast op omliggende woningen. Daarnaast is in de bestaande situatie sprake van een intensieve veehouderij. Deze heeft door draaiende ventilatoren een aanzienlijk hogere geluidsbelasting aan de omgeving dan de gewenste bedrijfsactiviteiten. Door de gewenste ontwikkeling zal de geluidshinder op elk van de woningen op nummer 29 en 31 en op woningen in de omgeving alleen maar afnemen, waarmee sprake is van een verbeterde situatie. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. 45
4.1.5 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.5.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).
46
4.1.5.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen, over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevb en het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.5.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
4.1.6 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Daarnaast zijn de gronden agrarisch in gebruik en blijven deze agrarisch in gebruik. Er is daarmee geen sprake van een functiewijziging van de gronden. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.