2022-032 04 Toelichting Zandberg 14b te Helden.pdf
Tekst van het document
binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners en werknemers tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert.
5.1.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. In dit geval dient enerzijds te worden gekeken of de beoogde uitbreiding van de bedrijfslocatie een belemmering vormt voor omliggende woningen en anderzijds dient te worden gekeken of de omschakeling van de bedrijfswoning naar een burgerwoning zorgt voor beperkingen van de bedrijfsvoering. Uitbreiding bedrijfslocatie Voor akkerbouwbedrijven geldt dat een minimumafstand van 30 meter tot gevoelige objecten ten aanzien van het aspect geluid dient te worden aangehouden. Met betrekking tot geur, stof en gevaar geldt een minimumafstand van 10 meter. In figuur 8 is de milieuzone van 30 meter in de huidige situatie weergegeven. Zoals in de figuur is te zien is de huidige bedrijfswoning binnen 30 meter van het bedrijf gelegen.
In het kopje ‘omschakeling bedrijfswoning’ is nader aangetoond dat dit geen belemmeringen oplevert. Daarnaast wordt de bedrijfslocatie in noordelijke/noordoostelijke richting uitgebreid. Gezien de afstand tot de woning en het gegeven dat op deze plek het geldende bouwvlak wordt verkleind ten opzichte van het geldende planologisch regime, zorgt dit niet voor extra negatieve effecten. In noordelijke/noordoostelijke richting zijn geen gevoelige objecten gelegen, waardoor de uitbreiding in deze richting uit milieutechnisch oogpunt geen belemmering vormt. De meest nabijgelegen woning in noordelijke/noordoostelijke richting is op een afstand van circa 600 meter van de bedrijfslocatie gelegen. Gezien deze grote afstand zijn er geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aspect Bedrijven en milieuzonering.
28
Figuur 8 Milieuzone van 30 meter om huidige bedrijfslocatie rood aangegeven, omliggende woningen geel omcirkeld en huidige bedrijfswoning Zandberg 14a blauw omcirkeld
Omschakeling bedrijfswoning Voor de naastgelegen bedrijfswoning dient tevens te worden gekeken of er zich belemmeringen voordoen ten aanzien van Bedrijven en milieuzonering gezien deze woning wordt omgezet naar een burgerwoning. De richtafstand volgens de VNGbrochure “Bedrijven- en milieuzonering” bedraagt voor de aspecten luchtkwaliteit, gevaar en geur 10 meter en voor het aspect geluid 30 meter. In dit geval is de werkelijke afstand 0 meter, waardoor niet wordt voldaan aan de richtafstanden. Echter blijkt uit paragrafen 5.1.3 tot en met 5.1.6 dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de verschillende aspecten. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Voor overige woningen in de omgeving betekent de omschakeling naar een woonbestemming ter plaatse van de bedrijfswoning dat het agrarische bedrijfsperceel met bijbehorend bouwvlak op grotere afstand van hun woning komt te liggen. Hierdoor zal het bedrijf in de toekomst in ieder geval niet verder richting deze woningen kunnen worden verplaatst. Kortom, voor deze woningen is het afsplitsen van de woning en de herbestemming naar een woonbestemming op het gebied van milieuzonering een positieve verandering.
29
5.1.8
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het geldende bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 5.1.6) komt naar voren dat er geen kabels en/of leidingen in het plangebied of in de directe omgeving aanwezig zijn. Voor onderhavige ontwikkeling is nader onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Hoogspanningslijnen Op een afstand van circa 1,42 kilometer ten zuidoosten van het plangebied is een hoogspanningslijn (150 kV) gelegen. Aan beide zijden van de hoogspanningslijn dient een veiligheidsafstand van 105 meter te worden aangehouden. De planlocatie is ruimschoots buiten deze afstand gelegen, waardoor dit geen belemmering vormt.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.
5.2.1
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016 – 2021 van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De opgave in het POL2014 inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel.
30
Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.
5.2.2
Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 en de Bodematlas van de provincie Limburg blijkt dat de planlocatie niet is gelegen binnen een milieubeschermingsgebied ten aanzien van water. Het grondwater ter plaatse van het plangebied zit erg diep (Gemiddeld Laagste Grondwaterstand >2 meter). Oppervlaktewater In het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie tevens geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie wordt in de huidige situatie geloosd op het bestaande aanwezige rioleringsstelsel. In de beoogde situatie wordt de bestaande bedrijfslocatie uitgebreid met nieuwe bebouwing welke wordt aangesloten op dit bestaande rioleringsstelsel. De wijze waarop het afvalwater wordt afgevoerd zal nader worden uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning. Hemelwater Het Waterschap Limburg streeft ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken.
Door de realisatie van nieuwe bebouwing neemt het verhard oppervlak toe, waardoor hemelwater minder mogelijkheden heeft om direct in de grond te infiltreren. Om de toename van het oppervlak aan verharding te compenseren, zal een poel/vijver/bassin worden aangelegd voor de waterretentie (figuur 9). Gezien het grondwater op grote diepte zit, zal het waterbassin kunstmatig moeten worden uitgevoerd. Het doel is om hierbij een natuurlijke uitstraling te creëren. In de randen van
31
de poel kan worden gewerkt met infiltratie, waardoor het bassin als opvang voor regenwater kan dienen en water tegelijkertijd kan infiltreren. Indien de watervoorziening vol zit, zit er in de randen voldoende ruimte om het ‘overtollige’ water te laten infiltreren. De wijze waarop het hemelwater zal worden geborgen dan wel geïnfiltreerd zal nader worden uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning.
Figuur 9 Situering waterretentie ten oosten van de bedrijfsbebouwing
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd.
32
De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’. Dit gebied is op een afstand van circa 8,8 kilometer ten westen van de planlocatie gelegen. Op een afstand van circa 9,2 tot 14,6 kilometer zijn de natuurgebieden ‘Swalmdal’, ‘Maasduinen’, ‘Leudal’ en ‘Groote Peel’ gelegen. Om te bepalen of de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op Natura 2000gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Indien de uitkomst geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. laat zien, is sprake van een acceptabele ontwikkeling ten aanzien van het effect op natuurgebieden. In de berekening zijn zowel de aanlegfase (realisatie nieuw bedrijfsgebouw) als de gebruiksfase (toename verkeersbewegingen) meegenomen. De berekening is bijgevoegd in Bijlage IV.
In de berekening zijn zowel de aanlegfase als de gebruiksfase meegenomen. De berekening is gebaseerd op het worstcasescenario gezien deze fases feitelijk gezien niet op hetzelfde moment kunnen/zullen plaatsvinden. De aanlegfase heeft betrekking op de aanleg van de nieuwe inrit en de realisatie van de nieuwe bedrijfsbebouwing. De gebruiksfase heeft betrekking op het aantal extra verkeers- en transportbewegingen als gevolg van de onderhavige planologische wijziging. Voor het bepalen van het aantal verkeers- en transportbewegingen is het akoestisch onderzoek (Bijlage III) als basis gehanteerd. Met betrekking tot de bedrijfsuitbreiding is gerekend met een toename 25% van het aantal verkeers- en transportbewegingen (worstcase). In onderstaande tabellen zijn de aantallen aangegeven welke zijn meegenomen in de berekening. Licht verkeer heeft betrekking op personenauto’s, middelzwaar transport heeft betrekking op tractoren/landbouwvoertuigen en de ophaaldienst van asperges en zwaar transport heeft betrekking op vrachtwagens. Verkeersbewegingen Soort Licht verkeer
Transportbewegingen Soort Middelzwaar transport Zwaar transport
Huidige situatie 24
Huidige situatie 100 52
25% 6 Totaal
Nieuwe situatie 30 30
Totaal
Nieuwe situatie 125 65 190
+25% 25 13
Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr. tot gevolg heeft, Dit betekent dat de ontwikkeling geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden heeft. 33
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Om te bepalen of de ontwikkeling een significant negatief effect heeft op beschermde soorten is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage is als separate bijlage bijgevoegd. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfsplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de gewenste ontwikkeling worden beïnvloed. Daarnaast blijkt uit de effectenbeschrijving dat er geen onevenredige directe of indirect gevolgen zijn van de ontwikkeling op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen algemene soorten mogelijk uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Dit vormt echter geen belemmering. Er behoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet noodzakelijk. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De verwachte archeologische waarden zijn door de gemeente Peel en Maas middels dubbelbestemmingen vastgelegd in het bestemmingsplan. Conform het vigerende bestemmingsplan is er ter plaatse van de beoogde bedrijfsuitbreiding geen dubbelbestemming ten behoeve van archeologische waarden opgenomen. Nader archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding. 34
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit Het uitbreiden van een bedrijf kan zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. In dit geval zullen er meer verkeersbewegingen plaats gaan vinden vanwege de aan- en afvoer van producten. Per seizoen zal sprake zijn van een gemiddelde toename van 13 verkeersbewegingen per etmaal ten behoeve van vrachtwagens. Het aantal verkeersbewegingen door onder andere werknemers blijft gelijk, gezien het aantal werknemers niet toeneemt. In overleg met adviesbureau Kragten en de omgeving is gezocht naar een mogelijkheid om de verkeersdruk aan de Zandberg fors te reduceren. Hieruit is voortgekomen om een aparte ontsluitingsweg voor vrachtverkeer te realiseren en middels een inrijverbod ter hoogte van de bedrijfslocatie vrachtverkeer via de Zandberg uit te sluiten. In figuur 10 is een globale indicatie van de nieuwe ontsluitingsweg weergegeven.
Figuur 10 Globale indicatie nieuwe ontsluitingsweg vrachtverkeer
Deze toename van 13 verkeersbewegingen per etmaal zal niet tot nauwelijks merkbaar zijn in de omgeving. Dit komt tevens doordat de toegangsweg naar de bedrijfslocatie wordt verlegd en de voertuigbewegingen niet meer langs de woningen aan de Zandberg zullen plaatsvinden. De Zandberg, de Midden Peelweg (N277) en de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg op eigen terrein kunnen de minimale toename, qua capaciteit en profiel, naar verwachting goed verwerken.
35
Daarnaast is er op eigen terrein rekening mee gehouden dat er voldoende ruimte is ten aanzien van de draaicirkels van landbouwverkeer en vrachtwagens. In figuur 11 is weergegeven dat er in de beoogde situatie voldoende ruimte is om te draaien en te keren. Om de nieuwe ontsluitingsweg alsmede de wegreconstructie ter plaatse van de aansluiting op de Midden Peelweg N277 te realiseren, zullen de benodigde vergunningen in het kader van het aspect ‘Bouwen’ worden aangevraagd. Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Figuur 11 Draaicirkels landbouwverkeer en vrachtwagens
5.6.2
Parkeren Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het beleid omtrent parkeervoorzieningen is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas’. Conform dit bestemmingsplan wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals opgenomen in de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Voor bedrijven als Teboza wordt uitgegaan van een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. In de huidige situatie zijn enkel parkeerplaatsen benodigd voor personeel en gasten. Deze parkeerplaatsen zijn (en blijven ook in de nieuwe situatie) gesitueerd ten zuiden van de noordelijke bedrijfsbebouwing (zie figuur 12). Ook in de beoogde situatie zijn enkel parkeerplaatsen voor personeel en gasten benodigd. De bedrijfsuitbreiding gaat niet gepaard met een toename van het aantal werknemers en/of gasten, waardoor de parkeerbehoefte niet toeneemt. In de beoogde situatie zijn in dit geval geen extra parkeerplaatsen benodigd. In de beoogde situatie zullen er ten zuidoosten van de bedrijfsbebouwing nieuwe parkeerplaatsen worden
36
aangelegd. Gezien er in de huidige situatie zonder problemen in de parkeerbehoefte kan voorzien, zal dit in de beoogde situatie met een ongewijzigde parkeerbehoefte en meer parkeerplaatsen geen belemmeringen opleveren. Ten behoeve van de bedrijfsuitbreiding zal qua verkeer enkel het aantal vrachtwagens toenemen. Deze vrachtwagens zullen gebruik maken van de locatie om te laden en te lossen. De vrachtwagens zullen niet voor langere op deze locatie blijven staan, waardoor er ten behoeve van de bedrijfsuitbreiding geen extra parkeerplaatsen zijn benodigd.
Figuur 12 Parkeerplaatsen voor personeel en gasten aan voorzijde bedrijfsbebouwing
37
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Deze kosten worden verrekend middels gemeentelijke leges. Wanneer met een ruimtelijk plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is sprake van (het mogelijk maken van) een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro en wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd in de vorm van een anterieure overeenkomst die tussen gemeente en initiatiefnemer wordt gesloten.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer heeft in het kader van de omgevingsdialoog zijn plannen met de direct omwonenden gedeeld in de vorm van een informatiebijeenkomst welke in november 2020 heeft plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst hebben omwonenden aangegeven geen overwegende bezwaren te hebben tegen de voorgenomen ontwikkeling, maar wel graag betrokken te worden/blijven bij met name de verdere uitwerking van de wegreconstructie ter plaatse van de aansluiting Zandberg/N277. Een (geanonimiseerd) verslag van deze informatiebijeenkomst is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Naar aanleiding hiervan is een klankbordgroep samengesteld, waarmee in het kader van de verdere planontwikkeling op regelmatige basis overleg is gepleegd. Het ontwerpbestemmingsplan is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 24 november 2021 tot 5 januari 2022 ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
38
HOOFDSTUK
7 Afweging belangen
Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De beoogde bedrijfsuitbreiding past ruimtelijk-functioneel in de omgeving gezien er reeds sprake is van een bestaande bedrijfslocatie. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het besluitgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.
39