2022-028 03 Toelichting - Bestemmingsplan Laagheide 1 Panningen.pdf
Tekst van het document
25
De normen voor het risico dat burgers mogen lopen als gevolg van een ongeval met transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd.
Zoals al aangegeven is, wordt getoetst aan een plaatsgebonden- en een groepsrisiconorm die bepalen wat de maximale kans op dodelijke slachtoffers mag zijn in geval van een incident. Deze normen hebben het karakter van grenswaarden (zijnde het maximaal toelaatbaar risico) en richtwaarden in het milieubeleid. Voor ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het invloedsgebied van de risicovolle activiteit geldt een verantwoordingsplicht ten aanzien van het groepsrisico. Deze verantwoordingsplicht geldt ongeacht of normen worden overschreden. Uitgangspunt voor het beleid is dat burgers voor de veiligheid in hun woonomgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico): er mogen zich dus geen kwetsbare bestemmingen bevinden binnen de zone van het maximaal toelaatbaar risico. De kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers (groepsrisico) moet expliciet worden afgewogen en verantwoord. Binnen een straal van 500 meter rondom het bedrijf zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen (www.risicokaart.nl). Wat dat betreft vormt het aspect plaatsgebonden risico geen beperking voor onderhavig initiatief. Door onderhavig planvoornemen wijzigt het aantal woonachtigen niet binnen het plangebied. Een verantwoording in het kader van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde. Het aspect externe veiligheid is derhalve geen beperking voor onderhavig initiatief.
5.1.7 Geurhinder en veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het exclusieve toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd). Individueel effect Een individuele berekening van de effecten van geur op omliggende woningen is niet aan de orde. In de beoogde situatie worden geen dieren meer gehouden waarbij de geurbelasting ter plaatse van woningen berekend dient te worden. Beoogd is om de locatie bedrijfsmatig paarden te gaan houden. In theorie zou er ook rundvee gehouden kunnen worden. Voor paarden en rundvee geldt op basis van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste minimumafstand van 25 meter tussen gevel dierenverblijf en geurgevoelig object en een afstand van 50 meter tussen emissiepunt dierenverblijf en geurgevoelig
26
object voor zover gelegen buiten de bebouwde kom. De woning aan de Laagheide 2A is de meest dichtbij gelegen woning en gelegen buiten de bebouwde kom. Deze ligt op een afstand van circa 92 meter van de rand van het bouwvlak. Aan de benodigde afstanden wordt altijd voldaan. Alle andere woningen in de omgeving liggen op nog grotere afstand. Voorgrondbelasting Een berekening ten aanzien van de voorgrondbelasting is voor onderhavig initiatief niet aan de orde, er worden geen nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd. Het aantal woningen binnen het plangebied wijzigt niet door onderhavig initiatief. In de huidige situatie is het eigen bedrijf maatgevend ten aanzien van geurbelasting. Het woon- en leefklimaat voor wat betreft geur zal ter plaatse van de eigen bedrijfswoning aanzienlijk verbeteren. Daarmee is de ontwikkeling op basis van de voorgrondbelasting van geur aanvaardbaar. Cumulatieve effecten Een berekening ten aanzien van de achtergrondbelasting is voor onderhavig initiatief niet aan de orde, omdat de varkenshouderij wordt gesaneerd en de daarmee samenhangende geuremissie komt te vervallen. Hierdoor verbeterd het woon- en leefklimaat in de omgeving. In de beoogde situatie worden er paarden gehouden. Theoretisch zou er ook rundvee gehouden kunnen worden. Voor beiden zijn echter geen geuremissie normen beschikbaar, maar gelden vaste afstanden.
Zoals hierboven reeds aangegeven wordt aan de benodigde vaste afstanden voldaan. De ontwikkeling is op basis van cumulatieve geurhinder aanvaardbaar. Conclusie Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat er zowel individueel als cumulatief sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die voldoet aan de geurregelgeving.
5.2 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van desbetreffende leiding gewaarborgd. Een dergelijke dubbelbestemming ontbreekt in de omgeving van het plangebied in de vigerende bestemmingsplannen. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Eveneens zijn er geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
5.3 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.3.1 Flora en fauna De Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of
27
meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Dat betekent dat o.a. opzettelijke verstoring niet is toegestaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten. Komen soorten van de beschermingsregimes voor dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op deze beschermde soorten. Treden er effecten op dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantingsen/of vaste rust- en verblijfplaats te garanderen. Gezien het intensieve gebruik van het perceel tot op heden is het niet te verwachten dat er op het perceel te beschermen waarden en of soorten voorkomen. 5.3.2 Natura2000 De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet regelt aanwijzing, beheer en bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura2000-gebied. Binnen een straal van 10 kilometer rondom het plangebied zijn twee Natura2000-gebieden gelegen te weten de Deurnsche Peel en Mariapeel op circa 6.6 kilometer afstand, de Groote Peel op circa 9.9 kilometer afstand en het Swalmdal op een afstand van ongeveer 9.7 kilometer.
Zowel de WABO-vergunning als de Wnb-vergunning van het bedrijf zullen gewijzigd worden. De WABOvergunning voor het houden van de varkens zal volledig worden ingetrokken. Daarna zal er een nieuwe melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden ingediend waarbij de nieuwe activiteiten gemeld zullen worden. De Wnb-vergunning zal ook worden ingetrokken, waarbij 15% van de vergunde kilogrammen NH3 worden gereserveerd voor de toekomstige ontwikkeling van het bedrijf. Dit conform de beleidsregels intern en extern salderen van de Provincie Limburg. Daar 85% van de vergunde kilogrammen NH3 zal komen te vervallen, kan gesteld worden dat er in de nieuw beoogde situatie geen negatieve effecten op Natura2000-gebieden te verwachten. De belasting in de vorm van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden is in de huidige situatie vele malen groter dan dat deze in de nieuw beoogde situatie zal zijn. Het aspect Natura2000-gebieden vormt dan ook beperking voor onderhavig initiatief.
5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:
28
▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden.
5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte varieert tussen 31,3 meter +NAP en 31,6 meter +NAP. De originele bodem bestaat volgens de digitale bodemkaart van Nederland uit een zwarte enkeergrond, die voornamelijk is opgebouwd uit (zwak)lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. De gemiddeld hoogste grondwaterstand bevindt zich op circa 1,0 meter beneden maaiveld volgens de GHG kaart van het Nieuw Limburgs Peil. Voor de berekening van de capaciteit van de infiltratievoorziening zal veiligheidshalve gerekend worden met 1,0 meter beneden maaiveld. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Langs de Loosteeg is de watergang “Het Loo” gelegen (op ca. 40 meter van het bouwvlak), ten oosten is langs de Laagheide de watergang ”Dekeshorst” gelegen (op ruim 200 meter van het bouwvlak). Afvalwater / riolering Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.
5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig planvoornemen wordt een bestaande intensieve veehouderij omgeschakeld naar drie afzonderlijke grondgebonden agrarische bedrijven. Onderdeel van de regels behorende bij de SRV is dat de dierenverblijven verplicht gesloopt moeten worden, dat is voor onderhavige planlocatie circa
29
6.300 m2. Daarmee neemt de oppervlakte bebouwing in eerste instantie fors af. Na de sloop van de gebouwen zal in de komende jaren nieuwbouw gepleegd worden. Direct na de sloop zullen er 2 nieuwe bedrijfsruimten gebouwd worden met een afmeting van 848 m2 (24.5 x 17.3 x 2). Bij het aanvragen van de omgevingsvergunningen voor de onderdelen bouwen zal initiatiefnemer dan ook moeten aantonen dat voldoende opvangcapaciteit aanwezig is, of gerealiseerd wordt. Conform de eisen van het Waterschap Limburg geldt als uitgangspunt dat minimaal een bui van T=100 (100mm) opgevangen moet kunnen worden. Voor de nieuwe bedrijfsgebouwen beoogde loods zal dus een opvangcapaciteit van minimaal 85 m3 gerealiseerd dienen te worden. Hiervoor is op eigen terrein ruim voldoende ruimte aanwezig. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen voor deze loods zal de exacte dimensionering en locatie van deze infiltratievoorziening overlegd worden. Zo ook voor toekomstige bouwaanvragen op de locatie. In de beoogde situatie zal er niet meer (huishoudelijk) afvalwater op de gemeentelijke riolering geloosd worden dan dat momenteel het geval is. Waterkwaliteit Ten aanzien van de waterkwaliteit zijn er een aantal aspecten om in acht te nemen: ▪ af te koppelen dakoppervlakken mogen niet worden vervaardigd van uitlogende bouwmaterialen.
▪ af te koppelen verhardingen (wegen, parkeervoorzieningen en stoepen) kunnen verontreinigingen bevatten. Door tussenkomst van olie- / slibafscheidende kolken, of een voldoende brede bermpassage dient de kwaliteit van het afgevoerde hemelwater te worden gewaarborgd. ▪ Aanvrager draagt er zorg voor dat het erf wordt schoongehouden zodat er geen afvalstoffen in het water terecht kunnen komen. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.5 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied waaraan de waarden “Waarde Archeologie 5 en “Waarde Archeologie - 7” zijn toegekend. De bestemming “Waarde Archeologie – 5” houdt in dat bodemingrepen die minder diep reiken dan 40 cm en een oppervlak omvatten van 2500 m2 er geen archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Binnen de bestemming “Waarde Archeologie – 7” gelden dezelfde verstoringsdiepte en – oppervlakte. Deze waarden zijn als dubbelbestemming overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas. In onderhavig plan zijn deze dubbelbestemmingen en de daarbij behorende planregels 1 op 1 overgenomen. Bij eventuele toekomstige bodemingrepen zal aan de regels getoetst worden.
Daarmee is de archeologie in de bodem ook in de toekomst beschermd.
30
Afbeelding 6. Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart
Archeologie vormt daarmee geen beperkende factor voor onderhavig initiatief.
5.6 Verkeer en parkeren Het projectgebied ligt aan de Laagheide in het buitengebied. Deze weg ontsluit aan de westelijke zijde aan de Loosteeg. Op relatief korte afstand zijn de N562 (Maasbreeseweg), de N275 (Sevenumsedijk) en de A67 gelegen. Daarmee is de locatie goed ontsloten. De ruimtelijke ontwikkeling zal niet leiden tot extra verkeersbewegingen, de verwachting is dat het aantal verkeersbewegingen per saldo fors zal afnemen door het wegvallen van de verkeersbewegingen die samenhangen met de sanering van de varkenshouderij. Hierbij moet vooral gedacht worden aan het aanvoeren van diervoeders, afvoer van dieren en dierlijke mest. Parkeren en laden en lossen vindt, net zoals in de huidige situatie, plaats binnen de begrenzing van het plangebied. Het erf beschikt hiervoor over een voldoende omvang.
31
6. JURIDISCHE ASPECTEN In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit bestemmingsplan juridisch is vertaald. In het vigerende bestemmingsplan, het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” heeft de locatie de bestemming ‘Agrarisch – Intensieve veehouderij’. Deze bestemming wordt middels onderhavig plan gewijzigd in de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Gelijktijdig wordt een deel van de bestemming ’Agrarisch – Intensieve veehouderij’ omgezet naar ‘Agrarisch’. Per saldo is er daarmee sprake van een verkleining van het bouwvlak. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bestemmings- en bouwvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan.
Na vaststelling van het bestemmingsplan zal initiatiefnemer het plan verder uitwerken in de vorm van een aanvraag in het kader van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo) voor de onderdelen bouwen en zal er een melding ingediend worden in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemmingen voor de gronden gelden. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Voor de gronden kunnen meerdere tekens gelden, dit betreffen aanduidingen of dubbelbestemmingen. De aanduidingen betreffen in dit geval gebruiks-, gebieds- of maatvoeringsaanduidingen. Als een aanduiding of dubbelbestemming is opgenomen zijn daarvoor in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welke gebied het bestemmingsplan betrekking heeft. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. Op de analoge verbeelding wordt door middel van bouwvlakken en matrices specifieke informatie weergegeven.
6.2 Toelichting op de planregels Dezelfde regels als uit het vigerende bestemmingsplan zijn voor de bestemmingen ‘Agrarisch – Grondgebonden’ en ‘Agrarisch’ van toepassing. Hetzelfde geldt voor de regels voor de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie – 5” en “Waarde Archeologie - 7”.
32
7. UITVOERBAARHEID, INSPRAAK EN PROCEDURE
7.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten verbonden aan de realisering van dit project zijn geheel voor rekening van initiatiefnemer; maatschap Vissers-Gommans. Afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer over ambtelijke apparaatskosten worden via de legesverordening afgewikkeld. Voor de gemeente Peel & Maas zal de ontwikkeling kostenneutraal verlopen.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingswijziging moeten Burgemeester en Wethouders overleg plegen met het waterschap, andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met betrokken rijks- en provinciale diensten. Van dit vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. 7.2.1 Inspraakprocedure Het bestemmingsplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure. 7.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Met de provincie Limburg en het Waterschap Limburg zal geen apart vooroverleg gepleegd worden. 7.2.3 In gesprek met Peel en Maas Binnen de richtafstanden voor een grondgebonden agrarisch bedrijf is uitsluitend de locatie aan de Laagheide 2a gelegen. Overige woningen liggen op veel grotere afstand (> 150 meter). De eigenaar en bewoner van de Laagheide 2a is persoonlijk op de hoogte gebracht van de sanering van de varkenshouderij en het omvormen naar een grondgebonden agrarisch bedrijf. Deze gaf aan geen problemen te hebben met de bestaande bedrijfsvoering. Aangezien de beoogde bedrijfsvoering minder intensief is zullen er naar verwachting ter plaatse van zijn woning minder milieueffecten waar te nemen zijn. Dat ervaart hij als positief.
7.2.4 Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 25 november 2021 tot en met 6 januari 2022 ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingebracht.
7.3 Procedure In het kader van de procedure ex artikel 3.1 Wro dient de procedure genoemd in afdeling 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht gevolgd te worden. De procedure ziet er als volgt uit: • • •
Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;
33
• •
• •
Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
34